KEERT STEENBERGEN HET TIJ?

 

| 19-08-2016 | 19.55 uur |


 

KEERT STEENBERGEN HET TIJ?

 

wapen van steenbergenNiet de waan van de dag, maar inzicht leidt tot verantwoord waterbeheer. Met dit als uitgangspunt hield de Stadsraad Steenbergen op 25 mei 2016 een informatiebijeenkomst over het wel of niet verzilten van het Volkerak-Zoommeer.

Tijdens de avond kwam geen enkel steekhoudend argument op tafel dat pleitte voor verzilting en ook de aanwezige programmadirecteuren en de vertegenwoordiging van Rijkswaterstaat bleken niet in staat hun planvorming op enig overtuigende wijze toe te lichten. Na het aanhoren van alle informatie trachtte de vertegenwoordiger van de provincie een voorgestelde stemming alsnog te voorkomen. De zaal, met tal van belanghebbenden en deskundigen, koos vrijwel unaniem voor een zoet meer. Het lijkt inmiddels of dit standpunt weerklank heeft gevonden, want zowel landelijk als regionaal gaat het verhaal al rond dat verzilting van de baan is. Minder dan een tienduizendste van al het water op aarde is zoet oppervlaktewater. Van dit water in rivieren en meren is veel leven en welvaart afhankelijk. Niets is waardevoller dan de kwaliteit, behoud en toename van dit milieu. Vanwege de aanvoer van zoet water, in combinatie met voedselrijkdom, leeft een groot deel van de wereldbevolking in de delta’s. Maar de dreiging van zeespiegelstijging en klimaatverandering is er al merkbaar. In Nederland, een delta die grotendeels beneden het zeepeil ligt en waar het meeste zoete water ongebruikt passeert, worden zoetwatertekorten en verzilting spoedig problematisch. Deels is dit het gevolg van een waterbeheer dat zee en zout steeds verder landinwaarts haalt: het megaproject “Ruimte voor de zee”. Nu spreekt men liever over “Ruimte voor de rivier”, zoals ze dat ook bij de Schelde beginnen te doen, of over estuariene dynamiek, robuuste natuur of natuurherstel. Dat heeft allemaal een positieve klank en lijkt de projecten te legitimeren. “Ruimte voor de zee”, de enige juiste term voor de huidige plannen voor de Zuidwestelijke Delta , ligt immers gevoelig. Want wie wil er nu ruimte en polders opofferen aan de zee? Ruimte voor de zee is uiterst ongunstig wat betreft verzilting en zoetwatervoorziening en vormt een regelrechte bedreiging voor de landelijke leefbaarheid.

De afbrokkeling van het Deltaplan
Door afname van de minimum zomerafvoeren wordt West-Europa steeds meer afhankelijk van de zoetwatervoorraden. Dat zijn voor ons de stuwmeren in de Alpen, het IJsselmeer en de zoete Zeeuwse en Zuid-Hollandse meren, voor zover deze bekkens aanwezig zijn en er nog zullen komen. Het is van groot belang deze opties te behouden. Het Deltaplan beoogde daarom niet alleen waterveiligheid door kustlijnverkorting, maar ook zoetwatervoorziening door middel van een zoet zuidwestelijk merengebied. Met het afdammen van zeegaten zou de zee weer aan de kust komen te liggen en kon zoet water voor de landbouw en industrie blijvend gegarandeerd worden. Maar het liep totaal anders. De Westerschelde en de Nieuwe Waterweg mochten niet gesloten worden. De zee bedreigt het Scheldebekken en een open Waterweg geeft in toenemende mate problemen wat betreft waterveiligheid, verzilting en zoetwatervoorziening. De Oosterschelde werd niet zoet. De brakwaternatuur die men er met een stormvloedkering in stand dacht te houden verdween en alles is er nu volledig zeewater. Bij de Grevelingen, een gepland zoet meer, werd de verzoeting afgebroken en kwam er alsnog een zout meer. Aanvoer van rivierwater stopte en alleen het Volkerak en het Haringvliet bleven nog zoet. Maar als het aan de Rijksstructuurvisie Grote Wateren en de Rijksstructuurvisie Grevelingen-Volkerak-Zoommeer ligt, wordt ook daar de zee met open armen binnengehaald. Zo bedreigt het megaproject “Ruimte voor de zee” de realisatie van de doelen van het Deltaprogramma en doet fors afbreuk aan de verworvenheden van de Deltawerken. 

Centrale regie ontbreekt
Het doel van het Deltaprogramma is dat Nederland de extremen van het klimaat kan blijven opvangen. De afsluiting van de Nieuwe Waterweg is hierbij een eerste vereiste. Daarna stopt de externe verzilting en kan zoet water naar het zuidwesten stromen. Doorstroming zal de kwaliteit verbeteren en ook verdunning draagt ertoe bij dat het oppervlaktewater meer voldoet aan de normen. Met een toename van het zoete areaal, kan de nationale noodberging voor rivierwater aanzienlijk uitgebreid worden. De onvoorspelbare regenval en sterk wisselende rivieraanvoeren vragen immers om een veel grotere capaciteit en een centrale regie van berging. 

Uitstel breekt op
Zoetwatervoorziening is een item dat mondiaal hoog op elke politieke agenda hoort te staan. Nederland is de enige dichtbevolkte delta waar het meeste zoete water ongebruikt passeert. Het enorme verlies aan zoet water via de Nieuwe Waterweg vormt een bedreiging voor al het land beneden zeeniveau en houdt het hele Nederlandse waterstelsel in de tang. De ernst van de situatie is blijkbaar niet tot de eindverantwoordelijken doorgedrongen. We vragen ons bezorgd af hoe lang de problemen van toenemende zoetwatertekorten en voortschrijdende verzilting nog worden vooruit geschoven. De meeste havenbedrijven zijn zeer kapitaalsintensief en hanteren daarom lange termijn doelstellingen. Dat betekent dat bedrijfsplannen tientallen jaren omvatten. Een handelingsperspectief is daarom ook voor hen van essentieel belang zijn. Pas gaan studeren als de klimaatontwikkelingen daartoe nopen, betekent dat mogelijke uitkomsten wellicht sneller moeten worden gerealiseerd en kan ingrijpende gevolgen hebben voor deze havenbedrijven. 

Nieuwe inzichten
Een herenakkoord uit 2009 tussen de programmadirecteur ZWD en enkele burgervaders, die er wel brood in zagen om het Volkerak-Zoommeer te verzilten, bepaalde niet alleen de koers van het Uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta, maar had ook grote invloed op het landelijke Deltaprogramma, met name op het deelprogramma Rijnmond-Drechtsteden. Het Manifest Waterpoort geeft regionaal vorm aan de stimulering van deze zoutlobby. Daarentegen verschijnen er jaarlijks meer berichten over de toename van de natuurwaarden van het zoete meer. Dit heeft ertoe geleid dat de gemeente Steenbergen intussen een kritische en zeer genuanceerde visie heeft op de voorgenomen verzilting. Wijziging in beleid kan een kentering betekenen van het Deltaprogramma.

Eindelijk komen er kansen in zicht om de doelen waterveiligheid, zoetwatervoorziening en milieu op een adequate wijze aan te pakken. Wellicht worden er al dit najaar nieuwe inrichtingssuggesties gepresenteerd voor een toekomstbestendige Zuidwestelijke Delta. 

Wil Borm
Adviesgroep Borm & Huijgens 

 


MINISTER SCHUIFT PROBLEMEN ZOETWATERVOORZIENING VOOR ZICH UIT

 

| 27-06-2016 | 20.35 uur |


 

MINISTER SCHUIFT PROBLEMEN ZOETWATERVOORZIENING VOOR ZICH UIT

 

Nieuwe Waterweg_Stormvloedkering (1)Minder dan een tienduizendste van al het water op aarde is zoet oppervlaktewater. Van dit water in rivieren en meren is veel leven en welvaart afhankelijk.  Niets is waardevoller dan de kwaliteit, behoud en toename van dit milieu.  Vanwege de aanvoer van zoet water, in combinatie met voedselrijkdom, leeft een groot deel van de wereldbevolking in de delta’s. In Nederland worden zoetwatertekorten en verzilting problematisch.  De Adviesgroep Borm & Huijgens verklaart hoe men in hemelsnaam in de delta van de grote rivieren last krijgt van zoetwaterschaarste.

Door afname van de minimum zomerafvoeren wordt West-Europa steeds meer afhankelijk van de zoetwatervoorraden. Dat zijn voor ons de stuwmeren in de Alpen, het IJsselmeer en de zoete Zeeuwse en Zuid-Hollandse meren, voor zover deze bekkens aanwezig zijn en er nog zullen komen. Het is van groot belang deze opties te behouden. Het Deltaplan beoogde daarom niet alleen waterveiligheid door kustlijnverkorting, maar ook  zoetwatervoorziening door middel van een zoet zuidwestelijk merengebied. Met het afdammen van zeegaten kwam de zee weer aan de kust te liggen en kon zoet water voor de landbouw en industrie blijvend gegarandeerd worden.

Maar het liep totaal anders. De Oosterschelde werd niet zoet. De brakwaternatuur die men er met een stormvloedkering in stand dacht te houden verdween en alles is er nu volledig zeewater. Bij de Grevelingen, een gepland zoet meer, werd de verzoeting afgebroken en kwam er alsnog een zout meer. Aanvoer van rivierwater stopte en alleen het Volkerak en het Haringvliet bleven nog zoet. Maar als het aan de Rijksstructuurvisie Grote Wateren en de Rijksstructuurvisie Grevelingen-Volkerak-Zoommeer ligt, wordt ook daar de zee met open armen binnengehaald. Een fors financieel gat houdt de realisatie nog tegen, tenzij men binnen het Deltaprogramma met geld gaat schuiven van ‘waterveiligheid’ naar ‘waterkwaliteit’.  Dit alles is uiterst ongunstig wat betreft verzilting en zoetwatervoorziening en vormt een regelrechte bedreiging voor de landelijke leefbaarheid.

Het doel van het Deltaprogramma is dat Nederland de extremen van het klimaat kan blijven opvangen. De afsluiting van de Nieuwe Waterweg is hierbij een eerste vereiste. Daarna kan zoet water naar het zuidwesten stromen. Doorstroming zal de kwaliteit verbeteren en ook verdunning draagt ertoe bij dat het oppervlaktewater meer voldoet aan de normen. Met een toename van het zoete areaal, kan de nationale noodberging voor rivierwater aanzienlijk uitgebreid worden. De onvoorspelbare regenval en sterk wisselende rivieraanvoeren vragen immers om een veel grotere capaciteit en een centrale regie van berging. Nederland is de enige dichtbevolkte delta waar het meeste zoete water ongebruikt passeert. Het enorme verlies aan zoet water via de Nieuwe Waterweg houdt al jaren het hele Nederlandse waterstelsel in de tang. Ondanks deze kennis, beweerde minister Schultz op 16 juni 2016  tijdens  het Algemeen Overleg Water dat het zoetwatersysteem tot 2070 voldoende ‘robuust’ is en goedkoper dan het “Plan Spaargaren”. Ze stelde dat aanvullend onderzoek wat haar betreft niet nodig is. Zo gaat het plan net niet ‘de ijskast in’, maar zal ‘op de plank’ blijven liggen. Deze strategie van het uitstellen van maatregelen zonder een lange termijn kader is verkeerde zuinigheid en bijzonder risicovol. De ernst van de situatie is blijkbaar niet tot de minister en de deltacommissaris doorgedrongen.  Zo wordt zoetwatervoorziening, een item dat mondiaal hoog op elke politieke agenda hoort te staan, eenvoudig terzijde geschoven. Het is ijdele hoop dat het Nationaal Bestuurlijk Overleg Deltaprogramma op woensdag 29 juni hier nog enige verandering in aanbrengt.

Op aandringen van Kamerlid  J. Geurts heeft de minister dan wel toegelicht dat er in 2021 opnieuw wordt gekeken naar de huidige voorkeursstrategie en dat hierbij Plan Spaargaren wordt betrokken.  We vragen ons bezorgd af hoe lang de problemen van toenemende zoetwatertekorten en voortschrijdende verzilting nog door de eindverantwoordelijken worden vooruit geschoven.

Wil Borm
Adviesgroep Borm & Huijgens , juni 2016

 


NADEREND ONHEIL VOOR HET VOLKERAK-ZOOMMEER

 

| 08-05-2016 | 10.15 uur |


 

NADEREND ONHEIL VOOR HET VOLKERAK-ZOOMMEER

 

Eb en vloed op het Volkerak. Het stond in vele kranten en is zelfs opgenomen in de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Men wilde indertijd met verzilting op goedkope wijze blauwalgen bestrijden. Deze visie is echter gebaseerd op een verkenning uit 2002 en 2003. Door vermindering van fosfaat en nitraat, is de waterkwaliteit inmiddels sterk verbeterd. Blauwalgen zijn vrijwel verdwenen en de natuur ontwikkelt zich in de goede richting. De noodzaak tot verzilting is dan ook volledig van de baan. Men heeft zich echter zo sterk op het verzilten gericht dat we haast zouden vergeten dat niet de zoute variant, maar de zoete en getijloze variant, de voorkeursvariant is van het ontwerp-MER Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer.

Kraanvogels
kraanvogelHet Markiezaat, een belangrijk natuurgebied aan het Zoommeer, wordt beheerd door het Brabants Landschap en ontwikkelt zich tot een duurzaam natuurgebied. Jaarlijks strijken er honderdduizenden trekvogels neer en het broedvogelaantal neemt zienderogen toe. Het behoort als gevarieerd moerasecosysteem tot de vijf belangrijkste vogelgebieden van Nederland. Vanaf 2013 tonen zelfs kraanvogels belangstelling voor het natuurgebied Markiezaat. Alle natuurbeschermers en biologen zouden dan ook een gat in de lucht moeten springen. Kraanvogels komen echt niet zomaar naar een willekeurig natuurgebied. Dat moet immers aan vele voorwaarden voldoen. Maar in plaats van de vlag uit te steken blijft het nog muisstil bij de natuurorganisaties. Ze lijken verstrikt in de plannen voor de Grevelingen en het Volkerak-Zoommeer. Deze zijn echter gebouwd op luchtkastelen en vernietigen ook het prille kraanvogelbiotoop. Milieutechnische veranderingen, alsook politieke en bestuurlijke proces maken een heroverweging van de ingrijpende maatregel mogelijk. Is het niet zo dat de zogenaamde verandering van zoet naar zout enkel om ideologische en politieke reden is bedacht? Er worden mooie verhalen verteld dat alles goed komt en dat er gezorgd wordt voor zoetwater, maar de realiteit is anders.

Gesmoord door een herenakkoord
Begin 2009 kwamen onder meer enkele burgervaders en de programmadirecteur Zuidwestelijke Delta tot een ‘herenakkoord’ om het Volkerak-Zoommeer te verzilten. Dit zette meteen de toon. Tijdens de hierop volgende Werkconferentie Zuidwestelijke Delta werd deze verzilting als was het een vaststaand feit gepresenteerd. Na uitbesteding verscheen het Uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta en later volgde het Manifest Waterpoort. Beide bedenkelijke rapporten voerden de politieke druk richting Den Haag zo hoog op, dat de minister onlangs verzilting van het Volkerak-Zoommeer heeft voorgesteld. De kennis van nu is objectiever informatie en die spreken het onderzoek wat gedaan is tegen.

Toenemende kosten
De geraamde kosten van verzilting zijn inmiddels van 250 gestegen naar 350 miljoen euro, een bedrag waarvan overigens pas een derde is toegezegd. En bij deze kosten blijft het niet, want de voorzieningen en de oeverbescherming zijn niet berekend op getij en de diepte van de vaargeulen zijn afgesteld op een peil van ± nul NAP en moeten uitgebaggerd worden. En hoe zit het met de doorvaarhoogte bij de bruggen? Tal van zoetwatermaatregelen zijn na de verzilting nodig om het voorzieningenniveau op een minimaal peil te houden. Zeeuwse eilanden moeten aan het zoetwaterinfuus worden gelegd, om droogte en verzilting enigszins te voorkomen.  

Schadeclaims zullen volgen
Een getijloze en zoete Schelde-Rijnverbinding is een van de verworven zekerheden van de Deltawerken en als dit gaat veranderen, zullen vanuit de havenbedrijven en scheepvaart schadeclaims volgen. Het binnendijks karakter verdwijnt, met alle gevolgen voor de infrastructuur en waardevermindering van onroerend goed. Ook van waterschappen, landbouw en industrie zijn claims te verwachten en de repeterende schade voor toerisme, visserij en schelpdierkweek wordt enorm. Bijna een halve eeuw na de Deltawerken, nu de natuur hier een nieuw evenwicht nadert, gaat door de voorgenomen verzilting het hele milieu er aan. Ongetwijfeld zal ook de natuurbescherming bij de overheid aankloppen voor de ontstane schade en de reeds gemaakte kosten.

Dood en verderf
Nu is het Volkerak-Zoommeer ook nog eens aangewezen als eerste noodberging. Deze noodberging is veel te klein en kan gezien de berekening maar voor 7 uur water bergen, waar blijven ze dan met de rest? Want ze rekenen met 24-48 uur wateropvang. En  deze kwetsbare noodberging gaat nooit goed functioneren en veroorzaakt bij elk gebruik een milieuramp en een natuur genocide die niet te overzien is. Zoet water wordt immers op een zout milieu geborgen. Het ecosysteem zal afsterven en de stank van dode vis is dan niet te harden. Het gebied wordt keer op keer een regelrecht sterfhuis, met uitstoot van CO2 en methaan (moerasgas). Verzilting en verzoeting zorgen voor een herhaling van rampen. Wie kiest er nu voor een strategie waarbij het ecologisch evenwicht telkens weer wordt verstoord! Maar ook gaat spuien in de toekomst door zeewaterstijging door klimaatsverandering niet meer.  Daarnaast wordt een groot natura 2000 gebied waar o.a. ijsvogels en kraanvogels  voorkomen vernield. (Dinteloordse gorzen)  Een gebied waar wij als Steenbergenaren trots op zijn.

Beperkt getij zonder toekomst.
Het belangrijkste natuurdoel van het Nationaal Waterplan is estuariene dynamiek. De samenstellers van het Deltaprogramma suggereren deze doelstelling door zout en getij in het Volkerak-Zoommeer binnen te halen, maar van enig toekomstperspectief naar een estuarium is hier geen sprake. Er blijft immers een harde grens tussen zout en zoet bij de Volkeraksluizen. De doorlaat van de stormvloedkering was al bij aanleg onvoldoende voor een stabiel  milieu in het resterende Oosterscheldebekken. Het zal dan haast onmogelijk blijken om ook nog eens op het Volkerak-Zoommeer (beperkt) getij de realiseren via een doorlaat in de Philipsdam. Een landinwaarts uitstervend stukje zeegatdynamiek voegt niets toe aan natuurwaarden. Het is niet te verklaren waarom het Deltaprogramma kiest voor een volkomen zinloze inrichting, in plaats van te gaan voor een integrale oplossing met de Zuidwestelijke Delta als één estuarium.  Waarom wil je geld als rijk of gemeente ophoesten als er alleen maar nadelen zijn? Of zouden hier andere factoren, o.a. sluizencomplexen, waterkwaliteit en kwantiteit, omdat heel veel spoelwater nodig is om het zoetwater te behouden of commerciële financiële belangen meespelen die wij als inwoners om de heen of andere reden niet mogen weten mee? 

Conclusie
De loze plannen voor het Volkerak-Zoommeer verhogen het risico dat verzilting ver doordringt tot in het Brabantse land, waardoor het opbrengst vermogen van de landbouwgronden afnemen, het vergroot de wateronveiligheid door schijnveiligheid en veroorzaken onvoorspelbare milieuwisselingen. Erger kan je het niet maken. En weer de overheid als opdrachtgever die kennelijk niet in staat is om te leren van vastlopende  projecten zoals de Fyra en de Betuwelijn. We zijn op weg naar ‘nieuwe Kamervragen’, want het debacle van de Zuidwestelijke Delta is volop in de maak. Waterschappen en gemeenten, die momenteel hun achterstallig onderhoud nog kunnen laten meefinancieren, houden zich alsnog koest. Jammer dat wederom de belastingbetalers en inwoners van de gemeentes die aan dit mooie zoetwater meer liggen, voor de kosten op mogen draaien en de gevolgen niet te onderschatten zijn.

Dat waterspecialist Louis van der Kallen uit Bergen op Zoom een petitie is gestart tegen verzilting is dan ook geen verrassing: http://www.petities24.com/forum/113618

Iedereen zou deze moeten ondertekenen om het naderend onheil te weren.

Hier vindt u een uitnodiging voor de informatieavond Volkerak-Zoomeer Zoet of Zout! op 25 mei 2016 om 19.00 uur

Sjaak Damen, Stadsraad-Steenbergen,01-05-2016  
stadsraadsteenbergen@ziggo.nl

Ps. Wij zijn als Stadsraad Steenbergen geen actiegroep, maar vertegenwoordigen de inwoners van Steenbergen. Maar als je dit verhaal leest zou je toch je bedenkingen gaan krijgen. Het is en blijft een informatie avond waar voor en tegen, Zoet of Zout,  met respect voor ieders standpunt moet worden bezien en behandeld. Het draait allemaal deze avond om nieuwe feiten, het voortschrijdend inzicht, ‘de bewustwording’. 

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 37: ACTIE

 

| 02-03-2016 | 15.25 uur |


 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 37: ACTIE

 

northern pike world record biggest fishOp www.overheid.nl onder officiële bekendmakingen is te vinden: “Ontwerpbeschikking Natuurbeschermingswet 1998, Vereniging van Beroepsvissers op het Volkerak-Zoommeer in Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak. Onderwerp: Omgevingsdienst Haaglanden maakt namens Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bekend dat het voornemen bestaat om vergunning te verlenen aan Vereniging van Beroepsvissers op het Volkerak-Zoommeer voor het uitoefenen van beroepsvisserij in het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak tot 1 januari 2021.”

Als deze vergunning verleend wordt krijgt de beroepsvisserij toestemming te vissen in een Natura 2000 gebied. Dat komt mij vreemd voor. Ik verkeerde in de veronderstelling dat dit voor de natuur beschermde gebieden waren. Ook de sportvisserij roept op tot actie

Wat is de reden om voor deze vorm van natuur aantasting te kiezen? De economische waarde van de beroepsvisserij op het Volkerak/Zoommeer is gering ten opzichte van de economische waarde van de sportvisserij. Veel watersporters bezoeken de havens rond het Volkerak/Zoommeer vanwege de geweldige waarde die deze wateren hebben voor de sportvisserij. Nu lijkt het er op, terwijl de financiering van de verzilting nog niet rond is, er met leegvissen wordt begonnen waarmee de natuur en de sportvisserij grote schade wordt toegebracht en daarmee de huidige verdiencapaciteit van de recreatie verder wordt ondermijnd. 

Voor Ons Water is helder: de onnodige verspilling van geld en de vernietiging van de mooie natuur kan nog voorkomen worden. Stop de verzilting. Teken de petitie via http://www.petities24.com/

Chris Ooms      

 


ONGEZOUTEN KRITIEK OP PLANNEN GREVELINGEN EN VOLKERAK

 

| 25-11-2015 | 01:25 uur |


 

ONGEZOUTEN KRITIEK OP PLANNEN GREVELINGEN EN VOLKERAK

 

Om een eigen doel te bereiken signaleert men eerst een probleem, bij voorkeur een milieuprobleem. Er wordt geconstateerd dat er sprake is van slechte waterkwaliteit, van areaalverlies of van verloren waarden. Het aanpakken ervan klinkt idealistisch en onbaatzuchtig en is een goed middel om een breed draagvlak te verwerven. De eigen plannen worden aangedragen als de oplossing, waarbij tevens een rooskleurig toekomstbeeld wordt voorgespiegeld. Vervolgens drukt men het eigen doel door.

Vaak lukt het ook nog om subsidiebronnen aan te boren. Dat maakt de realisatie goedkoper en met een beetje creativiteit kan men zelfs van een rendabel project spreken. De werkelijke kosten worden verhuld en de onderbouwing stoelt op halve waarheden. Heel wat natuurorganisaties, projectontwikkelaars en overheidsinstanties werken al jaren met deze succesformule en welvaartsgeld verdwijnt zo in een bodemloze put. Dat ook de Rijksstructuurvisie Grevelingen –Volkerak-Zoommeer deze werkwijze niet schuwt, illustreert ir. W. Lases in onderstaand artikel.  

Natuurlijke gelaagdheid in de Grevelingen
Door verbinding met de Noordzee via een kokersluis blijft het Grevelingenmeer in hoge mate zout. Die kokersluis was eigenlijk ontworpen om het Grevelingenmeer zoet te maken en te houden. In het verlengde van een veranderd beleid inzake de Oosterschelde is indertijd ook de beslissing genomen om het meer vooralsnog zout te houden en niet zoet te maken. Een zoet Grevelingenmeer zou echter niet alleen voor Schouwen-Duiveland, maar voor de hele Zuidwestelijke Delta van grote betekenis zijn. Kenmerkend voor zo’n groot en diep zoutwaterbekken,  komt er zowel thermische- als zoutgelaagdheid voor.  Gelaagdheid is een fenomeen van alle diepere meren in Nederland en geeft een zuurstofloze onderlaag. In het Grevelingenmeer bevinden zich in het westelijk deel twee oude diepe zeegeulen. De zuidelijke geul is het diepst, meer dan 35 meter. Het grensvlak ligt op 16 meter diepte (stichting Anemoon 2013) met een overgang van afnemend zuurstofgehalte vanaf 9 meter. Ook is waargenomen dat het omhoog kwam tot ca. 6 meter onder het oppervlak. Er is geen reden te bedenken waarom dit nog verder omhoog zou komen.

Van sommige beleidsmakers mag deze natuurvorm niet bestaan en daarom wordt de gelaagdheid plots als een ‘waterkwaliteitsprobleem’ aangemerkt. Nu wil men met een brede bres van 4 meter diep in het noordelijk deel van de Brouwersdam gedempt getij brengen op het Grevelingenmeer. Wettigen de beperkte belangen zo’n fundamentele grote ingreep die honderden miljoenen kost en waarbij de weg naar een zoet Grevelingenmeer in de toekomst onmogelijk wordt? 

Gelijk met de uitvoering van de bres in de Brouwersdam wil men turbines voor getijdenenergie plaatsen. Dit project zal zelfs met extra overheidssubsidie en alle voorinvesteringen nauwelijks rendabel kunnen zijn. Bovendien is onbekend wat voor schade die turbines aan de zeedieren toebrengen. Men verwacht, dat het getij door de bres een zodanige menging teweeg zal brengen, dat de zuurstofloze laag wordt opgeruimd, maar dit zal niet het geval zijn. Wel zal het grensvlak van de zuurstofloze onderlaag omlaag worden gebracht. Er zijn echter andere mogelijkheden om dit te bewerkstelligen, zoals het aanbrengen van een dichtheidsscherm voor de kokersluis. Zo’n scherm is aan de onderkant open en zuigt als een stofzuiger in de laagwaterfase het zuurstofloze water aan de bodem naar de Noordzee en in de hoogwaterfase wordt zuurstofrijk water vanuit de Noordzee naar de onderlaag gevoerd. Deze keuze is veel goedkoper en houdt de toekomstmogelijkheid van een zoet Grevelingenmeer open. 

Objectivering ook noodzakelijk bij het Volkerak-Zoommeer (VZM) Een ‘waterkwaliteitsprobleem’ kan zich al voordoen als onder de gegeven omstandigheden de waterkwaliteit naar het gevoelen van de mens een negatieve wending neemt en men er last van krijgt. Objectivering is daarom een eerste vereiste. Men constateerde blauwalgenbloei in een beperkte periode van de zomer op het VZM. Esthetisch niet prettig en het kan huidirritatie veroorzaken. Elke milieuomslag kenmerkt zich door tijdelijke explosieve groei van enkele organismen. De kunst is geduld te hebben met de natuur en er zoveel mogelijk met de vingers van af te blijven. Intussen is door het ontstane natuurlijke evenwicht van het zoete milieu de blauwalgenbloei sterk afgenomen. Wat men een waterkwaliteitsprobleem noemde, was in wezen een ecologische eruptie. Bij verzilting ligt wederom een vergelijkbare plaag, ditmaal van zoutresistente blauwalgen, voor de hand. Blauwalgen kunnen dan ook geen reden zijn voor zo’n drastische maatregel als verzilting. Dan blijft de stelling over, dat men zoet water zou besparen en dat er op termijn te weinig zoet water zou zijn om aan het afgesproken criterium van max. 450 mg Cl’/l te voldoen. Men vergeet dat er vóór de aanleg van de delta-infrastructuur veel meer zoet water van de grote rivieren ten goede kwam aan de Zeeuwse wateren, waardoor er een grote schakering aan lagere zoutgehaltes was, van belang voor het grondwater en de zoetwaterhuishouding op de eilanden. Men vergeet dat men aan het potverteren gaat van een gemengde overgangslaag in de bodem, die een buffer vormt tegen een te snelle verzilting. Men rekent zich ten onrechte rijk en waarvoor? Voor een schijntje meer zoet water voor Midden en West Nederland? Tevens wordt door een zout VZM een zoet Grevelingenmeer onmogelijk. Het benodigde zoete water om het VZM zoet te houden is er wel degelijk. Men verlaat nu zonder noodzaak een zoetwaterzone en brengt bewust verzilting verder het land in. 

Kritiek op loze plannen 
Met het Manifest Waterpoort en het lobbyen voor een getijdencentrale in de Brouwersdam lag er binnen de kortste keren een rijksstructuurvisie voor de regio, dat nog sneller tot stand kwam dan het Uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta. We mogen intussen concluderen dat zowel een bres in de Brouwersdam als een zout Volkerak-Zoommeer onnodig en ongewenst zijn. Maar inspraak blijkt een wassen neus en de plannen worden kost wat kost doorgezet. In kringen van biologen is de noodzaak van een zout VZM omstreden en Vlaanderen wenst het ook niet. De weerstand en de kritiek op de planvorming is hevig en groeit. Aanvankelijke voorstanders raken overtuigd van het feit dat verzilting weinig goeds kan brengen.

Gelukkig komt er op dit soort loze plannen steeds meer ongezouten kritiek vanuit regionale milieugroepen,waterschapspartijen, politiek, agrarische belangen en ideële organisaties. Het einde van ondoordachte planvorming en opportunisme moet dan ook in zicht komen.

Ir. Wil Lases

 

 


ZEELAND, ZOUT, ZOUTER, HET ZOUTST

 

| 25-11-2015 | 01:15 uur |


 

ZEELAND, ZOUT, ZOUTER, HET ZOUTST

 

Het oorspronkelijke Deltaplan voorzag dan wel in een zoet Zeeuws merengebied, maar uiteindelijk bleven Oosterschelde en Grevelingen geheel zout. Vervolgens stopte de aanvoer van rivierwater. Zeeland lag nog nooit zo sterk in het zout als nu. Alsof dit niet erg genoeg is, beoogt de deltabeslissing Zoetwater (!) om Zeeland buitensporig in de pekel te leggen door beperkt getij op het Grevelingenmeer toe te laten en het zoete Volkerak-Zoommeer (VZM) te verzilten. Zo wordt de indringing van zout nog verder landinwaarts verlegd naar de West-Brabantse rivieren met vrijwel onomkeerbare effecten voor het grondwater.

Welk doel dienen deze rigoureuze en uiterst kostbare ingrepen? 
Waar draagt deze planvorming bij aan waterveiligheid en zoetwatervoorziening en hoe verhoudt zich dit tot het algemeen belang? Ir. Wil Lases vraagt zich in dit artikel af welke argumenten de beleidsmakers hebben om daar geen rekening mee te houden. 

Natuurkrachten
In onze delta zijn we onderhevig aan de invloed van natuurkrachten op land en water en de interactie tussen zee en rivieren. Krachten die vele malen groter zijn dan de mens en die we alleen met inzicht en kennis enigszins kunnen geleiden. Zijn we de redenen voor het aloude visionaire Deltaplan voor de veiligheid en de waterhuishouding vergeten? Is het bewustzijn van de kracht en de macht van het water weggeëbd? Toch zal aan die lijn moeten worden vastgehouden om op lange termijn te kunnen overleven. 

Zoet water is kostbaar
De laatste vier eeuwen zijn onze zeearmen steeds sterker gaan uitschuren en dieper geworden. De verzilting nam daarmee sterk toe. Het zoutgehalte bleef evenwel vanaf de mondingen afnemen naar de Brabantse Wal, waar onder invloed van de rivierafvoeren het zoutgehalte het laagst was. Het zoutgehalte van water varieert van bijna 0 tot 19 gram Cl’/l. Zoet water voor de landbouw heeft een zoutgehalte van 0 tot 0,3 gram Cl’/l. Het maakt slechts 1,5% uit van het gehele interval aan zoutgehaltes. Het zo lang mogelijk zoet houden van oppervlakte- en grondwater is het algemene belang en gaat boven groepsbelangen. De mens leeft op het land van zoet water en wil overleven in de delta. Men moet zich dat goed bewust zijn. Daarbij komt dat zout water zwaarder is dan zoet water en het zoete(re) water gemakkelijk kan verdringen. Zoet water is uiterst gevoelig en een kostbaar goed.

Zelfredzaamheid eilanden gaat verloren
De eilanden konden zich goed redden met de zoetwaterbellen in de duinen en in de werpzanden, die eveneens boven de zeespiegel lagen. Hoe lager het zoutgehalte in de omgeving, hoe omvangrijker die zoetwaterbellen waren en kunnen zijn. Er komt inmiddels geen zoet water meer van de grote rivieren op de Oosterschelde en de Grevelingen. Deze wateren zijn nog nooit zo zout geweest en zouden dat met de bedoeling van het Deltaplan en ook zonder de huidige infrastructuur in geen eeuwen geweest zijn.

Door de deltabeslissing Zoetwater zal het Grevelingenmeer nog wat in zoutgehalte toenemen en het VZM, dat zich al dertig jaar als zoet meer ontwikkelt, wordt volledig ecologisch teniet gedaan met een zoutgehalte van 10 tot 16 gram Cl’/l. Dat is een aanmerkelijk hoger zoutgehalte dan vóór de delta-infrastructuur. Het open water in Zeeland wordt kunstmatig maximaal verzilt, zodat verdringing van het zoetere grondwater langzaam maar zeker plaatsvindt. De vraag naar zoet water op de eilanden en langs de rand van de lagere delen van de Brabantse Wal zal daardoor toenemen. Door afgravingen, zonder respect voor de natuur van het bestaande land, wordt steeds meer bodemweerstand tegen verzilting weggehaald. Dit heeft grote negatieve consequenties voor de mogelijkheden van zoetwaterbellen van enige omvang. Bovendien worden juist in de duinen en de hoog gelegen randen vakantieparken aangelegd, wat niet bevorderlijk is voor de kwaliteit van zoet grondwater en de omvang er van. Het aanleggen van pijpleidingen vanuit het Brabantse om de eilanden van zoet water te voorzien en ’s winters te injecteren in de bodem voor de landbouw is lokaal beperkt haalbaar en niet duurzaam.

Deelbelangen blokkeren het algemeen belang
Terwijl in heel Nederland verzilting als een groot probleem wordt beschouwd, wordt deze in het zuidwesten in hoge mate gestimuleerd onder invloed van zoutlobby’s met relatief beperkte belangen. Landelijk uniformiteit in beleid ontbreekt. Sommige biologen beweren dat getij en zout bij Zeeland horen, maar verhullen de antropogene oorsprong van de zeegaten. De mens zelf gaf er de zee de kans het lage land zwaar aan te tasten. Dit resulteerde in eilandpolders te midden van zeegaten. Het verder binnenhalen van zout en getij is dan ook historisch geografisch onjuist.

Het primaire belang eerst
Het visionaire Deltaplan voorzag in het weer sluiten van de kustlijn voor optimale veiligheid en in versterking van de zoetwaterhuishouding voor de eilanden. Zoete Zeeuwse wateren, waaronder een zoet Grevelingenmeer. Daarmee werd vooruit verdedigd, zowel wat de waterveiligheid betrof als tegen de verzilting. Met de blijvende relatieve zeespiegelstijging zet de verzilting sluipend en ondermijnend door.

Primair van belang is het zoete(re) water naar de kust te brengen om de toenemende verzilting van bodem en oppervlaktewater landinwaarts zoveel mogelijk te vertragen. Daar zou maximaal op gestuurd moeten worden. Er kleven wellicht bepaalde onvolkomenheden aan het Deltaplan in biologische zin, maar deze hoeven niet te leiden tot onnodige tegendraadse ingrepen met schier onomkeerbare effecten.

Ir. W. Lases

 

 


WELKE KOERS KIEST MINISTER SCHULTZ?

 

| 25-11-2015 | 01:10 uur |


 

WELKE KOERS KIEST MINISTER SCHULTZ?

 

De komende reactie van minister Schultz naar de Tweede Kamer op de uitkomst van de studie naar Plan Spaargaren kan de richting bepalen naar een klimaatbestendig Nederland. Als de afname van de minimum rivierafvoeren in de zomer blijft zoals voorspeld, dan is er met het huidige Deltaprogramma rond 2050 geen houden meer aan en bedreigt de algehele verzilting zowel de zoetwatereconomie als de drinkwatervoorziening. Wil Borm, van de Adviesgroep Borm & Huijgens, benadrukt in dit artikel het belang van zekerheid, waaraan Plan Spaargaren een grote bijdrage kan leveren. 

Het visionaire Deltaplan, dat voorzag in een zoet Zeeuws merengebied met een overvloed aan zoet water, verdween indertijd deels uit beeld. De Oosterschelde bleef zout met getijden en de Grevelingen werd een zoutwatermeer. Een zoet Grevelingenmeer is echter op termijn zeer gunstig voor landbouw en industrie en om de algehele verzilting een halt toe te roepen. Mocht er iets mis gaan met het IJsselmeer, dan geeft een zoetwaterbuffer in het zuidwesten garanties voor de zoetwatervoorziening.

Na het lezen van de scherpe analyses van ir. W. Lases over de Zeeuwse verzilting wordt des te meer duidelijk waar het om draait. Wij raden u aan om hierover de vele deskundige artikelen van de afgelopen jaren in Waterforum Discussieforum eens na te lezen. Het zal u de ogen openen.

Het zoveelste Deltacongres
Op 5 november was het Nationaal Deltacongres wederom een ‘feel-good’ bijeenkomst. Propaganda en organisatie bleef immers in handen van de samenstellers van het Deltaprogramma zelf. Samenhang ontbrak in de verstrekte folders over ‘Leven in de Nederlandse Delta’, die alle vermelden dat het reageren op de onvoorspelbaarheid het leven in de delta zo boeiend en stoer maakt. Dat klinkt spannend, maar zekerheid is zoveel beter. Zolang er geen landelijke eenheid in verziltingbeleid is en duurzaamheid te wensen over laat, schiet het Deltaprogramma schromelijk tekort wat betreft waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

Schuiven met resterend zoetwater
Zo achten de beleidsmakers de buffer aan zoetwater op het Haringvliet en Hollands Diep wel voldoende, maar merkwaardig genoeg weerhoudt het hen niet om met een Kierbesluit weer zoutwater op het Haringvliet te brengen, waardoor tegendraads inlaatpunten voor zoetwater naar het oosten worden verplaatst. Verder is men voornemens het Volkerak-Zoommeer (VZM) te verzilten en komen diverse eilanden aan het zoetwaterinfuus via aanvoer door de Roode Vaart. De voorlopige besparing van 25 m3/s aan zoetwater door een zout VZM komt ten goede aan Midden en West Nederland. Een druppel op een gloeiende plaat en weinig zinnig. Temeer daar deze regio zelf planologisch de tering niet naar de nering zet met betrekking tot het zoetwaterverbruik. Door uitbreidingswijken te blijven plannen en realiseren in dit gebied, waar polders rond de kernen nogal eens op – 5m N.A.P. liggen, wordt door onderbemaling zout water aangetrokken en dat vergt op zijn beurt weer meer en meer zoetwater. Daarnaast vraagt de strijd om het veen te beschermen om veel zoetwater. Er wordt hier al lang een achterhoedegevecht geleverd tegen verzilting, terwijl de zoutwaterdruk evident is met de ligging beneden de zeespiegel. Het zou veel logischer zijn om zich er voor te bereiden op echte verzilting of op het onder (zoet)water zetten. Dat zou veel kunnen besparen. 

Een einde aan de zoetwaterverspilling
Het meest effectief is echter Plan Spaargaren, dat de aanleg van zeesluizen in de splitsing van de Oude en Nieuwe Maas omvat en zo de Nieuwe Waterweg aan de oostzijde afsluit. Dit maakt een einde aan het grootschalig zoetwaterverlies. Kennisopbouw door inzicht, onderzoek en betrouwbare gegevens zijn onmisbaar. Dat pleit voor het huidige onderzoek naar Plan Spaargaren. Gezien de vele onzekerheden (in metingen, aannames of modellen) kiest Plan Spaargaren voor een robuuste veiligheidsfilosofie en tevens extra baten voor de buitendijkse gebieden en de zoetwatervoorziening. Deze hoofdkeuze heeft invloed op het hele landelijk watersysteem en is de sleutel tot een klimaatbestendig Nederland. Plan Spaargaren creëert een omvangrijke zoetwaterbuffer. Met zeesluizen worden de bordjes in de delta verhangen en de mogelijkheden en duurzaamheid van het Deltaprogramma aanzienlijk vergroot.  

Herziening Deltaprogramma
Alleen preventief beleid, in het verlengde van de Zuiderzeewerken en de Deltawerken, is de juiste aanpak. Wat betekent dat voor het huidige Deltaprogramma en de deltabeslissingen? Ook al zijn de bestaande rapporten nog zo zwaarwegend, is er na jaren consensus bereikt en wordt de inspraak vakkundig afgewimpeld, dan nog dient er een streep gehaald te worden door plannen die averechts of overbodig zijn. Uiteraard zal men een deel van de projecten kunnen herzien in een integraal kader en afstemmen op de lange termijn.

In het Projectenboek 2016 van de Unie van Waterschappen staan overigens vele nuttige projecten, die in het kader van het Hoogwaterbeschermingsprogramma zonder meer uitgevoerd kunnen worden. Het werk hoeft dus niet stil te liggen. 

Vakmensen aan het roer
Wanneer alle voordelen van zeesluizen bij de diverse belangenorganisaties bekend zijn én onderkend worden kan Plan Spaargaren rekenen op een breed maatschappelijk draagvlak. Welvaart en milieu plukken er de vruchten van. Ook telt hierbij onze mondiale verantwoordelijkheid. De hoeveelheid verbouwbare grond op aarde is beperkt. Door effectief gebruik ervan kan de toenemende wereldbevolking gevoed worden. Tekorten aan zoetwater nemen wereldwijd toe. Nederland kan als exportland van zoetwater een belangrijke rol gaan vervullen.

Het wordt hoog tijd dat vakmensen met fundamentele kennis van waterveiligheid en zoetwatervoorziening sturing gaan geven aan het Waterschap Nederland en dat ze op basis van gericht onderzoek en integrale afwegingen komen tot verantwoorde besluiten. Dit vraagt om een effectieve reorganisatie van de leiding, de koers en de werkwijze van het Deltaprogramma.

De koers van minister Schultz
Wij gaan er van uit dat de minister als eerste de voordelen van het Plan Spaargaren gaat omarmen en daarmee het startschot geeft voor een radicale koerswijziging van het Deltaprogramma. Zij heeft daarbij de onvoorwaardelijke en brede steun nodig van de Tweede Kamer. Laten we erop vertrouwen dat de vorig jaar met grote meerderheid aangenomen motie Geurts een positief vervolg krijgt. De Adviesgroep Borm & Huijgens is optimistisch.

 


ONNATUURLIJKE MAXIMALE VERZILTING ZEELAND DREIGT!

 

| 03-02-2015 | 15:00 uur |


 

ONNATUURLIJKE MAXIMALE VERZILTING ZEELAND DREIGT!

 

Deltabeszeeuws wapenlissing legt Zeeland buitensporig in de pekel en verlegt zoutindringing  onnodig landinwaarts naar de West-Brabantse rivieren met effecten voor het grondwater. De Deltabeslissing lost twee oude wensen van biologen in: beperkt getij op het Grevelingen en een zout Volkerak-Zoommeer (VZM). Daarnaast zijn er lobby’s met een heel beperkt belang in vergelijking tot deze rigoureuze en uiterst kostbare ingreep. Hoe verhoudt zich dit tot het algemeen belang en wat is dat algemeen belang? Welke argumenten hebben de beleidsmakers om daar geen rekening mee te houden?

Biologen zeggen getij en zout horen bij Zeeland, maar vergeten dat bij Zeeland ook een belangrijk deel van de afvoer van de grote rivieren hoort en dat er zeer grote verschillen in zout water zijn.

Zout water
In Nederland varieert het zoutgehalte van water van bijna 0 tot 19 gr Cl’/l (Noordzee). Zoet water voor de landbouw heeft een zoutgehalte van 0 tot 0,3 gr Cl’/l. Het maakt slechts 1,5% uit van het gehele interval aan zoutgehaltes. Zoet water is dus uiterst gevoelig en een kostbaar goed. Het zo goed en zo lang mogelijk zoet houden van oppervlakte- en bodemwater is het algemene belang en gaat boven groepsbelangen. De mens leeft op het land en van zoet water en wil net als elke andere soort zo lang mogelijk overleven in de delta. Groepen met tegengestelde belangen moeten zich dat goed bewust zijn. Daarbij komt dat zout water zwaarder is dan zoet water en het zoete(re) water gemakkelijk kan verdringen.

Natuurkrachten
In onze delta zijn we onderhevig aan het spel van natuurkrachten op land en water en op de interactie van zee- en rivierwater. Krachten die vele malen groter zijn dan de mens en die we alleen met inzicht en kennis zo goed mogelijk kunnen geleiden. Inmiddels zijn we de redenen voor het aloude visionaire deltaplan voor de veiligheid en de waterhuishouding weer vergeten. Men heeft totaal geen benul meer van de kracht en de macht van het water. Toch zal zo goed mogelijk aan die lijn moeten worden vastgehouden om op lange termijn te kunnen overleven. Er kleven wellicht bepaalde onvolkomenheden aan het plan in biologische zin, maar deze hoeven niet te leiden tot dit soort onnodige tegendraadse ingrepen met schier onomkeerbare effecten. De laatste vier eeuwen zijn onze zeearmen steeds sterker gaan uitschuren en dieper geworden. De verzilting nam daarmee in het geheel sterk toe. Het zoutgehalte bleef evenwel vanaf de monding afnemen naar de Brabantse wal, waar het zoutgehalte het laagst is onder invloed van de rivierafvoeren. De eilanden konden zich goed redden met de zoetwaterbellen in de duinen en de werpzanden, die hoger dan de zeespiegel lagen. Hoe lager het zoutgehalte in de omgeving van die zoetwaterbellen hoe omvangrijker die zoetwaterbellen waren en kunnen zijn.

Het deltaplan voorzag in het weer sluiten van de kustlijn voor optimale veiligheid en compartimentering om de zoetwaterhuishouding te versterken en een gericht gebruik van zoet water voor de eilanden, zoete Zeeuwse wateren, waaronder een zoet Grevelingenmeer. Daarmee werd vooruit verdedigd, zowel wat de veiligheid betrof als tegen de verzilting.

Met de blijvende toename van de zeespiegel (Nederland kantelt ook) zet de verzilting zich sluipend en ondermijnend door. Primair van belang is het zoete(re) water zoveel mogelijk naar de kust te brengen om de toenemende verzilting van bodem en oppervlaktewater landinwaarts zoveel mogelijk te vertragen. Daar zou maximaal op gestuurd moeten worden. Pas daarna komen de deelbelangen met voorop de landbouw, die de mens voedt. Onder invloed van belangenlobby’s wordt daarentegen de verzilting juist in hoge mate gestimuleerd. Die is landelijk niet uniform van aard en niet van gelijke omvang.

Bewuste verzilting Zeeland
Er is inmiddels geen estuariene natuur meer op de Oosterschelde en in het zoute Grevelingenmeer. Er komt immers geen zoet water van de grote rivieren meer. De Oosterschelde en Grevelingen zijn nog nooit zo zout geweest en zouden dat met de bedoeling van het deltaplan en ook zonder de infrastructuur van het deltaplan in geen eeuwen geweest zijn. (Hoewel buiten dit kader: de Westerschelde is ook nooit zo zout geweest als door de verdiepingswerken voor de haven van Antwerpen en de zandwinning.)  Door de deltabeslissing zal het Grevelingenmeer nog wat in zoutgehalte toenemen, maar het VZM dat al dertig jaar, een mooie ecologische leeftijd, als zoet meer bestaat in het verlengde van een brak leven met mooie ontwikkelingen, wordt volledig ecologisch te niet gedaan voor een echt zout meer met een zoutgehalte van 10 tot 16 gr Cl’/l. Dat is een aanmerkelijk hoger zoutgehalte dan waaraan de west Brabantse rivieren bloot stonden vóór de delta infrastructuur. Hoewel men enerzijds 45 m3/sec aan zoet water denkt te besparen, heeft men anderzijds voor deze rivieren weer 20 m3/sec extra nodig voor verziltingsbestrijding. Het open water (oppervlaktewater) in Zeeland wordt kunstmatig maximaal verzilt. Vanuit het zo zoute open water vindt verdringing van het zoetere grondwater langzaam maar zeker plaats. De vraag naar zoet water op de eilanden en langs de rand van de lagere delen van de Brabantse wal zal daardoor gaan toenemen. Op de eilanden ontstaat steeds meer open water door afgravingen van natuurorganisaties, die een grote drang hebben om parken voor trekvogels te maken zonder respect voor de natuur van het bestaande land en zonder oog te hebben voor negatieve consequenties. Daardoor wordt steeds meer bodemweerstand tegen verzilting weggehaald, worden plas dras gronden maximaal verzilt en wordt het zoetere grondwater in de omgeving verdrongen. Dit heeft grote negatieve consequenties voor de mogelijkheden van zoetwaterbellen van enige omvang. Bovendien worden juist in de duinen en de hoog gelegen randen vakantieparken aangelegd. Niet bevorderlijk voor waterkwalitatief betrouwbaar zoet grondwater en beperkt de omvang. Al met al een sinister vooruitzicht zonder duurzame oplossingen. Het aanleggen van pijpleidingen vanuit het Brabantse om de eilanden van zoet water te voorzien en ’s winters te injecteren in de bodem voor de landbouw is lokaal slechts beperkt haalbaar en niet duurzaam. Technisch interessant, maar geen wezenlijke oplossing. Het is schone schijn. Biologen zien het niet zo zwaar in, want de landbouw kan met de huidige mogelijkheden met minder zoet water toe en de toekomst voor de voeding is voor hun de zilte teelt en schelpdieren. Alsof een niche markt de bevolking zou kunnen voeden.

Een zout VZM 
Om een doel te bereiken, signaleert men doorgaans een waterkwaliteitsprobleem en vervolgens wil men dan een robuuste en duurzame oplossing (voor het eigen doel). Dat geldt ook hiervoor en evenzeer voor het Grevelingenmeer. (N.B. Een waterkwaliteitsprobleem kan zich voor doen als in de gegeven geografische omstandigheden door het handelen van de mens de waterkwaliteit een naar het gevoelen van de mens negatieve wending neemt en men er last van krijgt. Objectivering is dus een eerste vereiste.) Men constateerde blauwalgenbloei  in een beperkte periode in de zomer op het VZM. Esthetisch niet plezierig voor de pleziervaart  en locaal bij stranden veroorzaakt het huidirritatie bij waterminnaars. Bij het groeien naar een ecologische evenwicht komen er altijd uitbarstingen van soorten voor. De blauwalgen bloei is zeer sterk teruggedrongen, niet alleen door mosselen. Men noemde dit een waterkwaliteitsprobleem, maar is in wezen een ecologische eruptie. (Hartekreet: De kunst is geduld te hebben met de natuur en zoveel mogelijk met de vingers er van af te blijven. Het huidige fenomeen van de industrie van maakbare natuur vernielt ten onrechte zeer veel natuur, omdat men zichzelf belangrijker vindt dan de natuur. In die zin is bezinning bij de natuurorganisaties brood nodig. Liever geen aaibare natuur dan parken.) De blauwalg kan dus geen reden zijn voor zo’n drastische maatregel. Blijft de stelling dat men zoet water zou besparen en dat men op termijn te weinig zoet water zou hebben om aan het afgesproken criterium van max. 450 mg Cl’/l te voldoen. Men vergeet dat er vóór de aanleg van de delta infrastructuur er heel veel meer zoet water van de grote rivieren ten goede kwam aan de Zeeuwse wateren, waardoor er een grote schakering aan lagere zoutgehaltes was, van belang voor het grondwater en de zoetwaterhuishouding op de eilanden. Men vergeet dat men aan het potverteren gaat van een gemengde overgangslaag in de bodem, die een buffer vormt tegen een te snelle verzilting. Men rekent zich ten onrechte rijk en waarvoor? Voor een schijntje meer zoet water voor midden- en west Nederland? In kringen van biologen is de noodzaak van een zout VZM ook omstreden en Vlaanderen wenst het ook niet. Tevens wordt door een zout VZM een zoet Grevelingenmeer onmogelijk. Het benodigde zoete water om het VZM zoet te houden is er wel degelijk. Bovendien mag het criterium van 450 mg Cl’/l best wel eens tijdelijk wat hoger zijn.  Men verlaat nu zonder noodzaak een zoet water zone en brengt bewust verzilting verder het land in. Conclusie:  Een zout Volkerak-Zoommeer is onzinnig.

Getij op het Grevelingen
Met een brede bres van 4 meter diep in het noordelijk deel van de Brouwersdam wil men gedempt getij terug brengen op het Grevelingenmeer. Dat meer staat al in open verbinding middels een kokersluis in het zuidelijk deel. Door die verbinding met de Noordzee blijft het meer in hoge mate zout, wat minder dan de Noordzee. Die kokersluis was eigenlijk ontworpen om het Grevelingenmeer zoet te maken en te houden. In het verlengde van een ander beleid inzake de Oosterschelde is ook de beslissing genomen om het Grevelingenmeer vooralsnog zout te houden en niet zoet te maken. Een zoet Grevelingenmeer zou met name voor Schouwen-Duiveland van grote betekenis zijn. Nu doet zich in een deel van het meer thermische en zout gelaagdheid in het water voor. Het gevolg is een zuurstofloze onderlaag met een eigen niet aaibare natuur. Dit fenomeen doet zich in alle diepere meren in Nederland voor. De wind zorgt voor stroming in de meren en kan de zuurstof tot een bepaalde diepte brengen. In Nederland beweegt het grensvlak zich ongeveer tussen de 10 en 15 meter diepte. Door bepaalde omstandigheden wat hoger, maar niet hoger dan 7 meter diep. Bijkomend verschijnsel is dat het onder bepaalde windomstandigheden zeer tijdelijk scheef kan gaan staan en lokaal hoger komen (en elders dieper).  In het Grevelingenmeer bevinden zich in het westelijk deel twee oude diepe zeegeulen tot 35 meter diep en het grensvlak schijnt in de loop van de tijd omhoog gekomen tot ca. 6 meter diep. Er is geen reden te bedenken waarom dit nog verder omhoog zou komen.  Dit voor deze situatie natuurlijke fenomeen wordt alleen hier nu als een waterkwaliteitsprobleem aangemerkt. Waarom mag van de beleidsmakers deze natuurvorm niet bestaan? Duikers (hoeveel?) willen graag dieper duiken en een aaibare natuur zien. Mosselkwekers die in het meer zijn neergestreken willen graag hun oppervlakte aan percelen verder uitbreiden. Voor strandgangers kan, de hele kleine kans bij een bepaalde wind, op een ervaring met zuurstofloos water op zich minder plezierig zijn door stank. De kansen dat men verjaagd wordt door stortbuien is vele malen groter. Wettigen deze hele beperkte belangen zo’n fundamentele grote ingreep, waarbij b.v. een zoet Grevelingenmeer in de toekomst onmogelijk wordt. Een deltabeslissing, die honderden miljoenen kost? (Ook nog met de wens van de pleziervaart om ook een opening in de Grevelingendam te krijgen, waarvoor in de plaats een brug moet komen.) Na uitvoering van de bres in de Brouwersdam is er een mogelijkheid om turbines voor getijde-energie te plaatsen. Ook dat gaat nog eens met extra overheidssubsidie en zal ondanks alle voorinvesteringen nauwelijks rendabel kunnen zijn. Bovendien is onbekend wat die turbines in de bres aan schade aan de zeedieren toebrengt.

Aan de hand van 3D-berekeningen wordt verwacht, dat het getij door de bres een zodanige menging te weeg zal brengen, dat de zuurstofloze laag wordt opgeruimd. Helaas zal dit niet het geval zijn. Deze berekeningen kunnen het verschijnsel gelaagdheid in relatie tot menging niet aan. Wel zal het grensvlak van de zuurstofloze onderlaag om laag worden gebracht. Er zijn echter andere mogelijkheden, dan een bres in de Brouwersdam, om dit te bewerkstelligen, zoals het aanbrengen van een dichtheidsscherm voor de kokersluis. Zo’n scherm is aan de onderkant open en zuigt als een stofzuiger in de laagwaterfase het zuurstofloze water aan de bodem naar de Noordzee en in de hoogwaterfase wordt zuurstofrijk water vanuit de Noordzee naar de onderlaag gevoerd. De kosten hiervoor zijn veel lager en houdt de mogelijkheid van een zoet Grevelingenmeer open. Ook hiervoor is een dichtheidsscherm effectief. Voorts wordt er op gewezen dat afgestorven organisch materiaal naar de bodem zakt en mogelijk eens kan leiden tot stankoverlast. Ook de recreatie veroorzaakt een zekere belasting. Het is maar zeer de vraag of dit als last zal optreden, omdat aan het grensvlak al processen optreden, die een mogelijke stankbelasting tegengaan. Van andere diepe meren in Nederland hoor je hier niets over. In een zoet Grevelingenmeer zou dit een aanleiding voor veenvorming kunnen zijn. Conclusie: een bres in de Brouwersdam is onnodig en ongewenst.

Geen eenheid in zout-zoetbeleid
Een zoet Grevelingemeer zou kunnen functioneren als zuidelijke zoetwaterbuffer, mocht er iets mis gaan met onze enige nationale buffer, het IJsselmeer. De beleidsmakers achten echter de buffer aan zoet water op het Haringvliet en Hollands Diep wel voldoende. Merkwaardig genoeg weerhoudt het hen niet om met een kierbesluit Haringvliet weer zout water op het Haringvliet te brengen, waardoor tegendraads inlaatpunten voor zoet water naar het oosten worden verplaatst.

De voorlopige besparing van 25 m3/sec aan zoet water door een zout VZM komt ten goede aan midden en west Nederland, een druppel op een gloeiende plaat en weinig zinnig. Te meer daar dit gebied planologisch de tering niet naar de nering zet met betrekking tot het zoet water verbruik. Door uitbreidingswijken te blijven plannen en realiseren in dit gebied, waar polders rond de kernen nogal eens op N.A.P.- 5m liggen, wordt alleen maar zout water door onderbemaling aangetrokken en vergt meer een meer zoet water. Daarnaast is er de strijd om het veen te beschermen, dat veel zoet water vergt.  Er wordt hier al lang een achterhoede gevecht geleverd tegen verzilting, terwijl de druk evident is met de ligging beneden de zeespiegel. Het zou veel logischer zijn om zich in dit gebied te gaan voorbereiden, dat het gebied lokaal echt verzilt. Dat zou heel veel zoet water kunnen uitsparen.

Er zijn andere mogelijkheden om aanzienlijke hoeveelheden zoet water te besparen en geen druppels, zoals een kering met schutsluizen in de Nieuwe Waterweg en de inpoldering van de Markerwaard.

Een zout VZM om zoet water te besparen kan geen issue zijn. Men snijdt zich in de vingers!

Ir W.B.P.M. Lases, 02.02.2015

 


VERZILTEN, GEEN ESTUARIUM

 

| 03-12-2014 | 09:15 uur |


VERZILTEN, GEEN ESTUARIUM

gele lis

gele lis

De nu ter inzage liggende Milieu Effect Rapportage (MER) en Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak geeft ons breder inzicht over de plannen met deze deltawateren. In de huidige voorkeursvariant zal een beperkt getij vanuit de Oosterschelde met de bijbehorende verzilting zijn intrede doen in het Krammer-Volkerak. Is dit een eerste stap naar een estuarium of slechts een maatregel om te voldoen aan de Kader Richtlijn Water (KRW)?

Afwisselende milieus
Het huidige Volkerak is nog steeds volop in ontwikkeling en de invloed van het ooit zo prachtige dynamische milieu zijn nog altijd zichtbaar. Nog altijd heeft het Volkerak habitats die kenmerkend zijn voor intergetijdengebieden.  De invloed voor het ooit zilte milieu is nog goed zichtbaar op de laagst gelegen drooggevallen slikken en oeverranden. Pas sinds een kleine vijf jaar zien we in de natuurgebieden een verandering plaatsvinden. Langs kreken en oeverranden begint een moerasvegetatie te ontstaan. Riet, gele lis en moerasandijvie nemen steeds meer toe en de kale randen raken begroeid met een vegetatie die past bij het huidige zoete milieu. De invloed van het zout wordt alsmaar minder en minder. De hogere delen zijn al langer begroeid met gevarieerde ooibossen, met soorten als adelaarsvaren en grote keverorchis. De combinatie van zoete habitats en resten van zoute habitats maken het gebied zeer afwisselend. Door de verandering naar een zout meer verandert er aan de hogere delen vermoedelijk vrijwel niets. De oevers en laagste slikken zullen veranderen, maar of er sprake zal zijn van grote toename is te betwijfelen.

Zilte bak water
De combinatie van naast elkaar liggende zoete en zoute habitats is door verschillende natuurorganisaties als onnatuurlijk en vreemd afgeschetst. Het verzilten versterkt echter alleen maar deze situatie. Het verzilten van het Krammer-Volkerak is de slechte versie van het verlengen van de zeearm de Oosterschelde. Geen estuarium! ‘Kenmerken van’ maakt het Volkerak nog altijd geen estuarium. De invloed van dynamiek vanuit de zee en vanaf de rivier is door de aanleg van de deltawerken vernietigd. Het simpelweg creëren van een paar gaten in dammen verandert daar vrij weinig aan. De getijdeslag wordt dan wel deels hersteld, maar de harde zoet-zout scheiding schuift op van de Krammersluizen richting de Volkeraksluizen. Een open verbinding richting het Hollandsch Diep en het Haringvliet zou de oplossing zijn voor estuarien herstel en zou de enige echte voorkeursvariant moeten zijn voor natuurorganisaties. Het probleem is echter dat het ‘Kierbesluit’ er voor zorgt dat het herstel van een estuarium in de zuidelijke delta onmogelijk maakt. De belangen voor zoet water zijn in de noordelijke delta zo groot dat men hier het Volkerak voor opoffert. De druk van zoetwater op het Haringvliet en de Nieuwe waterweg moet blijven om de zouttong op afstand te houden. Ecologisch gezien is dit niet noodzakelijk en zou de hoofdstroom van het zoete water juist via het Haringvliet en Volkerak moeten lopen. Het belang van voldoende zoet water door de Rijnmond is echter groot.
Iedere natuurliefhebber droomt van de oude dynamiek. Een realistische kijk op de toekomst is echter noodzaak. Het gros van de natuurorganisaties heeft zich blind gestaard op het herstel van een dynamische delta. De stem van de natuur is echter in al deze deltaplannen zeer beperkt.  Wanneer men nuchter kijkt naar economische belangen en veiligheid, dan is een open delta totaal onrealistisch. Veiligheid, economie en Europese afspraken zijn de daadwerkelijke drijfveren achter al deze plannen. De huidige RGV is zeker geen stap dichter bij de zogenaamde stip aan de horizon.  De gebruiksfunctie voor de scheepsvaart is een zeer belangrijke factor in het Krammer-Volkerak. De huidige dynamiek is nog toelaatbaar voor de binnenvaart, maar een verder herstel van een natuurlijk estuarium zeker niet. Om voldoende zoet water door de noordelijke delta te kunnen laten stromen offert men het zoete Krammer-Volkerak op. De druk van zoet water op o.a. het ‘Kierbesluit’ moet namelijk maximaal zijn, omdat men vreest voor de oprukkende zouttong tijdens droge periodes. Een herstel van een estuarium in het stroomgebied Volkerak-Oosterschelde is onmogelijk. Dit brengt namelijk o.a. de zoetwatervoorziening in de noordelijke delta in gevaar en is in strijd met de afspraken met de binnenvaart.

Waterkwaliteit of Europees doel
Een andere reden om het door blauwalgen geteisterde Volkerak te verzilten zijn de KRW doelen. In de MER wordt niet voor niets gesproken over het ‘grotere kans van behalen doelen’ in plaats van verbeteren waterkwaliteit. De KRW-doelen voor zout water liggen veel lager dan voor zoet water. Dat is voor het Rijk dus een zorg minder. Toch nemen natuurorganisaties en RWS nog altijd verbetering van de waterkwaliteit en herstel estuarium in de mond. De waterkwaliteit gaat slechts ten dele en zeer beperkt vooruit door de verzilting. Het Volkerak is nu eenmaal vele malen voedselrijker dan de Oosterschelde. Door een gat in een dam te maken richting de Oosterschelde en zonder al te veel zoetwater druk vanuit de rivieren spoelt dit voedselrijke water echt niet weg. Bij de Volkeraksluizen worden ook in zilte variant problemen verwacht met zuurstofloosheid en blauwalgen. Dit zien we de laatste jaren ook goed nabij de Krammersluizen. De plek waar als eerste en heftigste blauwalgen tot bloei komen. Simpel genoeg omdat daar zout water lekt en het milieu instabiel is. In het zilte Krammer-Volkerak zullen plaagsoorten als zeesla en Japans bessenwier volgens vele een groot probleem gaan vormen. Niet het prachtige geschetste beeld met zeegras, daarvoor is het Volkerak veel te voedselrijk. In de MER wordt zelfs toegegeven dat de mosselkweek noodzakelijk is om de rol van de quaggamossel over te nemen. Zonder deze natuurlijke filters ontstaan enkel nieuwe – en in de eerste jaren grotere – problemen. Onzekerheden te over. En het geschetste duurzame en stabielere systeem wat zou moeten ontstaan? Navraag leert dat iedereen heel veel onzekerheden, uitdagingen en problemen verwacht.

Twee watersystemen, één structuurvisie!?
Ook de keuze om één structuurvisie voor (tegenwoordig) twee van elkaar losstaande systemen uit te brengen is opvallend. Navraag leert dat dit uiteindelijk een commerciële keuze is. De financiering moet namelijk grotendeels uit marktpartijen komen. Met twee grote rijkswateren vergroot men de regio en het aantal potentiele marktpartijen. De eerdere verbinding met de Grevelingen wordt nog wel geopperd, maar is allang geen serieuze optie meer. Dit was in eerste instantie wel de bedoeling, maar viel al snel af. Raadselachtig is ook waarom nu opeens wel een verbinding met de Oosterschelde mogelijk is. Ruim tien jaar geleden wilde niemand dit voedselrijke water in de Oosterschelde hebben. Het gebrek aan voedsel voor de mosselkweek opent deuren zo blijkt.
Natuurorganisaties spelen een ondergeschikte rol in het hele proces. Ze worden erbij betrokken vanwege hun belang, grondgebruik en de wetgeving, maar hun invloed is minimaal. Dat ze zich laten zoethouden met dit plan is dan ook eigenlijk te vreemd voor woorden. De lobby in Den Haag is niets meer dan een wassen neus. Het huidige plan wankelt aan alle kanten en de geschetste positivisme lijkt een wanhopige poging om ons het droombeeld van de toekomst voor ogen te laten houden. Een droombeeld dat in de praktijk onrealistisch zal blijken te zijn. We hoopten op een herstel van het Volkerak met een natuurlijke dynamiek. We krijgen een verlenging van de Oosterschelde, waar zowel de Oosterschelde als het Krammer-Volkerak op achteruit gaan. Een zoute bak water met nieuwe problematiek. Geen duurzame oplossing, maar een middeltje om de KRW-doelen te halen en voldoende zoet water door de noordelijke delta te kunnen laten lopen.

Gezichtsverlies
Het idealisme moet gaan plaatsmaken voor realisme. De bever en de zeehond gaan elkaar in het nieuwe Volkerak niet ontmoeten, elke veldecoloog weet dit. Toch vond natuurmonumenten het nodig om deze droom in te zetten in een laatste wanhopige poging de verzilting te promoten. (zie: https://www.natuurmonumenten.nl/in-een-zout-volkerak-geven-bever-en-zeehond-elkaar-een-knipoog). De hele gang van zaken is even betreurenswaardig als inhoudsloos. Het geeft keihard weer waar het aan schort bij enkele natuurorganisaties: ecologische kennis!
Huidige keuze voor een zilt Volkerak is enkel een politieke keuze en een voor natuurorganisaties politiek correcte keuze. Het gezichtsverlies zou te groot zijn voor de natuurorganisaties. Maar hetgeen zij willen (een estuarium) dat komt er niet. Alle kansen die worden geschetst voor zoutwaterleven zijn zeer onzeker. Dat dit een stap is naar een open dynamische delta is zeer onrealistisch.

Rust, voedsel en ruimte!
Het huidige Volkerak kon zich dankzij de aanwezigheid van blauwalgen en het daarbij horende negativisme onder recreatieve ondernemers in alle rust ontwikkelen. Het Volkerak is uniek door zijn relatieve rust. Buiten de drukke vaargeul is het water rustig. Waar nu duizenden watervogels rustig kunnen slapen, ruien en foerageren liggen in de toekomst velden voor de mosselkweek en allerlei recreatieve functies gepland. Het belang van de scheepsvaart op het Volkerak gaat de komende jaren sterk groeien, met of zonder zout. Nu gebruiken watervogels het meer een jaar rond. Zal dit met de toenemende gebruiksfuncties zo blijven? Het valt te betwijfelen. Het areaal rustig water voor watervogels neemt vermoedelijk zeer sterk af. Het voedsel voor de zeearend en soorten als grote zilverreiger neemt de eerste jaren sowieso sterk af. Ecologen schatten in dat tegen de tijd dat het Volkerak zout zou moeten worden er al meerdere paren zeearenden in het gebied tot broeden komen. De kans dat deze vertrekken na deze enorme aanpassing is aannemelijk. Voedsel en rust zijn voor deze en andere soorten essentieel.

Een breed maatschappelijk belang is nog maar zelden goed samengegaan met een robuust ecologisch belang. Zeker gezien de huidige plannen en belangen van externe financierders worden de ecologische belangen het kind van de rekening. Het is dan ook een raadsel dat natuurorganisaties deze gang van zaken prijzen, zeker gezien het voorkomen van een aantal zeer kwetsbare en voor verstoring gevoelige soorten in het zoete Volkerak. Het wordt tijd dat de natuurorganisaties bewust worden van de nadelige gevolgen en onzekerheden van de verzilting. Laten zij daarom op z’n minst zeer kritisch zijn tegenover de huidige plannen. Maak een ecologische keuze en kies niet voor een gekunstelde verlegging van het probleem. Er is geen enkele reden om te juichen voor verzilting.
De huidige situatie is mogelijk ook instabiel en onzeker, maar er is momenteel een zichtbaar positieve trend waarneembaar. We weten wat we nu hebben, we zien de ontwikkeling, maar we weten zeker niet wat het ons zal brengen. Nog minder weten we dat bij verzilting en tel daar alle andere nieuwe bedreigingen voor rust en natuur bij op. Kies voor een estuarium of kies voor aanpak van de bron van blauwalgplagen in het zoete systeem.

De soorten die elkaar zeker een knipoog  zullen geven in een verzilt Volkerak zijn de Japanse oester en Japans bessenwier. Dan toch liever die quaggamossel!

Een natuurliefhebber/deskundige

 


ZIENSWIJZE ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE NAMENS JACHTHAVENS

 


De Heen, 28 november 2014

 

Directie Participatie

Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Postbus 30316

2500 GH Den Haag 

 

Betreft: zienswijze op de Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

 

Geachte heer, mevrouw,

In de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (hierna ‘de rijksstructuurvisie’) staat een ontwikkelperspectief geschetst waarin het Volkerak-Zoommeer (hierna VZM) wordt verzilt. De voornaamste reden die hiervoor wordt gegeven is de overlast van blauwalg. Echter, sinds 2008 is de overlast door blauwalg nagenoeg verdwenen en is het water van het VZM schoon en helder geworden, naar alle waarschijnlijkheid door de aanwezigheid van de quaggamossel.

In de rijksstructuurvisie wordt (ruwweg) gesteld dat de kans dat de blauwalg terug komt voldoende zwaar weegt om te besluiten alsnog te verzilten. Aan verzilten van het VZM kleven echter ook nadelen, onder meer voor de recreatie. Die nadelen voor de recreatie worden onvoldoende onderkend in de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten. 

Het voornaamste nadeel voor de waterrecreatie ligt in het opnieuw in bedrijf nemen van de Manderssluis en het Benedensas. Daarmee vermindert de bereikbaarheid van de Brabantse binnenwateren, omdat geschut moet worden om de havens achter de sluizen (zes jachthavens met gezamenlijk zo’n 1550 ligplaatsen) te bereiken. Daarnaast is stankoverlast voorzien van rottende zeesla, juist bij de Manderssluis en het Benedensas. 

Deze extra barrière voor onze klanten heeft een sterk negatief effect, zowel op het aantal overnachtingen van passanten als voor de aantrekkelijkheid van de vaste ligplaatsen. Dat blijkt duidelijk uit het feit dat de havens achter deze twee sluizen pas goed tot ontwikkeling zijn gekomen na de afsluiting van de Philips- en Oesterdam. In de MKBA is dit negatieve effect amper meegenomen voor de passanten en helemaal niet voor de vaste ligplaatsen, terwijl het overgrote deel van de inkomsten van een jachthaven komt uit de liggelden van de vaste ligplaatshouders. Het niet meenemen van deze negatieve effecten is in onze ogen onterecht. 

Verzilten van het VZM zal een zeer zware wissel trekken op de rentabiliteit en levensvatbaarheid van onze havens. 

Naast dit effect op de havens langs het VZM, hebben wij nog meer opmerkingen over de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten. Om deze brief leesbaar te houden, zijn deze argumenten opgenomen in de bijlage bij deze brief. Die bijlage is dan ook niet enkel ter onderbouwing, maar maakt een volwaardig deel uit van onze zienswijze. 

Een van de drie doelstellingen in de structuurvisie is nieuwe ontwikkelingen voor regionale economie. Voor de havens achter de Manderssluis en het Benedensas is het effect van een zout VZM echter juist tegengesteld. 

Wij vragen u om:

Voorlopig af te zien van verzilting van het VZM, totdat duidelijk is of de overlast van blauwalg terugkeert.
Geheel af te zien van verzilting van het VZM als in een later stadium blijkt dat de kans dat overlast van blauwalg terugkeert nihil is.
Te onderkennen dat verzilting van het VZM forse negatieve effecten met zich meebrengt voor de havens achter de Manderssluis en het Benedensas.
De rijksstructuurvisie en de onderliggende MER en MKBA te heroverwegen en zo nodig aan te passen op de punten zoals in de bijlage bij deze brief genoemd.  

Deze zienswijze wordt zowel digitaal als schriftelijk ingediend. Wij zien uw reactie in de Nota van Antwoord tegemoet. 

Namens onderstaande bedrijven en met vriendelijke groet, 

Willem de Neve

Jachthaven de Schapenput 

Deze zienswijze wordt namens de volgende bedrijven ingediend:

1)      Jachthaven Waterkant

2)      Jachtcentrum Dintelmond

3)      Jachthaven de Vlije

4)      Bunkerstation AM van der Kolk

5)      Stevens Nautical

6)      Jachthaven de Schapenput 

 

Bijlage bij zienswijze op de Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

 

In deze bijlage staan de specifieke punten weergegeven waar wij vinden dat de concept rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (hierna de rijksstructruurvisie) en de onderliggende MKBA en MER tekort schieten. Er is voor gekozen om de bezwaren in te delen naar die drie documenten, waardoor mogelijk enige overlap is ontstaan tussen de diverse kanttekeningen.

Deze kanttekeningen zijn onderdeel van de zienswijze en niet enkel ter ondersteuning. De reden om ze in een bijlage te zetten is om de leesbaarheid van de bijbehorende zienswijzebrief te vergroten. 

Rijksstructuurvisie:
Het maken van een doorvaarbare verbinding tussen VZM en Grevelingen zou volgens de structuurvisie een positieve bijdrage leveren aan de waterrecreatie. Voor de havens langs het Volkerak-Zoommeer is dit echter een nadeel, aangezien het makkelijker wordt om direct door te varen naar de Grevelingen. Die optie wordt dus aantrekkelijker ten opzichte van verblijven in één van de havens langs het VZM, zeker aangezien dit tegelijk gebeurt met het herinvoeren van schutbedrijf van de Manderssluis en het Benedensas, het minder bereikbaar zijn voor diepstekende schepen van de havens van Ooltgensplaat en Oude Tonge en de waarschijnlijke stankoverlast van rottende zeesla (bij de Manderssluis en het Benedensas). Dit effect zou meegenomen moeten worden in de structuurvisie.

In de structuurvisie is bij de geraamde kosten geen post opgenomen voor eventuele schadevergoedingen aan jachthavens achter de sluizen. Aangezien wij inschatten dat de effecten voor de jachthavens langs het VZM juist sterk negatief zijn (zie hieronder), zou een dergelijke post, in ieder geval voor deze jachthavens, wel opgenomen moeten worden.
Op pagina 52 van de structuurvisie wordt gesteld dat bij een zout VZM het water helderder wordt. Dit is echter alleen zo als wordt aangenomen dat de overlast van blauwalg terugkeert. De andere referentiesituatie, waarin de huidige situatie gehandhaafd blijft, wordt niet genoemd. Dit geeft een vertekend beeld, aangezien de helderheid van het water in dat geval hetzelfde blijft en dus geen positief effect oplevert bij verzilting.
Daarnaast is ook geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat het water troebeler wordt. Een vertroebeling zou juist voor een verslechtering van de waterkwaliteit zorgen ten opzichte van de huidige situatie en kan door twee mechanismen worden veroorzaakt. Ten eerste is troebelheid kenmerkend voor brak water, een situatie die zich aan de oostkant van het Krammer-Volkerak voor zal doen, gezien de hoeveelheden zoet water die het meer in worden gebracht. Ten tweede is er de mogelijkheid dat zoutminnende plaagalgen zich ontwikkelen, wat juist in het westelijke deel van het Krammer-Volkerak voor vertroebeling kan zorgen.
Naar onze mening moet deze mogelijke vertroebeling (en dus verslechtering van de waterkwaliteit) worden meegenomen in de scores die (deels) op waterkwaliteit zijn gestoeld. Dit geldt voor de rijksstructuurvisie én de onderliggende documenten.
In de structuurvisie wordt op meerdere plaatsen gesproken over het verdwijnen van blauwalg wanneer het VZM zout wordt. Dit is geen eerlijke voorstelling van zaken. Ten eerste omdat dit niet overeen komt met de huidige werkelijkheid (waarin de overlast van blauwalg nog slechts minimaal is) en ten tweede omdat dit slechts één van de twee gebruikte referentiescenario’s is. Hierdoor wordt in de structuurvisie een verkeerd beeld geschetst van de huidige situatie en van de voordelen die verzilting oplevert. Dit wordt dermate vaak genoemd dat het beeld ontstaat van vooringenomenheid; de rijksstructuurvisie lijkt te zijn toegeschreven naar de beslissing om het VZM te verzilten. Naar onze mening moet de rijkstructuurvisie hierop worden aangepast, zodat een evenwichtigere afweging kan worden gemaakt of al dan niet verzilt moet worden.
In de begroting zijn de operationele kosten van het herintroduceren van schutbedrijf (zowel beheer als onderhoud) bij zowel de Manderssluis als het Benedensas niet meegenomen. Het is reëel te verwachten dat 24 uur per dag schutten een dermate significante kostenpost is dat dit meegenomen moet worden in de begroting van de structuurvisie.
Als rekening wordt gehouden met een schutregime waarbij de sluizen niet 24 uur per dag beschikbaar zijn, wordt juist de schadepost voor de jachthavens achter de sluizen (zie onderstaand voor meer hierover) nog groter.
In de structuurvisie zijn twee referentiealternatieven opgenomen, terwijl in de quick scan waterkwaliteit en ecologie VZM drie mogelijke paden zijn gegeven voor de toekomst van een zoet VZM. Naast een stabiele situatie en een verslechterende situatie, is het ook mogelijk dat de situatie in het VZM verbetert (als waterplanten zich uitbreiden en het effect van de quaggamossel versterken). Door deze derde situatie niet mee te nemen als referentiealternatief, ontstaat onterecht het beeld dat de enige mogelijkheden voor een zoet VZM stilstand en achteruitgang zijn. Om tot een evenwichtige afweging te komen, is het naar onze mening nodig om een derde referentiealternatief door te rekenen voor het VZM.  

MKBA:
Op pagina 35 van de MKBA wordt aangegeven dat het sluizencomplex Benedensas in de zomer circa 2000 schuttingen telt. Ten eerste wordt daarmee geïmpliceerd dat er in de huidige situatie ook wordt geschut, wat niet het geval is. Ten tweede is dit een sterke onderschatting van het aantal passages, blijkens de aantallen passanten in de havens achter die sluis. Het is waarschijnlijk dat de 300 tot 350 passages van de Manderssluis ook een onderschatting zijn van het werkelijke aantal. De MKBA zou hierop aangepast moeten worden, aangezien dit leidt tot een onderschatting van de effecten (die naar onze mening negatief zijn; zie onderstaand).

In de MKBA worden verouderde gegevens gebruikt (voetnoot 34 op pagina 35) over de verwachte groei van de recreatievaart. Ondertussen is duidelijk dat er juist krimp optreedt in deze sector en dat het voor veel jachthavens lastiger wordt om te overleven doordat er een overschot bestaat aan ligplaatsen in Nederland (zie rapportage ‘Jachthavens aan de vooravond van roerige tijden’ van de Rabobank). De negatieve effecten van verzilting van het VZM (uiteengezet in onderstaande punten) zullen daardoor extra zwaar aankomen bij de havens rond het VZM. Hiermee zou rekening moeten worden gehouden in de MKBA.
Op pagina 66 van de MKBA wordt gesteld dat er op dit moment niet wordt geïnvesteerd in nieuwe overnachtingsplaatsen in de verblijfsrecreatie rond het VZM door de slechte kwaliteit van het water. Dit is incorrect, in ieder geval voor de gemeente Steenbergen maar wellicht ook op andere plaatsen rond het VZM. Over het algemeen zijn ruimtelijke ordening en natuurwetgeving de beperkende factor waardoor het onzeker is of een plan doorgaat en niet de waterkwaliteit. Een (mogelijke) verbetering van de waterkwaliteit zal daardoor geen invloed hebben op het al dan niet investeren in verblijfsrecreatie. In de MKBA wordt dus onterecht een positief effect op verblijfsrecreatie toegekend aan de optie om te verzilten.
In paragraaf 6.7.2 van de MKBA is, vanaf onderaan bladzijde 66, het effect op jachthavens meegewogen, maar in onze ogen is daarbij een groot deel van de negatieve effecten buiten beschouwing gelaten. In het onderstaande staat uiteengezet om welke negatieve effecten dit gaat:
In het stuk over recreatievaart is geen rekening gehouden met de effecten van verzilting van het VZM op de vaste ligplaatsen bij de havens rond het VZM. Dit is een onterechte omissie, aangezien het overgrote deel van de omzet van de havens in het gebied komt uit het verhuren van deze vaste ligplaatsen. Het effect van verzilting op de vaste ligplaatsen zal daardoor een veel sterkere economische weerslag hebben op de havens dan het effect op passanten.
Door het sluiten van de sluizen en de mogelijkheid dat er, juist rond de sluizen, stankoverlast ontstaat door rottende zeesla, is een negatief effect te verwachten op de vaste ligplaatsen. Dit kan de vorm aannemen van een verminderde bezettingsgraad, een lager tarief per ligplaats of een combinatie van die twee. Hoe dan ook zal het economische effect op de havens significant zijn, omdat de kosten voor het runnen / onderhouden van een haven niet dalen met een lagere prijs per ligplaats of een lagere bezetting.
Deze effecten moeten zeker beschouwd worden in de MKBA. Het is te verwachten dat het netto effect van verzilting op de havens achter de twee sluizen sterk negatief uitpakt. De conclusie over recreatievaart zal daarmee ook een stuk negatiever uitpakken dan nu weergegeven.
Er wordt zonder onderbouwing aangenomen dat het aantal jaarlijkse overnachtingen per ligplaats in havens rond het VZM door een verbeterde waterkwaliteit omhoog gaat naar het gemiddelde voor de hele delta (met de getallen die in de MKBA worden aangenomen betekent dit meer dan een verdubbeling). Er zijn echter dermate veel factoren die het aantal passanten beïnvloeden, dat het erg onwaarschijnlijk is dat alleen een verbetering in waterkwaliteit een dergelijk effect zal hebben. Daarnaast is in de huidige situatie de waterkwaliteit dermate goed dat niet verwacht mag worden dat de verbetering zo sterk is dat dit een positief effect op het aantal passanten zal hebben. In de MKBA zou het effect van een (mogelijke) verbetering van de waterkwaliteit dus op nul gesteld moeten worden.
Er wordt gemeld dat de passageduur voor de recreatievaart bij de sluizen in ‘de Brabantse rivieren’ langer wordt door de noodzaak om continu te schutten. Dat impliceert dat er nu ook al geschut moet worden, wat niet het geval is. Het schutten is dus een nieuwe factor bij een verzilting van het VZM. Dit onderscheid is belangrijk, omdat het psychologische verschil voor klanten van jachthavens tussen wel of niet schutten veel groter is dan het verschil tussen korter of langer schutten. Met dat  effect zou in de MKBA rekening gehouden moeten worden.
De bovenstaande extra passageduur wordt in de MKBA weggestreept tegen de gemiddeld 5 minuten korter wordende passageduur in de Krammersluizen. Het is echter te verwachten dat die kortere schuttijd bij de Krammersluizen er eerder voor zorgt dat meer recreanten er voor kiezen om door te varen richting Zeeland in plaats van langs het VZM te overnachten. Dus er is voor de havens langs het VZM sprake van twee cumulatieve negatieve effecten in plaats van een positief en een negatief effect die tegen elkaar weggestreept kunnen worden.
Er wordt in de MKBA aangenomen dat de tijden voor schutten en dergelijke nauwelijks van invloed zijn op de keuze van een watersporter voor een bepaald gebied. Daarbij wordt een onderzoek van de heer Vrolijks uit 1999 aangehaald. De heer Vrolijks heeft echter veel recenter aangegeven dat de havens achter de Manderssluis en het Benedensas juist tot bloei zijn gekomen nadat die sluizen open zijn gegaan.
De praktijkervaring leert dat veel waterrecreanten opzien tegen sluispassages of er zelfs angst voor hebben, zeker bij wat grotere drukte of als er mensen op de wal staan te kijken. Vooral het invaren en afmeren in de sluis brengt stress met zich mee. De duur van het schutten is daarbij minder van belang; het maakt niet zo veel uit of dat 10 of 15 minuten duurt.
Het verwaarlozen van de schuttijden, zoals in de MKBA wordt gedaan, is dus onterecht (in ieder geval zonder daar nieuw / nader onderzoek naar te doen).
In de MER wordt gesteld dat er stankoverlast te verwachten is van rottende zeesla, specifiek bij de drie sluizen waar zoet en zout water aan elkaar grenzen. Twee van die sluizen zijn de Manderssluis en het Benedensas. Stankoverlast bij deze sluizen vormt een extra barrière voor watersporters, zeker in combinatie met de wachttijd voor het schutten. Dit is een extra negatief effect voor de havens achter de sluizen en moet worden meegenomen.
Bij het bepalen van de kosten en baten voor recreatievaart zou meegewogen moeten worden dat de hier beschreven negatieve effecten er in de huidige lastige marktomstandigheden (zie rapportage ‘Jachthavens aan de vooravond van roerige tijden’ van de Rabobank) voor kunnen zorgen dat een jachthaven niet langer levensvatbaar is en failliet gaat. Als uit analyse blijkt dat een dergelijk effect verwacht mag worden, vallen de kosten voor de recreatievaart veel hoger uit. Dit geldt voor de MKBA en in het bijzonder voor de REES.
Een ander negatief effect op de jachthavens rond het VZM is dat het effect van verzilting op sportvissen negatief is (zie pagina 141 van de MER). Aangezien een deel van de klanten van de jachthavens sportvissers zijn, worden de havens rond het VZM minder aantrekkelijk voor die doelgroep bij verzilting. Dit effect moet ook meegewogen worden in de bepaling van de kosten voor de recreatieve sector rond het VZM.
Het maken van een doorvaarbare verbinding tussen VZM en Grevelingen zou een positieve bijdragen leveren aan de waterrecreatie. Voor de havens langs het Volkerak-Zoommeer is dit echter een nadeel, aangezien het voor watersporters makkelijker wordt om direct door te varen naar de Grevelingen. Die optie wordt dus aantrekkelijker ten opzichte van verblijven in één van de havens langs het VZM, zeker in combinatie met het sluiten van de Manderssluis en het Benedensas, het minder bereikbaar zijn voor diepstekende schepen van de havens van Ooltgensplaat en Oude Tonge en de waarschijnlijke stankoverlast van rottende zeesla (bij de Manderssluis en het Benedensas). Deze optie zou het negatieve effect op de havens dus versterken.
Ook de voorziene kweek van schelpdieren op een zout VZM heeft een negatief effect op de recreatievaart dat niet is meegenomen in de MKBA. Ten eerste betekent de aanwezigheid van de (blauwe) tonnen voor de mosselkweek een verslechtering van de belevingswaarde van het VZM.
Ten tweede zal de mosselkweek de vaarruimte beperken, wat een direct negatief effect heeft op de geschiktheid van het VZM voor de recreatievaart. Daarnaast is hiervan een indirect effect te verwachten, doordat de recreatievaart gemiddeld dichter bij de beroepsvaart zal komen. Dit zorgt voor een verslechterde situatie voor de (vaar)veiligheid op het VZM.
Deze effecten van schelpdierkweek in het VZM zullen langs deze weg een negatieve impact hebben op de havens rond het VZM en zouden meegenomen moeten worden in de effectberekening in de MKBA.
De hierboven genoemde negatieve effecten zouden ook verwerkt moeten worden in de indirecte effecten voor de recreatie (pagina 101 van de MKBA).
Op pagina 82 van de MKBA wordt gesteld dat een zout VZM voordeel oplevert voor de landbouw door de zoetwatermaatregelen die dan genomen moeten worden. Daarom worden landbouwbaten toegerekend aan verzilting van het VZM. In de rijksstructuurvisie is echter opgenomen dat de ingrepen om het zoetwatersysteem robuuster te maken ook voordeel hebben bij een zoet VZM (deze maatregelen zijn aangeduid als ‘altijd goed’). De baten van deze alternatieve zoetwatervoorziening zouden dus niet alleen bij verzilting meegenomen moeten worden in de berekening van de NCW, maar ook bij de referentiealternatieven.
Op pagina 101 en verder van de MKBA wordt gekeken naar de tijdelijke extra effecten op de regionale economie door het uitvoeren van de maatregelen. Er is echter niet gekeken naar tijdelijke extra negatieve effecten. Een effect dat in ieder geval meegenomen zou moeten worden is dat in een overgangsperiode van zoet naar zout de aantrekkelijkheid van het VZM achteruit zal gaan. In ieder geval zal dan een groot deel van de zoetwaterorganismen dood gaan, wat rotting en stank met zich mee kan brengen. Het is daarnaast voorstelbaar dat de aanpassing die de natuur in en om het VZM dan ondergaat ook andere negatieve effecten met zich meebrengt.
Op pagina 104 van de MKBA wordt gemeld dat de natuur in het VZM op dit moment achteruit gaat. De reden hiervoor is echter dat voor het gebied ook natuurwaarden zijn gedefinieerd die samenhangen met zout water. Specifiek gaat dit om de habitattypen ‘Zilte pionierbegroeiingen (zeemuur én zeekraal)’ (H1310_A en _B) en voor ‘Schorren zilte graslanden (buitendijks)’ (H1330_A), zie hiervoor ook pagina 86 van de MER. Het is echter duidelijk dat bij een zoet VZM die natuurwaarden niet in stand kunnen blijven. Het vasthouden aan de natuurwaarden voor het VZM die samenhangen met zout water is redeneren naar de uitkomst toe. Als het VZM zoet blijft, is het reëel om te verwachten dat deze natuurwaarden worden aangepast. Daarom mag ons inziens het stoppen van de achteruitgang van die natuurwaarden niet meegewogen worden bij de baten van verzilten van het VZM. Dit resulteert in een minder positief natuureffect van verzilting.
Op pagina’s 105 en 106 van de MKBA wordt aangegeven dat er voor de omwonenden van het VZM een verhoogde recreatieve gebruikswaarde van zwemmen optreedt bij verzilting. Dit zou een gevolg zijn van de verbetering van de waterkwaliteit bij het referentiescenario waarin de blauwalg terugkeert. Hierin is echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat in een zilt VZM juist overlast ontstaat van bijvoorbeeld zeesla, wat een negatief effect op de recreatieve gebruikswaarde van zwemmen betekent. Dit zou hierin meegewogen moeten worden.
Dit effect is nog sterker op de plaatsen waar brak water ontstaat, dus vooral bij de drie sluizen waarlangs zoet water het VZM in stroomt, omdat brak water gekenmerkt wordt door troebelheid. Recreanten ervaren brak water over het algemeen als onprettig om in te zwemmen.
In de REES (vanaf pagina 128 van de MKBA ) worden dezelfde aannames gebruikt als in de MKBA, dus de bovenstaande aanmerkingen op de MKBA gelden ook voor de REES.
In de REES zijn alleen baten opgenomen en geen kosten. Normaliter zou dit een correcte weergave zijn van zaken (aangezien het een effectenstudie betreft en geen kosten-baten afweging), maar in dit specifieke geval wordt de regio gevraagd (fors) mee te betalen aan de aanpassingen.
De redenering die nu gevolgd wordt in de rijksstructuurvisie is dat er baten zijn voor de regio en dat de regio daarom mee kan (moet) betalen aan het nemen van de maatregelen. Dat betekent dat er een duidelijke samenhang is tussen de regionale kosten en baten van de in de rijksstructuurvisie opgenomen veranderingen.
Het niet meewegen van het geld dat de regio bij moet dragen maakt dat de REES een verkeerd beeld geeft van de impact op de regio. De REES daarom geen goed instrument om deze impact duidelijk te maken en zou vervangen moeten worden door een regionale versie van de MKBA.
In de conclusies van de MKBA wordt in paragraaf 9.2 (pagina 136 en verder) gekeken naar de optimale volgorde van de te maken keuzes. De uitkomst hiervan is dat de beslissingen tegelijk genomen moeten worden. Er is in deze redenering echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid om te wachten met het verzilten van het VZM om te zien of de overlast van blauwalg al dan niet terugkeert. Uit de quick scan waterkwaliteit en ecologie blijkt namelijk dat de mogelijkheid bestaat dat de waterkwaliteit in het VZM autonoom verder verbetert.
Als het VZM zoet blijft en er blijkt dat de blauwalg niet terugkeert, worden forse kosten vermeden. Daar tegenover staan de eventuele extra kosten van het later verzilten van het VZM, maar die kosten zijn, voor zover uit de stukken blijkt, alleen hoger in de optie waarbij getij via de Grevelingen naar het VZM wordt gebracht.
Aangezien volgens de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten het verzilten van het VZM via de Oosterschelde een valide optie is, bestaan dus wel degelijk een mogelijkheid én een goede reden om te wachten met de beslissing om het VZM al dan niet zout te maken en te bezien of de waterkwaliteit autonoom op orde blijft en wellicht verbetert. Deze optie moet nader onderzocht worden om een goede afweging op basis van de rijksstructuurvisie te kunnen maken.
In paragraaf 9.6 (vanaf pagina  144 in de MKBA ) worden de risico’s behandeld van het uitvoeren van de maatregelen in de rijksstructuurvisie. Deze risico’s worden echter niet meegewogen in de MKBA, terwijl het voornaamste risico van het niet nemen van de maatregelen, de terugkeer van blauwalg in het VZM, wel zwaar mee wordt gewogen. Daardoor ontstaat in de MKBA een scheef beeld van de voor- en nadelen van de maatregelen in de rijksstructuurvisie (vooral wat het verzilten van het VZM aangaat). Voor een evenwichtig beeld is het noodzakelijk om ook de risico’s die in paragraaf 9.6 genoemd zijn mee te wegen. Naar onze mening schiet de MKBA daardoor tekort in haar huidige vorm en zou aangepast moeten worden.
Een andere mogelijkheid om de MKBA evenwichtiger te maken waar het om risico’s gaat, is door ook de risico’s die samenhangen met het niet nemen van de maatregelen (wederom: vooral de mogelijke terugkeer van blauwalg) niet mee te wegen in de MKBA. Het referentiescenario waarin de blauwalg terugkeert zou dan komen te vervallen. Deze mogelijkheid zou overwogen moeten worden.
In paragraaf 9.6.1 van de MKBA is het risico niet opgenomen dat velden met zeesla kunnen ontstaan, met stankoverlast tot gevolg, terwijl dit risico wel blijkt uit de MER. Dit moet ook meegewogen worden in de berekeningen in de MKBA.
Op pagina 88 van de MER is aangegeven dat veel soorten broedvogels zonder intensief beheer in de autonome situatie geen broedplaatsen meer zullen kunnen vinden in het Krammer-Volkerak. Dergelijk intensief beheer zou meegenomen moeten worden in de REES, aangezien hiervan een positief economisch effect voor de regio van te verwachten is.
Op pagina 132 van de MER wordt aangegeven dat er bij een zout VZM een negatief effect te verwachten is op de leveringszekerheid voor zoet water in (onder andere) het Mark-Dintel-Vliet stelsel. Dit is een gevolg van het te verwachten hogere zoutgehalte van het Hollandsch Diep, vooral in perioden van lage rivierafvoer. Dit heeft een negatief effect op de landbouw, vooral omdat verwacht mag worden dat een periode van lage rivierafvoer vaak samenvalt met een hogere waterbehoefte van de landbouw (beiden kunnen het gevolg zijn van een droge periode). Dit negatieve effect is onterecht niet meegenomen in de MKBA bij de effecten op de landbouw rond het VZM. Zeker in combinatie met het eerder genoemde argument dat de zoetwatermaatregelen die sowieso een positief effect hebben (de ‘altijd goed’ maatregelen) niet als positief effect van verzilting meegewogen mogen worden, is het goed mogelijk dat het totale effect op de landbouw negatief uitpakt. Wij zijn van mening dat de MKBA op dit punt moet worden aangepast.
Tijdens een informatie-avond in Steenbergen (op 24-11-2014, georganiseerd door de plaatselijke VVD-fractie) gaf de heer Boeters (Rijkswaterstaat) in zijn presentatie “Volkerak-Zoommeer, zoetwaterbekken onder druk” aan dat sinds 2008 in het VZM onder meer het volgende speelt: “oplopende zoutgehalten (o.a. door achterstallig onderhoud aan zoetzout scheidingssysteem Krammersluizen)”. Op pagina’s 14 en 15 van de MKBA staat aangegeven dat in beide referentiescenario’s de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen groot onderhoud ondergaat. Vervolgens is op pagina 45 van de MKBA te lezen dat in de kosten voor het referentiealternatief 25,5 miljoen Euro is begroot voor groot onderhoud.
Echter, het feit dat er achterstallig onderhoud is aan de zoet-zout scheiding van de Krammersluizen betekent dat (noodzakelijk) onderhoud niet is uitgevoerd. Dit brengt logischerwijs een kostenbesparing met zich mee. Het is te verwachten dat als de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen naar behoren onderhouden was, de kosten voor groot onderhoud een stuk lager zouden liggen in het referentiealternatief of dat groot onderhoud wellicht helemaal niet nodig zou zijn geweest.
Dit betekent dat de op pagina 45 genoemde onderhoudskosten (fors) te hoog geschat zijn en dat dit bedrag naar beneden aangepast moet worden om een juiste invulling van de MKBA te krijgen.
Verder is noch in de rijksstructuurvisie noch in de MKBA of de MER benoemd dat het groot onderhoud dat nodig is aan de Krammersluizen (op zijn minst deels) voortkomt uit achterstallig onderhoud. Daardoor wordt in de hele rijksstructuurvisie een verkeerd beeld van de situatie geschetst. Het hoge chloridegehalte en het verhelpen daarvan door het doorspoelen met zoet water zijn geen intrinsieke eigenschappen van een zoet VZM, maar een artefact dat is gecreëerd doordat er voor gekozen is om de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen niet te onderhouden.  Hiermee is het beeld dat in de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten wordt geschetst van de zoete referentiesituaties te negatief. Het achterstallig onderhoud zou meegewogen moeten worden en de rijksstructuurvisie zou hierop moeten worden aangepast, inclusief de onderliggende documenten. 

Uit de MER:
In de MER wordt telkens wanneer het verdwijnen van de blauwalgproblematiek aan bod komt meteen het voorbehoud gemaakt dat die problematiek in de toekomst terug kan keren. Een dergelijk voorbehoud wordt echter niet gemaakt wanneer aangegeven wordt dat de waterkwaliteit verbetert door verzilting van het VZM, terwijl wel degelijk het risico bestaat op achteruitgang van de waterkwaliteit door potentieel hoge algenconcentraties, rottende zeesla bij de sluizen en troebelheid waar het water brak wordt. Voor een evenwichtig beeld zou dat risico even sterk benoemd moeten worden als het risico dat de blauwalg terugkeert.

Eén van de randvoorwaarden voor het nemen van de maatregelen uit de rijksstructuurvisie (zie pagina 40 van de MER) is dat er geen waterkwaliteitsproblemen veroorzaakt mogen worden. Doordat het risico bestaat dat zoute plaagalgen ontstaan in een verzilt VZM wordt niet aan die randvoorwaarde voldaan. Het niet voldoen aan die randvoorwaarde wordt verder niet benoemd noch meegewogen in de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten. Dit is in onze ogen onterecht, aangezien het niet voldoen aan een randvoorwaarde betekent dat de maatregel niet uitgevoerd mag worden.
In de MER wordt aangegeven dat een getijslag van 30 centimeter op het VZM het minimum is om de kans op zoute plaagalgen zo klein mogelijk te houden. Er mag echter verwacht worden dat in dit getal een onzekerheid schuilt, wat betekent dat het mogelijk is dat 30 centimeter getijslag onvoldoende is om zoute plaagalgen tegen te gaan. Aan de andere kant is 30 centimeter getijslag ook meeteen het maximum, omdat meer niet haalbaar is vanwege onder meer schade aan de natuur en effecten op de scheepvaart (zie paragraaf 3.3.2 op pagina 42 van de MER). De positieve effecten op waterkwaliteit van het toelaten van getij in het VZM rusten dus op een precaire balans. Als blijkt dat die balans anders uitvalt en 30 centimeter getijslag onvoldoende blijkt te zijn voor het tegengaan van zoute plaagalgen bestaat niet de mogelijkheid om dit met een grotere getijslag op te lossen. Aan het risico dat de 30 centimeter getijslag onvoldoende blijkt te zijn vanuit het oogpunt van waterkwaliteit wordt in de rijksstructuurvisie te weinig aandacht besteed.
Op bladzijde 98 van de MER zijn de bestuurlijke afwegingen weergeven bij beslissingen over de waterhuishouding. Deze zijn samengevat als veilig – veerkrachtig – vitaal. Om deze ambities waar te maken, moet een wijziging van de waterhuishouding een aantal kwaliteiten hebben. Met andere woorden: de waterhuishouding kan alleen worden gewijzigd als aan al deze kwaliteiten / eisen wordt voldaan. De plannen om het VZM te verzilten schieten op een aantal punten tekort.
Ten eerste is het onzeker dat de waterkwaliteit verbetert. Het is mogelijk dat na verzilting overlast volgt van zoute algen (voor sommige specifieke plekken wordt het zelfs waarschijnlijk geacht dat er overlast volgt; met name zeesla bij de drie sluizen op de grenzen van zoet en zout) en daarnaast is te verwachten dat de delen van het VZM die na verzilting brak worden ook vertroebeling zullen vertonen. Dit betekent een verslechtering van de waterkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie, wat betekent dat de waterhuishouding niet gewijzigd zou mogen worden, tenzij bestuurlijk besloten wordt om (deels) dan de geformuleerde ambitie af te stappen.
Ten tweede is de bijdrage aan de aantrekkelijkheid van de delta voor recreëren twijfelachtig wanneer het VZM wordt verzilt. Daarbij verwijzen we naar de eerder gegeven argumenten over het sterke negatieve effect van verzilting op de jachthavens langs het Krammer-Volkerak en naar de hierboven genoemde mogelijke afname van de waterkwaliteit. Ook op deze grond zou de waterhuishouding van het VZM dus niet gewijzigd mogen worden, tenzij bestuurlijk besloten wordt om (deels) dan de geformuleerde ambitie af te stappen.
In de lijst met kwaliteiten op bladzijde 98 van de MER wordt over waterkwaliteit en natuur gesteld dat het resultaat (van een wijziging in de waterhuishouding) moet kunnen voldoen aan de huidige of aan beter passende doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000. Hiermee wordt aangegeven dat er bestuurlijke ruimte is om die doelen te veranderen als blijkt dat ze niet goed passen.
De eerder genoemde doelen voor het VZM voor zoute habitats, ‘Zilte pionierbegroeiingen (zeemuur én zeekraal)’ (H1310_A en _B) en voor ‘Schorren zilte graslanden (buitendijks)’ (H1330_A), zijn duidelijk niet passend voor de huidige situatie van een zoet VZM. Gezien de bestuurlijke ruimte om meer passende doelen vast te stellen, mag verwacht worden dat bij een beslissing om het VZM zoet te houden de doelen voor zoute habitats verlaten kunnen en zullen worden. Dit is een extra argument om bij de bepaling van het effect van de beide zoete referentiesituaties op de ontwikkeling van de natuurwaarden van het VZM de effecten op deze doelen voor zoute habitats niet mee te nemen. In dat geval vermindert de negatieve impact op natuur voor de referentie, waardoor het in de rijksstructuurvisie gevonden positieve effect op natuur voor alle alternatieven met een zout VZM kleiner wordt. Dit heeft mogelijk impact op de optelsommen van effecten, zoals onder andere weergegeven in tabel 8.1 uit de rijksstructuurvisie.
In tabellen 12 en 13 van de MER (pagina’s 108 en 109) staat het zoutgehalte (van het VZM) als apart kwaliteitscriterium genoemd. Hier wordt in de tekst echter niets over gezegd. Dit impliceert dat een van de uitgangspunten bij het opstellen van de MER is dat een zout VZM sowieso beter is dan een zoet VZM, ook los beschouwd van andere effecten. Een dergelijk uitgangspunt impliceert vooringenomenheid bij het opstellen van de MER. Het zoutgehalte van het VZM zou niet als criterium mogen gelden bij het beslissen om het VZM al dan niet te verzilten. En als het wel wordt opgenomen, moet hier op zijn minst een zeer goede onderbouwing voor worden gegeven.
Op pagina 141 van de MER is aangegeven dat in de situatie waarin de blauwalg wegblijft grote hoeveelheden waterplanten worden verwacht die hinder kunnen opleveren. Dit wordt genoemd als negatief effect in de autonome situatie waarin de blauwalg niet terugkeert. Wat daarbij niet onderzocht is (of ander niet weergegeven staat in de MER en de quick scan waterkwaliteit en ecologie Volkerak-Zoommeer), is of het goed op diepte houden van de vaargeulen (wat sowieso moet gebeuren) deze overlast voor de recreatievaart weg kan nemen, waardoor ook het negatieve effect in de genoemde referentiesituatie wegvalt. Dit zou nader onderzocht moeten worden.
Een aspect van deze grote hoeveelheden waterplanten is ook dat dit een verdere verbetering betekent van de waterkwaliteit, aangezien deze waterplanten het effect van de quaggamossel versterken (de derde mogelijkheid voor de toekomst die is genoemd in de quick scan waterkwaliteit en ecologie Volkerak-Zoommeer). Aangezien in de MER rekening wordt gehouden met de negatieve effecten van deze waterplanten, zouden ook de extra positieve effecten die ze hebben meegewogen moeten worden.
Op bladzijde 141 van de MER is ook aangegeven dat er kans is op het ontstaan van overlast door zeesla of andere mariene algen, met name bij de sluizen naar zoet water; Volkeraksluizen, Dintelsas en Benedensas (paragraaf 6.8.1). Toch is deze verandering (als gevolg van verzilting van het VZM) als positief voor de recreatie beoordeeld, ondanks het feit dat deze overlast specifiek voorkomt op twee zeer belangrijke plaatsen voor de recreatievaart; de beide toegangssluizen tot het Mark-Dintel-Vliet stelsel. Zie hiervoor ook onze opmerkingen bij het bepalen van de effecten op recreatievaart in de MKBA.
Verder is in de MER niets opgenomen over de kans dat zeesla een veel wijder verspreid probleem wordt bij een zilt VZM, terwijl de voorziene getijslag van 30 centimeter het theoretische minimum is om een dergelijke situatie te voorkomen. Dit zou nader onderzocht moeten worden.
Het is ook niet duidelijk waarom bij het oordelen over deze verandering alleen wordt gekeken naar de referentiesituatie waarin de blauwalg terugkeert. Juist in vergelijking met de andere referentiesituatie, waarin de blauwalg niet terugkeert, mag verwacht worden dat het effect van verzilting op waterkwaliteit (en dus ook recreatie) negatief is als wordt gekeken naar de potentiële overlast van zeesla. Op dit punt van de MER zouden beide referentiesituaties bezien moeten worden.
Op pagina 148 van de MER is aangegeven dat zout en getij de belevingswaarde van het VZM verhogen. Hierin is echter niet meegewogen dat de hierboven genoemde stankoverlast van rottende zeesla een negatief effect heeft op de beleving. Daarnaast zal er een negatief effect zijn van de schelpdierkweek, omdat op het VZM dan vele (blauwe) tonnetjes komen te drijven en een substantieel deel van de oostkant van het Krammer-Volkerak dan niet langer toegankelijk is. Dit effect is nog sterker wanneer de schelpdierkweek op grote schaal plaats zal vinden, zoals voorzien in de rijksstructuurvisie. Deze punten zouden alsnog meegenomen moeten worden in het bepalen van het effect van verzilten op de belevingswaarde van het VZM.
Op pagina 151 van de MER wordt in paragraaf 6.12.1 gesteld dat er kans blijft op het ontstaan van overlast door zeesla of andere mariene algen (met name bij de sluizen). Vervolgens wordt aangegeven dat dit een positief effect is ten opzichte van de referentiesituatie waarin de blauwalg terugkeert. Maar er wordt (wederom) niet gekeken naar het effect ten opzichte van de situatie waarin blauwalg niet terugkeert, wat overeen komt met de actuele situatie. Terwijl verwacht mag worden dat het effect ten opzichte van die tweede referentiesituatie neutraal is, of zelfs negatief in verband met de voorziene zeesla. Het effect van verzilten op wonen is daarom te positief ingeschat (zie ter vergelijking ook de opmerkingen hierover bij recreatie).
Vervolgens wordt in tabel 39 op pagina 152 van de MER het effect van zout en getij in het VZM als positief weergegeven, ook voor de referentiesituatie waarin de blauwalg wegblijft. Deze inschatting wordt niet onderbouwd, wat impliceert dat daarin geen rekening is gehouden met de overlast van zeesla. Logischerwijs zou het effect als neutraal of negatief beoordeeld moeten worden, tenzij goed wordt onderbouwd waarom dit als een positieve verandering is aangemerkt.
In tabel 41 op pagina 157 van de MER is bij elk alternatief waar het VZM wordt verzilt in de kolom ‘natuur VZM en omgeving’ weergegeven dat de effecten overwegend positief zijn. Er zijn echter, zoals in het voorgaande is vermeld, kanttekeningen te zetten bij de beoordeling van deze effecten (vooral het feit dat de achteruitgang van zoute habitattypen bij een zoet VZM als negatief effect wordt beoordeeld, zie hierboven voor een nadere uitwerking daarvan). Een herwaardering van deze effecten waarin deze kanttekeningen worden meegenomen zou op zijn plaats zijn.
In tabel 43 op pagina 160 van de MER is bij elk alternatief waar het VZM wordt verzilt in de kolom ‘recreatie VZM en omgeving’ weergegeven dat de effecten zowel positief als negatief zijn. Echter, gezien de kanttekeningen die in het bovenstaande zijn gezet (die wijzen op meer negatieve effecten op recreatie in en om het VZM) is een herwaardering van deze kolom op zijn plaats. Er mag verwacht worden dat de beoordeling bij een zout VZM verandert naar ‘overwegend negatief’ of zelfs ‘uitsluitend negatief’.
In diezelfde tabel 43 word de optie ‘doorvaarbare opening’ als uitsluitend positief voor de recreatie in het VZM beoordeeld. Zoals in het bovenstaande vermeld, mag verwacht worden dat het effect voor de jachthavens langs het VZM juist negatief is. Dit oordeel verdient daarom heroverweging.
Het is verder mogelijk dat de overige eindoordelen in hoofdstuk 7 van de MER, in de genoemde tabellen, de bijbehorende teksten en de conclusies in paragraaf 7.4, beïnvloed worden door de kanttekeningen en opmerkingen hierboven. In dat geval is ook daar een heroverweging op zijn plaats.
In paragraaf 7.5 van de MER (pagina 162 en verder) is aangegeven wat gedaan kan worden om mogelijke negatieve effecten te voorkomen. Naar onze mening zou in deze paragraaf ook voor de in deze zienswijze genoemde negatieve effecten op recreatie gekeken moeten worden hoe deze te voorkomen zijn. 

Mogelijke oplossingsrichtingen:

Als het VZM niet wordt verzilt spelen ook de volgende twee problemen nog:

1)      Het meer is nog steeds eutroof, ook al wordt de blauwalg weggegeten door de quaggamossel.

2)      Het is mogelijk dat alleen het bijwerken van het achterstallig onderhoud aan de zoet-zout scheiding van de Krammersluizen onvoldoende is om de zoutindringing in het VZM tegen te gaan.

Wij denken dat er voor beide problemen technische oplossingen mogelijk zijn. 

ad 1):

Het nutriëntenrijke water van het VZM kan gebruikt worden als voedingsbodem voor het kweken van riet of algen. Door het oogsten hiervan worden voedingsstoffen weggenomen uit het VZM. Daarnaast is een dergelijke oogst in te zetten als grondstof in de biobased economy, bijvoorbeeld om te verstoken in een energiecentrale (laagwaardige toepassing) of als grondstof voor de chemische industrie (hoogwaardige toepassing). Vooral met de kweek van algen is de laatste jaren veel ervaring opgedaan en er lopen meerdere pilot-projecten, bijvoorbeeld in de slufter op de eerste Maasvlakte.

Een extra synergie met algenkweek wordt bereikt doordat in Bergen op Zoom de Green Chemistry Campus gevestigd is, een business accelerator voor biobased innovaties op het snijvlak van agro en chemie. Het mes snijdt dus aan drie kanten: verwijdering van voedingsstoffen uit het VZM, zetten van een stap op weg naar het gebruik van hernieuwbare grondstoffen en een bijdrage aan de regionale (innovatieve) economie.

Wij willen u vragen om deze optie nader te onderzoeken. Een keuze om het VZM niet te verzilten kan hierdoor aantrekkelijker worden. 

ad 2):

Wij werken aan een ontwerp voor een simpel doch doeltreffend systeem om het zoute water dat in het VZM terecht komt terug te loodsen naar de Oosterschelde. Wij kunnen u dit ontwerp nog niet aanbieden omdat het eerst nog nader doorgerekend moet worden, maar wij zullen dit naar u toesturen binnen een door u te stellen redelijke termijn.

Wij willen u vragen dit ontwerp te beoordelen en mee te wegen in de beslissing omtrent de verzilting van het VZM. Als deze relatief goedkope optie om de zoutindringing naar het VZM binnen de perken te houden gerealiseerd wordt, maakt dat het zoet houden van het VZM aantrekkelijker.