VERZILTING ANTWERPS KANAALPAND, KENMERK 0066

 


Bergen op Zoom, 10 maart 2015

 

Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen
 T.a.v Marc Van Peel
Havenhuis
Entrepotkaai 1
2000 Antwerpen (B) 

 

Betreft:          Verzilting Antwerps Kanaalpand, kenmerk 0066 

 

Geachte heer van Peel,

De Nederlandse regering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.

Voor het Gemeentelijk Havenbedrijf  Antwerpen kan het van belang zijn deze ontwikkelingen te volgen om dat de verzilting van het Volkerak-Zoommeer (de Rijn-Scheldeverbinding) gevolgen kan hebben voor het beheer van de haven van Antwerpen.  

Op pagina 134 van de Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie (oktober 2014) is te lezen: “Een zout Volkerak-Zoommeer leidt tot hogere zoutgehaltes in de havendokken van Antwerpen en het Antwerps Kanaalpand.” De verzilting van het Antwerps Kanaalpand kan gevolgen hebben voor de scheepvaart en de bescherming van schepen en installaties tegen corrosie. De Rijn-Scheldeverbinding is nu in principe een geheel zoetwatersysteem. Als dat gedeeltelijk zout wordt, vergt dat een andere benadering van de corrosieproblematiek voor bijvoorbeeld de schepen die afwisselend door zoet en zout water varen. Dit gaat fors meer geld aan onderhoud van de schepen vergen. Het overgrote deel van de vrachtschepen, die gebruik maken van het Volkerak-Zoommeer, zijn ontworpen en worden onderhouden voor zoet water.   

Als waterpartij die zich keert tegen de verzilting en de desastreuze gevolgen daarvan op de natuur en het economische verkeer tussen Nederland en België hebben wij de vrijheid genomen u op deze ontwikkeling te wijzen.  

hoogachtend,

Namens Ons Water

L.H. van der Kallen

 


VRAGEN EN ANTWOORDEN SCHRIFTELIJK OVERLEG ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE GREVELINGEN EN VOLKERAK-ZOOMMEER

 


december 2014

De voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Binnenhof 4

2513 AA Den Haag

 

Betreft:            Schriftelijk overleg ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

 

Geachte voorzitter,

Hierbij beantwoord ik, mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken, de vragen die zijn gesteld in het kader van het schriftelijk overleg over de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (RGV).  

Bij de beantwoording is dezelfde volgorde aangehouden als in de inbreng van de fracties (Kamerstuk 33531, nr. 2). Onderdeel A betreft de beantwoording van de inbreng van de VVD-fractie, onderdeel B die van de PvdA-fractie, onderdeel C van de inbreng van de SP-fractie en onderdeel D van de CDA-fractie. 

Hoogachtend,  

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

mw. drs. M.H. Schultz van Haegen

 

Vragen en antwoorden schriftelijk overleg ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Onderdeel A: Beantwoording van de vragen van de VVD-fractie

Vraag A1

De leden van de VVD fractie vragen hoe de twee conclusies uit de verschillende MKBA’s (de second opinion en de MKBA RGV) zich tot elkaar verhouden. Zij vragen zich ook af welke risico’s er zijn wanneer de berekeningen van CPB en PBL bewaarheid worden.

Antwoord A1

In de conclusies van de second opinion van het CPB en PBL wordt gesteld dat de aannames over de maatschappelijke baten in de concept-MKBA om een aantal redenen te positief zijn.

De second opinion van het CPB/PBL is gericht op een eerdere conceptversie van de MKBA waarin ook indirecte effecten gewaardeerd waren. Naar aanleiding van het commentaar van het CPB en PBL zijn de “indirecte effecten van extra mosselkweek en landbouwbaten door betere zoetwatervoorziening”, niet langer opgenomen in de overzichtstabel van de definitieve MKBA. Op dit punt is het commentaar van het CPB/PBL dus overgenomen, ook al zijn er volgens de opstellers van de MKBA wel aanwijzingen dat er enige effecten zullen zijn.

De overzichtstabel in de definitieve MKBA bevat voor de landbouwbaten alleen nog de directe effecten. Deze worden door het CPB/PBL redelijk en plausibel gevonden. CPB en PBL onderschrijven dat de aanleg van de zoetwatermaatregelen baten oplevert, die hoger zijn dan de kosten die ermee gemoeid zijn. Wel zien CPB en PBL de aanleg van de zoetwatermaatregelen graag als zelfstandig projectalternatief. Dit is ook als zodanig zichtbaar gemaakt in de definitieve MKBA (alternatief B2). Over de omvang van verschillende kleinere batenposten (woningwaarde, scheepvaartbaten) bestaat geen significant verschil van inzicht.

Het verschil van inzicht tussen de second opinion van CPB/PBL en de MKBA concentreert zich op de directe mosselbaten. Het CPB/PBL beschouwt in de second opinion de gepresenteerde baten voor de schelpdiersector als te hoog en meent dat deze effecten ook fors negatief uit kunnen vallen. De uitgevoerde analyses in het kader van de MKBA leiden wel tot de conclusie dat er substantiële mosselbaten zijn omdat het terugbrengen van getij op de Grevelingen en zout en getij op het Volkerak-Zoommeer kweekcondities voor schelpdieren (met name mosselen en oesters) creëert, die vergelijkbaar zijn met die van vóór de Deltawerken.

Om meer inzicht in dit geschilpunt te krijgen is in juli 2014 een expertbijeenkomst georganiseerd. Hier is door deskundigen op het gebied van ecologie, schelp- en schaaldiervisserij en de visserijsector zélf de conclusie getrokken dat de schelpdierproductie inderdaad kan toenemen door de introductie van getij in de Grevelingen en getij en zout in het Volkerak-Zoommeer (6 tot 10 miljoen kg jaarlijks per bekken). Daarnaast zijn er mogelijkheden voor mosselhangcultures, mosselzaadwinning, oesterkweek en tapijtschelpkweek. Verschil van inzicht is blijven bestaan over de monetaire waardering hiervan. Bij het monetariseren van opbrengsten en effecten in een verkennende fase is altijd sprake van onzekerheidsmarges en dus risico’s. Deze kunnen zowel positieve als negatieve effecten hebben.

Gezien de aanpassingen die gedaan zijn in de definitieve MKBA en de nadere analyse van de mosselbaten mag worden aangenomen dat er zeker mosselbaten zullen zijn. Dat sprake is van significante baten wordt ondersteund door de bereidheid – onder voorwaarden – van de schelpdiertelers om mee te betalen aan maatregelen, zoals is gebleken uit het programma Gebiedsontwikkeling Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, dat onder regie van de betrokken provincies is uitgevoerd vanwege de baten die de regio voorziet van beperkt getij terug op de Grevelingen en een weer zout VZM. Hierin zijn met inschakeling van de markt innovatieve bekostigingsmogelijkheden bezien, inclusief de mogelijkheden van kostenoptimalisatie en -besparing.

Vraag A2

De leden van de VVD-fractie willen graag een onderbouwing ten aanzien van de vraag op welke wijze en in welke mate de zoetwatervoorziening op de korte, middellange en lange termijn met de ontwerp-RGV voor de betrokken landbouwbedrijven en andere economische sectoren is geborgd. Er is straks met de doorvoering van de maatregelen uit de ontwerp-RGV minder zoetwater in de omgeving dan daarvoor. Op welke wijze wordt hiermee omgegaan? Welke maatregelen worden er genomen om er voor te zorgen dat agrarische en industriële gebruikers nog voldoende zoetwater hebben als de wateren weer zout worden? Met welke scenario’s is hierbij gerekend en kan worden aangegeven op welke wijze de landbouwsector kan profiteren van de wijzigingen als er bijvoorbeeld langdurige droogte is?

Antwoord A2

In de ontwerp-RGV is een aantal maatregelen opgenomen die de realisering van het ontwikkelperspectief mogelijk maakt. Een deel van deze maatregelen is ook onderdeel van het Deltaprogramma Zoetwater. Dit programma bevat onder meer maatregelen die de effecten van een zout Volkerak-Zoommeer op het gebruik van het zoete water in de Rijn-Maasmonding tot een minimum reduceren.

Ten eerste wordt voor de gebieden die momenteel direct afhankelijk zijn van zoet water uit het Volkerak-Zoommeer een alternatieve en betere zoetwatervoorziening gerealiseerd. Om in de huidige situatie in het groeiseizoen over voldoende zoet water te beschikken dat geschikt is voor peilbeheer, doorspoeling en beregening van de polderwateren, moet het Volkerak-Zoommeer worden doorgespoeld met grote hoeveelheden zoet water uit het Hollands Diep. Met de alternatieve zoetwatervoorziening kan dat op een meer effectieve en efficiënte wijze.

Ten tweede worden maatregelen uitgevoerd om de nadelige gevolgen van een zout Volkerak-Zoommeer op de omliggende zoete wateren tot een minimum te reduceren. Zo worden innovatieve zoet-zoutscheidingssystemen in de schutsluizen in gebruik genomen. In combinatie met een beperkte aanvoer van zoet water uit het Hollands Diep zal bij deze sluizen de zoutindringing naar het zoete water worden bestreden. Proeven in de Krammersluizen wijzen uit dat deze techniek goed werkt.

Ten derde worden maatregelen getroffen in de Rijn-Maasmonding om de volgende effecten te reduceren:

  • Toename van het chloridegehalte als gevolg van de beperkte zoutlast via de Volkeraksluizen op het Hollands Diep en Haringvliet in de Rijn-Maasmonding (bij lage Rijnafvoeren en gesloten Haringvlietsluizen);
  • Vermindering van de tegendruk van rivierwater tegen de zoutindringing in de Nieuw Waterweg als gevolg van het gebruik van zoet water voor de bestrijding van zoutindringing door de schutsluizen.

In concreto betreft dit de aanpassing van de drinkwatervoorziening Ouddorp (Evides), de inname van zoet water uit Oude Maas via de inlaatsluis Spijkenisse en de doorvoer van zoet water uit de Lek via de Krimpenerwaard naar innamepunt Gouda (Hollandsche IJssel).

Zolang het Volkerak-Zoommeer nog niet zout is, zal door extra doorspoelen van het Volkerak-Zoommeer met water uit het Hollands Diep en groot onderhoud aan de zoet-zoutscheiding in het Krammersluizencomplex gezorgd worden voor de beschikbaarheid van zoet water in het meer.

Op de middellange termijn zal na het weer zout worden van het Volkerak-Zoommeer de zoetwatervoorziening met behulp van de geschetste maatregelen plaatsvinden.

Op de lange termijn, wanneer duidelijk is op welke wijze klimaatverandering zorgt voor andere (zoetwater)condities, zijn mogelijk aanvullende maatregelen nodig.

Er zal altijd een kans bestaan op het optreden van extreme situaties (droogte en lage rivierafvoeren). In die situaties zal, net zoals nu, sprake zijn van het verstandig toedelen van het dan schaarse zoete water door toepassing van de verdringingsreeks.

Vraag A3

Voor de leden van de VVD-fractie is het uitgangspunt dat de overheid geen zoet water verzilt vanwege de natuur en dan de ondernemer meer laat betalen voor zijn zoete water. Kan worden aangegeven in hoeverre en op welke punten deze ontwerp-RGV strijdig is met dit uitgangspunt?

Antwoord A3

De zoetwatermaatregelen maken onderdeel uit van het pakket maatregelen behorend bij Deltabeslissing Zoetwater. Deze maatregelen zijn geprogrammeerd en geagendeerd in het kader van het Deltafonds. Daarbij is alleen sprake van een financiële bijdrage van regionale overheden en dus niet van een separate bijdrage van ondernemers.

Vraag A4

Het is de leden van de VVD-fractie niet duidelijk wat de gevolgen zijn als alleen de zogenoemde ‘altijdgoedmaatregelen’ worden doorgevoerd en alle overige maatregelen niet, dan wel als alleen de gedekte maatregelen uit hoofdstuk vier van de ontwerp-RGV worden doorgevoerd. Wat betekent dit voor de economische potenties van de recreatie-, toerisme-, landbouw-, industrie- en visserijsector? Wat betekent dit voor de waterkwaliteit en veiligheid?

Antwoord A4

Tot de ‘altijd goed’-maatregelen worden gerekend: de aanpassing van de Roode Vaart (1e fase), de inwerkingstelling van de Flakkeese Spuisluis en het maatregelenpakket voor een robuuster regionaal zoetwatersysteem (Deltabeslissing Zoetwater).

Het uitvoeren van deze ‘altijd goed’-maatregelen leidt tot een structurele en robuuste verbetering van de zoetwatervoorziening in de regio, respectievelijk een lokale verbetering van de waterkwaliteit op de Grevelingen. Er wordt dan geen robuuste oplossing geboden voor het waterkwaliteitsprobleem van het Volkerak-Zoommeer en in het overgrote deel van de Grevelingen blijft de waterkwaliteit verder achteruit gaan. De inwerkingstelling van de Flakkeese Spuisluis betekent ook dat er een locatie beschikbaar komt voor het testen van (innovatieve) turbines waarmee energie kan worden gewonnen uit getijdenbeweging (Tidal Test Centre).

Als de uitvoering zich beperkt tot alleen de gedekte maatregelen (i.c. openstellen Flakkeese Spuisluis en Roode Vaart) dan leidt dat tot vergelijkbare effecten, met dien verstande dat in dat geval de verbetering van de zoetwatervoorziening zich beperkt tot delen van West-Brabant.

Voor beide gevallen geldt dat de regionaal-economische ontwikkelingen (schelpdiersector, visserij en toerisme), die afhankelijk zijn van het weer zout maken en het introduceren van tij, niet zullen plaatsvinden. Voor de veiligheid heeft dit in beide gevallen geen gevolgen.

Vraag A5

In de aanbiedingsbrief bij de ontwerp-RGV van 10 oktober 2014 staat onder het kopje ‘uitkomsten ontwerp-RGV’ dat er geen zicht is op autonome verbetering van de waterkwaliteit van de Grevelingen. Vervolgens wordt verder in de brief geconstateerd dat de waterkwaliteit de afgelopen periode wel is verbeterd. Hoe verhouden deze twee uitspraken zich tot elkaar? Is het niet uit te sluiten dat de maatregelen met betrekking tot de waterkwaliteit in bredere zin al voldoende verbetering bewerkstelligen? De leden horen graag wat de verwachtingen zijn ten aanzien van de waterkwaliteit zonder grote ingrepen. In hoeverre zijn alternatieven, zoals de zogenoemde quaggamossel, als oplossingen onderzocht voor het tegengaan van blauwalg? Wat zijn de kosten van deze alternatieve oplossingen en wat zijn de kosten van verzilting?

Antwoord A5

De waterkwaliteit in de Grevelingen verbetert autonoom niet. Voor het Volkerak-Zoommeer is er de afgelopen jaren wel sprake van een lichte verbetering van de waterkwaliteit. Dat komt door de dalende nutriëntenbelasting (fosfaat en stikstof) vanuit de omringende wateren en gebieden. Deze daling is het gevolg van de uitvoering van de Nitraatrichtlijn en de emissiewetgeving die onder de Kaderrichtlijn Water valt. De prognose is echter dat de gehaltes aan nutriënten in het Volkerak-Zoommeer in ieder geval tot 2021 te hoog blijven om te voldoen aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water aan stilstaande zoete meren stelt.

De spontane vestiging van de quaggamossel, die als exoot de inheemse zoetwatermossel heeft verdrongen, heeft de afgelopen jaren tot een afname van blauwalgen(overlast) geleid.

Deskundigen zijn het erover eens dat de waterkwaliteit van het meer sterk afhangt van het ‘succes’ van de quaggamossel. Om die reden zijn zowel in de MKBA als in het MER twee scenario’s gehanteerd met als variabele het succes van de quaggamossel.

Bij een scenario waarbij de quaggamossel zich permanent en in voldoende mate kan vestigen in het Volkerak-Zoommeer, kan de waterkwaliteit blijvend verbeteren. Daarbij speelt echter ook het succes van emissiebeperkende maatregelen voor nutriënten een rol. Bij het scenario waarbij de quaggamossel in aantal terugloopt, zal de overlast aan blauwalgen toenemen.

Het scenario waarbij de quaggamossel kan zorgen voor een blijvende verbetering van de waterkwaliteit, leek de afgelopen jaren ingezet. In de zomer van 2014 was echter toch weer sprake van blauwalgenoverlast. Hierdoor moest de inname van water uit het Volkerak-Zoommeer voor de zoetwatervoorziening van de landbouw in West-Brabant tijdelijk moest worden stilgelegd. Tevens blijkt uit recente meetgegevens dat de hoeveelheid en verspreiding van de quaggamossel is teruglopen. Dit illustreert de onzekerheden rond de ontwikkeling van de waterkwaliteit van een zoet Volkerak-Zoommeer.

In de RGV is daarom geconcludeerd dat het weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer en het toelaten van beperkt getij, de meest betrouwbare en robuuste oplossing is voor de waterkwaliteitsproblemen.

Indien afgezien zou worden van het zout maken van het Volkerak-Zoommeer, dan blijven de kosten beperkt tot de aanpassing van de Roode Vaart (23 miljoen euro; inclusief BTW) en het onderhoud aan de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen (circa 17,5 miljoen euro).

De kosten voor het weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer worden geraamd op ca. 195 miljoen euro (inclusief BTW). Het betreft de kosten voor een doorlaatmiddel in de Philipsdam (ca. 47 miljoen euro), maatregelen voor een alternatieve zoetwatervoorziening (ca. 85 miljoen euro) en voor maatregelen ter bestrijding van zoutindringing op de omringende wateren (ca. 62 miljoen euro).

Vraag A6

Het scenario dat er niets zal gebeuren blijkt bovendien niet ondenkbaar, zo merken de leden van de VVD-fractie op. De financiering is immers nog niet rond. Te lezen is dat er wordt gewerkt aan robuuste financiering met betrokken partijen. Welke partijen zijn er betrokken? Welke partijen hebben zich bereid verklaard om financieel bij te dragen, onder welke condities en in welke mate? Als er geen financiering komt is de conclusie dan juist dat de uitvoering beperkt blijft tot ‘altijdgoedmaatregelen’ en maatregelen in het kader van de Flakkeese Spuisluis en Roode Vaart?

Welke gevolgen heeft dit precies voor de waterkwaliteit en de waterveiligheid, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Wat betekent dit voor de economische potenties van de verschillende economische sectoren van recreatie, toerisme, landbouw, industrie en visserij? In hoeverre is dit scenario beoordeeld in de verschillende MKBA-studies en met welke uitkomsten? Is hierin bijvoorbeeld wel de zoetwatervoorziening voor agrarische ondernemers opgenomen? Op pagina 57 van de ontwerp-RGV is immers te lezen dat deze investering een positieve MKBA oplevert, ook als het Volkerak-Zoommeer uit zichzelf weer vrij wordt van blauwalg. Welke gevolgen hebben de alternatieven precies voor de MKBA, de waterkwaliteit en de waterveiligheid, zo vragen deze leden.

Antwoord A6

Om te komen tot een robuuste financiering worden gesprekken gevoerd met de betrokken regionale overheden (provincies, waterschappen en gemeenten), marktpartijen (aannemers, beleggers, projectontwikkelaars) en gebruikers (schelpdiertelers, agrariërs, recreatieondernemers en terreinbeheerders).

Deze gesprekken hebben nog een verkennend karakter. Ten tijde van het opstellen van de ontwerp-RGV is bereidheid gebleken bij de genoemde partijen om te komen tot afspraken over de bekostiging. Door genoemde partijen is aangegeven dat het nodig is om te beschikken over een – door het Rijk vastgesteld – ontwikkelperspectief. De RGV moet hierin voorzien.

Als er geen financiering komt dan blijft de verwezenlijking van het ontwikkelperspectief (voorlopig) beperkt tot realisatie van de projecten Flakkeese spuisluis en Roode Vaart (1e fase) en uitvoering van de deltabeslissing Zoetwater. Voor de waterveiligheid heeft dit geen gevolgen. De gevolgen voor de waterkwaliteit zijn beschreven bij de beantwoording van vraag A4 en A5. Dit scenario is in de MKBA onderzocht in alternatief A (uitgangssituatie). Hierin is de aanpassing van de zoetwatervoorziening voor de agrariërs niet opgenomen. Deze aanpassing is opgenomen in alternatief B2. De resultaten van de MKBA zijn weergegeven in paragraaf 8.4 van de RGV.

Vraag A7

Wat betekent het als de financiering niet binnen een jaar is geregeld voor de eventuele ruimtelijke reserveringen op basis van de ontwerp RGV? Vervallen deze dan? Welke termijnen gelden er voor de reserveringen en wanneer wordt er uiterlijk definitieve besluitvorming verwacht? Is dat alleen afhankelijk van aanvullende financiering of spelen er nog andere zaken mee? Zo ja, welke?

Antwoord A7

Voor het weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer en het terugbrengen van beperkt getij op de Grevelingen zijn geen ruimtelijke reserveringen nodig. Er is dus ook geen sprake van termijnen. De besluitvorming over de maatregelen uit de RGV is uiterlijk eind 2015 voorzien en is alleen afhankelijk van de regeling van de financiering.

Vraag A8

Verder willen de leden van de VVD-fractie graag weten op welke wijze de waterkwaliteit van het Volkerak-Zoommeer op peil blijft zolang het zoet is. Eventuele verzilting is pas in 2028 aan de orde. Welke kosten zijn hier mee gemoeid en door wie worden deze gefinancierd, zo vragen zij.

Antwoord A8

Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is zal Rijkswaterstaat de afspraken nakomen die zijn opgenomen in het Waterakkoord Volkerak-Zoommeer over het chloridegehalte in het meer. Om dit te kunnen doen is groot onderhoud aan het zoet-zout scheidingssysteem in het Krammersluizencomplex nodig. Dit is enige jaren uitgesteld in afwachting van een besluit over een zoet of zout Volkerak-Zoommeer. Hierdoor is er sprake van een grotere lek van zout door deze sluizen.

Dat wordt momenteel opgevangen door het meer extra te spoelen met water uit het Hollands Diep. Groot onderhoud aan het zoet-zout scheidingssysteem kan gebeuren door het huidige systeem te herstellen. Dit systeem heeft hoge exploitatiekosten vanwege energieverbruik en het onderhoud van deze ingewikkelde en deels verouderde installatie. Daarnaast heeft dit systeem lange passeertijden voor de scheepvaart.

Rijkswaterstaat werkt op dit moment een alternatief uit, waarbij op innovatieve wijze het zoete en zoute water worden gescheiden. Inzet van een dergelijk systeem betekent naar verwachting lagere exploitatiekosten en kortere passeertijden voor de scheepvaart. Afgelopen zomer zijn goede ervaringen opgedaan met dit systeem in een van de jachtensluizen van het Krammersluizencomplex. Belangrijke elementen van het innovatieve systeem, zoals luchtbellenschermen en het zoetwaterspoelsysteem, zijn onderdeel van het zoet-zout scheidingssysteem dat op het Volkeraksluizencomplex zal worden geïnstalleerd bij een zout Volkerak-Zoommeer.

Naast het herstel van het zoet-zoutscheidingssysteem op het Krammersluizencomplex wordt onderzocht of het mogelijk is via extra doorspoeling van het meer voorafgaand aan het groeiseizoen, het zoutgehalte in het Volkerak-Zoommeer omlaag te brengen om zo een buffer te creëren tegen het oplopen van het zoutgehalte in de zomermaanden (“winterspoelen”). Indien deze extra doorspoeling haalbaar is, zal dat ook onderdeel uitmaken van het waterakkoord.

Rijkswaterstaat schat de kosten van het groot onderhoud aan de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen in op circa 17,5 miljoen euro.

Wat betreft de overige aspecten van waterkwaliteit wordt verwezen naar antwoord A5.

 

 

Onderdeel B: Beantwoording van de vragen van de PvdA-fractie

Vraag B1

De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden met het besluit om de problemen met de waterkwaliteit van de Grevelingen en het Volkerak-Zoommeer aan te pakken. Deze leden zijn blij dat dit een positieve invloed heeft op de biodiversiteit. Deze leden verzoeken de regering om de positieve effecten die deze ontwerp-rijksstructuurvisie op de biodiversiteit heeft, nader toe te lichten. Op welke termijn kunnen deze effecten verwacht worden? Deze leden vragen de regering daarnaast wat de andere positieve milieueffecten zijn en op welke termijn deze verwacht kunnen worden.

Antwoord B1

Herintroductie van zout en getij zal het Volkerak-Zoommeer terugbrengen naar een systeem met een estuarien karakter. Dat sluit beter aan bij de omringende deltagebieden en zijn karakteristieke natuurwaarden. Het Volkerak-Zoommeer wordt op deze manier onderdeel van het grote, veel meer robuuste systeem van de Zuidwestelijke Delta. Dit past bij het streefbeeld van het Nationaal Waterplan.

Het terugbrengen van getij in de Grevelingen vanuit de Noordzee lost de huidige problemen met de waterkwaliteit vrijwel geheel op. Hierdoor ontstaat een gezond, meer divers en daardoor robuust ecosysteem. Daarnaast biedt de doorlaat in de Brouwersdam betere migratiemogelijkheden voor vissen en zeezoogdieren.

Het verbeteren van beide gebieden levert, door de schaal en omvang waarop natuurlijke processen zich kunnen manifesteren, een belangrijke bijdrage aan het meer robuust maken van de Zuidwestelijke Delta als geheel. Dit zal zich naar verwachting ook op lange termijn (50-100 jaar) uitbetalen door de grotere veerkracht tegen externe invloeden van klimaatverandering.

Effecten op de waterkwaliteit (zuurstofhuishouding) van de Grevelingen treden onmiddellijk na openstelling van het doorlaatmiddel op. Volledig herstel van het bodemleven zal naar verwachting ongeveer 6 jaar duren.
Zodra de systeemwijziging van het Volkerak-Zoommeer een feit is, zal de overlast van de blauwalgen op korte termijn verdwijnen. De ecologie volgt deze verbetering met enige vertraging; hierbij is eerder sprake van enkele jaren dan decennia. Naar verwachting zullen de processen in het Grevelingen sneller verlopen omdat daar geen verandering van zoet naar zout speelt.

Vraag B2

De leden van de PvdA-fractie lezen dat door een zoutlek de zoutconcentraties van het Hollands Diep, Haringvliet en Spui kunnen toenemen. Deze leden vragen de regering toe te lichten wat de gevolgen hiervan voor de natuur zijn en of er nog aanvullende maatregelen genomen kunnen en zullen worden om de negatieve gevolgen, indien deze aanwezig blijken te zijn, zoveel mogelijk te beperken.

Antwoord B2

De gevolgen van de zoutlek voor de natuur zijn verwaarloosbaar door de voorziene zoet-zoutscheiding waarmee de zoutlek wordt geminimaliseerd.
Het is daarom niet noodzakelijk aanvullende maatregelen te nemen.

Vraag B3

De leden van de PvdA-fractie vragen op basis van welke onderzoeken besloten zal worden of, en zo ja wanneer, bescherming tegen overstromingen bij de Rijn-Maasmonding door middel van het versterken van dijken nodig is.

Antwoord B3

Op basis van het onderzoek dat wordt uitgevoerd voor het toetsen van de dijkvakken op hoogte en sterkte met het Wettelijk Toetsinstrumentarium (WTI), wordt een uitvoeringsprogramma voor dijkaanpassing opgesteld: het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het tijdstip waarop deze versterkingen plaatsvinden is afhankelijk van de prioriteitsstelling, die wordt ontleend aan de overstromingsrisico’s (urgentie).

Vraag B4

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de keuze voor een zout Volkerak-Zoommeer gevolgen heeft voor de zoetwatervoorziening in het Rijnmaasmondgebied. Deze leden zien dat Rijkswaterstaat aandringt om gelet daarop de Deltabeslissing Zoetwater zoals voorgesteld in het Deltaprogramma uit te voeren. Deze leden vragen de regering wat de effecten zullen zijn van de uitvoering van dit programma. Deze leden vragen de regering daarnaast of zij het advies van Rijkswaterstaat op dit gebied volgt.

Antwoord B4

De maatregelen zoals voorgesteld in het Deltaprogramma Zoetwater hebben primair tot doel om de kwaliteit en de leveringszekerheid van de huidige en toekomstige zoetwatervoorziening voor de afnemers van water uit het huidige Volkerak-Zoommeer te verbeteren. Dit geldt voor West-Brabant, Goeree-Overflakkee, Tholen en St Philipsland en de Reigerbergsche Polder in Zuid-Beveland. Uitvoering van het programma Zoetwater draagt bij aan de vereiste om een alternatieve zoetwatervoorziening te regelen, voordat het Volkerak-Zoommeer zout kan worden (‘eerst het zoet, dan het zout’). Naast de alternatieve zoetwatervoorziening zijn ook maatregelen nodig om zoutindringing naar omringende wateren te beperken, inclusief de RijnMaasmonding. Deze maatregelen zijn beschreven in het antwoord op vraag A2.

Het advies van Rijkswaterstaat zal zeker een rol spelen bij de uitvoering van het Deltaplan Zoetwater. Een aantal maatregelen is in de agendering en programmering van dit plan opgenomen.

 

Onderdeel C: Beantwoording van de vragen van de SP-fractie

Vraag C1

De minister van Infrastructuur en Milieu schetst in haar brief van 10 oktober 2014 dat onder meer de verslechtering van de water- en natuurkwaliteit van de bekkens Grevelingen (zuurstofloosheid) en Volkerak-Zoommeer (blauwalgenplagen) de aanleiding is geweest voor deze Rijksstructuurvisie. De leden van de SP-fractie willen graag uitgaan van dit gegeven als uitgangspunt. Hierdoor komt een niet onbelangrijke andere zaak als (mogelijke) economische potenties wat deze leden betreft pas later in beeld. Deze leden behandelen dit soort nevenwensen vooralsnog niet in deze inbreng.

Over de water- en natuurkwaliteit van genoemd gebied zijn vele vragen te stellen, die naar mening van de leden van de SP-fractie eerst beantwoord dienen te worden, alvorens het pad van verdergaande plannen op te gaan. Is de kwaliteit van het water echt nog wel zo slecht? Heeft de aanwezigheid van de quaggamossel niet een flinke verbetering ingezet? Is het niet een kwestie van tijd? Bestaat de mogelijkheid om de ontwikkeling van de quaggamossel op een langere termijn te bezien en te wachten met het besluit om met het Volkerak-Zoommeer van zoet naar zout te gaan? Zou de waterkwaliteit, indien er wordt over gegaan tot zoutwater, nu echt wel zoveel beter worden? Waar blijkt dit uit? Is dit onderzocht? Wat zijn hiervan de uitkomsten?

Klopt het dat er geen zicht is op autonome verbetering van de waterkwaliteit van de Grevelingen? Zijn er andere wegen om de zuurstofloosheid tegen te gaan? Zo ja, welke en zijn deze onderzocht?

Antwoord C1

Voor de Grevelingen is er geen zicht op autonome verbetering. Van het areaal aan bodem dat in de zomermaanden levenloos wordt, herstelt in de wintermaanden slechts de helft. Per saldo is dus sprake van een steeds verdergaande achteruitgang. In theorie is er voor de aanpak van deze problematiek een andere mogelijkheid dan het terugbrengen van getij op de Grevelingen. Dat betreft het inzetten van zogeheten Solar Bees, die ervoor zorgen dat de waterlagen mengen. In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van de MIRT-verkenning Grevelingen is beargumenteerd dat deze techniek niet als een duurzame oplossing wordt gezien, omdat ze zich niet nog op de schaal van de Grevelingen heeft bewezen, ze niet duurzaam is vanwege het energiegebruik en door het ruimtegebruik tot hinder leidt voor andere gebruiksfuncties van de Grevelingen.

Voor de analyse van de kwaliteitsontwikkeling van het Volkerak-Zoommeer wordt verwezen naar het antwoord op vraag A5.

Vraag C2

Zijn de drie basiskeuzen ingegeven vanuit de behoefte de water- en natuurkwaliteit te verbeteren, of is dat uitgangspunt vooral ingegeven om tegemoet te komen aan wensdenken in combinatie met een gebrek aan geld, zo vragen de leden van de SP-fractie. De tekst in de eerder aangehaalde brief van de minister van Infrastructuur en Milieu is immers “Op de rijksbegroting zijn echter door de noodzaak van scherpe prioritering onvoldoende middelen beschikbaar voor de uitvoering van het ontwikkelingsperspectief in de RGV”.

Antwoord C2

Aan de drie basiskeuzen liggen de vraagstukken van de waterkwaliteit in het Volkerak-Zoommeer en de Grevelingen (twee basiskeuzen) en van de veiligheid tegen overstromingen (derde basiskeuze) ten grondslag.

Het waterkwaliteitsprobleem in het Volkerak-Zoommeer is merkbaar door de vertroebeling, te hoge concentraties stikstof en fosfaat en de jaarlijks terugkerende overlast van blauwalgen in de ondiepe delen van het meer. In de Grevelingen zijn grote delen van het meer in elke zomerperiode enige tijd zuurstofloos, waardoor bodemdieren sterven. Door de noodzaak echter van scherpe prioritering op de rijksbegroting zijn inderdaad onvoldoende middelen beschikbaar om op korte termijn verbetermaatregelen uit te voeren.

Mede hierdoor is onder regie van de betrokken provincies het programma Gebiedsontwikkeling Grevelingen en Volkerak-Zoommeer uitgevoerd. Hierin wordt de ambitie van de regio van getij terug op de Grevelingen en een weer zout Volkerak-Zoommeer kracht bijgezet met (innovatieve) financieringsarrangementen van overheden, marktpartijen en gebruikers. Om de kansen van de gebiedsontwikkeling te kunnen realiseren heeft de regio behoefte aan een door het Rijk vastgesteld toekomstbeeld. Om die reden heeft het Rijk besloten tot een innovatieve pilot om samen met de regio in het jaar na de vaststelling van de ontwerp-rijksstructuurvisie naar financiële dekking te zoeken voor de beoogde structurele verbetering van de waterkwaliteit van Grevelingen en Volkerak-Zoommeer.

Voor de derde basiskeuze – de veiligheid tegen overstromingen in het gebied rond Haringvliet, Hollands Diep en bij Dordrecht – is de oplossing het versterken van de dijken, wanneer de klimaatverandering dat nodig maakt. Deze maatregelen zullen worden bekostigd vanuit het Deltafonds.

Vraag C3

De leden van de SP-fractie lezen tevens in deze brief dat “er nog een inspanning nodig is voor de dekking van de kosten van de hiervoor benodigde maatregelen” en “wordt hieraan de randvoorwaarde verbonden dat binnen één jaar na de bekendmaking van de ontwerp-RGV tot en robuuste financiering van de maatregelen wordt gekomen (dat is eind 2015)”. De leden van de SP-fractie lezen hierin dat indien de financiering niet rond komt, het ‘hele feest niet doorgaat’. Deze leden vragen wat er over blijft van de ontwerp-RGV indien betrokken provincies en waterschappen het geld niet bij elkaar krijgen. Wat is, of wordt, de status van deze rijksstructuurvisie? Deze leden vragen of het dan simpel ‘einde oefening’ is of dat er dan zaken vanuit het Rijk alsnog dwingend zullen worden opgelegd. Zo ja, welke?

Op welke moment wordt er door wie een besluit genomen? En zo ja, waarover? Wordt de Kamer expliciet voorgelegd wat te doen met deze ontwerp-RGV? Graag ontvangen deze leden hier een uitgebreide toelichting op.

Antwoord C3

De vaststelling van de definitieve rijksstructuurvisie is afhankelijk van de voortgang bij het robuust maken van de bekostiging van de maatregelen. Een eerste stap daarbij is het sluiten van een bestuursovereenkomst met de regio.

Mocht het niet mogelijk blijken om in het jaar na vaststelling van de ontwerp-RGV financiële dekking te vinden, dan blijft de verwezenlijking van het geschetste ontwikkelingsperspectief (voorlopig) beperkt tot realisatie van de projecten Flakkeese spuisluis en Roode Vaart en uitvoering van de deltabeslissing Zoetwater (zie ook het antwoord op vraag A4).

Bij een mogelijke toekomstige wijziging van de financieringsmogelijkheden of van de uitkomst van de prioritering van financiële middelen vanwege de noodzaak tot snel ingrijpen, dient het ontwikkelperspectief uit deze rijksstructuurvisie voor het Rijk als leidraad bij nieuw overleg en planvorming, bijvoorbeeld in het kader van de voorbereiding van de derde tranche programmering van budgetten om de waterkwaliteit te verbeteren volgens de Kaderrichtlijn Water (2019).

Vraag C4

De Rijksstructuurvisie heeft geen directe rechtsgevolgen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Heeft het op basis van andere wetten mogelijk wel rechtsgevolgen, zo vragen de leden van de SP-fractie. Zo ja, welke?

Antwoord C4

Een rijksstructuurvisie is een beleidsdocument op grond van de Wet ruimtelijke ordening dat gevolgen heeft voor het Rijk, maar geen externe rechtsgevolgen heeft. Tegen een rijksstructuurvisie kan om die reden geen beroep bij de rechter worden ingesteld. Een structuurvisie is in dat opzicht niet gelijk te stellen met een bestemmingsplan, dat voor burgers en bedrijven bindende bepalingen bevat.

De rijksstructuurvisie bindt wel het Rijk, in die zin dat hiervan bij het nemen van besluiten niet ongemotiveerd kan worden afgeweken. De verwijzing naar (het besluitbegrip in) de Awb betekent niet dat de structuurvisie op grond van een andere wet wel directe rechtsgevolgen zou hebben. Er zijn ook geen rechtsgevolgen op basis van andere wetten.

Vraag C5

De leden van de SP-fractie zouden graag over de inhoud van de Kader Richtlijn Water (KRW) beter worden geïnformeerd. Wat zijn de doelen ten aanzien van het Volkerak-Zoommeer op dit moment, nog zonder ingrepen? Hoe komen die zaken eruit te zien indien het Volkerak-Zoommeer zout wordt en beide meren getij hebben gekregen? Wat worden dan de doelen voor de waterkwaliteit?

Antwoord C5

Voor het huidige zoete systeem van het Volkerak-Zoommeer gelden de KRW-maatstaven voor ‘matig grote diepe gebufferde zoete meren’ (M20). Onderzoek in het kader van de effectbeoordeling in het MER bij de RGV, wijst uit dat momenteel niet wordt voldaan aan de KRW-maatstaven voor stikstof, doorzicht en fosfaat. Ook aan de maatstaven voor algen (fytoplankton), waterflora, macrofauna en vis wordt nog niet voldaan. Dit ondanks verbeteringen die op het conto van de quaggamossel kunnen worden geschreven. Meer recente gegevens voor de ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen 2016 -2021 bevestigen dit beeld voor fosfaat en stikstof, terwijl de aspecten algen en doorzicht op dit moment als goed worden beoordeeld.

Volgens het MER voor de RGV is het onzeker dat het meer zich zonder ingrijpen zal ontwikkelen tot een duurzaam en robuust zoet watermeer. Zie verder het antwoord op vraag A5.

Wanneer het Volkerak-Zoommeer weer zout wordt, gaan andere KRW-maatstaven gelden, namelijk die voor een ‘estuarium met matig getijverschil’ (O2). Hiervoor gelden ook doelen voor stikstof, fosfaat, doorzicht, en dergelijke, maar dan met andere getalswaarden. Bij een zout Volkerak-Zoommeer zal de haalbaarheid van de KRW-maatstaven voor ‘overige waterflora’, ‘macrofauna’ en ‘vissen’ verbeteren, terwijl de haalbaarheid voor ‘hydromorfologie’ en ‘fytoplankton’ naar verwachting gelijk zal blijven. Voor ‘fysische chemie’ (o.a. stikstof en fosfaat) zal het, zonder extra maatregelen om aanvoer van voedingsstoffen vanuit het Hollands Diep en de Brabantse rivieren vanuit het Hollands Diep en de Brabantse rivieren te beperken, lastig blijven om aan de maatstaven van de KRW te voldoen. Bij een zout Volkerak-Zoommeer is het mogelijk om met schelpdierkweek in (kunstmatig) hoge dichtheden (zoals ook in de Oosterschelde plaatsvindt) de graasdruk op algen te verhogen en met het oogsten van de schelpdieren nutriënten uit het systeem te halen.

De type-aanduiding volgens de KRW voor de Grevelingen is nu ‘Grote brakke tot zoute meren’. Bij het terugbrengen van beperkt getij zal dit veranderen in ‘kustwater, beschut en polyhalien’. Onderzoek in het kader van de effectbeoordeling in het MER bij de RGV, laat zien dat in de huidige situatie wordt voldaan aan de KRW-maatstaven voor fysische chemie en fytoplankton. De toestand van macrofauna en vis is matig en van overige waterflora slecht en dat is ook de prognose voor de toestand in 2021. Dit wordt bevestigd door recente gegevens voor de ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen 2015-2021 voor de KRW. De verwachting is dat met het verslechteren van de zuurstofcondities en de bijbehorende ecologische processen in 2027 nog steeds niet aan de KRW-maatstaven kan worden voldaan voor overige waterflora, macrofauna en vis.

Vraag C6

Welke maatregelen zijn nodig bij voortzetting van de huidige toestand? Hoeveel besparing levert dit op, waarop en voor wie? Wat is nu werkelijk het belang van de KRW binnen deze voornemens?

Antwoord C6

Bij voortzetting van de huidige toestand (een zoet Volkerak-Zoommeer) zijn, afgezien van het aanbrengen van enkele vispassages tussen het meer en achterliggende polderwateren, geen maatregelen gepland.

Wat betreft de besparingen en de kostenverdeling zie het antwoord op vraag A5. Het algemene belang van de KRW is gelegen in de doelstelling om te komen tot bescherming, verbetering en herstel van de waterkwaliteit. Zie het antwoord op vraag C5.

Vraag C7

In paragraaf 2.5 wordt gesproken over het toepassen van het profijtbeginsel. De leden van de SP-fractie hebben hier nog geen invulling door de regering, in de zin van informatie door middel van een brief, van gezien. Hoe gaat dat eruit zien? Hoe kan het dat er zonder openbaar bekende visie over het profijtbeginsel er blijkbaar al wel op vooruit gelopen wordt in overleggen?

Antwoord C7

In het jaar na vaststelling van de ontwerp-Rijksstructuurvisie verkennen regio en Rijk de mogelijkheden van bekostiging van het ontwikkelperspectief. Dat gebeurt in het Programma Gebiedsontwikkeling 2e fase. In dat kader wordt onderzocht op welke wijze kostenbesparingen mogelijk zijn en of combinaties met ambities voor recreatie, woningbouw en natuurontwikkeling mogelijk zijn. Daarbij wordt ook bezien of de waardecreatie als gevolg van de verbetering van de waterkwaliteit, omgezet kan worden in financiële betrokkenheid van de ‘gebruikers’ die profijt trekken van de waardecreatie. Dit past in een benadering van gebiedsontwikkeling waarbij complexe projecten gemeenschappelijk en stapsgewijs worden gerealiseerd, met ruimte voor samenwerking met nieuwe partijen.
De gebiedsontwikkeling rond Grevelingen en Volkerak-Zoommeer wordt in de RGV gezien als een innovatieve samenwerkings- en financieringspilot.

Vraag C8

Op welk moment en met welke dringende reden zijn er al stappen in gang gezet? Zoals de Flakkeese spuisluis en het aanpassen van de Roode Vaart genoemd worden als verbetering van de waterkwaliteit. Wat zal dit verbeteren?

Antwoord C8

De stappen die in gang zijn gezet betreffen de zogenoemde ‘altijd goed’-maatregelen die sowieso zorgen voor een kwaliteitsimpuls aan het gebied.
Deze initiatieven renderen dus ook als er geen getij terug komt op de Grevelingen en het Volkerak-Zoommeer zoet blijft.

De aanbestedingsprocedure voor de inwerkstelling van de Flakkeese Spuisluis is afgelopen zomer gestart. Dat is op dringend verzoek van de regio en de markt gebeurd, omdat deze partijen in het kader van innovatieve deltatechnologie een Tidal Test Centre (TTC) willen bouwen. Door de inwerkstelling van de Flakkeese Spuisluis verbetert lokaal de waterkwaliteit in het oostelijk deel van de Grevelingen en komt een locatie beschikbaar voor het testen van (innovatieve) turbines waarmee energie kan worden gewonnen uit getijdenbeweging en waterstroming.

De aanpassing van de Roode Vaart is een initiatief van de provincies Noord-Brabant en Zeeland, het waterschap Brabantse Delta en de gemeente Moerdijk. Genoemde partijen hebben hierover eind 2013 een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Het Rijk levert een financiële bijdrage vanwege de voorbeeldfunctie van dit project voor de strategische aanpak (langs de lijn van adaptief deltamanagement) van de (zoet)wateropgave van het Deltaprogramma en de verbinding van waterbeheer met ruimtelijke ontwikkeling. De urgentie komt door de koppeling met het plan van de gemeente Moerdijk om in het centrum van Zevenbergen de oorspronkelijke loop van de Roode Vaart te herstellen.
De aanpassing van de Roode Vaart wordt tevens benut om delen van West-Brabant (en op termijn Tholen en St. Philipsland) via de Roode Vaart te voorzien van water uit het Hollands Diep. Deze gebieden zijn nu voor de zoetwatervoorziening afhankelijk van het Volkerak-Zoommeer. Het water uit het Hollands Diep is van betere kwaliteit (lager chloridegehalte) en biedt meer leveringszekerheid (geen innamestops door blauwalgenplagen) dan het water uit het Volkerak-Zoommeer. Door dit initiatief verbetert dus de zoetwatervoorziening van de landbouw ten opzichte van de huidige situatie.  

Vraag C9

Wat indien er gekozen zou worden het Volkerak-Zoommeer niet zout te maken? Welke verbeteringen zijn volgens de KRW (2019) specifiek voor dit gebied, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Antwoord C9

Voor een stabiel zoet Volkerak-Zoommeer zijn in elk geval (extra) maatregelen nodig om de aanvoer van stikstof en fosfaat vanuit omliggende gebieden en wateren te beperken. Ook in dat geval zal nog langere tijd sprake zijn van nutriëntenbelasting van het Volkerak-Zoommeer door nalevering vanuit de (water)bodem. Conform het MER dat voor de RGV is uitgevoerd, is het onzeker of het meer zich zonder aanvullende maatregelen zal ontwikkelen tot een duurzaam en robuust zoetwatermeer. Voor een nadere analyse wordt verwezen naar het antwoord op vraag A5.

Voor de beantwoording van het tweede deel van de vraag wordt verwezen naar het antwoord op C5.

Vraag C10

Waarom zijn de mogelijkheden van de getijdencentrale nog niet onderzocht, zo vragen de leden van de SP-fractie. Was het niet beter geweest dit soort belangrijke zaken eerst te onderzoeken alvorens met een nu, naar de mening van deze leden, deels onvolledige MKBA te komen? Kosten en baten hiervan ontbreken immers.

Antwoord C10

De Getijdencentrale is in de MKBA meegenomen als optie (‘optie1’). De Getijdencentrale geeft voor de alternatieven, waarbij sprake is van een opening in de Brouwersdam, aan dat er baten zijn voor de werkgelegenheid, innovatie/kennis spin-off en CO2-baten bij het wegvallen van het Europees Emissiehandel systeem.

Het rendement van de getijdencentrale was op basis van eerste inzichten nog onvoldoende voor een positief welvaartssaldo. De verwachting was dat door inschakeling van de markt en door technologieontwikkeling nog veel verbeterd kon worden. Vandaar dat er eind vorig jaar een traject is gestart om de markt te consulteren. Recente (november 2014) uitkomsten van deze marktconsultatie laten zien dat een opening in de Brouwersdam in combinatie met een getijdencentrale wel degelijk een positief welvaartssaldo kan opleveren. De resultaten van de marktconsultatie en een samenvatting van de business case zullen in januari 2015 openbaar worden gemaakt.

Vraag C11

Kunnen de leden van de SP-fractie meer informatie ontvangen over de Bathse spuisluis, en de vele onzekerheden daaromtrent? Wanneer worden welke studies gedaan? Waarom is dit niet uitgewerkt, terwijl dat bij andere, veelal economische, wensen al wel is gedaan. Zijn uitkomsten van deze studies van invloed op een MKBA? Zo nee, waarom niet? Graag ontvangen deze leden ook meer antwoorden over dit soort zaken rond de Oesterdam. Op welk moment is er meer duidelijkheid over nader hydrologisch onderzoek? Is dit van invloed op de MKBA?

Antwoord C11

Via de Bathse spuisluis wordt momenteel overtollig zoet water vanuit het Volkerak-Zoommeer geloosd op de Westerschelde.

Met de herintroductie van getij, wordt het Volkerak-Zoommeer opnieuw zout. De Bathse spuisluis tussen het Schelde-Rijnkanaal en de Westerschelde wordt dan ingezet voor peilbeheer en voor het doorspoelen van het zoute meer.

Ten behoeve van het MER bij de RGV is onderzoek gedaan naar de invloed van het spuien van zout water op de Westerschelde via de Bathse Spuisluis. Voor de zeer uitzonderlijke situatie waarin de zoetwaterafvoer van de Schelde gedurende enkele maanden minimaal is, laat het onderzoek zien dat het spuien van zout water leidt tot een verhoging van het zoutgehalte op de Westerschelde en Zeeschelde. Een dergelijke situatie heeft zich tussen 1996 en 2012 slechts één keer voorgedaan. Weliswaar is deze zeer beperkt, het gaat om een toename van 1000 tot 1500 mg Cl/l in een gebied met grote schommelingen in zoutgehalte, maar negatieve gevolgen voor de ecologie en het slibtransport zijn niet uit te sluiten. Dit geldt met name in het middendeel van het estuarium, tussen de Nederlands-Belgische grens en Schelle (Vlaanderen).

Daarom is nader onderzoek nodig, bijvoorbeeld naar de invloed van het spuien van zout water onder meer reguliere omstandigheden, met grotere afvoeren van zoetwater via de Schelde. Dit nadere onderzoek zal onderdeel zijn van de planuitwerking na de vaststelling van de RGV.

Met een extra doorlaat in de Oesterdam voor doorspoeling en peilbeheer kunnen de genoemde negatieve gevolgen voor de (Wester)Schelde worden vermeden. Het zoute water wordt in dat geval gespuid op de Oosterschelde. Er is daardoor minder invloed van voedselrijk water vanuit het Volkerak-Zoommeer op de Westerschelde. Dit is gunstig voor de waterkwaliteit van de Westerschelde. Voor de nutriëntenarme Oosterschelde is de instroom van voedselrijk water vanuit het Volkerak-Zoommeer via de extra doorlaat in de Oesterdam juist positief, met name voor de schelpdierenpopulaties. Negatieve effecten op de Oosterschelde worden nauwelijks verwacht.

Nader hydrologisch onderzoek moet uitwijzen of de negatieve effecten op de Westerschelde als gevolg van het spuien zo groot zijn dat een extra doorlaat in de Oesterdam noodzakelijk is. Omdat die noodzaak nog niet vaststaat, is de doorlaat niet in de MKBA opgenomen.

Vraag C12

Zijn de voorstellen van ingenieur Spaargaren nader onderzocht? Klopt het dat het rapport van Deltares inzake dit onderwerp uit is gegaan van aannames? Kan de regering een reactie geven op de voorstellen van ingenieur Spaargaren?

Wat zou de invloed zijn op voorliggende Rijksstructuurvisie indien naar deze voorstellen gehandeld zou worden? Wat is de invloed hiervan op de totale zoetwatervoorziening? Kost dit geld of bespaart dit geld? Kan hier een MKBA voor uitgevoerd worden? Zo nee, waarom niet, zo vragen de leden van de SP-fractie.  

Antwoord C12

Voor de Deltabeslissing Rijn-Maasdelta zijn meerdere alternatieven onderzocht en meegewogen, ook op kosten en baten. Ook het alternatief van de zes ingenieurs (waaronder de heer Spaargaren) met zeesluizen in Nieuwe en Oude Maas is geanalyseerd. In het onderzoek van Deltares naar dit alternatief zijn, zoals bij elk onderzoek, aannames gedaan. Deze aannames sluiten aan bij het Deltaprogramma en betreffen onder meer de klimaatscenario’s van het KNMI.  

Het is een interessant alternatief, dat in de toekomst mogelijk nog van pas kan komen. Dan zal tegen die tijd het alternatief nog wel verder uitgewerkt moeten worden. Zoals aangegeven in het wetgevingsoverleg Water van 17 november jongstleden is dit alternatief op dit moment echter niet nodig.

In de voorkeursstrategie van het Deltaprogramma worden ook bij het meest extreme KNMI-scenario (het W+ scenario) de doelen voor veiligheid en zoetwater gehaald, maar met minder gevolgen voor de economie en voor de ecologie dan bij het bovengenoemde alternatief met zeesluizen. De analyses laten ook zien dat deze voorkeursstrategie de beste kosten-batenverhouding heeft en ook kan rekenen op een groot draagvlak in de regio. Bovendien is de voorkeursstrategie, in tegenstelling tot het alternatief van deze zes ingenieurs, adaptief uit te voeren en kan dus aangepast worden aan voortschrijdende inzichten over de klimaatverandering.

Specifiek voor de zoetwatervoorziening is in het Deltaprogramma het volgende geconcludeerd. Bij extreem lage afvoeren in de zomer en de gevolgen daarvan voor de zoetwatervoorziening is de variant van de zes ingenieurs een mogelijke oplossing. Een oplossing kan echter ook bereikt worden met de veel minder ingrijpende maatregelen die het Deltaprogramma beschrijft. Deze alternatieven kosten slechts een fractie van afsluiting van de Nieuwe Waterweg. In de rijksstructuurvisie is voortgebouwd op de kaderstellende voorkeursstrategie van het Deltaprogramma. Een MKBA over de impact van de voorstellen van de zes ingenieurs op de rijksstructuurvisie is om die reden nu niet gemaakt. Dat zou pas aan de orde zijn wanneer een strategiewijziging wordt overwogen.

Vraag C13

De leden van de SP-fractie ontvangen graag een uitputtende lijst bij tabel 4 op pagina 32 van de ontwerp-RVG wat de gevolgen zijn indien er geen dekking gevonden wordt in de tweede fase gebiedsontwikkeling. Wat zijn in dit geval de gevolgen voor de waterkwaliteit? Waar worden oplossingen gezocht indien deze vele miljoenen, te weten bijna € 300 mln., nog los van de openstelling van de opening bij Grevelingendam en de doorlaat Oesterdam, niet gevonden worden?

Antwoord C13

Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de antwoorden op de vragen A5, C2, C3 en C7.

Vraag C14

Graag ontvangen de leden van de SP-fractie een uitgebreide analyse van het aanpassen van systeemwijziging als doelen van de KRW. Graag ontvangen deze leden daarbij de vermelding van nut en noodzaak. Waarom moeten aanwijzingsbesluiten, van bijvoorbeeld Natura 2000-gebieden, worden aangepast? Is betreffende dit soort zaken al duidelijkheid rond de voornemens van de Europese Commissie, op basis van de zogenaamde Juncker/Timmermans brief van 7 november 2014 met voornemens? Waaruit bestaat het op pagina 37 genoemde overleg?

Antwoord C14

Voor een antwoord op de vraag over de KRW-doelen van het Volkerak-Zoommeer wordt verwezen naar het antwoord op C5.

Het huidige aanwijzingsbesluit voor de Grevelingen is toegesneden op de situatie zonder getij en de daarbij horende habitats en (vogel)soorten. Een aangepast aanwijzingsbesluit zal toegesneden zijn op de nieuwe situatie en de daarbij behorende de doelen. Deels zullen die ongewijzigd blijven en voor ander deel zullen die veranderen. Het Krammer-Volkerak zal eerst worden aangewezen op basis van de bestaande waarden. In het aanwijzingsbesluit zullen de aanpassingen aan de situatie met zout en getij in de toekomst worden aangekondigd, zoals ook bij de Grevelingen is gebeurd.

Het op pagina 37 genoemde overleg met de Europese Commissie is een ambtelijk overleg, waarin is verkend hoe de Europese Commissie staat tegenover een systeemwijziging. Uit dit overleg is gebleken dat de Commissie in beginsel positief staat tegenover een systeemwijziging. Het overleg zal worden voortgezet met het oog op de aanpassing van de aanwijzing voor Grevelingen en de Natura 2000 doelen.

Vraag C15

Worden de compenserende maatregelen, gewenst door de waterschappen, wel of niet vastgelegd in de Rijksstructuurvisie, zo vragen de leden van de SP-fractie. Zo nee, waarom niet? Worden inderdaad eerst de zoetwatervoorzieningen aangelegd (eerst zoet, dan zout) wanneer besloten wordt het Volkerak-Zoommeer weer zout te maken? Waarin wordt dat vastgelegd?

Antwoord C15

De compenserende maatregelen en de fasering daarvan, zoals onder meer door de waterschappen gewenst, maken onderdeel uit van de rijksstructuurvisie. In het ontwikkelperspectief is opgenomen dat ‘voorafgaand aan het zout maken van het Volkerak-Zoommeer maatregelen worden uitgevoerd voor alternatieve zoetwatervoorziening en de zoutlekbestrijding’ (blz. 20).

Vraag C16

Kan duidelijkheid komen over de visie over wie nu precies de zoetwaterleiding voor (met name) Tholen en Sint Philipsland gaat betalen?

Antwoord C16

De maatregelen die nodig zijn om een robuuste zoetwatervoorziening in Tholen en Sint Philipsland te krijgen zijn opgenomen in de rijksstructuurvisie. Het gaat daarbij om ‘aanpassing Roode Vaart (‘altijd goed’-maatregel)’, ‘Roode Vaart (vergroting robuustheid regionaal systeem)’ en ‘gemaal Roode Vaart’.
Deze projecten zijn ook onderdeel van het investeringsprogramma Zoetwater voor de zoetwateropgave van de Zuidwestelijke Delta uit de deltabeslissing Zoetwater. In het kader van deze deltabeslissing zijn ook afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten tussen Rijk en regio (provincies en waterschappen).

Vraag C17

De betrokken partijen in het Zeeuwse zijn akkoord gegaan met de verzilting van het Volkerak Zoommeer onder het beding dat de boeren dan zoet water uit Brabant krijgen voor het besproeien van de akkers bij droog weer. Afgesproken was de volgorde: ‘eerst zoet dan zout’. Dat zou naar de leden van de SP-fractie begrepen hebben ook geregeld worden, via een inlaat bij het Hollands Diep naar de Roode Vaart en vervolgens met een pijpleiding. Maar het lijkt erop dat het Rijk nu de belanghebbenden (een deel van) de kosten wil laten betalen. Is dat zo? Hoe wordt dit aan de boeren ‘verkocht’ die nu nog gratis water uit het zoete Volkerak-Zoommeer halen?

Graag ontvangen deze leden duidelijkheid van de kant van de minister, daar die helderheid niet uit deze structuurvisie blijkt, zo menen deze leden.

Antwoord C17

Voor de kosten van de zoetwatermaatregelen is een verdeling gemaakt tussen Rijk en regio (provincies en waterschappen). Hiervoor wordt dus geen separaat beroep gedaan op de boeren in het gebied (zie antwoord op vraag C16).

Vraag C18

Hoe wordt gegarandeerd dat bij droge periodes het zoutniveau (20kg/sec) niet wordt overschreden? Wat doet dat met de KRW indien die kans op overschrijding niet kan worden uitgesloten?

Antwoord C18

Om de zoutlast vanuit een zout Volkerak-Zoommeer via de Volkeraksluizen op het Hollands Diep/Haringvliet te beperken tot 20 kg/s in perioden met lage Rijnafvoer, worden deze sluizen uitgerust met een innovatief zoet-zout scheidingssysteem (IZZS). Dit systeem bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder een vernieuwde manier van het inbrengen van lucht in de waterkolom (bellenscherm) en de doorspoeling van de schutkolken met zoet water. Voor alle onderdelen van het innovatieve zoet-zout scheidingssysteem is door ingenieursbureau Royal HaskoningDHV, in samenwerking met Deltares, een faalkansanalyse gemaakt.

De conclusies van deze studie zijn:

1.    Met preventieve, correctieve en mitigerende maatregelen zijn de effecten bij het falen van het IZZS goed te beperken. De invloed van additionele zoutlast ten gevolge van het falen is als gevolg van deze maatregelen zelfs in zeer droge perioden minder dan die van de basiszoutlast, en vergelijkbaar met effecten door natuurlijke omstandigheden.

2.    De effecten van het falen van het IZZS zijn sterk afhankelijk van het seizoen en meteorologische omstandigheden. In natte periodes zullen de effecten minimaal zijn.

3.    De preventieve maatregelen hebben de voorkeur boven correctieve maatregelen, omdat deze maatregelen effectiever zijn. Correctieve maatregelen bestaan uit bijvoorbeeld uit het tijdelijk aanpassen van het schutproces (minder schuttingen, meer spoeldebiet door kolken) wat hinder voor de scheepvaart kan betekenen. Om het spoeldebiet door de kolken te vergroten zal water worden onttrokken aan het Hollands Diep. In een periode van lage Rijnafvoer zal dit ten koste gaan van de verziltingsbestrijding in de  Nieuwe Waterweg. Het gevolg hiervan zou zijn dat het chloridegehalte bij het belangrijke zoetwaterinnamepunt Gouda oploopt. Dat kan worden vermeden door de maatregel ‘Doorvoer Krimpenerwaard’, waarmee zoet water uit de Lek wordt gebruikt om de verzilting van het innamepunt tegen te gaan. Deze maatregel maakt dan ook onderdeel uit van het maatregelenpakket behorend bij een zout Volkerak-Zoommeer. Bij het formuleren van de ontwerpeisen van het IZZS in de Volkeraksluizen zal de besproken faalkansanalyse worden betrokken.

Een zoutlast in de orde van 20 kg/s leidt in perioden met lage Rijnafvoeren tot een verhoging van de chlorideconcentratie met 55 tot 60 mg/l. Opgeteld met de achtergrondconcentratie van het rivierwater van ongeveer 130 mg/l in die omstandigheden, wordt het chloridegehalte circa 200 mg/l. Bij deze concentratie wordt nog steeds voldaan aan het KRW-vereiste van minder dan 300 mg/l voor het zoete water in de Rijn-Maasmonding.

Vraag C19

Wat is de invloed van de herintroductie van het schutbedrijf bij een aantal sluiscomplexen? Welke sluiscomplexen zijn dat? Wat doet dit met de zoetwaterbescherming Hoekse Waard en Voorne-Putten in het licht van het intensieve gebruik van de sluizen?

Antwoord C19

Bij de schutsluizen in de monding van de Brabantse rivieren zal het schutbedrijf bij een zout Volkerak-Zoommeer permanent worden ingezet. Bij een zoet Volkerak-Zoommeer gebeurt dit alleen in omstandigheden met overlast gevende blauwalgenbloei, dus in het zomerseizoen.

Ook deze sluizen zullen worden uitgerust met het innovatieve zoet-zout scheidingssysteem, waarbij door de aanvoer van extra zoet water via het Mark-Dintel-Vlietstelsel de resterende zoutlast wordt teruggedrongen. Door deze en andere in de RGV opgenomen zoetwatermaatregelen is van een zout Volkerak-Zoommeer geen of alleen zeer beperkte invloed te verwachten op de KRW-doelen voor de omringende wateren. Alleen in West-Brabant zullen in gebieden met ‘zoete’ KRW-doelen deze mogelijk niet volledig gehaald kunnen worden. Daar staat tegenover dat in gebieden met ‘brakke’ doelen de haalbaarheid juist verbetert. In de mondingen van de Brabantse rivieren zullen aan de buitenzijde van de sluizen, die dan niet langer permanent open staan, typische zoetwatersoorten verdwijnen.

De zoetwaterbescherming Hoekse Waard en Voorne-Putten gebeurt via het innovatieve zoet-zout scheidingssysteem in de Volkeraksluizen, zoals hierboven is uitgelegd. Zie ook het antwoord op vraag C18.

Vraag C20

Wat is de reden dat het Rijk een paar miljoen euro uittrekt om dwars door de haven van Tholen een dam met doorlaatopening aan te leggen, omdat de kans bestaat dat eens in de 1400 jaar het Volkerak-Zoommeer gebruikt moet worden als waterberging?

Is het niet een betere oplossing om in dat hypothetische geval de betrokken bewoners een riant hotel aan te bieden en dito schadevergoeding? Wat zegt de MKBA hierover? Is een schadevergoeding in dat geval niet veel goedkoper dan een dergelijke dure dam, die onderhouden moet worden tot in de verre toekomst? Waar komt deze behoefte tot geldverspilling toch vandaan, zo vragen deze leden.

Antwoord C20

Het project Waterberging Volkerak-Zoommeer maakt geen onderdeel uit van de rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, maar van de Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier. Dit project verkeert reeds in de uitvoeringsfase.

De reden dat er in de haven van Tholen een dam wordt aangelegd is het voorkomen van waardevermindering en waterschade die een groot deel van de woningen kan ondervinden bij de inzet van de waterberging.

De woningen zijn ontwikkeld voorafgaand aan het besluit over de Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier en het besluit om het Volkerak-Zoommeer als waterberging in te zetten. Deze situatie leidt tot een waardevermindering van de woningen. Het Rijk is aansprakelijk voor zowel schade als waardevermindering. Het Rijk stond indertijd voor de keuze om schade en waardedaling te voorkomen of te vergoeden. Om een keuze te maken zijn verschillende alternatieven en de mogelijke gevolgen naast elkaar gelegd. Het beheeraspect van de dam is ook meegenomen in de afweging. De bewoners hebben aangegeven een sterke voorkeur te hebben voor een keermiddel. Uiteindelijk is gekozen voor het voorkomen van schade in plaats van het vergoeden daarvan, vanwege de maatschappelijke voorkeur, het aantal woningen dat kan worden getroffen en de hoge waarde van het vastgoed.

Vraag C21

Kunnen de effecten die niet in geld zijn uit te drukken alsnog worden opgenomen in deze MKBA, zo vragen deze leden. Gaat de minister een proces in gang zetten om het CPB de opdracht te geven een manier te ontwikkelen om zaken die niet in geld zijn uit te drukken een waarde te kunnen geven? Deze leden denken daarbij bijvoorbeeld aan natuurwaarden, gezondheidswaarden, leefomgeving, welvaartseffecten in de toekomst, verbetering luchtkwaliteit et cetera. Zo nee, waarom niet? Zonder onvriendelijk te willen zijn vragen deze leden of er gewerkt kan worden aan een beter leesbare versie van dit MKBA. Het lezen van dit exemplaar is een studie op zich en draagt daardoor niet bij aan besluitvorming, zo menen deze leden.

Antwoord C21

Niet-monetariseerbare baten staan in het plan-MER en zijn reeds als kwalitatieve score overgenomen in de MKBA. Voor zover monetariseerbaar, zijn natuurbaten uit de plan-MER in de MKBA opgenomen. De werkwijze is conform de leidraad voor de MKBA, zoals opgesteld door het PBL en CPB.

De MKBA zal daarom op deze punten niet worden aangepast.

Waarden, zoals de verbetering van de luchtkwaliteit, gezondheid en toekomstige welvaartseffecten worden momenteel al zo goed als mogelijk in geld uitgedrukt in de MKBA.

Het monetariseren van natuurwaarden en kwaliteitsverandering van de leefomgeving is reeds in ontwikkeling en onderwerp van studie. Het is daarom niet nodig hiervoor opdracht te geven.

Het spijt me te moeten vernemen dat de MKBA niet overal even gemakkelijk leest. Er is evenwel getracht de toegankelijkheid van de MKBA te vergroten door een samenvatting bij de stukken te voegen. Hierin zijn de hoofdlijnen van de MKBA opgenomen.
Onderdeel D: Beantwoording van de vragen van de CDA-fractie

Vraag D1

Tijdens het wetgevingsoverleg Water (gehouden op 17 november 2014) stelde de minister van Infrastructuur en Milieu dat de zoetwater ‘stresstest’ van het hoofdwatersysteem beschikbaar zal zijn voordat het definitieve financiële besluit over de ontwerp-RGV genomen wordt. Wordt de zoetwater stresstest van het hoofdwatersysteem betrokken bij deze definitieve beslissing, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zo nee, waarom niet?

Antwoord D1

Met het onderzoek dat in het kader van de rijksstructuurvisie is uitgevoerd is reeds veel informatie over het functioneren van het betreffende hoofdwatersysteem beschikbaar gekomen en over de mogelijke effecten van het weer zout maken van het Volkerak Zoommeer. Er is een maatregelenpakket vastgesteld voor een alternatieve zoetwatervoorziening bij een zout Volkerak-Zoommeer. Deze maatregelen zullen per saldo leiden tot een betere watervoorziening (betere kwaliteit, meer leveringszekerheid) dan de huidige situatie. Dit wordt bevestigd door de MKBA. Verder blijkt uit onderzoek dat de voorgenomen maatregel voor het Brielse Meer (inlaatpunt Spijkenisse) voldoende is om de mogelijke extra verzilting vanuit het Volkerak-Zoommeer in droogtesituaties, zoals voorgekomen in de periode 2000-2013, op te vangen.

De stresstest die wordt uitgevoerd in het kader van het Deltaprogramma, draagt bij aan de verdere kennisontwikkeling over het functioneren van hoofdwatersysteem in dit gebied ten behoeve van toekomstige besluiten zoals over de verdieping van de Nieuwe Waterweg. In het kader van de besluitvorming over de RGV heeft al een onderzoek naar cumulatieve effecten plaatsgevonden.  In het voorjaar 2015 worden de uitkomsten van de stresstest verwacht. Als de stresstest relevante nieuwe informatie oplevert zal deze bij de financiële besluitvorming over het Volkerak-Zoommeer worden betrokken.

Vraag D2

Deze leden vragen de regering wat de knelpunten zijn voor de dekking van de kosten voor de maatregelen van de ontwerp-RGV. Wat is het proces om te komen tot deze robuuste financiering?

Antwoord D2

Op de rijksbegroting zijn door de noodzaak van scherpe prioritering onvoldoende middelen beschikbaar voor de uitvoering van het ontwikkelperspectief in de RGV. Omdat ook de regio belang hecht aan een ecologisch veerkrachtige en economisch vitale delta en door de huidige kwaliteit van Grevelingen en Volkerak-Zoommeer regionale baten worden gemist, is in 2013 onder regie van de betrokken provincies (parallel aan de RGV) het Programma Gebiedsontwikkeling Grevelingen en Volkerak-Zoommeer gestart. Hierin zijn met inschakeling van de markt en gebruikers innovatieve bekostigingsmogelijkheden bezien, inclusief de mogelijkheden van kostenoptimalisatie en -besparing. Dat programma leverde nog geen kostendekking op. Daarom is afgelopen zomer afgesproken dat regio en Rijk gezamenlijk een doorstart maken met het Programma Gebiedsontwikkeling 2e fase. Hierin wordt verder onderzocht wat de financieringsmogelijkheden zijn van regio, Rijk, markt, gebruikers en ook de subsidiemogelijkheden vanuit de EU.

Dit traject moet uiteindelijk uiterlijk eind 2015 zijn afgerond, met als doel om te komen tot sluitende afspraken tussen regio, Rijk en markt over de bekostiging van de maatregelen uit de RGV. Zie verder ook de antwoorden op de vragen A6, C2, C3 en C7.

Vraag D3

In de beantwoording op de feitelijke vragen en in het wetgevingsoverleg Water van 17 november 2014 gaf de minister van Infrastructuur en Milieu aan dat het Volkerak-Zoommeer niet van nationaal belang is voor de zoetwatervoorziening. Deze leden zouden in plaats van deze kwalificatie graag vernemen of er uit de berekeningen blijkt dat het zout maken van het Volkerak-Zoommeer geen effecten heeft op de zoetwatervoorziening van het hoofdwatersysteem. Is dit het geval? Kan de regering onderbouwen of het hoofdwatersysteem de verzilting van het Volkerak-Zoommeer aan kan? Zo nee, hoe worden deze effecten dan aangepakt? Zijn de maatregelen ten behoeve van de zoetwatervoorziening die genomen worden in het Deltaprogramma voldoende voor het tegengaan van klimaatverandering, de verdieping van de Nieuwe Waterweg en de verzilting van het Volkerak-Zoommeer, zo vragen deze leden.

Antwoord D3

Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de antwoorden op de vragen A2 en C18.

Daaraan kan worden toegevoegd dat de effecten van de verdieping van de Nieuwe Waterweg momenteel in het kader van de stresstest worden onderzocht. Daarbij worden ook het tegengaan van de effecten van klimaatverandering en het zout maken van het Volkerak-Zoommeer betrokken.

Vraag D4

De leden van de CDA-fractie vragen of de gevolgen van het toekomstige zoutlek van de Volkeraksluizen voldoende onderzocht zijn.

Antwoord D4

Zie het antwoord op vraag C18.

Vraag D5

De zoutlek van de Volkeraksluizen beïnvloedt de waterkwaliteit van een zeer groot en zeer belangrijk afnamegebied van zoet water uit het Hollands Diep en Haringvliet, zo merken deze leden op. Naast de agrarische gebieden op Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard, de Krimpenerwaard en Voorne-Putten, zijn ook de Rotterdamse Haven, drinkwatervoorziening, industrie en glastuinbouw in het Westland via het Brielse Meer/Bernisse-systeem, afhankelijk van goede kwaliteit zoet water uit het Haringvliet. Deze leden verzoeken de regering om een uitgebreide reactie op dit punt.
De leden van de CDA-fractie vragen of de cumulatieve effecten van het Kierbesluit, het zout maken van het Volkerak-Zoommeer en de verdieping van de Nieuwe Waterweg bij een situatie van lage rivierafvoer de waterkwaliteit in het Haringvliet in gevaar kunnen brengen, met alle gevolgen van dien, omdat bij lagere rivierafvoer de voorkeur zal worden gegeven voor het zoet houden van de Nieuwe Waterweg.

Deze leden zouden graag van de regering vernemen hoe zij hier naar kijkt. Kan de waterkwaliteit van het Haringvliet worden verzekerd, zo vragen deze leden. Hoe wordt de waterkwaliteit van het Haringvliet geborgd?

Antwoord D5

De waterkwaliteit van het Haringvliet en de zoetwatervoorziening vanuit dit bekken worden door de volgende maatregelen geborgd:

·         innovatieve zoet-zoutscheiding bij de Volkeraksluizen

·         inlaat Spijkenisse

·         aanpassing drinkwatervoorziening Ouddorp

·         de maatregelen behorend bij het Kierbesluit

Voor een uitgebreide reactie wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen van C18. Voor wat betreft de Nieuwe Waterweg wordt verwezen naar het antwoord op vraag D3.

Vraag D6

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij een toelichting kan geven op de uitkomsten van het Deltares rapport ‘verkenning effecten van ingrepen en maatregelen op de verzilting in West-Nederland’. Hoe is dit rapport betrokken bij het ontwerpbesluit Grevelingen en Volkerak-Zoommeer? Wat vindt de regering van de stelling dat er ‘niet kwantificeerbare onzekerheden’ zijn en dat de verzilting stroomopwaarts gevolgen heeft, zo vragen deze leden.

Antwoord D6

In het genoemde Deltares-rapport zijn de effecten van een nieuwe zeesluis IJmuiden, de eventuele verdieping van de Nieuwe Waterweg en een weer zout Volkerak-Zoommeer geanalyseerd. Daarbij is gekeken naar het cumulatieve effect ervan op de verzilting van het hoofdwatersysteem in Zuidwest en West-Nederland, ook bij diverse klimaatscenario’s. Voor de analyse is gebruik gemaakt van reeds beschikbare berekeningen, kennis en inzichten uit eerdere rapporten over de ingrepen, en dus ook van die voor een weer zout Volkerak-Zoommeer.

De uitkomsten voor de eventuele verdieping van de Nieuwe Waterweg en de zeesluis IJmuiden konden niet worden betrokken bij de vaststelling van de ontwerp-RGV,  maar deze komen nagenoeg overeen met de uitkomsten van de studies die voor het MER bij de RGV zijn uitgevoerd. Daarnaast zijn de maatregelen, die in de studie van Deltares worden genoemd ter vergroting van de robuustheid van het hoofdwatersysteem, ook opgenomen in het maatregelenpakket in de RGV. Het gaat hierbij om de KWA+ (onder meer  Doorvoer Krimpenerwaard), inlaat Brielse Meer via de inlaatsluis Spijkenisse en de doorvoer van 3,5 m3/s uit het Hollands Diep via de Roode Vaart.

In afwijking van eerdere studies trekt het rapport van Deltares de voorlopige conclusie dat een weer zout Volkerak-Zoommeer geen significant effect heeft op het inlaatpunt Gouda (zie het antwoord op C 18).

In het Deltaresrapport wordt het effect van een zout Volkerak-Zoommeer op de inname van drinkwater uit het Haringvliet gesignaleerd. In de RGV is hiermee  rekening gehouden door de aanpassing van drinkwatervoorziening Ouddorp in het maatregelenpakket op te nemen (zie tabel 4.1 in de RGV).

De ‘stelling’ over niet-kwantificeerbare onzekerheden is afkomstig uit de volgende passage uit het rapport: “Deze studie rust op de meest up-to-date systeemkennis en maakt gebruik van de beste diagnostische middelen om met beperkte tijd het gehele systeem te analyseren. Tegelijkertijd leidt de complexiteit van het systeem in zekere mate tot onzekerheden. De hier gepresenteerde resultaten kunnen worden beschouwd als robuust, maar tegelijkertijd zijn onzekerheden niet kwantificeerbaar.” Deze passage benadrukt dat de gepresenteerde informatie niet als absolute en permanente waarheid kan worden opgevat en dat allerlei ontwikkelingen in de toekomst, waarvan het grootste deel een hoog onzekerheidsgehalte heeft (zoals klimaatverandering), kunnen leiden tot het herzien van uitkomsten en conclusies. Dit onderstreept de noodzaak voor een adaptieve aanpak van de verziltingsproblematiek.

De in de vraag aangehaalde ‘stelling’ dat de verzilting stroomopwaarts gevolgen heeft, is in het rapport van Deltares niet aangetroffen.

 


ZIENSWIJZE OP DE ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE GREVELINGEN EN VOLKERAK-ZOOMMEER EN BIJBEHORENDE STUKKEN, KENMERK LK/0062

 


Bergen op Zoom, 26 november  2014

 

Directie Participatie

Ontwerp Rijksstructuurvisie                                                                                               
Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Postbus 30316

2500 GH Den Haag

 

via http://www.platformparticipatie.nl/projecten/alle-projecten/projectenlijst/grevelingen-volkerak-zoommeer/ontwerprijksstructuurvisie/index.aspx 

Reeds digitaal ingediend op 26 november 2014  

 

Betreft:          Zienswijze op de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en bijbehorende stukken, kenmerk LK/0062 

L.S., 

Algemeen
Voor het verbinden van een zout ecologisch probleemgebied (de Grevelingen) met een nu vrijwel gezond zoet milieu (het Volkerak-Zoommeer), ontbreekt iedere logica. Het zal een massale sterfte geven van flora en fauna en langdurig ernstige overlast. De kans is groot dat een doorlaat in de Brouwersdam een beperkt getij zal geven zonder te komen tot een stabiel getijdenmilieu. De kans is ook groot dat het totale systeem een voedingsbodem gaat vormen voor zoute blauwalgen en zeesla en problemen gaat geven zoals die nu optreden in de Oostzee.  

Het ontwikkelperspectief, zoals door de zeven gemeenten rond het gebied verwoord in Verbonden Toekomst, is gebouwd op drijfzand. Het heeft de schijn dat het alleen is opgeschreven om de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie te verleiden tot uitwerking van de verziltingsoptie voor het Volkerak-Zoommeer. In Bergen op Zoom, en mogelijk ook in de andere betrokken gemeenten is Verbonden Toekomst niet in de gemeenteraad besproken, laat staan als visie document vastgesteld.

Een voorbeeld van de misleiding van de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie is de wijze waarop het college van Burgemeester en Wethouders van Bergen op Zoom naar de gemeenteraad reageert over elementen uit de visiekaart Verbonden Toekomst (pagina 28 van de Ontwerp-rijksstructuurvisie en pagina 31 van Verbonden Toekomst).

Bij brief van 19 november 2014 kenmerk U14-045100 laat het college van B&W der gemeente Bergen op Zoom weten: “het College van Bergen op Zoom heeft evenwel geen fiducie in de voorgestelde (vakantie)woningbouw.”  Hoe de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie kunnen denken dat er ruim 105 miljoen euro uit gebiedsontwikkeling zou moeten kunnen komen is de fractie Ons Water dan ook een raadsel en maakt het moeilijk de Ontwerp-rijksstructuurvisie uitvoerbaar te achten. 

Onderbouwing
Ons Water heeft geconstateerd dat de MKBA feitelijk een optelsom is van wat per onderdeel er aan baten en soms lasten zijn. De baten lijken gemaximaliseerd weergegeven te zijn, terwijl de eventuele lasten aanzienlijk minder uitgebreid zijn geïnventariseerd. Wat ontbreekt zijn de interacties van beoogde ontwikkelingen op elkaar.

Waar is de interactie van de komst van de schelpdierkweek op het toerisme?

Als voorbeeld: op pagina op 113 van het Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie (oktober 2014) is te vinden dat het Volkerak-Zoommeer totaal 10.527 hectare groot is waarvan 7.387 hectare water. 3.236 hectare is dus geschikt voor de schelpdierkweek (pagina 80, MKBA). Als we dan ook de vaargeul beschouwen, blijft er bitter weinig aantrekkelijks over voor de andere beoogde functies van het verzilte Volkerak-Zoommeer. Het beeld van vele drijvende markeringstonnen en vele hectares water die voor de recreatievaart gesloten zullen worden, verkleinen de toekomstige kansen voor de recreatie fors. Van de recreatieve vergezichten zal weinig overblijven. Waar is de optelsom van baten minus die negatieve effecten op elkaar van alle geschetste toekomst opties?  

Wat Ons Water opvalt is dat in de onderbouwing van de in de Ontwerp-rijksstructuurvisie opgenomen toekomstbeelden niet is gekeken naar het verleden. Het lijkt alsof er geen gegevens zijn van de nulsituatie (vóór de aanleg van de compartimenteringsdammen), toen het Volkerak-Zoommeer nog zout was en eb en vloed vrij spel hadden.

In de rapporten: “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat 1968, worden nadrukkelijk de oorzaken van de verzilting van westelijk Nederland en de verzilting van boezemwateren en (landbouw)gronden, ook die in West-Brabant in beeld gebracht.

Uit deze rapportages blijkt dat in 1965 het boezemwater tot ongeveer de westelijke stadsgrens van Steenbergen meer dan 5000 mg Cl/per liter bevatte. Tot een lijn die in een boog liep van Ossendrecht over Heerle, Kruisland, Stampersgat, Fijnaart en Willemstad bevatte het boezemwater 2000/5000 mg Cl/per liter. Tot een lijn die globaal liep van westelijk Roosendaal over Oud Gastel naar Klundert bevatte het boezemwater 500/1000 mg Cl/per liter. In het besef dat voor de land- en tuinbouw water nodig is met chloridegehaltes beneden de 300 mg per liter moge het duidelijk zijn dat verzilting van het Volkerak-Zoommeer de land- en tuinbouw potenties in het werkgebied van de Brabantse Delta aanzienlijk zal verslechteren.

Het gestelde op pagina 154 van de MKBA: “Door een zout Volkerak-Zoommeer neemt het chloridegehalte van het kwelwater toe in een zone van enkele honderden meters tot maximaal 1,5 km, grenzend aan het Volkerak-Zoommeer. Door de aanwezigheid van kwelsloten kan oppervlaktewater met verhoogde chloridegehalten worden afgevangen en afgevoerd, waardoor geen nadelige gevolgen optreden voor de landbouw”, is dan ook nauwelijks serieus te nemen. Wat is de onderbouwing? Dit is in strijd met de gegevens uit “De waterhuishouding van Nederland d.d. 1968” een document opgesteld door Rijkswaterstaat zelf! Natuurlijk weet ook Ons Water dat er toen geen bellenschermen functioneerden, maar dat er wel geschut werd om de zoutlekkage te beperken. Dus is het waarschijnlijk dat zoute kweleffecten op een aanzienlijk grotere afstand zullen optreden dan enkele honderden meters!

Het zelfde geldt voor het gestelde in het Milieueffectraport op pagina 134: “Conclusie.” “Herintroductie van zout en getij in het Volkerak-Zoommeer heeft een neutraal effect op de zoutindringing naar het achterland, met uitzondering van een licht negatief effect op de havendokken van Antwerpen en het Antwerps Kanaalpand.”

Wat is de onderbouwing? Dit is in strijd met de gegevens uit “De waterhuishouding van Nederland d.d. 1968”

Een advies van Ons Water is: neem je zelf serieus. Lees en begrijp de implicatie van de MKBA tekst op pagina 144: “Er zijn maar weinig voorbeelden van projecten waarin een ecosysteem wordt aangepast van een zoetwatersysteem naar zoutwatersysteem.

In het “Advies Deltaplan Zoetwater” is op pagina 43 te lezen: “In de zuidwestelijke Delta voert de regio maatregelen uit die overwegend gericht zijn op het bestendigen van zoete landbouwcondities. Die focus ligt op het conserveren of uitbreiden van zoetwatervoorraden. Op de korte termijn zet de regio in op vijf maatregelen: Het in kaart brengen van de zoet-zoutverdeling in de bodem. Deze kartering kan worden beschouwd als onderlegger voor alle andere maatregelen.” 

Een tweede advies van Ons Water in deze is: wacht deze kartering af en betrek deze samen met de vermelde rapporten uit 1965/1968 bij een meer realistische inschatting van de toekomstige verzilting van (landbouw)gronden en wateren in West-Brabant. 

Als laatste opmerking in zake de onderbouwing wil Ons Water opmerken dat wij volledig hebben gemist hoe de inhoud van de Ontwerp-rijksstructuurvisie zich verhoudt met eerdere rapporten zoals “Waterbeleid voor de 21e eeuw” van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw onder voorzitterschap van F. Tielrooij, waarin de zoetwater voorraad van het Volkerak-Zoommeer van het grootste belang werd verklaard voor de strijd tegen de verzilting van (zuid) westelijk Nederland.

De leverzekerheid
In de samenvattingen in de stukken wordt met regelmaat vermeld dat de leverzekerheid van de (landbouw)waterinlaten verbetert als alle voorgenomen maatregelen zijn gerealiseerd. De vraag is altijd in dit soort zaken: wat is de referentie waarmee vergeleken wordt?
In dit geval memoreert Ons Water graag aan de geschiedenis. Het nu volgende is een tekst overgenomen uit het Milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer uit april 2012 (pagina 87/88):  “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloridenorm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”. 

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”.

“In het “droge” jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.”.  

Feit is dat het gehanteerde maximale chloridegehalte keer op keer is verhoogd c.q. beperkt in tijd. Maar dat niet alleen. In de “Joint Fact Finding zoet water” is op pagina 20 te lezen: “Het Volkerak-Zoommeer is de laatste jaren aanmerkelijk zouter geworden door de toegenomen zoutlekkage van de Krammersluizen. Het meerjarig zomergemiddelde is 415 mgCl/l. Incidenteel wordt in de zomer de normconcentratie van 450 mgCl/l overschreden. In de zomer van 2011 was de overschrijding langdurig (eind april-half juli, met een maximum van 615 mgcl/l) doordat ten gevolge van de langdurige lage rivierafvoer de doorspoeling moest worden beperkt.”.  

Wat vermeld is voor de Krammersluizen, gaat naar onze inzichten ook op voor de Bergse Diepsluis. Rijkswaterstaat koos er dus voor om de zoetwater inlaat te beperken ten voordele van de bestrijding van de verzilting vanuit de Nieuwe Waterweg. Dit ten nadele van onze inlaten en onze boeren. Van de afspraken kwam dus niets terecht. Weg leverzekerheid, niet door een act of God maar door een beslissing van de waterbeheerder.

Kijkend naar inlaattabellen lijkt het of stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar de informatie van Ons Water de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Voor onze fractie geldt dat, als het gaat om de leverzekerheid ten aanzien van zoutgehalten, men uit dient te gaan van de zoutgehalten in het Volkerak-Zoommeer als men zich zou houden aan de gemaakte afspraken en de achterstallige onderhoudswerkzaamheden aan de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zouden zijn uitgevoerd.  

Ten aanzien van de kwantitatieve leverzekerheid is helder dat een waterinlaat via de Roode Vaart verre van zeker is. In tegendeel. Op pagina 30 in de Joint Fact Finding is onder het subkopje ‘Watertekort’ de volgende tekst te vinden: “Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door de Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoet waterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”  

Van een inlaat via een categorie 2 route wordt ons agrarisch bedrijfsleven straks afhankelijk van een categorie 4 inlaat route. Hoezo een verbetering van de leveringszekerheid? Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is en men zich zou houden aan de afspraken en de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis fatsoenlijk zou onderhouden, was er nu geen sprake van leveronzekerheden door verzilting! Rijkswaterstaat zou zich moeten houden aan de afspraken qua chloridegehalten en werk moet maken met het onderhoud van de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis, zeker nu het Volkerak-Zoommeer vermoedelijk tot 2028 zoet blijft.  

In dit kader enkele citaten uit de MKBA:

  • Pagina xi: “Het bellenscherm in de Krammersluizen levert direct baten op en is kosteneffectief bij zowel een zoet als een zout Volkerak-Zoommeer, doordat ook een zout Volkerak-Zoommeer pas over enkele jaren mogelijk is.”
  • Pagina xii (figuur D): “verzilveren no-regrets en kansen – Bellenscherm Krammersluis”
  • Pagina 24 (optie 6): “Standaard wordt bij het grote onderhoud aan de Krammersluizen uitgegaan van vervanging van de zoet-zoutscheiding door een traditionele oplossing. Deze vergt een grote investering en een lange gebruiksduur om economisch aantrekkelijk te zijn. Wanneer deze oplossing bij een zout Volkerak-Zoommeer voortijdig overbodig wordt, is sprake van kapitaalvernietiging. Een optie bij alle alternatieven is om de bestaande zoet-zoutscheiding te vervangen door een bellenscherm vanwege de reistijdwinsten voor de scheepvaart en mogelijk lagere levensduurkosten. Ook bij varianten waarin het Volkerak-Zoommeer op termijn zout wordt en de zoet-zoutscheiding niet meer nodig is, levert dit voordeel op. Er is sprake van minder kapitaalvernietiging en met een bellenscherm ervaart de scheepvaart al direct minder reistijdverlies.” 

In deze citaten ziet Ons Water alle reden dat Rijkswaterstaat voor de periode tot minimaal 2028 ten spoedigste het zoutlek in de Krammersluizen middels een bellenscherm aanpakt, zoals vermeld als no-regret maatregel in de MKBA. Ons Water wenst nadrukkelijk dat, gezien het bij leveringszekerheid van goed zoet water voor de landbouw, de inlaat aan het Hollandsch Diep ten behoeve van de Roode Vaart in het kader van de verdringingsreeks een categorie 2 inlaat wordt . Er is naar onze mening geen principieel verschil als het gaat om verziltingbestrijding met de inlaat bij de Volkeraksluizen.  

Dan de feitelijke huidige kwaliteit als het over de blauwalg gaat. Op pagina 38/39 van de MKBA is te lezen: “Sinds 2008 is door de aanwezigheid van de quaggamossel de blauwalgproblematiek afgenomen. In 2012 en 2013 zijn er geen innamestops meer geweest.” Dit lijkt een heldere uitspraak. Het verbaast Ons Water dan ook dat in de “Joint Fact Finding zoet water” op pagina 22 is te lezen: “In 2012 zijn vanaf eind augustus, dus laat in het seizoen, de Brabantse inlaten aan de Eendracht dichtgezet wegens blauwalgen (mondelinge mededeling ……. (ingevuld was een naam van een ambtenaar) – Waterschap Brabantse Delta.)” .  

Wij hebben nog nooit eerder in openbare stukken van de Rijksoverheid gelezen “mondelinge mededeling van….” Maar als die mededeling in strijd is met een schriftelijke mededeling in een MKBA bevreemdt dat Ons Water zeer en worden wij argwanend. Wat is de waarheid en hoe kan het dat in een belangrijk stuk als de “Joint Fact Finding zoet water” iets anders staat dan in een MKBA? Wat zijn de feiten?  

Ook de kwalitatieve zekerheid roept vragen op. Het woord ‘bruinrot’ komt in de stukken maar zelden voor en al helemaal niet in de ontwerprijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Ook in de MKBA is er tevergeefs naar gezocht. Ook op pagina 157 van de MKBA, waar geschreven wordt over de “aanpassing inlaat Oosterhout”, lijkt bruinrot niet te bestaan.

Curieus is de inhoud van de Zoetwaterrapportage 2012. Op pagina 41 is de navolgende tekst te vinden over water dat via Oosterhout in het Mark-Vliet stelsel komt: “Het risico bestaat dat dit water verontreinigd is met de bruinrotbacterie die in Oost-Brabant voorkomt en een bedreiging kan vormen voor de aardappelteelt in West- Brabant.”.  

De “Joint Fact Finding zoet water” is helder. Bijvoorbeeld uit figuur 2 op pagina 19 blijkt dat de inlaat bij Oosterhout een wezenlijk deel (10 m3/s.) uitmaakt van de beoogde zoetwatervoorziening. Niet helemaal helder is waar die 10 m3/s. vandaan komt. Uit de Amer, het Wilhelminakanaal of allebei? Wat tevens opvalt is dat in de factsheets in de “Joint Fact Finding zoet water” op enkele plaatsen (pagina 47 (PAN-polders) en pagina 51 (Mark-Vliet systeem)) bruinrot als probleem wel wordt aangegeven.

Als voorbeeld de tekst op pagina 51: “De leveringszekerheid in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt mogelijk beïnvloed door de watervraag voor zoutlekbestrijding bij een zout Volkerak-Zoommeer, die een hogere prioriteit krijgt. Wegens extra inlaat vanuit het Hollandsch Diep voor de doorvoer naar Zeeland en PAN-polders en zoutbestrijding wordt het bruinrotprobleem kleiner.”. Men erkent het probleem dus wel!!!!  

Ons Water is ronduit verbijsterd dat het bruinrotprobleem slechts zijdelings wordt aangestipt en van een aanpak geen sprake lijkt en dat terwijl de levering vanuit Oosterhout voor geheel het kleigebied van West-Brabant van eminent belang is. Het zal helder zijn dat Ons Water het noodzakelijk vindt dat de bruinrotproblematiek wordt aan gepakt. Zonder de aanpak van de bruinrotbacterie in het water, dat via de inlaat Oosterhout naar de kleigebieden van West-Brabant komt, is van een verbetering van de leverzekerheid geen sprake!  

Toerisme/Recreatie/Sportvisserij 
In de Ontwerp-rijksstructuurvisie is veel aandacht voor de ‘positieve’ kanten die zouden zitten aan de verzilting van het Volkerak-Zoommeer voor de recreatie. Er zijn echter ook veel nadelen voor de recreatie, verbonden aan een eventuele verzilting.

Het voornaamste nadeel voor de waterrecreatie ligt in het opnieuw in bedrijf nemen van de Mandersluis en het Benedensas. Daarmee verminderen de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van de West-Brabantse binnenwateren, omdat geschut moet worden om de wateren en havens achter de sluizen te bereiken. Het gaat daarbij om zes jachthavens met een gezamenlijke capaciteit van ruim 1500 ligplaatsen.  

Een extra sluispassage is nadelig voor een jachthaven, zowel voor het aantal overnachtingen van passanten als voor de aantrekkelijkheid van de vaste ligplaatsen. Dat het effect van wel of niet schutten groot is, blijkt wel uit het feit dat de havens achter deze twee sluizen pas goed tot ontwikkeling zijn gekomen na de afsluiting van de Philips- en Oesterdam. Het overgrote deel van de inkomsten van een jachthaven komt uit de liggelden van de vaste ligplaatshouders. Deze zullen door onbenutte ligplaatsen en lagere tarieven dalen en dit bij gelijk blijvende kosten. Verzilten van het Volkerak-Zoommeer trekt daarmee een zeer zware wissel op de rentabiliteit en levensvatbaarheid van deze havens. In de Ontwerp-rijksstructuurvisie en de achterliggende documenten, voornamelijk de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) en de milieueffectrapportage (MER), zijn deze effecten niet adequaat meegenomen in de bepaling van het effect op de (water)recreatie. De stelling in de MKBA, dat het aantal overnachtingen van passanten in de jachthavens langs het Volkerak-Zoommeer toe zal nemen, is onjuist aangezien er eerder sprake zal zijn van een afname. De effecten op vaste ligplaatsen van havens wordt zelfs helemaal niet besproken.  

Een belangrijk deel van de waterrecreatie bestaat uit sportvisserij. Deze zal grotendeels verloren gaan. Zoetwatersportvissers zullen voor andere wateren kiezen en hun ligplaatsen in ons gebied opgeven. Het zal jaren duren voordat er aanwas zal zijn van zoutwatersportvissers, omdat het jaren zal duren voordat er een min of meer stabiel zoutwatermilieu zal zijn ontwikkeld die interessant is voor sportvissers. De opbouw van dat klantenbestand zal voor de watersportondernemers, zoals jachthavenexploitanten van onderop moeten gebeuren. Die hebben immers al ligplaatsen waar zij nu hun hobby beoefenen.  

Uitvoerbaarheid
De voorgenomen maatregelen worden in de stukken gepresenteerd als instandhoudingsmaatregelen. Als Ons Water deze toetst aan de uitleg van de Vogel- en Habitatrichtlijn lijkt dit standpunt niet houdbaar. De verzilting van het Volkerak-Zoommeer moet naar het gevoel van Ons Water worden opgevat als een project en dient vervolgens de complete procedure van een natuurbeschermingswet de vergunningsprocedure te doorlopen, inclusief de ADC-toets. Alleen deze procedure is een waarborg voor een zorgvuldige besluitvorming.

De verzilting wordt eerst voorgesteld als een systeemwijziging. Vervolgens wordt deze wijziging van systeem opgevat als een instandhoudingsmaatregel. Een instandhoudingsmaatregel richt zich op het in standhouden van het systeem. Het begrip ‘instandhouding’ wordt volgens artikel 1, onder a van de Habitatrichtlijn als volgt omschreven: “a) instandhouding: een geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier‑ en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding als bedoeld in de letters e) en i) “.

In artikel 2, lid 2, wordt nader gepreciseerd welke de doelstellingen zijn van de maatregelen die uit hoofde van de Richtlijn moeten worden genomen: “De […] genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier‑ en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen”.

Wat in de Ontwerp-rijksstructuurvisie en bijbehorende stukken wordt gepresenteerd als instandhoudingsmaatregelen lijkt in strijd met de natuurwetgeving zoals: de Vogel- en Habitatrichtlijn en de natuurbeschermingswet. Nu lijkt het dat, wanneer binnen een plan of project men denkt dat de doelen niet kunnen worden gehaald, de doelen worden aangepast. Helder is dat uit de geschiedenis van het beheer van het Volkerak-Zoommeer blijkt dat men niet echt moeite heeft gedaan de oorspronkelijke normen van het zoutgehalte te realiseren, met als nevengevolg dat de natuurdoelen behorende bij dat zoutgehalte niet zijn gerealiseerd. Ons Water komt tot deze conclusie omdat op diverse plaatsen in de stukken wordt gerefereerd aan de onderhoudssituatie van de Krammersluizen. 

Het meest pregnant is dat in het “Advies Deltaplan Zoetwater” op pagina 39 is te lezen: “Voordat een zout Volkerak-Zoommeer is gerealiseerd, is waarschijnlijk ook nog een zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen nodig. Kiest het kabinet voor een blijvend zoet Volkerak-Zoommeer, dan is herstel van de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen noodzakelijk om aan de huidige beheersafspraken en het waterakkoord te kunnen voldoen.” Het door ons vet weergegeven woord zegt veel: herstel! De bestaande zoet-zoutscheiding werkt dus al langere tijd niet of niet optimaal. Het komt Ons Water voor dat de voornemens, vermeld in de Ontwerp-rijksstructuurvisie niet binnen de huidige kaders van de (Europese) wetgeving uitgevoerd kunnen worden, want de voornemens in de Ontwerp-Rijksstructuurvisie bevatten voor de natuur meer nadelen dan voordelen en zijn derhalve in juridische zin niet uitvoerbaar.

De huidige trends/de quaggamossel
De afgelopen jaren is de overlast van de blauwalg in het Volkerak-Zoommeer aanzienlijk afgenomen door de graas van een in Nederland relatieve nieuwkomer (exoot): de quaggamossel. In de bij de Ontwerp-rijksstructuurvisie behorende stukken, zoals het milieueffectrapport, komt de ontwikkeling van de quaggamossel met regelmaat aan de orde, zie onder staande citaten uit het milieueffectrapport:

Pagina 80: “De autonome ontwikkeling van de waterkwaliteit in het Volkerak-Zoommeer is onzeker. Een scenario waarin de quaggamossel die zich in het gebied heeft gevestigd voor een blijvende verbetering zorgt, is voorstelbaar. Experts op dit gebied voorzien volgens de genoemde ‘Quick scan’ echter ook een ander scenario: terugval van het aantal van deze mosselen, gevolgd door opnieuw toenemende overlast van blauwalgen als gevolg van de nog steeds aanwezige grote hoeveelheden fosfaat en de hoge stikstofbelasting in het meer. Snelle groei gevolgd door een terugval van populaties exoten, onder meer door hun gevoeligheid voor ziekten, is een bekend verschijnsel en zou dus ook in het geval van de quaggamossel in het Volkerak-Zoommeer kunnen optreden.”

Pagina 81: “Bij een autonome ontwikkeling waarin de quaggamossel wel voor een blijvende verbetering zorgt, kan de toestand binnen enkele jaren verbeteren naar ‘goed’ voor doorzicht en het kwaliteitselement fytoplankton.” 

Pagina 104: “Sinds 2008 nemen de algenconcentraties af, met name als gevolg van begrazing door de quaggamossel die zich in het water heeft gevestigd. Deze situatie kan in het zichtjaar nog steeds aan de orde zijn, maar het is ook goed mogelijk dat de populatie van deze exoot weer geheel of gedeeltelijk uit het water is verdwenen en de algenconcentraties opnieuw zijn opgelopen.”

 De ‘experts’ geven in de stukken aan dat er een kans is dat deze exoot weer grotendeels verdwijnt. Een echte onderbouwing van deze gedachte wordt in geen van de geleverde stukken gegeven, behalve dat het een soort van risico is verbonden aan elke exoot. De quaggamossel (Dreissena bugensis) is weliswaar relatief kort in ons land (2004), maar een naast familielid, de driehoeksmossel is al langer hier. Deze komt al in Nederland voor sinds het begin van de 20e eeuw. Beiden komen uit het Ponto-Kaspische gebied en kunnen, zo is in het  Zwarte Zee gebied gebleken, nogal wat klimaatvariaties aan. Het is een mossel die houdt van zoet water met niet te hoge zoutgehalten en hecht zich graag aan een harde ondergrond. Hun belangrijkste kenmerk is: ze eten grote hoeveelheden fytoplankton, zoöplankton en algen waardoor het water zeer helder wordt. Toch zijn er tal van ‘experts’ die denken dat ze ook zomaar weer kunnen verdwijnen. Nu kan natuurlijk bijna alles. Dus ook ziekten zouden deze exoot kunnen bedreigen, maar als een familielid die hier al circa 90 jaar zich staande houdt (en voor een leek zijn ze bijna niet van elkaar te onderscheiden) dan lijkt dat ‘verdwijn-verhaal’ niet erg waarschijnlijk.  

In de circa 3.000 pagina’s die ik (Ons Water) heb gelezen met een relatie tot de Ontwerp-rijksstructuurvisie, heb ik gespeurd naar aanwijzingen waarop die verdwijntheorie van de quaggamossel gebaseerd zou kunnen zijn. Wij denken hem gevonden te hebben. Kijkend naar inlaattabellen lijkt het of bij stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar onze informatie de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak, lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Als, zoals nu gebeurt, sluipend de chloridegehaltes in het Volkerak-Zoommeer, mede door achterstallig onderhoud, stijgen dan is het helder: dan daalt de effectiviteit van de blauwalggraas van de quaggamossel en kan hij bij nog hogere zoutgehalten uit het Volkerak-Zoommeer verdwijnen. Hij verdwijnt dan niet door een ziekte, maar omdat zijn leefomgeving door wanbeleid wordt aangetast. Het al jaren niet voldoende onderhouden van bijvoorbeeld de Krammersluizen lijkt op het opzettelijk werken naar een zout Volkerak-Zoommeer.

Ons Water verwacht van een overheid, die goedkoop een overlastprobleem zou willen bestrijden, dat zij het hun werknemers (de quaggamossel) makkelijker zouden maken door zoutgehaltes omlaag te brengen en hier en daar te zorgen voor wat meer harde ondergronden waar deze beestjes zich op kunnen hechten. Geef de quaggamossel een faire kans de zoete biotoop die het Volkerak-Zoommeer nu is te volmaken. Dat kan als men zich aan de afspraken zou houden en de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zou herstellen. Bijvoorkeur snel en met een bellenscherm. Dat past binnen de no-regret maatregel zoals vermeld in de MKBA (pagina 143).  

Kosten
Bij het lezen van de rapportage maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA), één van de onderleggers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, heeft Ons Water bemerkt dat bij de opsomming van kosten van de diverse te nemen maatregelen ook vermeld is wat de jaarlijkse kosten van deze maatregelen zullen zijn. Onderstaand een, door Ons Water samengesteld, overzicht van de in de MKBA vermelde ingeschatte jaarlijkse kosten van investeringen, waarvan tevens vermeld is dat zij na realisering overgedragen zullen worden aan het waterschap Brabantse Delta.

Pagina 45/153/157

Jaarlijks onderhoudskosten overzicht in euro’s

Zoutbestrijding Dintelsas en Benedensas    150.000 Tabel 70/pagina 153.

Uitbreiding gemaal Hollands Diep               150.000

Inrichting kwelsloten                                         10.000

Verplaatsen inlaatpunten Dintel/Vliet           80.000

Ontmanteling inlaatpunten VLK-ZM         –  20.000

Aanpassen gemaal Roode Vaart                   450.000 Tabel 72/pagina 157

Aanpassen watergangen Vossemeer en
Auvergnepolder                                               250.000

Roode Vaart                                                     500.000 Tabel 15/pagina 45

In de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (een stuk uit 2012) is reeds vermeld dat het waterschap na realisering de zorg krijgt voor beheer, exploitatie en onderhoud van de werken. Tot op heden zijn er geen afspraken gemaakt over de vergoeding van de jaarlijkse kosten. Ons Water is van mening dat volgens het vervuiler-betaalt-principe de veroorzaker van de kosten van de verzilting tot in lengte van jaren de daaruit voortkomende lasten zal dienen te dragen. Het kan immers niet zo zijn dat de bewoners en bedrijven van West-Brabant blijvend de lasten van de verzilting van het Volkerak-Zoommeer zouden moeten dragen.  

De oorzaak van de sluipende verzilting/het ontbrekende alternatief
Het lijkt erop dat er ook invloeden van buiten de regio ten grondslag liggen aan de Ontwerp-rijksstructuurvisie. De honger naar zoet water!
Door de verzilting van laag Nederland is steeds meer zoet water nodig. Nu wordt de schuld gegeven aan zaken die we niet of nauwelijks kunnen beïnvloeden, zoals de klimaatverandering en de stijgende zeespiegel.

Maar dat is niet het hele verhaal. Reeds in de rapporten: “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat in 1968, wordt nadrukkelijk een andere oorzaak in beeld gebracht. Enerzijds logisch, want de klimaatverandering en de zeespiegelstijging waren nog niet politiek aan de orde, laat staan de tunnelvisie op dit punt. Natuurlijk spelen de klimaatverandering en de zeespiegelstijging een rol maar als de grootste oorzaak toen werd een andere schuldige aan gewezen: de veranderingen rond de Nieuwe waterweg!  

Vanaf eind vijftiger jaren van de vorige eeuw tot 1968 zijn er belangrijke ontwikkelingen geweest die de zoetwatervraag om de verzilting via de Nieuwe waterweg tegen te gaan hebben doen toenemen van circa 300 m3/s naar circa 700/800 m3/s. De uitbreiding van het havenareaal (Europoort, Botlekhavens, Eemhaven) en de verdieping van de vaarweg naar deze havens, alsmede de verdieping van de oliegeul vanuit zee naar de monding van de Nieuwe Waterweg hebben het vloedvolume toen enorm doen toenemen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de rivier zich aangepast heeft aan het toegenomen getijvolume op het traject van de rivier tussen de mond en de betreffende havens. Hierdoor ontstond een verdieping van de rivier in de periode 1958/1964 van circa 2 meter door een proces van terugschrijdende erosie op het traject Hoek van Holland – Maassluis. De verwachting in 1968 was dat dit proces voort zou gaan. Als aanpassing op dit proces werd de norm van het chloridegehalte ter hoogte van de Parkhaven (300mg/l) losgelaten en de toetsplek werd verlegd naar de mond van de Hollandsche IJssel en het advies gegeven: “de bodem van de Nieuwe Maas en de Nieuwe Waterweg te verhogen en vast te leggen.” (Bron: “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Gebeurde dit? Nee, het was volgens de politiek immers niet nodig en volgens Rotterdam en de havenbaronnen ongewenst. De Deltawerken kwamen er aan en het zoete water kon door de dammen gestopt worden en doorgeleid worden naar zee via de Nieuwe Waterweg. Maar de Rotterdamse groot muil werd nog groter. Sinds 1968 bleven er gewoon havens bij komen. Dit leidde er toe dat van oude afspraken steeds minder terecht kwam.

Als voorbeeld de geschiedenis van de afspraken rond het Volkerak-Zoommeer: “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloride norm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”  

“In het ‘droge’ jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.” (Bron;  pagina’s 87/88 van de Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie, oktober 2014).

Wie zijn de slachtoffers van deze zoet water honger van de Nieuwe Waterweg. De boeren en tuinders van Zuid-Holland, Zeeland en West-Brabant en de drinkwaterleidingbedrijven in laag Nederland en daarmee alle consumenten van dat drinkwater. Zij lijden de schades veroorzaakt door de verzilting in de vorm van mindere opbrengsten en hogere kosten. Natuurlijk erkent Ons Water dat Rotterdam en zijn havens voor de BV Nederland van onschatbare waarde zijn. Maar het jaar na jaar afwentelen van de verziltingproblemen op boeren, tuinders en drinkwaterbedrijven en het laten verzilten van zoete natuurgebieden, zoals laagveen moerassen, kan niet blijven voortduren. Het gat dat de Nieuw waterweg heet moet vergaand gedicht worden. Door sluizen die, als er gebrek is aan zoet water, geschut kunnen worden en door maatregelen, die al in 1965 en 1968 werden genoemd als alternatieven, zoals het verhogen/vastleggen van de bodem van de Nieuwe Waterweg eventueel met een drempel en luchtbellenschermen, die nu nog steeds als innovatief door Rijkswaterstaat worden betiteld maar in 1968 al in de grote schutsluizen te IJmuiden werden gebruikt (bron: pagina 33 “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Het wordt tijd dat de landelijke politiek zijn werk gaat doen en doorkrijgt dat vanaf eind jaren vijftig van de vorige eeuw de rest van Nederland gebruikt wordt als zoetwaterleverancier voor de eeuwig hongerige Nieuwe Waterweg. Rotterdam moet ophouden de problemen die haar havenactiviteiten veroorzaken af te wentelen op de rest van Nederland.

Er vanuit gaande dat de zoetwaterhonger van de Nieuwe Waterweg blijft en dat het zoete water voor doorspoeling van het Volkerak-Zoommeer nodig wordt geacht voor deze slokop, dan mist Ons Water een alternatief. Wat naar onze opvatting in de stukken ontbreekt is een alternatief wat zoet is, zonder de garantie van  de nu geldende chloridenorm van maximaal 450 mg/l. Met de absolute randvoorwaarde dat de zoetwatervoorziening voor de landbouw (Roode Vaart) wordt aangelegd en er bij de inlaat maatregelen komen die de inlaat van de bruinrotbacterie voorkomen. En als tweede randvoorwaarde: de snelle aanleg van een bellenscherm in de Krammersluizen.

Wat zijn de gevolgen van het loslaten van de huidige chloridenorm zonder opzettelijke verzilting?

  • Geen extra doorspoeling, niet meer noodzakelijk
  • Geen zoetwater meer nodig vanuit het Hollandsch Diep/Haringvliet systeem
  • Gevarieerder waterpeil word mogelijk
  • Minder gevaar voor zoutindringen in Haringvliet / Hollandse Diep
  • Makkelijker beheer Krammersluizen en vlottere doorvaart
  • Geen nadelige effecten op Oosterschelde en Westerschelde
  • Minder kans op verzilting omringende landbouwgronden

Voor de helderheid: Ons Water wijst verzilting van het Volkerak-Zoommeer af! 

Voor meer informatie/inzichten en artikelen die Ons Water heeft gepubliceerd over het Volkerak-Zoommeer zie onze website  http://onswater.com/dossier-volkerak-zoommeer/  

In afwachting van uw reactie in de Nota van Antwoord,

hoogachtend,

namens Ons Water 

L.H. van der Kallen

 


VERZOEK WET OPENBAARHEID VAN BESTUUR, KENMERK LK/14085

 


Bergen op Zoom, 21 november 2014

 

Aan het College van Burgemeester en Wethouders

der Gemeente Bergen op Zoom

Postbus 35

4600 AA Bergen op Zoom

 

Betreft: Verzoek Wet Openbaarheid van Bestuur, kenmerk LK/14085

 

Geacht College,

Dank voor de snelle en uitgebreide beantwoording van onze brief kenmerk LK 14078 inzake de gevolgen ontwerp-structuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Eén antwoord verheugt ons (het college heeft “geen fiducie in de voorgestelde (vakantie)woningbouw”) en bevreemdt ons. Wij twijfelen ernstig aan de juistheid en oprechtheid van uw antwoord.

Mede namens het college van Burgemeester en Wethouders van Bergen op Zoom is in november 2013 Verbonden Toekomst uitgebracht, waarin op kaartbeelden op pagina 20 en nog meer in detail op pagina 31 wel degelijk de in de ontwerp-structuurvisie en bijbehorende stukken vermelde ideeën inzake de mogelijke locaties van vakantiewoningen zijn vermeld. Verbonden Toekomst is, gezien onderstaand citaat uit de ontwerp-structuurvisie, te vinden op pagina 17: “Bij deze verkenningen is gebruik gemaakt van de visie ‘Verbonden Toekomst’. De resultaten van het programma Gebiedsontwikkeling zijn betrokken bij het formuleren van de uitgangspunten in deze rijksstructuurvisie voor de bekostiging en voor de uitvoering”, één van de uitgangspunten geweest voor de ontwerp-structuurvisie.

Het kaartbeeld op pagina 28 van de ontwerp-structuurvisie is dan ook exact het zelfde als dat op pagina 31 van Verbonden Toekomst. In antwoord op een vraag door de BSD-fractie gesteld, is uw college nu van mening “geen fiducie te hebben in de voorgestelde (vakantie) woningbouw”, terwijl uw college eerder akkoord is gegaan met Verbonden Toekomst, waarin de voorgestelde (vakantie) woningbouw is vermeld.

Het nu afzien van het indienen van een zienswijze, bijvoorbeeld gericht op het niet eens zijn met de voorgestelde (vakantie)woningen, is op zijn zachtst gezegd merkwaardig. Verbonden Toekomst lijkt je reinste geld verspilling!

Gezien het voorgaande is het tijd voor een grondige evaluatie van de totstandkoming van Verbonden Toekomst.

In het kader van artikel 3 lid 1 van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verzoekt ondergetekende inzage in alle dossiers/stukken, die betrekking hebben op de voorbereiding, totstandkoming en besluitvorming van Verbonden Toekomst inclusief alle verslagen van de besprekingen daar omtrent. Voornoemde dossiers zijn die documenten als bedoeld in artikel 3 lid 2 WOB.

Ondergetekende verzoekt Uw College hem kennisneming van de inhoud toe te staan (artikel 7 lid 1b WOB) en met een beroep op artikel 7 lid 2 WOB de dossiers voor de verzoeker ter inzage te leggen van 2 tot en met 30 januari 2015.

In de verwachting dat U de termijnen genoemd in artikel 6 lid 1 en eventueel lid 2 WOB zult respecteren en Uw reactie afwachtend,

Met vriendelijke groeten,

Louis van der Kallen

 


VRAGEN EX ART. 39, AGENDEREN GEVOLGEN ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE GREVELINGEN EN VOLKERAK-ZOOMMEER, KENMERK LK/14078

 


Bergen op Zoom, 26 oktober 2014

 

Aan het College van Burgemeester en Wethouders

der Gemeente Bergen op Zoom

Postbus 35

4600 AA Bergen op Zoom

 

Betreft:          vragen ex art. 39, agenderen gevolgen ontwerp-rijksstructuurvisie                              Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, kenmerk LK/14078

 

Geacht College,

De landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten. Daarmee komt de regering deels tegemoet aan de in de gebiedsontwikkelingsvisie Verbonden Toekomst neergelegde wensen van de regio. Maar wat betekent het regeringsbesluit tot verzilting uiterlijk in 2028?

Dat er tot mogelijk 2028 aan de Binnenschelde niets tot weinig gebeurd om de kwaliteit te verbeteren? Wat is de betekenis van het kostenoverzicht op pagina 32? Feitelijk is er slechts voor 23 van de mogelijk benodigde 280 miljoen nu een dekking aangegeven en moet er minimaal 105 miljoen komen uit gebiedsontwikkeling, zoals onder andere de plannen op Bergs gebied. Dit houdt in, althans volgens de ontwerp-rijksstructuurvisie en de gebiedsontwikkelingsvisie Verbonden Toekomst: een jachthaven in de Binnenschelde, vakantiewoningen op de strook land tussen de Plaatvliet en de Binnenschelde, drijvende woningen op/aan/nabij de Prinsesseplaat, vakantiewoningen in de Auvergnepolder. Is dit (financieel) geloofwaardig?

In de ontwerp-rijksstructuurvisie op pagina 61 is gesteld; “Gezien de relatief hoge kosten om de waterkwaliteitsproblemen op de Grevelingen op te lossen en de momenteel verminderde urgentie om de waterkwaliteitsproblemen van het Volkerak-Zoommeer aan te pakken, ligt investeren in het geschetste ontwikkelperspectief om de waterkwaliteit van beide wateren structureel te verbeteren op dit moment voor het Rijk niet voor de hand. Regionale partijen hebben die ambitie echter wel en zien daarvoor ook, in samenwerking met het Rijk en marktpartijen, de financiële mogelijkheden”. Gezien deze tekst is de BSD-fractie geneigd de Bergse plannen financieel niet geloofwaardig te achten. Het Rijk is immers klaarblijkelijk niet van plan er geld in te steken.

  • Wat is nu de positie van Bergen op Zoom?
  • Gaat het college ondanks de in de ontwerp-rijksstructuurvisie geschetste financiële voornemens van het Rijk deze plannen doorzetten?
  • Of gaat het college middels een meningpeilende raadsmededeling kijken wat de gemeenteraad er nu van vindt?

De BSD-fractie verzoekt uw college om een raadsmededeling in deze.

In afwachting van Uw reactie,

hoogachtend

namens de BSD-fractie

Louis van der Kallen

 


GEDEPUTEERDE STATEN NRD BRABANT INZ. BESTUURLIJKE HERINRICHTING, KENMERK 0056

 


Bergen op Zoom, 27 september 2014

 

Aan het College van Gedeputeerde

Staten van de Provincie Noord Brabant

Postbus 90151

5200 MC ’s Hertogenbosch

Per email: info@brabant.nl

 

Betreft:          bestuurlijke herinrichting, kenmerk 0056

 

Geacht College,

Met interesse heeft ondergetekende kennis genomen van de publicatie in de Brabant Nieuwsbrief met de inhoud: “Op een vernieuwende manier samenwerken aan de bestuurlijke herinrichting van en voor Brabant”. De daarin aangegeven ambitie, verwoord in “(Veer)Krachtig Bestuur: Op weg naar nieuwe samenwerking en samenhang”, onderschrijft ondergetekende van harte. Ik vind het jammer dat het verhaal voorbijgaat aan de eenvoudig op te pakken zaken die nu vaak mede bepalend zijn voor het niet optimaal functioneren van overheden in het algemeen.

Een voorbeeld uit de eigen omgeving is de bestuurlijke verantwoordelijkheden van het natuurgebied Markiezaten/Molenplaat. Twee provincies (Noord Brabant en Zeeland), twee waterschappen (Scheldestromen en Brabantse Delta) en drie gemeenten (Tholen, Bergen op Zoom en Reimerswaal) dragen verantwoordelijkheid voor dit natuurgebied, waar niemand woont en dat als Natura 2000 gebied en als natte natuurparel veel aandacht, plannen maken en uitvoering behoeft. Het gevolg van de bestuurlijke lappendeken is dat dit gebied niet die aandacht krijgt die het verdient. Zo blijkt dat in het, op dit moment nog concept, waterbeheersplan 2015-2021 van het waterschap Brabantse Delta voor dit gebied, in deze periode, nog geen plannen worden ontwikkeld om aan de doelstellingen van een Natura 2000 gebied of natte natuurparel te gaan voldoen. In mijn beleving een gemiste kans. Die afwachtende houding komt naar mijn gevoel voort uit de bestuurlijke lappendeken, waardoor plannen maken en uitvoeren onnodig complex zijn.

Mijn verzoek: kom tot zodanige afspraken inzake de bestuurlijke indeling van dit gebied waardoor dit gebied onder één provincie, één waterschap en één gemeente komt te vallen. Een natuurlijke grens zou de Markiezaatskade kunnen zijn.

Uw handelen afwachtend,

hoogachtend,

L.H. van der Kallen

lid van de gemeenteraad Bergen op Zoom, BSD-fractie

lid Algemeen Bestuur Waterschap Brabantse Delta, fractie Ons Water/Waterbreed

 


LEDEN VAN DE TWEEDE KAMER INZ. ZOET-ZOUT 2 – A026

 


 

Lepelstraat, 30 oktober 2009

 

Aan de leden van de Tweede Kamer

per e-mail

 

Geachte leden van het parlement,

Op 14 april jl. zond één van de ondertekenaars van deze brief u (per mail) een uitgebreide brief over de gevolgen van verzilting van het Volkerak-Zoommeer, deze brief is een nadere aanvulling. Eind mei is aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat Directoraat-generaal Water door de Stuurgroep Zuidwestelijke Delta het stuk: “Zoet water Zuidwestelijke Delta, een voorstel voor een regionale zoetwatervoorziening” gestuurd. Als belanghebbend agrarisch ondernemer neem ik de vrijheid daar enige kanttekeningen bij te maken, in de hoop en het vertrouwen dat u als volksvertegenwoordigers deze zult betrekken bij uw besluitvorming daaromtrent.

Op pagina 21 van het advies wordt op kaart 4 de indruk gewekt dat het deel van het Haringvliet ter hoogte van het Spui niet zal verzilten. Dit kan alleen als vanuit het Spui een behoorlijk debiet zoet water richting het Haringvliet zal gaan. Met het huidige beschikbare debiet in drogere tijden is dit onwaarschijnlijk. Mocht het Spui debiet bij een waterverdeling in droge tijden helemaal stilvallen, dan is het aan te nemen dat zouter water vanaf de Volkeraksluizen uiteindelijk het hele benedenstroomse deel van het Haringvliet zal verzilten. Het is immers niet waarschijnlijk dat het scheepvaartverkeer tussen Rotterdam en Antwerpen,  bijvoorbeeld in een droge zomer, volledig stilgelegd zal worden.

Op diverse plaatsen in het stuk wordt de indruk gewekt dat het mogelijk zou zijn substantiële hoeveelheden zoet water op te slaan of te bufferen in het West-Brabantse krekensysteem. Dit is wensdenken. De praktijk is dat de opslagcapaciteit van de West-Brabantse kreken zeer beperkt is en hooguit een uitstel kan geven van enkele dagen. Dus feitelijk is dit zowel voor de landbouw als de natuur geen oplossing.

De stelling op pagina 29 dat ‘de De Kier geen cumulerend effect heeft op de gevolgen van een zout Volkerak-Zoommeer’ is discutabel. Als de gedachte zoetwaterbel voor de monding van het Spui in droge tijden zou verzilten is wel degelijk van een cumulerend effect sprake.

De zin, op pagina 29, “Het Haringvliet zal dan iets minder zoet worden,” is ronduit misleidend. Iets wordt alleen ‘minder zoet’ als er minder suiker of zoetstof in zou zitten. Maar er zit geen suiker of zoetstof in het zoete water van het Haringvliet. Minder zoet betekent dan ook gewoon MEER ZOUT. Dus verzilting!

Op pagina 32 wordt aangegeven via welke routes eventueel West-Brabant/Tholen voorzien kunnen worden van zoet water. De opgenomen eindconclusie: “De kosten zullen uiteindelijk hier bepalend in zijn.” Onze fractie vindt het onjuist dat de kosten bepalend zouden zijn en niet op zijn minst ook de waterkwaliteit.

Op pagina 37 wordt onder gebruikersmaatregelen o.a. genoemd: “Aanpassing aan hoger zoutgehalte (drinkwater en industrie)”. Onze fractie acht dit een onbegaanbare weg en uit oogpunt van volksgezondheid en productkwaliteit ongewenst.

In o.a. paragraaf 7 en 8 wordt verwezen naar mogelijke kostendragers voor de te nemen maatregelen. Wie baat heeft bij een verandering mag daarvoor belast worden. Maar belasten voor iets waarvoor reeds betaald is/wordt (de beschikbaarheid van voldoende zoet water) acht onze fractie niet juist. De huidige gebruikers van zoet water betalen er reeds voor middels de waterschapslasten. Extra beprijzing voor de aanvoer van zoet water acht onze fractie niet acceptabel daar de alternatieve aanvoer noodzakelijk zou worden door beslissingen van derden in casu de landelijke overheid. Naar goed Nederlands- en waterschapsgebruik dient dan te gelden: de vervuiler/veroorzaker betaalt.

Onze fractie onderschrijft met nadruk het advies om ter zekerstelling van de beschikbaarheid van voldoende zoet water voor West-Brabant en Tholen/Sint Philipsland te komen tot  waterakkoorden met heldere afspraken hoe om te gaan met het beschikbare zoete water middels een landelijk zoetwaterverdeling.

Ons advies is kijk naar meer dan de huidige toekomt scenario’s. Onze suggesties:

–         Sluit de kier. Herstel de doorgang tussen Goeree en Overflakkee. Laat de rivieren o.a. middels het Haringvliet en de Grevelingen naar de Oosterschelde stromen. De verziltingsdruk op Goeree-Overflakkee zal dan afnemen. De kwaliteit van de Grevelingen zal verbeteren. De voedselarmoede in het Oosterscheldebekken afnemen.

–         Maak haast met de mogelijkheid de Nieuwe Waterweg b.v. ter hoogte van de Brienenoordbrug af te sluiten. Dan kan het zoetwaterlek van Holland gedicht worden in een droge periode en heeft de rest van Nederland te allen tijde voldoende zoetwater.

Hopende op Uw inzet en vertrouwende op Uw inzichten,

met de meeste hoogachting,

Hoogachtend,

Namens Ons Water/Waterbreed

C.W.F.M. Ooms

Lid steunfractie Ons Water/Waterbreed van het waterschap Brabantse Delta

H.J.M. Poppelaars

Fractie voorzitter Ons Water/Waterbreed van het waterschap Brabantse Delta

 


INSPRAAKPUNT ONTWERP NATIONAAL WATERPLAN INZ. INSPRAAKREACTIE ONW – A025

 


 

Bergen op Zoom, 11 mei 2009

 

Inspraakpunt

Ontwerp Nationaal Waterplan

Postbus 30316

2500 GH Den Haag

 

Geachte heer/mevrouw,

Ons Water/West-Brabant Waterbreed, een onafhankelijk samenwerkingsverband dat opkomt voor het kwalitatieve behoud en de toekomst van de Nederlandse wateren en een goed en efficiënt beheer daarvan, wenst via dit schrijven een inspraakreactie te geven op het ontwerp Nationaal Waterplan (ONW). Ter illustratie zal soms verwezen worden naar andere documenten, omdat deze ook mede onderleggers c.q. bouwstenen zijn van het ontwerp Nationaal Waterplan.

Strategie – visie
Nederland krijgt in toenemende mate problemen met het waterbeheer. De bodem daalt in het westelijk deel. De grond klinkt bij een fors aantal bemalen percelen in. Als gevolg van klimaatveranderingen stijgt de zeespiegel en nemen neerslaghoeveelheden en neerslagintensiteiten toe. De bodemdaling is een geologisch proces dat grotendeels tot stand komt zonder menselijk ingrijpen.

De inklinking van de bemalen gronden is een proces van honderden jaren, dat mede door het peilbeheer de laatste honderd jaar is versneld. Steeds vaker zijn gronden in gebruik genomen die voor dit gebruik niet of minder geschikt waren. Dit proces gaat nog steeds door.

Het Nationaal Waterplan gaat uit van de KNMI 2006 scenario’s en de verwachtingen van de Deltacommissie voor de plausibele bovengrens op de lange termijn. Dit wordt vertaald in een Rijnafvoer van 18.000 m3/s en een Maasafvoer van 4.600 m3/s en een zeespiegelstijging tot maximaal 130 cm tot 2100.

Wat op valt is dat, ondanks de andere benadering van het klimaatscenario dan bij de PKB/MER Ruimte voor de Rivier, de maximaal gehanteerde rivierafvoeren gelijk zijn gebleven. De onderbouwing hiervan is niet gegeven.

Er is nagedacht over de toekomst en de houdbaarheid van het totale Nederlandse watersysteem in relatie met het huidige en toekomstige gebruik van gronden. Er is de erkenning dat de verdediging van de dijkringen 13 en 14 (grote delen van Zuid- en Noord-Holland en Utrecht) op langere termijn, bij voortzetting van het huidige beleid, moeilijker zo niet onmogelijk wordt. De risico’s nemen toe. In het besef dat de Nederlandse economie een plotseling en onvoorzien verlies van de dijkringen 13 en 14 (belangrijke economische dragers) moeilijk zo niet onmogelijk te boven kan komen, zou het voorzorgprincipe moeten leiden tot een ander beleid. Bijvoorbeeld ten aanzien van investeringen in infrastructuur en economie. Dit Nationaal Waterplan zou in deze bredere, economische, context geplaatst moeten worden. Dit is helaas niet het geval!

Plangebied
Beperkt zich tot Nederland. Uit de tekst blijkt op geen enkele wijze hoe de Nederlandse maatregelen ter voorkoming van overstromingen aansluiten bij die van onze buurlanden.

Ter illustratie:

Bij overstroming vanuit de Rijn in Duitsland is het zeer wel mogelijk dat het water aan de verkeerde kant van de waterkering ons land binnen komt en grote delen van het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel inundeert (tot enkele meters toe). Het betrokken waterschap beschikt over inundatie scenario’s die laten zien wat er gebeurt als Duitsland haar hoogwaterbeschermingsbeleid niet op orde zou brengen. Ook als waterkeringen in België het begeven, kunnen grote delen van Zeeuws Vlaanderen via de ‘achterdeur’ overstroomd raken. Het Nationaal Waterplan heeft de pretentie, na uitvoering, Nederland en haar bevolking tot in lengte van jaren te beschermen tegen overstromingen. Gezien het voorgaande is dit voor genoemde delen van het land, zonder afstemming en zekerstelling met België en Duitsland, niet het geval.

Afwentelen
Bij Ons Water/West-Brabant Waterbreed ontstaat bij het lezen van het ontwerp Nationaal Waterplan het gevoel dat het principe/beginsel van ’niet afwentelen’ verlaten is of in de onderste lade van het bureau van de opstellers is verdwenen.

Reeds in de Vierde Nota waterhuishouding (1998) was er sprake van het oog hebben voor ‘afwentelen’. Als één van de criteria voor de aanpak van emissies in die Nota geldt het voorkomen van afwenteling. Dit betekent dat “behalve met de kwaliteitseisen in het eigen gebied tenminste rekening wordt gehouden met benedenstrooms gelegen watersystemen.”

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw van professor Tielrooij (2000) schreef, in opdracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Unie van Waterschappen, in haar advies de volgende uitgangspunten: “Het watersysteem moet betrouwbaar, duurzaam en bestuurbaar zijn. Water moet ook worden gezien als bondgenoot. Problemen mogen niet worden afgewenteld. Voortdurend moet de afweging worden gemaakt tussen vasthouden, bergen en afvoeren van water. En tenslotte moet water meer ruimte krijgen…. Het huidige systeem van waterbeheer kent vele mogelijkheden tot afwenteling. Te vaak leggen burgers en overheden hun problemen op het bord van de ander of sluiten de ogen voor de toekomst. De Commissie meent dat het uitgangspunt ‘niet afwentelen’ moet gelden voor het watersysteem zelf, voor de bestuurlijke verantwoordelijkheden en voor de kosten.”

Ook in de Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG) was sprake van aandacht voor de risico’s van afwentelingsgedrag. Zo luidt artikel 4 lid 8: “Bij toepassing van de leden 3, 4, 5, 6 en 7 dragen de lidstaten er zorg voor dat zulks het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn in andere waterlichamen in hetzelfde stroomgebieddistrict niet blijvend verhindert of in gevaar brengt”

In bijlage 1 van het Nationaal Bestuurakkoord Water (NBW) ondertekend op 2 juli 2003, herbevestigd in het NBW-actueel is te lezen: “Het waterbeleid van de 21e eeuw is gebaseerd op het principe van niet-afwentelen (bestuurlijk, financieel en geografisch, in de tijd en op elk schaalniveau).”

In de hoogwaterrichtlijn (Richtlijn 2007/60/EG) luidt artikel 7.4: “In het belang van de solidariteit mogen overstromingsrisicobeheerplannen die in een lidstaat worden opgesteld geen maatregelen omvatten die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere landen in hetzelfde stroomgebied of deelstroomgebied, tenzij deze maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken lidstaten in het kader van artikel 8 een overeengekomen oplossing bereikt werd.”

Het beginsel van ‘niet afwentelen’ van waterproblemen is nationaal en internationaal op veel manieren vastgelegd. Toch moet Ons Water/West-Brabant Waterbreed constateren dat in het voorliggende ontwerp Nationaal Waterplan afwentelen vaak ‘de oplossing’ is van vele problemen.

Van Dale verstaat onder afwentelen (in figuurlijke betekenis): “een last overdragen op anderen”.

In een artikel in H2O (17-2006) gebruikte de auteurs (Paul Baan en Frans Klijn) de volgende werkdefinitie: “Het veroorzaken of verergeren van problemen in andere waterbeheersgebieden door activiteiten in het eigen watergebied.” Ons Water/West-Brabant Waterbreed vindt dit een bruikbare werkdefinitie. Wij vinden, in dit kader aanvullend, dat het opzettelijk niet ontwikkelen van eigen oplossingen voor eigen problemen ook onder het begrip afwentelen gevat kan worden.

Voorbeeld IJsselmeer e.o.
Wat zijn de gevolgen voor andere gebieden door de volgende voornemens?

– Pagina 7/8 (ONW): “In het Markermeer-IJmeer biedt dit ook mogelijkheden voor beperkte buitendijkse bebouwingruimte….. Het verlies aan waterbergingscapaciteit als gevolg van de buitendijkse ontwikkelingen hoeft niet te worden gecompenseerd.”

– Pagina 159 (ONW): “Als uitzondering op wat is vastgelegd in de Nota Ruimte hoeft voor deze beschikbaar gestelde ruimte (buitendijkse ontwikkelingen in het IJsselmeergebied) het verlies aan waterbergend vermogen niet te worden gecompenseerd.”

– Pagina 159 (ONW): “Ook neemt het kabinet een principebesluit over grootschalige buitendijkse ontwikkeling bij Almere.”

– Pagina 162 (ONW): “Grootschalige buitendijkse bebouwing is alleen mogelijk in het zuidelijk deel van het IJsselmeergebied, in de gemeenten Amsterdam, Almere en Lelystad. Deze gemeenten krijgen respectievelijk 350 ha, 700 ha en 150 ha ruimte voor nieuwe buitendijkse bebouwing.”

Om het bovenstaande mogelijk te maken en Noord en West Nederland van zoet water te voorzien worden onder andere het Markermeer-IJmeer en de Veluwerandmeren losgekoppeld van het IJsselmeer. Dit betekent dat om dezelfde hoeveelheid zoet water te bergen, als zomervoorraad voor de droogtebestrijding, het peil op het IJsselmeer niet met circa 1,1 meter maar met circa 1,5 meter uiteindelijk verhoogd moet worden (zie ook pagina 27, Ontwerp Beleidsnota IJsselmeergebied (OBIJ)).

Ondanks aanbeveling 2 van de Deltacommissie (“De keuze van wel of geen nieuwbouw op fysisch ongunstige locaties moet gebaseerd zijn op een kosten-batenanalyse. Hierin moeten huidige en toekomstige kosten voor alle partijen zijn berekend. De kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag of de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan profiteren.”) gaan Amsterdam, Almere en Lelystad niet de extra kosten door de extra verhoging van het IJsselmeer dragen. Noch gaan ze, als in de toekomst blijkt dat ook de waterbergingscapaciteit van het Markermeer-IJmeer alsnog nodig is, die kosten dragen.

Dat de totale samenleving de kosten gaat dragen van de initiële verhoging van het IJsselmeer ten behoeve van de zoetwatervoorziening is logisch. Het meerdere is een subsidie van het Rijk en de andere overheden aan de drie genoemde gemeenten.

Voorbeeld Rijnmond e.o.
Wat zijn de gevolgen voor andere gebieden door de volgende voornemens?

– Pagina 29 (ONW): “De combinatie van zeespiegelstijging en toename in de piekafvoeren van de grote rivieren in het benedenrivierengebied wordt het hoofd geboden met een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond en het afvoeren van piekafvoeren van de Rijn en Maas via de Zuidwestelijke Delta.”

– Pagina 149 (ONW); Het rijk zal, in navolging van de kabinetsreactie op het advies van de Deltacommissie, samen met andere overheden onderzoek doen naar een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond, waarbij voor- en nadelen zorgvuldig in beeld worden gebracht. Deze keringen kunnen zowel open als dicht staan en zullen het Rijnmondgebied bij hoogwater kunnen afsluiten en de zouttong in de Nieuwe Waterweg terugdringen. Zo kan het Rijnmondgebied veiligheid worden geboden en tegelijk een aantrekkelijk stadsfront en natuurontwikkeling worden gerealiseerd.” Geen woord over waar het water dan naar toe gaat en de gevolgen daarvan. Ook in het artikel over dit onderzoek in het magazine “De Water”, (maart 2009) uitgegeven door het Directoraat-generaal Water van het ministerie van Verkeer en Waterstaat in samenwerking met de

– uitvoeringsorganisatie NBW, wordt wel gerept over de wijze van afvoer maar niet dat het onderzoek de gevolgen op de ontvangende wateren gaat onderzoeken.

– Pagina 71 (ONW): “Urban Flood Management Dordrecht….Aantrekkelijk buitendijks woongebied…. De gemeente Dordrecht is voornemens om op deze wijze zo’n 1000 woningen buitendijks te gaan ontwikkelen.”

Hoe logisch zijn deze plannen rond Dordrecht en Rotterdam? Een aantal citaten uit de notitie “Van Lobith en Eijsden naar zee” van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat wil Ons Water/West-Brabant Waterbreed in dit kader memoreren:

– “Om de waterstand daarbij op hetzelfde niveau te houden en dus van dijkverhoging af te kunnen zien zal het rivierbed verruimd moeten worden, door bijvoorbeeld uiterwaarden te verlagen of dijken te verleggen.”

– “Tekort aan ruimte is vooral op de Waal en Merwede’s te verwachten.”

– “In de PKB is, zowel voor de korte als lange termijn, er voor gekozen om met rivierverruiming de afvoer richting Nieuwe Merwede (‘naar het zuiden’) te stimuleren. De Beneden Merwede wordt ontzien om de omgeving van Dordrecht, waar de situatie al kritiek is, niet onnodig te belasten.”

– “Dit betekent dat op de lange termijn zomerbedverdieping op de Boven en Nieuwe Merwede toch aan het PKB maatregelenpakket moet worden toegevoegd.”

– “Ruimte voor andere ontwikkelingen zoals in de ruimtelijke ordening (woningbouw) lijkt moeilijk in het rivierengebied te vinden.”

Ondanks de (bergings)problemen met water bouwen Rotterdam en Dordrecht al jaren buitendijks en gaan er gewoon mee door. Daarmee anderen belastend met hun waterproblemen. Het verleden neemt geen keer, maar de toekomst kan gekeerd worden!

Als voorbeeld de Dordtse besluiten.
Dordrecht heeft mooie ‘Dordtse’ plannen “de nieuwe Dordtse Biesbosch” in de Dordtse buitendijkse gebieden. Door middel van een presentatie van een medewerkerster van Dordrecht op een bijeenkomst in Goes, op 13 maart 2009, werd de inhoud van de ‘Dordtse’ plannen uit de doeken gedaan. ‘De nieuwe bouwlocaties aan de rivier konden zorgen voor een stevige verhoging van de WOZ waarden! Bouwen in mooi gebied was goed voor het vestigingsimago! Net als voor Rotterdam was bouwen in het buitendijkse gebied, bouwen voor de bovenkant van de markt! De relatie met de rivier voegt gevraagde kwaliteit toe! Dit waren o.a. de stellingen. Bouwen buitendijks was veiliger dan bouwen binnendijks! Buitendijks zou het water bij hoog water hooguit tot je knieën komen. Binnendijks was het risico groot dat je tot boven je kruin in het water kwam te staan. Vreemd genoeg niets over het bergen van het water. Een meestromende nevengeul, in het kader van Ruimte voor de Rivier, was zelfs geschrapt. 35 miljoen rijksgeld voor Dordtse buitendijks plannen. Rijksgeld voor beleid dat in strijd is met het formele rijksbeleid! Kan Dordrecht dan geen water bergen? Zeker wel. Maar zij leggen liever een 1200 hectaren grote bouwlocatie annex recreatieterrein aan dan deze gebieden te gebruiken om rivierwater te bergen. Makkelijker is het grote delen van West-Brabant onder water te zetten als het water geborgen wordt in het Volkerak-Zoommeer. Iedere hydroloog weet te vertellen dat, als je het waterpeil ter plaatse wilt verlagen, je in de buurt dan het water moet bergen. Dit zou heel goed in grote delen van de Sliedrechtse, Dordtse en Hollandse Biesbosch met meer effect kunnen. Maar Dordrecht kiest daar niet voor. Iedere gemeente mag binnen haar eigen autonomie haar eigen keuzen maken. Maar hadden we in het Nationaal Bestuursakkoord nu niet afgesproken dat we niet af zouden wentelen?

Dordrecht kan over deze plannen haar eigen keuzen maken, omdat het “Eiland van Dordrecht” ook grotendeels van de gemeente Dordrecht is. Terwijl bijna overal elders de uiterwaarden en buitendijkse gebieden van Rijkswaterstaat zijn of van Staatsbosbeheer. Dat het Rijk hier 35 miljoen aan bijdraagt, maakt eens te meer duidelijk dat Noord-Brabant nog steeds gezien wordt als Generaliteitsland. Dordtse problemen mogen/moeten wij volgens het Rijk oplossen. Dordrecht bouwt liever voor de eigen welvaart en de rijken, dan rekening te houden met haar buren. Die mogen wel via de rijksbelastingen mee betalen aan het veroorzaken van de wateroverlast die hen via de bergingsplannen op het Volkerak-Zoommeer.

Oorspronkelijk wilde Rijkswaterstaat wat anders. Zo is op te maken uit het volgende citaat uit het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2010-2015 – ontwerp Programma Zuidwestelijke Delta, pagina 61: “De voorgestelde maatregel om voor de Dordtse Biesbosch en Nieuwe Merwede de vloedvlakte te vergroten (Polder Biesbosch), is afgevallen vanwege significante schade als gevolg van gedwongen functieveranderingen van gronden die geen eigendom zijn van het Rijk of een natuurbeherende organisatie.” Voor de eigen veiligheid had de gemeente Dordrecht het niet over om circa 500 hectare landbouwgrond, die zij in eigendom hebben en verpachten, voor waterberging in te richten. Dat zou Dordrecht inkomsten schelen. Afwentelen was voor Dordrecht goedkoper. Dordts eigen belang honoreert het Rijk met een subsidie van miljoenen en wie draaien er voor de kosten op? Het ergste is dat met dit beleid de bergingsruimte voor de toekomst ook wordt volgebouwd.

In de PKB 1/RvR was de goede oplossing al te lezen: “Een duurzame veiligheid in het dichtbevolkte Rijnmond en het Drechtstedengebied wordt gewaarborgd door het maximaal vergroten van de bergingscapaciteit van het Rijn-Maas-mondingsgebied” (pag. 47 PKB1/RvR).

De gevolgen van een mogelijke berging van 2 meter water in het Volkerak-Zoommeer:

– problemen met de afwatering van de rivieren van West-Brabant

– problemen met de lozingen via de gemalen en de RWZI’s (opvoerhoogte) in West-Brabant, Goeree-Overflakkee, Tholen, Sint Philipsland

– scheepvaartproblemen (doorvaarthoogten Schelde-Rijnverbinding)

– het onderlopen van alle natuurgebieden (verdrinken o.a. van grote zoogdieren)

– onderlopen van huizen op de kade bij Tholen

– belemmeringen uitbreidingsplannen van Bergen op Zoom (Bergse Haven)

– noodzaak tot aanpassing van alle beroeps- en recreatie havens

– mogelijke toename van de kweldruk in West-Brabant en op de Zeeuwse eilanden.

Goeree-Overflakkee, Tholen, Sint Philipsland en West-Brabant krijgen de rekening voor de Rotterdamse en Dordtse bouwdrang in buitendijkse gebieden en het Rijk kijkt er naar en doet niets. Het ONW barst van de goede voornemens tegen buitendijks bouwen en afwenteling.

Een bloemlezing uit het ONW:

– Pagina 14 (aanbeveling Deltacommissie): “Nieuwe ontwikkeling in buitendijkse gebieden mogen niet belemmerend werken voor rivieren en meren. Bewoners/gebruikers zijn zelf verantwoordelijk voor maatregelen die de gevolgen beperken.”

– Pagina 41: “Voor buitendijkse gebieden, als onderdeel van de ruimtelijke hoofdstructuur, gelden geen wettelijke normen voor de bescherming tegen water. De gebieden zijn primair bedoeld voor afvoeren en bergen van het water.”

– Pagina 44: “De risico’s en kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag worden afgewenteld, maar gedragen worden door diegenen die ervan profiteren.”

– Pagina 66: “De buitendijkse gebieden vervullen primair een afvoer- en bergingsfunctie voor water ten behoeve van de veiligheid van het achterland.”

– Pagina 69: “Om waterkeringen in de toekomst te kunnen versterken, is het kabinet van mening dat er ruimte open gehouden moet worden langs de waterkeringen in de vorm van beschermingszones, zoals vastgelegd in de legger van waterschappen.”

– Pagina 69: “Meerlaagsveiligheid wordt opgebouwd in drie lagen: l Preventie als primaire pijler van beleid; 2 Duurzame ruimtelijke planning; 3 Rampenbeheersing op orde krijgen en houden.”

– Pagina 139: “Uitgangspunt blijft daarbij onverkort het behouden van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit voor de rivier.”

– Pagina 141: “Het uitgangspunt is dat de overige extra afvoercapaciteit gerealiseerd kan worden door buitendijkse maatregelen te treffen, zonder deze maatregelen expliciet te benoemen. Om de verwachte hogere afvoeren veilig af te kunnen voeren is echter onder deze voorwaarde vrijwel alle beschikbare buitendijkse ruimte in het bovenrivierengebied nodig voor de veiligheid”

– Pagina 143: “Ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierengebied anticiperen daarbij op de lange termijn verwachtingen door projecten in één keer goed te doen en gebiedsontwikkeling te combineren met rivierverruiming voor de lange termijn.”

– Pagina 144: “De benodigde buitendijkse en (eventuele) binnendijkse gronden dienen ruimtelijk te worden gereserveerd en gronden worden zonodig aangekocht.”

– Pagina 160: “In de Nota Ruimte zijn voor de primaire waterkeringen ruime beschermingszones opgenomen.”

– Pagina 37 (OBIJ): “Als voorwaarde voor alle buitendijkse ontwikkelingen geldt dat ze moeten passen binnen de natuurwetgeving en dat het functioneren van watersystemen nu en in de toekomst niet worden belemmerd.”

De bloemlezing laat zien dat er in het ONW en haar bijlagen veel woorden besteed worden aan de noodzaak niet buitendijks te bouwen. Toch staat het rijk keer op keer toe dat gemeenten bouwen op plaatsen die bestemd zouden moeten worden voor ruimte voor de rivier en voor waterberging. Daarmee stellen ze de waterbeheerders voor voldongen feiten en wentelen ze nog steeds kosteloos de lasten en de kosten af op anderen zoals de waterbeheerders, burgers en bedrijven die wonen en werken langs bijvoorbeeld het IJsselmeer en het Volkerak-Zoommeer.

Ons Water/West-Brabant Waterbreed vindt dit geen goede ontwikkeling en een aanslag op de toekomst en de geloofwaardigheid van rijksvoornemens, zoals verwoord in het ONW. Maak het ONW consistent en stop buitendijkse ontwikkelingen.

Zoetwaterverdeling
Op pagina 6 (ONW) is vermeld: “De hoofdsporen van deze nieuwe strategie zijn een grotere regionale zelfvoorzienendheid en een optimalisatie van de zoetwaterverdeling in het hoofdwatersysteem en de regionale systemen.” Dit klinkt Ons Water/West-Brabant Waterbreed als muziek in de oren. Voor ons betekent deze zin dat gekeken gaat worden hoe het gat/lek dat de naam draagt van De Nieuwe Waterweg gedicht gaat worden en wel op de kortst mogelijke termijn. Maak nu reeds, en niet pas na 2050, een sluisvoorziening die bij geringe rivierafvoeren gebruikt kan gaan worden en gebruik rivierwater om ook andere wateren, bij voldoende afvoer, zomer en winter door te spoelen. Overweeg het sluiten van ‘de kier’ in de Haringvlietsluizen en de mogelijkheid van een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee. Dat kan een oplossing zijn en kan in de Grevelingen een estuariene zoet-zout-overgang laten ontstaan. Dan stromen meer wateren door en krijgt de Grevelingen en de Oosterschelde de nutriënten om de kraamkamers te worden en te blijven van de Delta.

‘Afsluitbaar open Rijmond’
Op pagina 7 (ONW) is vermeld: “In navolging van het advies van de Deltacommissie, zal het rijk samen met andere overheden onderzoek doen naar een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond.”

Betrek daar ook bij de overheden, die belanghebbend zijn bij de ontvangende benedenstroomse wateren.

Voldoende bergingscapaciteit
Op pagina 8 (ONW) is vermeld: “Het Noordelijk Deltabekken en het Volkerak-Zoommeer zullen voldoende capaciteit voor afvoer en berging moeten bieden om de toename van de afvoer van de grote rivieren te kunnen verwerken.” Koppel het Markermeer-IJmeer niet van het IJsselmeer af. Gebruik het gehele voormalige Zuiderzee systeem voor de waterberging. Dat verdeelt de lasten eerlijker.

Gebruik buiten het Volkerak-Zoommeer systeem ook de Grevelingen voor de berging bij grote afvoeren (zoals aangeven op kaart 23 pagina 179, ONW en in aanbeveling 8 van de Deltacommissie). Dit maakt de problemen voor het Volkerak-Zoommeer aanzienlijk kleiner. Als daarbij een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee wordt gemaakt kunnen meerdere problemen tot een oplossing komen.

Beschermingszones
Op pagina 43 (ONW) is vermeld: “Het huidige juridische instrumentarium (voor het hoofdwatersysteem) biedt voldoende mogelijkheden om ruimtelijke reserveringen voor tien jaar of langer te kunnen maken.” “Voor het kustfundament geldt bijvoorbeeld een beschermingszone voor mogelijke versterkingen in de komende tweehonderd jaar.”

Op pagina 39 (OBIJ) is vermeld: “In de Nota Ruimte is een beleidsuitspraak opgenomen over de 275 meter brede beschermingszone rond primaire waterkeringen – een zone van 100 m landinwaarts en een zone van 175 m buitendijks – waarbinnen in principe geen bebouwing mag plaatsvinden. Deze beschermingszone is ingesteld met het oog op mogelijke toekomstige dijkversterkingen.”

Voor Ons Water/West-Brabant Waterbreed is het van de gekken dat voor buitendijkse gebieden feitelijk gekeken wordt naar de korte termijn (zie de bouwwoede van bijvoorbeeld Rotterdam en Dordrecht) en voor de kust terecht een beschermingszone wordt gehanteerd voor de lange termijn (200 jaar).

Het wordt tijd dat ook voor de bescherming tegen rivierwater op planologische harde wijze ruimte wordt gereserveerd (voorberging en afvoer) gericht op de lange termijn van bijvoorbeeld 200 jaar. Anders blijven gemeenten RWS en waterschappen voor voldongen feiten stellen en feitelijk afwentelen op anderen. Een beleidsuitspraak zonder wettelijke verankering werkt niet, zo blijkt.

Ons Water/West-Brabant Waterbreed heeft met instemming kennis genomen van de aangekondigde verkenning naar de wijze waarop kosten-baten- en risicoanalyses moeten worden uitgevoerd bij nieuwbouwactiviteiten op fysisch ongunstige locaties (pagina 46, ONW). Hierbij vragen wij ook de kosten van anderen, zowel beneden- als bovenstrooms, te betrekken, die zij ook in de verre toekomst moeten maken als gevolg van deze nieuwbouwactiviteiten.

Peilhandhaving Brabantse kanalen/zoetwatervoorziening
Op de kaart afgebeeld op pagina 84 (ONW) is aangegeven dat ‘peilhandhaving op de Brabantse kanalen moeilijk wordt’. Nergens in het ONW is op dit thema en de mogelijke maatregelen ingegaan. Voor Ons Water/West-Brabant Waterbreed is dit een belangrijk thema aangezien bij een mogelijke alternatieve zoetwatervoorziening, bij verzilting van het Volkerak-Zoommeer systeem, deze kanalen een belangrijke leverancier van zoet water zouden moeten zijn.

Met instemming hebben wij op pagina 88 (ONW) kennisgenomen van de tekst: “Ook zal worden bekeken in hoeverre bestaande zoetwaterbekkens in de Zuidwestelijke Delta behouden kunnen worden en hoe de zoetwatervoorziening kan worden gecompenseerd als deze als gevolg van het herstel van de zoet-zoutgradiënt verdwijnen.” Wat ons echter steekt is de tekst op pagina 91 (ONW) met betrekking tot de “Reële prijsbepaling zoetwatervoorziening”. Voor Ons Water/West-Brabant Waterbreed is het uitgangspunt dat diegenen, die besluiten nemen die kosten veroorzaken voor anderen, die door hen veroorzaakte kosten volledig dragen. Ook kan het niet zo zijn dat boeren in Zeeland en West-Brabant voor behoud van bestaande zoetwaterrechten, waarvoor in het verleden door hen is geïnvesteerd, zouden moeten gaan betalen, terwijl boeren elders (de Randstad) voor nieuwe voorzieningen niets hoeven te betalen.

Financiering groenblauwe diensten
Met instemming heeft Ons Water/West-Brabant Waterbreed kennis genomen van het kabinetsstandpunt weergegeven in ‘Health check Gemeenschappelijk Landbouw Beleid’ dat Europese inkomenstoeslagen sterker gekoppeld dienen te worden aan het realiseren van maatschappelijke waarden, zoals het instandhouden van landschap, natuur, een vitaal platteland, duurzaam waterbeheer en de zorg voor milieu en dierenwelzijn (pagina 107, ONW). Hopelijk kan op deze wijze inhoud gegeven worden aan een rechtvaardiger financiering van door boeren geleverde groenblauwe diensten.

Functioneel aanbesteden
Wat is in het kader van de vermelding op pagina 135 (ONW) “ functioneel aanbesteden”?

Ontwerp Beleidsnota Waterveiligheid (OBW)
Met interesse heeft Ons Water/West-Brabant Waterbreed kennis genomen van het kabinetsvoornemen erop in te zetten dat provincies en gemeenten bij de ruimtelijke inrichting expliciet gaan afwegen of het nodig en wenselijk is de gevolgen van een overstroming (aantal slachtoffers, economische schade en ecologische schade) te beperken. Met name met als oogmerk te komen, in gezamenlijkheid met provincies, gemeenten en waterschappen, tot de ontwikkeling van overstromingsrisicozonering (pagina 28 OBW). Wij hopen dat dit zal leiden tot een ander beleid. Zeker als het gaat over: waar willen wij als land nog woningbouw en bedrijfsvestigingen stimuleren en deze met de aanleg van infrastructuur ondersteunen? Er is meer Nederland dan alleen de Randstad!

Verzilting
Ons Water/West-Brabant Waterbreed onderschrijft de stelling op pagina 22 (OBIJ); “Ook het beoogde herstel van de zoet-zout-gradiënt in de Zuid-Westelijke Delta genereert extra vraag naar zoet water.”

Uit het gehele ONW inclusief de bijlagen spreekt een aanvaarding van de verzilting als een feit waaraan niet te ontkomen valt.

Leggen we het hoofd in de schoot en accepteren we de giga economische schades als gevolg van de verzilting of zoeken we naar alternatieven die de beschikbaarheid van voldoende zoet water garanderen? Beseffen we voldoende welke industrieën en land- en tuinbouwgebieden om zeep geholpen worden door de acceptatie van de verzilting.

Bezint eer gij begint met maatregelen die grote, niet te overziene, gevolgen hebben voor onze land- en tuinbouw, drinkwatervoorziening en industrie en daarmee voor het economisch fundament van onze samenleving.

Bekijk of andere, meer duurzame, oplossingen alternatieven bieden en tegelijkertijd de zoetwatervoorziening voor alle belanghebbenden zekerstellen.

Geen uitvoering van het Kierbesluit en geen verzilting van huidige zoete deltawateren.

Pak het ‘lek’ op de Nieuwe Waterweg aan.

Maak nu reeds, en niet pas na 2050, een sluisvoorziening die bij geringe rivierafvoeren gebruikt kan gaan worden en gebruik rivierwater om ook andere wateren, bij voldoende afvoer, zomer en winter door te spoelen.

Overweeg of een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee een oplossing kan zijn om in de Grevelingen een estuariene zoet-zout-overgang te laten ontstaan. Dan stromen meer wateren door en krijgt de Grevelingen en de Oosterschelde de nutriënten om de kraamkamers te worden en te blijven van de Delta.

Vertrouwende op een serieuze behandeling van onze reactie.

Hoogachtend,

Namens de fractie Ons Water/West-Brabant Waterbreed

H.J.M. Poppelaars

L.H. van der Kallen

voor nadere informatie 0164-265158

 


LEDEN TWEEDE KAMER INZ. VERZILTING – A024

 


 

Lepelstraat, 14 april 2009

Aan de leden van de Tweede Kamer

per e-mail

 

Geachte leden van het parlement,

Als akkerbouwer boer ik in een gebied waar verzilting reeds problematisch is en in de toekomst bij verzilting van het Volkerak-Zoommeer steeds problematischer zal worden.

Verzilting is zeker in de toekomst een immens probleem.

In de jaren negentig is er een commissie aan de slag gegaan om integraal het gewenste waterbeheer voor de 21e eeuw in beeld te brengen, te weten de commissie Tielrooij, in opdracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Unie van Waterschappen.

De verwachting van ondergetekende was dan ook dat bij de ontwikkeling van gedachten over zaken als verzilting en het toekomstig waterbeheer met de inhoud van de rapportage Waterbeheer 21e eeuw rekening zou worden gehouden. Ik kan niet anders dan constateren dat dit helaas, als het gaat over de blijvende beschikbaarheid van zoet water, niet of nauwelijks het geval is.

WB21 ging niet alleen over een te veel aan water, maar behandelde nadrukkelijk ook de beschikbaarheid in relatie met de behoefte aan zoet water.

Door de ontwikkelingen in klimaat, bodemdaling en zeespiegelstijging, alsmede veranderingen in het beheer en gebruik van de bodem, veranderen de beschikbaarheid en de behoefte aan zoet water. WB21 zegt daar op een aantal plaatsen iets over. Het meest markant en helder op pagina 72 van het basisrapport: “Specifiek voor Laag Nederland speelt het probleem van de verzilting. Door de zeespiegelstijging en de bodemdaling neemt de verzilting toe in de lage polders langs de kust in Zuidwest Nederland en achter de Hollandse duinenrij.

Dit zal consequenties hebben voor het grondgebruik, met name voor landbouw en natuur.

Door toenemende verzilting en drogere zomers zal de vraag naar zoet water voor doorspoeling en beregening in West Nederland toenemen.

De aanvoer van zoet water zal echter juist afnemen. In Zuidwest Nederland zal de beschikbaarheid van zoet water in toenemende mate een knelpunt worden voor de daar aanwezige glastuinbouw, vollegronds-tuinbouw, bollenteelt en ook de akkerbouw.

De commissie wil daarom aandringen op het aanleggen van zoetwatervoorraden binnen de regio’s. Ook de verdeling van rivierwater over diverse watervragers verdient een kritische afweging”, einde citaat WB21.

Ook in het in januari 2009 door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgegeven boekje “Waterhuishouding en waterverdeling in Nederland” bevestigt dit beeld. Enkele citaten:

–         “De combinatie van zeespiegelstijging en lagere rivierafvoeren in de zomer kan niet anders dan tot meer verzilting leiden. De zouttong zal dieper landinwaarts doordringen en ook het aantal dagen dat inlaatpunten van zoet water onbruikbaar zijn, zal toenemen” (pagina 69).

–         “De hoeveelheid zout in de ondergrond zal toenemen. Daar zijn drie oorzaken voor aan te wijzen: een naijl-effect van vroegere inpolderingen, bodemdaling en de stijging van de zeespiegel. Als gevolg daarvan zal de kweldruk toenemen en zal het kwelwater dat uit de ondergrond omhoog stroomt, bovendien zouter worden. Met name in de kustzones van Zeeland, Friesland en Groningen wordt een aanzienlijke stijging verwacht, maar ook sommige polders in Noord-Holland, Zuid-Holland en Flevoland krijgen ermee te maken.” (pagina’s 66 en 68)

Kijkend naar de verdringingsreeks (pagina 51), bij zoetwatertekorten, zullen o.a. landbouw en industrie hier grote schade van gaan ondervinden.

Wat ondergetekende opvalt is de berusting in dit proces van verzilting dat ik waarneem bij veel bestuurders en bij Rijkswaterstaat (RWS). Alsof de verzilting onafwendbaar is en we de economische rampspoed, die de verzilting in toenemende mate veroorzaakt, niet meer af kunnen wenden.

Ter illustratie enkele citaten uit het ontwerp Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2010-2015 met als titel “werken aan een robuust watersysteem” van RWS uitgegeven december 2008.

Uit het programma Zuidwestelijke Delta van het Beheer- en Ontwikkelingsplan:

–         “Door zeespiegelrijzingen en steeds meer lage rivierafvoeren in de zomer zullen de gebruiksfuncties in het gebied zich op de langere termijn moeten aanpassen aan de toenemende verzilting van het hoofdwatersysteem. Vooral de zoetwatervoorziening van de landbouw, de industrie en het drinkwater zal anders moeten worden geregeld. Het proces van verzilting zal plaatselijk worden versneld door herstel van estuariene kwaliteiten van het watersysteem. “ (pagina 42)

–         “Het kan ook zijn dat de zoetwatervoorziening voor drinkwater, proceswater en landbouwwater niet langer kan worden gegarandeerd gezien de toenemende verzilting.” (pagina 43)

In het Beheer- en Ontwikkelingsplan is het volgende citaat te lezen: “Het Volkerak-Zoommeer, waar uiterlijk in 2015 weer zout water zal worden toegelaten…”(pagina 83), alsof de staatsecretaris al heeft besloten en we opgehouden zijn met nadenken.

Er dreigt een zoetwatertekort voor grote delen van het beneden rivierengebied in de toekomst. De huidige watertoevoer van het Lek-Waal-Maas-systeem gaat, ingeval van normale en geringe toevoer, vrijwel uitsluitend via de Nieuwe Waterweg naar de Noordzee. Onvoldoende wordt er beseft, dat de rivierafvoeren in de zomer af zullen nemen ten opzichte

van wat we gewend zijn. De zomers in West Europa worden de laatste jaren droger en de verwachting van klimatologen is dat dit proces van klimaatverandering doorgaat.

Niet alleen de Maasafvoer vermindert in de zomer, ook het karakter van de Rijn verandert. Door het proces van terugtrekkende gletschers (reeds ca. 100 jaren aan de gang, maar de afgelopen decennia versnellend) wordt de Rijn steeds meer regen- en steeds minder smeltrivier en daardoor minder afvoer in de zomer.

Het proces van minder afvoer wordt in toenemende mate versterkt door een ander gebruik van het rivierwater. Niet alleen in Nederland zal steeds meer grondwatergebruik voor drinkwater en industrie omgezet worden in water gewonnen uit de rivier en andere oppervlaktewateren.

Ook bovenstrooms gaat dit proces door. Ook de landbouw zal door de drogere zomers meer water uit de rivieren betrekken. Kortom, het is zeer de vraag hoeveel water minimaal onze grenzen zal bereiken. Met name de waterverdeling van de Rijn, IJssel, Lek en Waal kan vanwege de eisen van de scheepvaart de hoeveelheid water voor het doorspoelen van onze wateren wel eens (ver) onder het vereiste minimum drukken.

Tot zover de schets van het waterbeslag, die duidelijk maakt dat het zomers knijpen wordt om, zonder hydrologische ingrepen, de huidige watervoorziening voor scheepvaart, industrie, landbouw en drinkwater zeker te stellen. Voldoende zoet water op ieder moment is geen vanzelfsprekende zaak meer. Met dit toekomstbeeld gaat desondanks binnenkort het Haringvliet op een kier met als gevolg meer zoet water wat anders dan via de Nieuwe Waterweg naar zee gaat.

Het wordt tijd voor een heroverweging van de noodzaak om middels verzilting de algenproblematiek op het Volkerak-Zoommeer aan te pakken. Nog enkele feiten, ter overdenking in dit kader, uit het programma Zuidwestelijke Delta van het Beheer- en Ontwikkelingsplan:

–         Uit figuur 3.2 (pagina 56) is te concluderen dat de stikstofconcentratie bij het meetpunt Steenbergen in 2007 structureel ten opzichte van 1998 met meer dan 50 % is gedaald.

–         Uit figuur 3.2. (pagina 56) is te concluderen dat de fosfaatconcentratie in de Vliet bij Steenbergen in 2007 structureel ten opzichte van 1998 met circa 30 % is gedaald.

–         Als tussentijdse maatregel is een pilot ‘actief biologisch visbeheer’ voorzien voor het Volkerak- Zoommeer in de periode 2010-2015. (pagina 80)

–         “Het lijkt erop dat bijna alle wateren in 2027 aan de nutriëntendoelstellingen kunnen voldoen”. (pagina 80)

–         Uit tabel 4.5b (pagina 86) blijkt helder dat zowel voor het Volkerak als voor het Zoommeer de parameters (fosfaat, stikstof en fytoplankton) tot 2015 verbeteren.

–         Voor het Haringvliet Oost, het Hollands Diep en Amer is de verwachting dat in 2015 de waterkwaliteit op het vlak van vrijwel alle parameters (inclusief fosfaat en stikstof)  de waardering gaan krijgen GEP (Goed Ecologisch Potentieel). Ook de Macrofyten/fytobenthos en macrofauna verbeteren in die wateren.

–         In de samenvatting milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer van 30 maart 2009 is vermeld: ‘lijkt er vanaf 2005 een trend waarneembaar van afnemende fosfaatgehaltes in het Volkerak- Zoommeer en lagere chlorofylgehaltes, afgaande op de metingen bij het meetpunt Steenbergen in het Volkerak’.

Leggen we het hoofd in de schoot en accepteren we de giga economische schades als gevolg  van de verzilting of zoeken we naar alternatieven die de beschikbaarheid van voldoende zoet water garanderen? Beseffen we voldoende welke industrieën en land- en tuinbouw gebieden om zeep geholpen worden door de acceptatie van verzilting in het algemeen en het Volkerak-Zoommeer in het bijzonder? Het natuurlijk zuiveringsvermogen en tal van maatregelen die we nu al nemen in het kader van WB 21, de KRW en Natura 2000 leiden tot de vermelde verbeteringen.

De politiek lijkt voornemens een belangrijke bron van zoet water op te geven in een tijd dat grote tekorten van dat kostelijke goedje dreigen. Het gaat kapitalen kosten. Volgens de “samenvatting milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer” is de netto contante waarde (NCW) van de investeringen en het onderhoud 25,9 miljoen euro. De NCW van de negatieve effecten 307,0 miljoen euro en de NCW van de mitigerende maatregelen 438,2 miljoen euro. De werkelijkheid zal zeker hoger zijn want de ‘Opbrengstderving voor glastuinbouw in het beheersgebied van hoogheemraadschap Delfland als gevolg van een zout Volkerak-Zoommeer, is wegens het ontbreken van gegevens over de wijze waarop en de mate waarin het oppervlaktewater in Delfland in de glastuinbouw wordt gebruikt, niet meegenomen’.

In WB21 was te lezen: “De commissie wil daarom aandringen op het aanleggen van zoetwatervoorraden binnen de regio’s. Ook de verdeling van rivierwater over diverse watervragers verdient een kritische afweging”. Waarom negeert men dit advies?

Geachte volksvertegenwoordigers, bezint eer gij begint met maatregelen die grote, niet te overziene, gevolgen hebben voor onze land- en tuinbouw, drinkwatervoorziening en industrie en daarmee voor het economisch fundament van onze samenleving. Bekijk of andere meer duurzame oplossingen geen alternatieven bieden en tegelijkertijd de zoetwatervoorziening voor alle belanghebbenden zekerstellen. Geen uitvoering van het Kierbesluit en geen verzilting van het Volkerak-Zoommeer. Pak het ‘lek’ op de Nieuwe Waterweg aan. Maak nu reeds, en niet pas na 2050, een sluisvoorziening die bij geringe rivierafvoeren gebruikt kan gaan worden en gebruik rivierwater om ook andere wateren, bij voldoende afvoer, zomer en winter door te spoelen. Overweeg of een doorbraak tussen Goeree en Overflakkee een oplossing kan zijn om in de Grevelingen een estuariene zoet–zout-overgang te laten ontstaan. Dan stromen meer wateren door en krijgt de Grevelingen en de Oosterschelde de nutriënten om de kraamkamers te worden en te blijven van de Delta.

Dan kan ik als gewone boer ook aan de slag blijven en samen met mijn collega’s in land- en tuinbouw ook uw eten op een duurzame wijze produceren en middels onze producten een bijdrage leveren aan onze economie en onze export.

Hopende op Uw inzet en vertrouwende op Uw inzichten,

met de meeste hoogachting,

Hoogachtend,

Namens Ons Water

C.W.F.M. Ooms
Lid steunfractie Ons Water/Waterbreed van het waterschap Brabantse Delta

 


DEELNEMERS AAN HET BESTUURLIJK OVERLEG KRAMMER VOLKERAK INZ. ZOET-ZOUT-CENTRALE – A023

 


 

Bergen op Zoom, 19 april 2008

 

Aan alle deelnemers aan het Bestuurlijk

Overleg Krammer Volkerak

per e-mail

 

Geacht Lid/deelnemer BOKV,

Als aanvulling op mijn inspraak ten aanzien van de “startnotitie planstudie waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer” d.d. 7 november 2007 (zie bijlage), wil ik u wijzen op een publicatie in de Volkskrant van vandaag onder de kop “Zoet plus zout laat lichten branden” en de subkop “Energieopwekking / Ook critici zijn om: contact rivierwater met zeewater kan één kolencentrale vervangen”. Ook in recente televisiespotjes van Essent komt deze energie opwekkingsoptie als duurzame toevoeging aan de energie opwekkingsmethoden van Essent aan de orde. En wat is de geschetste lokatie? De Grevelingendam! Voor die mogelijkheid moet het Krammer/Volkerak/Zoommeersysteem wel zoet blijven. Het aardige van dat artikel is, dat er dan alle reden is om te zorgen dat er het gehele jaar voldoende zoetwater wordt afgevoerd via het Volkerak en daarmede, via doorstroming ook een bijdrage geleverd wordt aan verbetering van de waterkwaliteit van het Krammer/Volkerak/Zoommeersysteem.

Ik roep u op om niet éénzijdig met een tunnelvisie te kijken naar de verziltingsvariant om de problemen van de waterkwaliteit in het Krammer/Volkerak/Zoommeersysteem op te lossen. Kijk integraal naar de (nieuwe) technische mogelijkheden en de brede doelstellingen op milieugebied zoals duurzame energieopwekking en reductie van koolzuurgas.

Vertrouwende op uw wijsheid,

hoogachtend,

namens Ons Water

Louis van der Kallen

Voorzitter