ZIENSWIJZE OP DE ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE GREVELINGEN EN VOLKERAK-ZOOMMEER EN BIJBEHORENDE STUKKEN, KENMERK LK/0062

 


Bergen op Zoom, 26 november  2014

 

Directie Participatie

Ontwerp Rijksstructuurvisie                                                                                               
Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Postbus 30316

2500 GH Den Haag

 

via http://www.platformparticipatie.nl/projecten/alle-projecten/projectenlijst/grevelingen-volkerak-zoommeer/ontwerprijksstructuurvisie/index.aspx 

Reeds digitaal ingediend op 26 november 2014  

 

Betreft:          Zienswijze op de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en bijbehorende stukken, kenmerk LK/0062 

L.S., 

Algemeen
Voor het verbinden van een zout ecologisch probleemgebied (de Grevelingen) met een nu vrijwel gezond zoet milieu (het Volkerak-Zoommeer), ontbreekt iedere logica. Het zal een massale sterfte geven van flora en fauna en langdurig ernstige overlast. De kans is groot dat een doorlaat in de Brouwersdam een beperkt getij zal geven zonder te komen tot een stabiel getijdenmilieu. De kans is ook groot dat het totale systeem een voedingsbodem gaat vormen voor zoute blauwalgen en zeesla en problemen gaat geven zoals die nu optreden in de Oostzee.  

Het ontwikkelperspectief, zoals door de zeven gemeenten rond het gebied verwoord in Verbonden Toekomst, is gebouwd op drijfzand. Het heeft de schijn dat het alleen is opgeschreven om de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie te verleiden tot uitwerking van de verziltingsoptie voor het Volkerak-Zoommeer. In Bergen op Zoom, en mogelijk ook in de andere betrokken gemeenten is Verbonden Toekomst niet in de gemeenteraad besproken, laat staan als visie document vastgesteld.

Een voorbeeld van de misleiding van de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie is de wijze waarop het college van Burgemeester en Wethouders van Bergen op Zoom naar de gemeenteraad reageert over elementen uit de visiekaart Verbonden Toekomst (pagina 28 van de Ontwerp-rijksstructuurvisie en pagina 31 van Verbonden Toekomst).

Bij brief van 19 november 2014 kenmerk U14-045100 laat het college van B&W der gemeente Bergen op Zoom weten: “het College van Bergen op Zoom heeft evenwel geen fiducie in de voorgestelde (vakantie)woningbouw.”  Hoe de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie kunnen denken dat er ruim 105 miljoen euro uit gebiedsontwikkeling zou moeten kunnen komen is de fractie Ons Water dan ook een raadsel en maakt het moeilijk de Ontwerp-rijksstructuurvisie uitvoerbaar te achten. 

Onderbouwing
Ons Water heeft geconstateerd dat de MKBA feitelijk een optelsom is van wat per onderdeel er aan baten en soms lasten zijn. De baten lijken gemaximaliseerd weergegeven te zijn, terwijl de eventuele lasten aanzienlijk minder uitgebreid zijn geïnventariseerd. Wat ontbreekt zijn de interacties van beoogde ontwikkelingen op elkaar.

Waar is de interactie van de komst van de schelpdierkweek op het toerisme?

Als voorbeeld: op pagina op 113 van het Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie (oktober 2014) is te vinden dat het Volkerak-Zoommeer totaal 10.527 hectare groot is waarvan 7.387 hectare water. 3.236 hectare is dus geschikt voor de schelpdierkweek (pagina 80, MKBA). Als we dan ook de vaargeul beschouwen, blijft er bitter weinig aantrekkelijks over voor de andere beoogde functies van het verzilte Volkerak-Zoommeer. Het beeld van vele drijvende markeringstonnen en vele hectares water die voor de recreatievaart gesloten zullen worden, verkleinen de toekomstige kansen voor de recreatie fors. Van de recreatieve vergezichten zal weinig overblijven. Waar is de optelsom van baten minus die negatieve effecten op elkaar van alle geschetste toekomst opties?  

Wat Ons Water opvalt is dat in de onderbouwing van de in de Ontwerp-rijksstructuurvisie opgenomen toekomstbeelden niet is gekeken naar het verleden. Het lijkt alsof er geen gegevens zijn van de nulsituatie (vóór de aanleg van de compartimenteringsdammen), toen het Volkerak-Zoommeer nog zout was en eb en vloed vrij spel hadden.

In de rapporten: “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat 1968, worden nadrukkelijk de oorzaken van de verzilting van westelijk Nederland en de verzilting van boezemwateren en (landbouw)gronden, ook die in West-Brabant in beeld gebracht.

Uit deze rapportages blijkt dat in 1965 het boezemwater tot ongeveer de westelijke stadsgrens van Steenbergen meer dan 5000 mg Cl/per liter bevatte. Tot een lijn die in een boog liep van Ossendrecht over Heerle, Kruisland, Stampersgat, Fijnaart en Willemstad bevatte het boezemwater 2000/5000 mg Cl/per liter. Tot een lijn die globaal liep van westelijk Roosendaal over Oud Gastel naar Klundert bevatte het boezemwater 500/1000 mg Cl/per liter. In het besef dat voor de land- en tuinbouw water nodig is met chloridegehaltes beneden de 300 mg per liter moge het duidelijk zijn dat verzilting van het Volkerak-Zoommeer de land- en tuinbouw potenties in het werkgebied van de Brabantse Delta aanzienlijk zal verslechteren.

Het gestelde op pagina 154 van de MKBA: “Door een zout Volkerak-Zoommeer neemt het chloridegehalte van het kwelwater toe in een zone van enkele honderden meters tot maximaal 1,5 km, grenzend aan het Volkerak-Zoommeer. Door de aanwezigheid van kwelsloten kan oppervlaktewater met verhoogde chloridegehalten worden afgevangen en afgevoerd, waardoor geen nadelige gevolgen optreden voor de landbouw”, is dan ook nauwelijks serieus te nemen. Wat is de onderbouwing? Dit is in strijd met de gegevens uit “De waterhuishouding van Nederland d.d. 1968” een document opgesteld door Rijkswaterstaat zelf! Natuurlijk weet ook Ons Water dat er toen geen bellenschermen functioneerden, maar dat er wel geschut werd om de zoutlekkage te beperken. Dus is het waarschijnlijk dat zoute kweleffecten op een aanzienlijk grotere afstand zullen optreden dan enkele honderden meters!

Het zelfde geldt voor het gestelde in het Milieueffectraport op pagina 134: “Conclusie.” “Herintroductie van zout en getij in het Volkerak-Zoommeer heeft een neutraal effect op de zoutindringing naar het achterland, met uitzondering van een licht negatief effect op de havendokken van Antwerpen en het Antwerps Kanaalpand.”

Wat is de onderbouwing? Dit is in strijd met de gegevens uit “De waterhuishouding van Nederland d.d. 1968”

Een advies van Ons Water is: neem je zelf serieus. Lees en begrijp de implicatie van de MKBA tekst op pagina 144: “Er zijn maar weinig voorbeelden van projecten waarin een ecosysteem wordt aangepast van een zoetwatersysteem naar zoutwatersysteem.

In het “Advies Deltaplan Zoetwater” is op pagina 43 te lezen: “In de zuidwestelijke Delta voert de regio maatregelen uit die overwegend gericht zijn op het bestendigen van zoete landbouwcondities. Die focus ligt op het conserveren of uitbreiden van zoetwatervoorraden. Op de korte termijn zet de regio in op vijf maatregelen: Het in kaart brengen van de zoet-zoutverdeling in de bodem. Deze kartering kan worden beschouwd als onderlegger voor alle andere maatregelen.” 

Een tweede advies van Ons Water in deze is: wacht deze kartering af en betrek deze samen met de vermelde rapporten uit 1965/1968 bij een meer realistische inschatting van de toekomstige verzilting van (landbouw)gronden en wateren in West-Brabant. 

Als laatste opmerking in zake de onderbouwing wil Ons Water opmerken dat wij volledig hebben gemist hoe de inhoud van de Ontwerp-rijksstructuurvisie zich verhoudt met eerdere rapporten zoals “Waterbeleid voor de 21e eeuw” van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw onder voorzitterschap van F. Tielrooij, waarin de zoetwater voorraad van het Volkerak-Zoommeer van het grootste belang werd verklaard voor de strijd tegen de verzilting van (zuid) westelijk Nederland.

De leverzekerheid
In de samenvattingen in de stukken wordt met regelmaat vermeld dat de leverzekerheid van de (landbouw)waterinlaten verbetert als alle voorgenomen maatregelen zijn gerealiseerd. De vraag is altijd in dit soort zaken: wat is de referentie waarmee vergeleken wordt?
In dit geval memoreert Ons Water graag aan de geschiedenis. Het nu volgende is een tekst overgenomen uit het Milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer uit april 2012 (pagina 87/88):  “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloridenorm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”. 

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”.

“In het “droge” jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.”.  

Feit is dat het gehanteerde maximale chloridegehalte keer op keer is verhoogd c.q. beperkt in tijd. Maar dat niet alleen. In de “Joint Fact Finding zoet water” is op pagina 20 te lezen: “Het Volkerak-Zoommeer is de laatste jaren aanmerkelijk zouter geworden door de toegenomen zoutlekkage van de Krammersluizen. Het meerjarig zomergemiddelde is 415 mgCl/l. Incidenteel wordt in de zomer de normconcentratie van 450 mgCl/l overschreden. In de zomer van 2011 was de overschrijding langdurig (eind april-half juli, met een maximum van 615 mgcl/l) doordat ten gevolge van de langdurige lage rivierafvoer de doorspoeling moest worden beperkt.”.  

Wat vermeld is voor de Krammersluizen, gaat naar onze inzichten ook op voor de Bergse Diepsluis. Rijkswaterstaat koos er dus voor om de zoetwater inlaat te beperken ten voordele van de bestrijding van de verzilting vanuit de Nieuwe Waterweg. Dit ten nadele van onze inlaten en onze boeren. Van de afspraken kwam dus niets terecht. Weg leverzekerheid, niet door een act of God maar door een beslissing van de waterbeheerder.

Kijkend naar inlaattabellen lijkt het of stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar de informatie van Ons Water de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Voor onze fractie geldt dat, als het gaat om de leverzekerheid ten aanzien van zoutgehalten, men uit dient te gaan van de zoutgehalten in het Volkerak-Zoommeer als men zich zou houden aan de gemaakte afspraken en de achterstallige onderhoudswerkzaamheden aan de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zouden zijn uitgevoerd.  

Ten aanzien van de kwantitatieve leverzekerheid is helder dat een waterinlaat via de Roode Vaart verre van zeker is. In tegendeel. Op pagina 30 in de Joint Fact Finding is onder het subkopje ‘Watertekort’ de volgende tekst te vinden: “Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door de Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoet waterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”  

Van een inlaat via een categorie 2 route wordt ons agrarisch bedrijfsleven straks afhankelijk van een categorie 4 inlaat route. Hoezo een verbetering van de leveringszekerheid? Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is en men zich zou houden aan de afspraken en de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis fatsoenlijk zou onderhouden, was er nu geen sprake van leveronzekerheden door verzilting! Rijkswaterstaat zou zich moeten houden aan de afspraken qua chloridegehalten en werk moet maken met het onderhoud van de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis, zeker nu het Volkerak-Zoommeer vermoedelijk tot 2028 zoet blijft.  

In dit kader enkele citaten uit de MKBA:

  • Pagina xi: “Het bellenscherm in de Krammersluizen levert direct baten op en is kosteneffectief bij zowel een zoet als een zout Volkerak-Zoommeer, doordat ook een zout Volkerak-Zoommeer pas over enkele jaren mogelijk is.”
  • Pagina xii (figuur D): “verzilveren no-regrets en kansen – Bellenscherm Krammersluis”
  • Pagina 24 (optie 6): “Standaard wordt bij het grote onderhoud aan de Krammersluizen uitgegaan van vervanging van de zoet-zoutscheiding door een traditionele oplossing. Deze vergt een grote investering en een lange gebruiksduur om economisch aantrekkelijk te zijn. Wanneer deze oplossing bij een zout Volkerak-Zoommeer voortijdig overbodig wordt, is sprake van kapitaalvernietiging. Een optie bij alle alternatieven is om de bestaande zoet-zoutscheiding te vervangen door een bellenscherm vanwege de reistijdwinsten voor de scheepvaart en mogelijk lagere levensduurkosten. Ook bij varianten waarin het Volkerak-Zoommeer op termijn zout wordt en de zoet-zoutscheiding niet meer nodig is, levert dit voordeel op. Er is sprake van minder kapitaalvernietiging en met een bellenscherm ervaart de scheepvaart al direct minder reistijdverlies.” 

In deze citaten ziet Ons Water alle reden dat Rijkswaterstaat voor de periode tot minimaal 2028 ten spoedigste het zoutlek in de Krammersluizen middels een bellenscherm aanpakt, zoals vermeld als no-regret maatregel in de MKBA. Ons Water wenst nadrukkelijk dat, gezien het bij leveringszekerheid van goed zoet water voor de landbouw, de inlaat aan het Hollandsch Diep ten behoeve van de Roode Vaart in het kader van de verdringingsreeks een categorie 2 inlaat wordt . Er is naar onze mening geen principieel verschil als het gaat om verziltingbestrijding met de inlaat bij de Volkeraksluizen.  

Dan de feitelijke huidige kwaliteit als het over de blauwalg gaat. Op pagina 38/39 van de MKBA is te lezen: “Sinds 2008 is door de aanwezigheid van de quaggamossel de blauwalgproblematiek afgenomen. In 2012 en 2013 zijn er geen innamestops meer geweest.” Dit lijkt een heldere uitspraak. Het verbaast Ons Water dan ook dat in de “Joint Fact Finding zoet water” op pagina 22 is te lezen: “In 2012 zijn vanaf eind augustus, dus laat in het seizoen, de Brabantse inlaten aan de Eendracht dichtgezet wegens blauwalgen (mondelinge mededeling ……. (ingevuld was een naam van een ambtenaar) – Waterschap Brabantse Delta.)” .  

Wij hebben nog nooit eerder in openbare stukken van de Rijksoverheid gelezen “mondelinge mededeling van….” Maar als die mededeling in strijd is met een schriftelijke mededeling in een MKBA bevreemdt dat Ons Water zeer en worden wij argwanend. Wat is de waarheid en hoe kan het dat in een belangrijk stuk als de “Joint Fact Finding zoet water” iets anders staat dan in een MKBA? Wat zijn de feiten?  

Ook de kwalitatieve zekerheid roept vragen op. Het woord ‘bruinrot’ komt in de stukken maar zelden voor en al helemaal niet in de ontwerprijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Ook in de MKBA is er tevergeefs naar gezocht. Ook op pagina 157 van de MKBA, waar geschreven wordt over de “aanpassing inlaat Oosterhout”, lijkt bruinrot niet te bestaan.

Curieus is de inhoud van de Zoetwaterrapportage 2012. Op pagina 41 is de navolgende tekst te vinden over water dat via Oosterhout in het Mark-Vliet stelsel komt: “Het risico bestaat dat dit water verontreinigd is met de bruinrotbacterie die in Oost-Brabant voorkomt en een bedreiging kan vormen voor de aardappelteelt in West- Brabant.”.  

De “Joint Fact Finding zoet water” is helder. Bijvoorbeeld uit figuur 2 op pagina 19 blijkt dat de inlaat bij Oosterhout een wezenlijk deel (10 m3/s.) uitmaakt van de beoogde zoetwatervoorziening. Niet helemaal helder is waar die 10 m3/s. vandaan komt. Uit de Amer, het Wilhelminakanaal of allebei? Wat tevens opvalt is dat in de factsheets in de “Joint Fact Finding zoet water” op enkele plaatsen (pagina 47 (PAN-polders) en pagina 51 (Mark-Vliet systeem)) bruinrot als probleem wel wordt aangegeven.

Als voorbeeld de tekst op pagina 51: “De leveringszekerheid in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt mogelijk beïnvloed door de watervraag voor zoutlekbestrijding bij een zout Volkerak-Zoommeer, die een hogere prioriteit krijgt. Wegens extra inlaat vanuit het Hollandsch Diep voor de doorvoer naar Zeeland en PAN-polders en zoutbestrijding wordt het bruinrotprobleem kleiner.”. Men erkent het probleem dus wel!!!!  

Ons Water is ronduit verbijsterd dat het bruinrotprobleem slechts zijdelings wordt aangestipt en van een aanpak geen sprake lijkt en dat terwijl de levering vanuit Oosterhout voor geheel het kleigebied van West-Brabant van eminent belang is. Het zal helder zijn dat Ons Water het noodzakelijk vindt dat de bruinrotproblematiek wordt aan gepakt. Zonder de aanpak van de bruinrotbacterie in het water, dat via de inlaat Oosterhout naar de kleigebieden van West-Brabant komt, is van een verbetering van de leverzekerheid geen sprake!  

Toerisme/Recreatie/Sportvisserij 
In de Ontwerp-rijksstructuurvisie is veel aandacht voor de ‘positieve’ kanten die zouden zitten aan de verzilting van het Volkerak-Zoommeer voor de recreatie. Er zijn echter ook veel nadelen voor de recreatie, verbonden aan een eventuele verzilting.

Het voornaamste nadeel voor de waterrecreatie ligt in het opnieuw in bedrijf nemen van de Mandersluis en het Benedensas. Daarmee verminderen de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van de West-Brabantse binnenwateren, omdat geschut moet worden om de wateren en havens achter de sluizen te bereiken. Het gaat daarbij om zes jachthavens met een gezamenlijke capaciteit van ruim 1500 ligplaatsen.  

Een extra sluispassage is nadelig voor een jachthaven, zowel voor het aantal overnachtingen van passanten als voor de aantrekkelijkheid van de vaste ligplaatsen. Dat het effect van wel of niet schutten groot is, blijkt wel uit het feit dat de havens achter deze twee sluizen pas goed tot ontwikkeling zijn gekomen na de afsluiting van de Philips- en Oesterdam. Het overgrote deel van de inkomsten van een jachthaven komt uit de liggelden van de vaste ligplaatshouders. Deze zullen door onbenutte ligplaatsen en lagere tarieven dalen en dit bij gelijk blijvende kosten. Verzilten van het Volkerak-Zoommeer trekt daarmee een zeer zware wissel op de rentabiliteit en levensvatbaarheid van deze havens. In de Ontwerp-rijksstructuurvisie en de achterliggende documenten, voornamelijk de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) en de milieueffectrapportage (MER), zijn deze effecten niet adequaat meegenomen in de bepaling van het effect op de (water)recreatie. De stelling in de MKBA, dat het aantal overnachtingen van passanten in de jachthavens langs het Volkerak-Zoommeer toe zal nemen, is onjuist aangezien er eerder sprake zal zijn van een afname. De effecten op vaste ligplaatsen van havens wordt zelfs helemaal niet besproken.  

Een belangrijk deel van de waterrecreatie bestaat uit sportvisserij. Deze zal grotendeels verloren gaan. Zoetwatersportvissers zullen voor andere wateren kiezen en hun ligplaatsen in ons gebied opgeven. Het zal jaren duren voordat er aanwas zal zijn van zoutwatersportvissers, omdat het jaren zal duren voordat er een min of meer stabiel zoutwatermilieu zal zijn ontwikkeld die interessant is voor sportvissers. De opbouw van dat klantenbestand zal voor de watersportondernemers, zoals jachthavenexploitanten van onderop moeten gebeuren. Die hebben immers al ligplaatsen waar zij nu hun hobby beoefenen.  

Uitvoerbaarheid
De voorgenomen maatregelen worden in de stukken gepresenteerd als instandhoudingsmaatregelen. Als Ons Water deze toetst aan de uitleg van de Vogel- en Habitatrichtlijn lijkt dit standpunt niet houdbaar. De verzilting van het Volkerak-Zoommeer moet naar het gevoel van Ons Water worden opgevat als een project en dient vervolgens de complete procedure van een natuurbeschermingswet de vergunningsprocedure te doorlopen, inclusief de ADC-toets. Alleen deze procedure is een waarborg voor een zorgvuldige besluitvorming.

De verzilting wordt eerst voorgesteld als een systeemwijziging. Vervolgens wordt deze wijziging van systeem opgevat als een instandhoudingsmaatregel. Een instandhoudingsmaatregel richt zich op het in standhouden van het systeem. Het begrip ‘instandhouding’ wordt volgens artikel 1, onder a van de Habitatrichtlijn als volgt omschreven: “a) instandhouding: een geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier‑ en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding als bedoeld in de letters e) en i) “.

In artikel 2, lid 2, wordt nader gepreciseerd welke de doelstellingen zijn van de maatregelen die uit hoofde van de Richtlijn moeten worden genomen: “De […] genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier‑ en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen”.

Wat in de Ontwerp-rijksstructuurvisie en bijbehorende stukken wordt gepresenteerd als instandhoudingsmaatregelen lijkt in strijd met de natuurwetgeving zoals: de Vogel- en Habitatrichtlijn en de natuurbeschermingswet. Nu lijkt het dat, wanneer binnen een plan of project men denkt dat de doelen niet kunnen worden gehaald, de doelen worden aangepast. Helder is dat uit de geschiedenis van het beheer van het Volkerak-Zoommeer blijkt dat men niet echt moeite heeft gedaan de oorspronkelijke normen van het zoutgehalte te realiseren, met als nevengevolg dat de natuurdoelen behorende bij dat zoutgehalte niet zijn gerealiseerd. Ons Water komt tot deze conclusie omdat op diverse plaatsen in de stukken wordt gerefereerd aan de onderhoudssituatie van de Krammersluizen. 

Het meest pregnant is dat in het “Advies Deltaplan Zoetwater” op pagina 39 is te lezen: “Voordat een zout Volkerak-Zoommeer is gerealiseerd, is waarschijnlijk ook nog een zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen nodig. Kiest het kabinet voor een blijvend zoet Volkerak-Zoommeer, dan is herstel van de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen noodzakelijk om aan de huidige beheersafspraken en het waterakkoord te kunnen voldoen.” Het door ons vet weergegeven woord zegt veel: herstel! De bestaande zoet-zoutscheiding werkt dus al langere tijd niet of niet optimaal. Het komt Ons Water voor dat de voornemens, vermeld in de Ontwerp-rijksstructuurvisie niet binnen de huidige kaders van de (Europese) wetgeving uitgevoerd kunnen worden, want de voornemens in de Ontwerp-Rijksstructuurvisie bevatten voor de natuur meer nadelen dan voordelen en zijn derhalve in juridische zin niet uitvoerbaar.

De huidige trends/de quaggamossel
De afgelopen jaren is de overlast van de blauwalg in het Volkerak-Zoommeer aanzienlijk afgenomen door de graas van een in Nederland relatieve nieuwkomer (exoot): de quaggamossel. In de bij de Ontwerp-rijksstructuurvisie behorende stukken, zoals het milieueffectrapport, komt de ontwikkeling van de quaggamossel met regelmaat aan de orde, zie onder staande citaten uit het milieueffectrapport:

Pagina 80: “De autonome ontwikkeling van de waterkwaliteit in het Volkerak-Zoommeer is onzeker. Een scenario waarin de quaggamossel die zich in het gebied heeft gevestigd voor een blijvende verbetering zorgt, is voorstelbaar. Experts op dit gebied voorzien volgens de genoemde ‘Quick scan’ echter ook een ander scenario: terugval van het aantal van deze mosselen, gevolgd door opnieuw toenemende overlast van blauwalgen als gevolg van de nog steeds aanwezige grote hoeveelheden fosfaat en de hoge stikstofbelasting in het meer. Snelle groei gevolgd door een terugval van populaties exoten, onder meer door hun gevoeligheid voor ziekten, is een bekend verschijnsel en zou dus ook in het geval van de quaggamossel in het Volkerak-Zoommeer kunnen optreden.”

Pagina 81: “Bij een autonome ontwikkeling waarin de quaggamossel wel voor een blijvende verbetering zorgt, kan de toestand binnen enkele jaren verbeteren naar ‘goed’ voor doorzicht en het kwaliteitselement fytoplankton.” 

Pagina 104: “Sinds 2008 nemen de algenconcentraties af, met name als gevolg van begrazing door de quaggamossel die zich in het water heeft gevestigd. Deze situatie kan in het zichtjaar nog steeds aan de orde zijn, maar het is ook goed mogelijk dat de populatie van deze exoot weer geheel of gedeeltelijk uit het water is verdwenen en de algenconcentraties opnieuw zijn opgelopen.”

 De ‘experts’ geven in de stukken aan dat er een kans is dat deze exoot weer grotendeels verdwijnt. Een echte onderbouwing van deze gedachte wordt in geen van de geleverde stukken gegeven, behalve dat het een soort van risico is verbonden aan elke exoot. De quaggamossel (Dreissena bugensis) is weliswaar relatief kort in ons land (2004), maar een naast familielid, de driehoeksmossel is al langer hier. Deze komt al in Nederland voor sinds het begin van de 20e eeuw. Beiden komen uit het Ponto-Kaspische gebied en kunnen, zo is in het  Zwarte Zee gebied gebleken, nogal wat klimaatvariaties aan. Het is een mossel die houdt van zoet water met niet te hoge zoutgehalten en hecht zich graag aan een harde ondergrond. Hun belangrijkste kenmerk is: ze eten grote hoeveelheden fytoplankton, zoöplankton en algen waardoor het water zeer helder wordt. Toch zijn er tal van ‘experts’ die denken dat ze ook zomaar weer kunnen verdwijnen. Nu kan natuurlijk bijna alles. Dus ook ziekten zouden deze exoot kunnen bedreigen, maar als een familielid die hier al circa 90 jaar zich staande houdt (en voor een leek zijn ze bijna niet van elkaar te onderscheiden) dan lijkt dat ‘verdwijn-verhaal’ niet erg waarschijnlijk.  

In de circa 3.000 pagina’s die ik (Ons Water) heb gelezen met een relatie tot de Ontwerp-rijksstructuurvisie, heb ik gespeurd naar aanwijzingen waarop die verdwijntheorie van de quaggamossel gebaseerd zou kunnen zijn. Wij denken hem gevonden te hebben. Kijkend naar inlaattabellen lijkt het of bij stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar onze informatie de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak, lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Als, zoals nu gebeurt, sluipend de chloridegehaltes in het Volkerak-Zoommeer, mede door achterstallig onderhoud, stijgen dan is het helder: dan daalt de effectiviteit van de blauwalggraas van de quaggamossel en kan hij bij nog hogere zoutgehalten uit het Volkerak-Zoommeer verdwijnen. Hij verdwijnt dan niet door een ziekte, maar omdat zijn leefomgeving door wanbeleid wordt aangetast. Het al jaren niet voldoende onderhouden van bijvoorbeeld de Krammersluizen lijkt op het opzettelijk werken naar een zout Volkerak-Zoommeer.

Ons Water verwacht van een overheid, die goedkoop een overlastprobleem zou willen bestrijden, dat zij het hun werknemers (de quaggamossel) makkelijker zouden maken door zoutgehaltes omlaag te brengen en hier en daar te zorgen voor wat meer harde ondergronden waar deze beestjes zich op kunnen hechten. Geef de quaggamossel een faire kans de zoete biotoop die het Volkerak-Zoommeer nu is te volmaken. Dat kan als men zich aan de afspraken zou houden en de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zou herstellen. Bijvoorkeur snel en met een bellenscherm. Dat past binnen de no-regret maatregel zoals vermeld in de MKBA (pagina 143).  

Kosten
Bij het lezen van de rapportage maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA), één van de onderleggers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, heeft Ons Water bemerkt dat bij de opsomming van kosten van de diverse te nemen maatregelen ook vermeld is wat de jaarlijkse kosten van deze maatregelen zullen zijn. Onderstaand een, door Ons Water samengesteld, overzicht van de in de MKBA vermelde ingeschatte jaarlijkse kosten van investeringen, waarvan tevens vermeld is dat zij na realisering overgedragen zullen worden aan het waterschap Brabantse Delta.

Pagina 45/153/157

Jaarlijks onderhoudskosten overzicht in euro’s

Zoutbestrijding Dintelsas en Benedensas    150.000 Tabel 70/pagina 153.

Uitbreiding gemaal Hollands Diep               150.000

Inrichting kwelsloten                                         10.000

Verplaatsen inlaatpunten Dintel/Vliet           80.000

Ontmanteling inlaatpunten VLK-ZM         –  20.000

Aanpassen gemaal Roode Vaart                   450.000 Tabel 72/pagina 157

Aanpassen watergangen Vossemeer en
Auvergnepolder                                               250.000

Roode Vaart                                                     500.000 Tabel 15/pagina 45

In de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (een stuk uit 2012) is reeds vermeld dat het waterschap na realisering de zorg krijgt voor beheer, exploitatie en onderhoud van de werken. Tot op heden zijn er geen afspraken gemaakt over de vergoeding van de jaarlijkse kosten. Ons Water is van mening dat volgens het vervuiler-betaalt-principe de veroorzaker van de kosten van de verzilting tot in lengte van jaren de daaruit voortkomende lasten zal dienen te dragen. Het kan immers niet zo zijn dat de bewoners en bedrijven van West-Brabant blijvend de lasten van de verzilting van het Volkerak-Zoommeer zouden moeten dragen.  

De oorzaak van de sluipende verzilting/het ontbrekende alternatief
Het lijkt erop dat er ook invloeden van buiten de regio ten grondslag liggen aan de Ontwerp-rijksstructuurvisie. De honger naar zoet water!
Door de verzilting van laag Nederland is steeds meer zoet water nodig. Nu wordt de schuld gegeven aan zaken die we niet of nauwelijks kunnen beïnvloeden, zoals de klimaatverandering en de stijgende zeespiegel.

Maar dat is niet het hele verhaal. Reeds in de rapporten: “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat in 1968, wordt nadrukkelijk een andere oorzaak in beeld gebracht. Enerzijds logisch, want de klimaatverandering en de zeespiegelstijging waren nog niet politiek aan de orde, laat staan de tunnelvisie op dit punt. Natuurlijk spelen de klimaatverandering en de zeespiegelstijging een rol maar als de grootste oorzaak toen werd een andere schuldige aan gewezen: de veranderingen rond de Nieuwe waterweg!  

Vanaf eind vijftiger jaren van de vorige eeuw tot 1968 zijn er belangrijke ontwikkelingen geweest die de zoetwatervraag om de verzilting via de Nieuwe waterweg tegen te gaan hebben doen toenemen van circa 300 m3/s naar circa 700/800 m3/s. De uitbreiding van het havenareaal (Europoort, Botlekhavens, Eemhaven) en de verdieping van de vaarweg naar deze havens, alsmede de verdieping van de oliegeul vanuit zee naar de monding van de Nieuwe Waterweg hebben het vloedvolume toen enorm doen toenemen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de rivier zich aangepast heeft aan het toegenomen getijvolume op het traject van de rivier tussen de mond en de betreffende havens. Hierdoor ontstond een verdieping van de rivier in de periode 1958/1964 van circa 2 meter door een proces van terugschrijdende erosie op het traject Hoek van Holland – Maassluis. De verwachting in 1968 was dat dit proces voort zou gaan. Als aanpassing op dit proces werd de norm van het chloridegehalte ter hoogte van de Parkhaven (300mg/l) losgelaten en de toetsplek werd verlegd naar de mond van de Hollandsche IJssel en het advies gegeven: “de bodem van de Nieuwe Maas en de Nieuwe Waterweg te verhogen en vast te leggen.” (Bron: “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Gebeurde dit? Nee, het was volgens de politiek immers niet nodig en volgens Rotterdam en de havenbaronnen ongewenst. De Deltawerken kwamen er aan en het zoete water kon door de dammen gestopt worden en doorgeleid worden naar zee via de Nieuwe Waterweg. Maar de Rotterdamse groot muil werd nog groter. Sinds 1968 bleven er gewoon havens bij komen. Dit leidde er toe dat van oude afspraken steeds minder terecht kwam.

Als voorbeeld de geschiedenis van de afspraken rond het Volkerak-Zoommeer: “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloride norm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”  

“In het ‘droge’ jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.” (Bron;  pagina’s 87/88 van de Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie, oktober 2014).

Wie zijn de slachtoffers van deze zoet water honger van de Nieuwe Waterweg. De boeren en tuinders van Zuid-Holland, Zeeland en West-Brabant en de drinkwaterleidingbedrijven in laag Nederland en daarmee alle consumenten van dat drinkwater. Zij lijden de schades veroorzaakt door de verzilting in de vorm van mindere opbrengsten en hogere kosten. Natuurlijk erkent Ons Water dat Rotterdam en zijn havens voor de BV Nederland van onschatbare waarde zijn. Maar het jaar na jaar afwentelen van de verziltingproblemen op boeren, tuinders en drinkwaterbedrijven en het laten verzilten van zoete natuurgebieden, zoals laagveen moerassen, kan niet blijven voortduren. Het gat dat de Nieuw waterweg heet moet vergaand gedicht worden. Door sluizen die, als er gebrek is aan zoet water, geschut kunnen worden en door maatregelen, die al in 1965 en 1968 werden genoemd als alternatieven, zoals het verhogen/vastleggen van de bodem van de Nieuwe Waterweg eventueel met een drempel en luchtbellenschermen, die nu nog steeds als innovatief door Rijkswaterstaat worden betiteld maar in 1968 al in de grote schutsluizen te IJmuiden werden gebruikt (bron: pagina 33 “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Het wordt tijd dat de landelijke politiek zijn werk gaat doen en doorkrijgt dat vanaf eind jaren vijftig van de vorige eeuw de rest van Nederland gebruikt wordt als zoetwaterleverancier voor de eeuwig hongerige Nieuwe Waterweg. Rotterdam moet ophouden de problemen die haar havenactiviteiten veroorzaken af te wentelen op de rest van Nederland.

Er vanuit gaande dat de zoetwaterhonger van de Nieuwe Waterweg blijft en dat het zoete water voor doorspoeling van het Volkerak-Zoommeer nodig wordt geacht voor deze slokop, dan mist Ons Water een alternatief. Wat naar onze opvatting in de stukken ontbreekt is een alternatief wat zoet is, zonder de garantie van  de nu geldende chloridenorm van maximaal 450 mg/l. Met de absolute randvoorwaarde dat de zoetwatervoorziening voor de landbouw (Roode Vaart) wordt aangelegd en er bij de inlaat maatregelen komen die de inlaat van de bruinrotbacterie voorkomen. En als tweede randvoorwaarde: de snelle aanleg van een bellenscherm in de Krammersluizen.

Wat zijn de gevolgen van het loslaten van de huidige chloridenorm zonder opzettelijke verzilting?

  • Geen extra doorspoeling, niet meer noodzakelijk
  • Geen zoetwater meer nodig vanuit het Hollandsch Diep/Haringvliet systeem
  • Gevarieerder waterpeil word mogelijk
  • Minder gevaar voor zoutindringen in Haringvliet / Hollandse Diep
  • Makkelijker beheer Krammersluizen en vlottere doorvaart
  • Geen nadelige effecten op Oosterschelde en Westerschelde
  • Minder kans op verzilting omringende landbouwgronden

Voor de helderheid: Ons Water wijst verzilting van het Volkerak-Zoommeer af! 

Voor meer informatie/inzichten en artikelen die Ons Water heeft gepubliceerd over het Volkerak-Zoommeer zie onze website  http://onswater.com/dossier-volkerak-zoommeer/  

In afwachting van uw reactie in de Nota van Antwoord,

hoogachtend,

namens Ons Water 

L.H. van der Kallen

 


B&W GEMEENTE BERGEN OP ZOOM INZ. WATERVRAGEN – A004

 


 

Bergen op Zoom, 9 mei 2005

 

Aan het College van Burgemeester

en Wethouders

Postbus 35

4600 AA Bergen op Zoom

 

Betreft: Watervragen ex artikel 37, kenmerk LK/5007

 

Geachte College,

Recent zijn een aantal stukken verschenen die van belang zijn voor het waterbeleid in en rond onze gemeente met in meer of mindere mate grote effecten op het totale gemeentelijke beleid en het beleid rond water in het bijzonder.

Een aantal van die stukken leiden voor de D66/BSD-fractie tot een aantal vragen/bemerkingen, te weten:
1.Karakterisering Stroomgebied Schelde
2.Richtlijnen voor het milieu effectrapport Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer, inclusief beantwoording inspraakreacties
3.Aspectenstudie water en bodem Bergse Haven

Ad A Karakterisering Stroomgebied Schelde

Dit stuk leidt tot een groot aantal vragen/bemerkingen. Voor de overzichtelijkheid zal de D66/BSD-fractie daar paginagewijs doorheen gaan.

Pagina 17 – paragraaf 2.3 Beschermde gebieden

“In beschermde gebieden moeten de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) in 2015 gehaald zijn”

“Beschermde gebieden zijn volgens de KRW in ieder geval gebieden die een beschermingsstatus hebben op grond van één of meerdere van de volgende EU richtlijnen:

–         Nitraatrichtlijn (91/676/EEG)

–         Richtlijn Stedelijk Afvalwater (91/271/EEG)

–         Vogelrichtlijn (79/409/EEG)

–         Habitatrichtlijn (92/43/EEG)

–         Schelpdierwaterrichtlijn (79/923/EEG)

–         Viswaterrichtlijn (78/659/EEG)

–         Zwemwaterrichtlijn (76/160/EEG)”

Binnen onze gemeente vallen daar in ieder geval onder:

– het Zoommeer/Eendracht systeem                 (kaart 7)

– de Molenplaat                                                     (kaart 7)

– het Markiezaat(meer) complex                       (kaart 7)

– het dekzandsysteem voor zover er

drinkwater gewonnen wordt                          (kaart 7)

Wat op kaart 6 (beschermde gebieden zwemwater) opvalt is het ontbreken van de Binnenschelde.

Vragen:

1. Is het ontbreken van de Binnenschelde op de lijst van zwemwaterbeschermde gebieden juist?

2. Is de zwemwaterfunctie van de Binnenschelde vervallen?

3. Uit kaart 25 blijkt dat mogelijk de Molenplaat als enige bij voortgezet beleid de 2015-doelen kan halen. Voor de andere Bergse gebieden is dat niet het geval. De doelen zijn resultaatverplichtingen! Bij verlenging van de termijnen zal gekeken worden naar alle inspanningen die gepleegd zijn. Welke concrete stappen is de Gemeente voornemens om nu reeds te zetten om in 2015 te kunnen zeggen: “we hebben alles wat redelijkerwijs mogelijk was om de doelen te halen, gedaan”?

Pagina 23 – paragraaf 3.2.4 Indeling van beschermde gebieden

“In het stroomgebied Schelde zijn geen afzonderlijke beschermde gebieden aangewezen op grond van de Nitraatrichtlijn of de Richtlijn over Wateronttrekking voor menselijke consumptie”.

Vragen:

4. Is dit juist gezien de onttrekkingen van drinkwater op ons dekzandsysteem?

5. Op kaart 9 staat de vermoedelijke Nedalco-onttrekking aangegeven als voor menselijke consumptie. Op kaart 22 als een industriële winning! Wat is juist en wat wordt de status van de Nedalco-winning na het vertrek van Nedalco? Is de winningvergunning verkoopbaar en/of anderszins overdraagbaar?

Pagina 31 – paragraaf 4.2.3 Indeling van grondwaterlichamen

“Grondwaterlichamen met drinkwateronttrekking moeten worden opgenomen in het register van beschermde gebieden en krijgen zwaardere milieudoelstellingen”

Vragen:

6. In het verlengde van vraag 5: met welk intrekgebied rond de Nedalco-winning zou met voortgezette winning rekening gehouden moeten worden bij de uitwerking van de plannen rond de Bergse Haven?

7. Kan het gestelde in paragraaf 4.2.3 leiden tot een ander intrekgebied van onze dekzandwinningen en tot zwaardere milieu-eisen omtrent grondgebruik?

Pagina 43 – paragraaf 5.1.2 Lozingen van diffuse bronnen

“In de rijkswateren veroorzaken beroep- en recreatievaart diffuse verontreinigingen met zware metalen, PAK’s en aangroeiwerende middelen zoals TBT en koper”

Vraag:

8. De KRW gaat uit van minimaal het stand-still principe! Kan de mogelijk diffuse verontreiniging van de recreatievaart een beperking opleveren voor de recreatieve ontwikkelingen rond de Bergse Haven?

Pagina 45 – paragraaf 5.1.2

‘In de regionale wateren speelt voorbelasting vooral een rol in o.a. de Zoom’

“Deze waterlichamen ontvangen water uit Vlaanderen dat onder meer belast is met stikstof en fosfor”

In dit kader verwijst de D66/BSD_fractie ook naar kaart 20 AB, waaruit blijkt dat bij de Zoom de belasting met PCB’s de norm (vanuit Vlaanderen) meer dan 5 x overschreden wordt.

Vraag:

9. De Zoom heeft grote ecologische waarden, maar is ook ernstig vervuild. Zijn status (sterk veranderd) leidt tot scherpere eisen. De inzet van het water van de Zoom kan bij verdere planontwikkelingen rond de Bergse Haven van belang zijn. In hoeverre wordt er gewerkt aan de concrete aanpak van de waterkwaliteit van de Zoom en in hoeverre worden de Vlaamse waterbeheerders daarop aangesproken en desnoods via juridische procedures gedwongen tot een terugbrenging van de belasting met nitraten, fosfaten en PCB’s?

Pagina 83 en 84 – paragraaf 7.2 t/m 7.2.1 Oppervlaktewaterlichamen

“Voor regionale waterlichamen die beschermd zijn op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn is geen risicoanalyse uitgevoerd”

Uit de tabel op pagina 84 blijkt dat ten aanzien van een fors aantal prioritaire stoffen er geen bepalingen zijn verricht aan monsters uit het Zoommeer/Eendracht-systeem.

Vraag:

10. Voor de verdere uitwerking van de plannen Bergse Haven is het van het grootste belang dat de actuele situatie van alle prioritaire stoffen wordt bepaald en de risicoanalyse wordt uitgevoerd. Juist de waterkwaliteit in het Zoommeer/Eendracht-systeem is belangrijk, alsmede de beoordeling wat de situatie in 2015 zal zijn. Is Uw College met de D66/BSD-fractie van mening dat het stand-still principe een bedreiging kan zijn voor de Bergse Haven plannen en dat een actuele situatiebepaling en risicoanalyse van het Zoommeer/Eendracht-systeem daarbij onontbeerlijk is?

Pagina 87 – paragraaf 7.2.1. Chemische toestand

“Uit de analyse blijkt dat ook in 2015 alle oppervlaktelichamen ‘at risk’ zijn, ondanks de lichte verbeteringen die zullen optreden door de uitvoering van het huidige beleid”

“Door meer auto’s op meer wegen zullen de emissies van PAK’s, lood en nikkel toenemen”

Vraag:

11. Zou het kunnen dat, net als bij de Europese luchteisen, de KRW leidt tot belemmeringen bij de realisering van plannen zoals de Bergse Haven?

Pagina 90 Huidige toestand oppervlaktewateren Scheldestroomgebied, ecologische toestand

Ook in deze tabel zijn een fors aantal stoffen niet meegenomen bij het Zoommeer/Eendracht-systeem.

De D66/BSD-fractie verzoekt Uw College bij de bevoegde autoriteiten/beheerders aan te dringen op een spoedige aanvulling van dit soort tabellen!

Voor de mogelijke ontwikkeling van de Bergse Haven c.q. toeristische ontwikkelingen rond het Zoommeer is het van het grootste belang dat deze cijfers, die zullen dienen als nulsituatie, er komen!

Pagina 93 – paragraaf 7.2.2. Ecologische toestand

“In de regionale wateren is de toestand van de biologische kwaliteitselementen matig tot slecht”

“In het Markiezaat en de Binnenschelde voldoen alle soortgroepen, behalve het fytoplankton, aan de norm”!

Zo slecht is de Binnenschelde dus nog niet!!

“In Zeeland veroorzaakt bovendien zoute kwel een voortdurende aanvoer van meststoffen vanuit het grondwater naar het polderwater. Het zoute water brengt in de bodem een chemische reactie teweeg waarbij meststoffen vrijkomen. Via de kwelstroom komen die vervolgens in het oppervlaktewater terecht”

Het voorgaande citaat laat zien wat er kan gebeuren als bijvoorbeeld het Zoommeer/

Eendracht-systeem zou verzilten. De zoute kwel die dan zou kunnen ontstaan in de Auvergnepolder kan dan daar kwaliteitsproblemen doen ontstaan!

Pagina 116 en 117 bijlage 1 – Overzicht betrokkenen

Van de 73 betrokkenen bij de 4 vergadergroepen vertegenwoordigde niemand specifiek de gemeente Bergen op Zoom. Slechts twee personen vertegenwoordigden een specifiek Brabants belang (gedeputeerde Verheijen en de heer Vos van het Waterschap Brabantse Delta). Van de ingezetenen van het stroomgebied woont circa 20 % in Noord-Brabant en circa 15 % in de gemeente Bergen op Zoom. Slechts één Bergenaar heeft korte tijd aan één der overleggroepen deelgenomen (collega Velthoen namens het Breed Overleg Deltawateren)

De D66/BSD-fractie kan slechts constateren dat, ondanks onze grote belangen bij het stroomgebied Schelde, de gemeente Bergen op Zoom bestuurlijk niet vertegenwoordigd was.

Vragen:

12. Is de gemeente Bergen op Zoom gevraagd op enige wijze bestuurlijk of ambtelijk betrokken te zijn bij één der vier overleggroepen?

13. Zo ja, waarom heeft Bergen op Zoom daar niet positief op gereageerd?

14. Zo nee, heeft Bergen op Zoom geprobeerd betrokken te geraken bij de totstandkoming van de karakterisering? Zo ja, hoe?

15. Hebben deelnemers aan de overleggroepen over de karakterisering met Uw College overleg gezocht?

16. Zo ja, wat was de inhoud daarvan?

Kaart 9

Op kaart 9 is de Binnenschelde ingekleurd als overig natuurgebied.

Vraag:

17. Is dit de juiste status van de Binnenschelde en heeft deze status effect op de ontwikkeling van de Bergse Haven?

Kaart 16AB

Wat opvalt op deze kaart is dat de fosforconcentratie in de Binnenschelde minder slecht is dan in de Oosterschelde of het Zoommeer/Eendracht-systeem!

Kaart 23

Geen toetsing prioritaire stoffen in de Binnenschelde!

Algemeen

Als het over de KRW en gemeenten gaat worden de gemeenten een aantal instrumenten toegedacht, te weten:

–         kwaliteitsbaggeren

–         effectmaatregelen

–         rioleringsmaatregelen

–         bouwverordening

Vraag:

18. Denkt de gemeente al na over haar rol in het kader van de KRW en de toepassing van bovengenoemde instrumenten en op welke termijn zal de raad hierbij betrokken worden?

 

Ad B Richtlijnen voor het milieueffectrapport Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer

Op pagina 11 van bijlage 2 (de antwoorden op de inspraakreacties) stelt het Ministerie dat het ambitieniveau van de initiatiefnemers is: de blauwalgenoverlast voor 2015 op te lossen.

Vraag:

19. Spoort dit ambitieniveau met de plannen Bergse Haven, mede met het oog op de peilbeheersing van de Binnenschelde met o.a. water uit het Volkerak/Zoommeer-systeem?

 

Ad C Aspectenstudie water en bodem Bergse Haven

Pagina 1

Bij de eerste vraag wordt gesproken over “een zoute situatie”.

Vraag:

20. Wat is de definitie van “een zoute situatie” in meer dan …. Cl mg/l ?

Pagina 4

Op het kaartje staan de locaties van 5 peilbuizen. In tabel 2.3 worden slechts de analyseresultaten vermeld van de peilbuizen 1, 2 en 3.

Vraag:

21. Wat zijn de analyseresultaten van de peilbuizen 4 en 5 gelokaliseerd op/nabij het Nedalcoterrein?

Pagina 6

“Aangezien er niet van elk boorpunt een analyseresultaat is, zijn op basis van de zintuiglijke waarnemingen extrapolaties gemaakt aangaande de bodemkwaliteit”

Een weinig wetenschappelijke en weinig betrouwbare methode. Alleen stoffen als PAK’s, aromaten en minerale oliën kunnen met de ogen en neus opgespoord worden, zij het zonder kwantitatieve gegevens. Bijvoorbeeld zware metalen blijven bij dit soort primitieve methoden buiten beeld! Voor een risicovol project als Bergse Haven een te beperkt onderzoek!

Pagina 10

“In de waterbodem is fosfaat beschikbaar, waarmee het water belast wordt. In zoete wateren wordt fosfaat in het algemeen gebonden aan ijzer. In de waterbodem van de Binnenschelde gaan zwavel en ijzer verbindingen aan, waardoor fosfaat niet of in beperkte mate gebonden wordt aan het ijzer.

De aanwezigheid van de relatief grote hoeveelheid zwavel wordt verklaard door het feit dat de Binnenschelde een vroegere zeebodem is, waarin meer zwavel aanwezig is dan bij de waterbodem van zoet water. Door de ongunstige verhouding van ijzer, zwavel en fosfaat, houdt de waterbodem fosfaat slechts vast en kan er veel afgifte aan de waterfase plaatsvinden (via chemische en/of biologische routes)”

In dit citaat zit de oplossing van het enige probleem van de Binnenschelde. Zoete oplossingsrichtingen zijn o.a.

–         afgraven zwavelhoudende bodemlaag

–         afdekken zwavelhoudende bodemlaag

–         zwavel/ijzer-concentratie bodem in balans brengen met de fosforconcentratie in het water door ijzer aan de bodem toe te voegen.

Zoete oplossingen zijn denkbaar, zowel voor de Binnenschelde als het Zoommeer/Volkerak-systeem!

Pagina 13 Integrale visie Deltawateren

Onder dit kopje worden woorden als “zal” en “zullen” te vaak en onjuist gebruikt. Het is geen zekerheid dat die visie wordt uitgevoerd! Besluitvorming is zelfs nog niet aan de orde!

Pagina 14 Lange Termijn Visie Geertruidapolder

“de Binnenschelde wordt in verbinding gebracht met het Zoommeer”.

Ook dit citaat is buitengewoon onzeker qua uitvoering.

Pagina 16 Autonome ontwikkeling van de Binnenschelde

“Deze of andere maatregelen zijn ongeacht de ontwikkeling van de Bergse Haven gewenst”.

Vraag:

22. Bedoeld zal toch zijn op zijn minst één der maatregelen? Allebei heeft geen zin!

Pagina 23 Toekomstige situatie

“”De scheepvaart zal het watersysteem belasten met stikstof en fosfaat”

Vraag:

23. Gezien het stand-still-principe van de KRW en het feit dat bij de KRW sprake is van een prestatieverplichting, is het dan denkbaar dat de verdere belasting van het watersysteem met stikstof en fosfaat door de scheepvaart een belemmering wordt voor de realisering van de Bergse Haven?

Pagina 24 Toekomstige situatie

Variant III spreekt de D66/BSD-fractie zeer aan!

Gezien het grote verschil tussen 11 Ha (toen) en 1 Ha (nu) als benodigde oppervlakte van het helofytenfilter komt een nadere toelichting op dit punt de D66/BSD-fractie als gewenst voor.

Pagina 30 Grondverzet

De in het plan niet bruikbare grond, totaal 445.000 m3 waarvan 145.000 m3 verontreinigd, alsmede de grote aanvoer van grond voor de leeflaag en geluidswal verontrust de D66/BSD-fractie. Met name de verwerking van de verontreinigde grond zal een zeer forse kostenpost betekenen.

De D66/BSD-fractie verzoekt Uw College ten aanzien van de grondstromen en de daaraan verbonden kosten en opbrengsten in de commissie financiën een nadere toelichting te geven, al is het maar indicatief!

Pagina 38 (driehoeksmosselen)

“….. er moet een voldoende harde ondergrond zijn”.

In principe is deze te creëren door bijvoorbeeld deels de bodem te bedekken met puin of steenslag!

In het besef dat deze brief veel vragen bevat, heeft de D66/BSD-fractie er begrip voor dat de in artikel 37 genoemde termijn bij de beantwoording van een aantal vragen problemen op kan roepen. Gefaseerde beantwoording c.q. reactie op de suggesties vindt de D66/BSD-fractie dan ook op voorhand acceptabel.

Uw reacties tegemoet ziende,

Hoogachtend,

Namens de D66/BSD-fractie

Louis van der Kallen