OVER WATER – 58

 

| 17-09-2016 | 10.00 uur |


 


OVER WATER – 58

 

14 september 
afb01Op de agenda van de AB vergadering stond “De staat van Ons Water”. Een voor waterbestuurders belangwekkend stuk wat het waard is eens even goed te lezen. De Staat van Ons Water wordt jaarlijks in mei gepubliceerd. Hierin wordt gerapporteerd over de uitvoering van het Nationaal Waterplan 2016-2021, het Bestuursakkoord Water 2011 en het uitvoeringsprogramma van de Beleidsnota Drinkwater. Ook wordt verslag gedaan over de voortgang van de uitvoering van de Europese richtlijnen over waterkwaliteit, overstromingsrisico’s en de mariene strategie. De Staat van Ons Water is een initiatief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de Unie van Waterschappen, VNG, IPO en Vewin. 

Voor mij als waterschapsbestuurder is het niet alleen een bron van kennis, maar vooral van inspiratie bij het aanpakken van de bestaande problemen. Dit jaar pikte ik er een paar aandachtspunten uit: 

Op pagina 6 van de Staat van Ons Water over 2015 worden de toenemende problemen geschetst met het drinkwater. “Nieuwe, opkomende stoffen (waaronder geneesmiddelen) vormen een groeiende bedreiging voor de veiligstelling van de drinkwatervoorziening.” Voor mij betekent dit dat de waterschappen samen met de STOWA het onderzoek naar nieuwe zuiveringsmethoden, zoals het zuiveren met de membraam technologie, moeten intensiveren. Want met een vergrijzende bevolking zal het medicijngebruik verder toenemen. Ook zal bekeken moeten worden of het nu geen tijd wordt om bij locaties die afvalwater produceren met veel medicijnresten, zoals ziekenhuizen en verpleeghuizen, niet op grotere schaal dan tot nu toe apart ingezameld moet worden. 

Op pagina 13 van de Staat van Ons Water over 2015 wordt in gegaan op de watertoets: “Uit het onderzoek komt naar voren hoe serieus de watertoets wordt genomen door provincies en gemeentes bij het maken van hun ruimtelijke plannen. Waterschappen worden bij 61 procent van de plannen (met een watercomponent) tijdig betrokken bij de voorbereiding van bestemmingsplannen; bij de overige plannen werden ze in een later stadium betrokken. Voor omgevingsvisies geldt geen wettelijke overlegverplichting. Hier worden waterschappen bij 41 procent van de plannen tijdens de voorbereiding betrokken. Het tijdig betrekken bij bestemmingsplannen en omgevingsvisies biedt dus nog ruimte voor verbetering. Waterschappen geven aan goed zicht te hebben op de opvolging van het advies binnen het plan.”
“Ruimte voor verbetering” is wat mij betreft een understatement!  Niet alleen worden waterschappen, in deze tijd van broodnodige klimaatadaptatie, nog steeds niet altijd tijdig betrokken bij de opstelling van ruimtelijke plannen. Ook wordt er met regelmaat niet echt geluisterd naar de opmerkingen van waterschappen. Het gevolg hiervan is wateroverlast in wijken en op locaties die met de juiste en vaak door de waterschappen geadviseerde maatregelen voorkomen hadden kunnen worden. De wetgever zou een watertoets niet alleen verplicht moeten stellen, maar ook dat de door ‘de waterautoriteit’ geadviseerde maatregelen ook uitgevoerd moeten worden of indien gemeenten de adviezen niet overnemen dit op zijn minst gemotiveerd moet worden, zodat later gemeentelijke politici en bestuurders hier op aangesproken kunnen worden en gemeenten voor de voorkoombare schade aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Op pagina 34 van de Staat van Ons Water over 2015 wordt in gegaan op de KRW: “Op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn in 2009 stroomgebiedbeheerplannen opgesteld. Hierin staan de doelen en maatregelen om chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlakte- en grondwater voor duurzaam gebruik te realiseren. Het gaat om een combinatie van landelijke en gebiedsgerichte maatregelen. De uitvoering van landelijke maatregelen uit het Nationaal Waterplan is in het algemeen volgens schema. De gebiedsgerichte maatregelen zijn uitgevoerd door waterschappen, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten. De omvang van de gebiedsgerichte maatregelen is tussentijds wel bijgesteld, bijvoorbeeld doordat de maatregelen in de rijkswateren die onder het kabinet Rutte 1 zijn getemporiseerd pas na 2015 worden ingelopen. Eind 2015 zijn de stroomgebiedbeheerplannen voor 2016-2021 vastgesteld. Hierin zijn aanvullende landelijke en gebiedsgerichte maatregelen opgenomen.”

De waterschappen doen naar mijn gevoel hun best, maar het wordt steeds vaker trekken aan een dood paard omdat een deel van die doelen simpelweg in een vol landje als het onze niet haalbaar zijn. Ik schreef daar eerder over. Als voorbeeld van de gevolgen de casus Pyrazool. “Tot augustus 2015 hadden we in Nederland nauwelijks gehoord van pyrazool, een chemische verbinding die dient als grondstof in de industrie, landbouw en geneeskunde. Dit is een zogeheten ‘nieuwe opkomende stof’, waarvoor nog geen norm is vastgesteld. Er geldt wel een signaleringswaarde van 0,1 microgram/liter, bij overschrijding moet gelijk nader onderzoek plaatsvinden. De stof wordt geproduceerd op het Chemelot bedrijfsterrein in Maastricht, en geloosd op de Grensmaas. Met die lozing is iets misgegaan, waardoor te hoge concentraties in de Grensmaas, in de Maas en in de Lek terecht kwamen. Drie drinkwaterbedrijven moesten hun inname staken: WML, Evides en Dunea. Eind augustus deden zij een dringend beroep op IenM: geef ons tijdelijk meer ruimte. De Minister van IenM heeft toen voor maximaal twee jaar een hogere waarde toegestaan: 15 microgram/liter.”

Voorstaande tekst is te vinden op pagina 36 van de Staat van Ons Water. In 2015 werd zoals vermeld bij drie drinkwaterbedrijven langdurig de inname stilgelegd vanwege de lozing van pyrazool. Er loopt een evaluatie van de Drinkwaterrichtlijn door de Europese Commissie – in het kader van REFIT en het Burgerinitiatief Right2Water. Belangrijke onderwerpen zijn de introductie van risico-gebaseerde benadering van bron tot tap, de selectie van parameters (waaronder het vraagstuk van opkomende stoffen), vereisten voor materialen en chemicaliën in contact met drinkwater en aanpassing van rapportage en verbetering van de informatievoorziening aan het publiek. Dit kan grote gevolgen hebben voor de normering en daarmee voor het werk van de waterschappen. 

Zelf volg ik met veel belangstelling wat er in het land gebeurd op het gebied van klimaatadaptatie. Daar over is op pagina 52 van de Staat van Ons Water over 2015 de volgende tekst te vinden: “Monitoring Ruimtelijke Adaptatie. Het doel van de Monitoring Ruimtelijke Adaptatie is om te kunnen bepalen of de voortgang voldoende is om de ambities uit de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie te realiseren. Hiervoor wordt een jaarlijkse enquête gehouden bij gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk. De eerste meting vond plaats in 2015. De enquête gaat over de vier dreigingen: wateroverlast, droogte of (grond)watertekorten, overstromingsrisico’s en hittestress. Een samenvatting van de resultaten:

  • Gemeenten, waterschappen, provincies en Rijk zijn allemaal met de thema’s van de dreigingen aan de slag. De waterschappen lijken het verst gevorderd.
  • Alle partijen zijn bekend met de gevolgen van klimaatverandering voor wateroverlast, waterveiligheid en droogte. Ze zijn minder goed op de hoogte van de gevolgen voor hittestress.
  • Provincies geven veel aandacht aan wateroverlast vanuit het regionale watersysteem, omdat zij daarvoor de normen vaststellen. Waterschappen en provincies geven daarnaast veel aandacht aan waterveiligheid (overstromingsrisico’s). Gemeenten pakken vooral wateroverlast aan.
  • Droogte krijgt nog nauwelijks aandacht bij gemeenten. Waterschappen en provincies doen dat in toenemende mate.
  • Gemeenten, provincies en waterschappen zijn zich wel bewust van hittestress, maar houden er nog nauwelijks rekening mee.”

Ik zal de voortgang met belangstelling volgen en zelf dit onderwerp keer op keer op de agenda plaatsen.

Op de pagina’s 64/65 van de Staat van Ons Water over 2015 is te lezen: “Planuitwerking Innovatieve Zoet-Zoutscheiding Krammersluizen. Nadat eerst een pilot in de Krammerjachtensluis was uitgevoerd, is Rijkswaterstaat in maart 2015 is gestart met het project Planuitwerking Innovatieve Zoet-Zoutscheiding Krammersluizen. Aanleiding vormt de vraag of de huidige zoet-zoutscheiding, die aan groot onderhoud toe is, kan worden vervangen door een innovatieve zoet-zoutscheiding. Dit innovatieve systeem gaat de uitwisseling van zoet en zout water tegen door het creëren van een fijn gordijn van luchtbelletjes, in combinatie met het spoelen met zoet water. Daarmee wordt verzilting van het Volkerak-Zoommeer tegengegaan. Het nieuwe systeem zorgt naar verwachting ook voor Pilot bellenscherm Krammersluis, een aanzienlijk sneller schutproces en een forse besparing op beheer- en onderhoudskosten. De resultaten van de planuitwerking dienen als basis voor een definitief besluit in 2016. Daarna is duidelijk of kan worden gestart met de realisatie van de innovatieve zoet-zoutscheiding in alle Krammersluizen.”

Ons Water heeft hier vaak over geschreven (het laatst in december 2015) en Ons Water zal de voortgang zeker volgen en zonodig zal Ons Water hierover bij de bestuurders aan de bel trekken.

Ik wil dit lange verhaal eindigen met een positief citaat uit de Staat van Ons Water over 2015: “Het realiseren van de doelstellingen van gematigde lastenontwikkeling en kostenbesparingen in het waterbeheer in de periode tot en met 2015 ligt goed op koers. De belastingopbrengsten en kosten stijgen minder sterk dan bij het afsluiten van het Bestuursakkoord Water in 2011 werd verwacht. De lastendruk van de burgers en bedrijven die voortvloeit uit de kosten die Rijk, provincies, waterschappen en drinkwaterbedrijven maken, ontwikkelt zich voor vrijwel alle categorieën gunstig.”

Maar helaas zijn de tarieven nog steeds stijgende.

gea 39In de rondvraag van het AB werd door het lid Henk Schouwenaars van de PvdA fractie aan de orde gesteld de besluitvorming ten aanzien van een eventuele voorkeursvariant bij de dijkverbetering Geertruidenberg/Amertak. Hierbij houdt het DB vast aan de door het AB in 2015 aan het DB gegeven bevoegdheid tot vaststelling van een voorkeursvariant. Bij regionale keringen is vaststelling een AB bevoegdheid. Ik heb er op gewezen dat de financiering voor een dijkverbetering in het kader van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) voor 90 % plaats vindt vanuit het HWBP (een rijksfonds), terwijl bij regionale keringen het een 100% eigen financiering is. Tevens zijn bij deze verbetering van een primaire kering in een rijksprogramma veel externe partijen betrokken (zoals het HWBP, de provincie, RWS, drie gemeenten, een klankbordgroep, een ambtelijke werkgroep, een bestuurlijk stuurgroep, enz. ). Dat maakt de keuze extra complex en vergt veel afstemming. Wat ook een rol speelt is de strakke tijdsplanning waarbij het tijdig beschikbaar zijn van alle benodigde informatie (argumenten) helaas niet mogelijk is. Dit zou wel nodig moeten zijn om een gedegen afweging te kunnen maken tussen  alles op de huidige normen brengen of het medegebruik van dynamische keermiddelen zoals keersluizen. Een deel van de keringen achter eventuele keersluizen komt pas in een volgende toetsronde aan de orde. Voor die toetsronde moeten echter de normen nog vastgesteld worden. Nu is het uitgangspunt om deze toetsing naar voren te halen en uit te voeren zodra de nieuwe normen bekend zijn. Dan is ook een indicatie te geven wat dan de eventuele kosten zijn van een ‘standaard’ dijkverbetering en wat de kosten zouden zijn van een bescherming van het achterland met onder andere dynamische keermiddelen. Die processen lopen door elkaar en kennen andere tijdhorizonten. Belangrijk is dat alle varianten zo lang mogelijk aanpasbaar zijn op basis van nieuwe inzichten/toetsingen. Logisch lijkt om zo lang mogelijk in te zetten op ‘geen spijt maatregelen’ zodat, indien na de nieuwe toetsing blijkt dat dynamische keermiddelen een reëel alternatief vormen, deze alsnog in een aangepast voorkeursalternatief vorm zouden kunnen krijgen.

Een argument dat ik in de vergadering niet benoemd heb, maar dat wel van belang is, is het gegeven dat wij bij verbeteringsprojecten aan regionale keringen een volwaardig opdrachtgever zijn en alles zelf betalen. Bij verbeteringen aan primaire keringen zijn we feitelijk een uitvoerder van de taken van het Rijk en ligt het opdrachtgeverschap vooral bij het Rijk in het kader van een rijksprogramma het HWBP. Daarom wordt de hoofdmoot van de kosten (90%) gedragen door een rijksfonds. Ten tijde van het project Overdiepsepolder in het kader van het Rijksprogramma “ruimte voor de rivier” was de financiering nog 100%. Ook toen waren we simpelweg de uitvoerder van een rijksprogramma en opgave. Wel heb ik toegezegd het AB via de commissie systeembeheer te betrekken bij het proces en op de hoogte te houden van de voortgang van het proces en de keuzen die daarin gemaakt worden.

BLINDE VLEK

blind spotIk heb de afgelopen weken het boek Blind Spot gelezen met de subtitel: “metropolitan landscape in the global battle for talent”. Als raadslid en waterschapsbestuurder probeer ik de literatuur bij te houden over zaken als het vestigingsklimaat voor bedrijven. Want als we ooit van gemeentelijke schulden af willen komen en onze werkzoekenden kansen willen bieden op een plaatselijke of regionale arbeidsmarkt, dan is het vestigingsklimaat van buitengewoon belang.

Volgens “Blind Spot” is de kwaliteit van het landschap, water en leefomgeving een blinde vlek in veel strategieën voor het vestigingsklimaat. Succesvolle bestuurders van Madrid en Londen zien de paradigma wisseling van het louter investeren in gebouwde infrastructuur naar werken aan natuur, water, landschap en erfgoed als middel voor het aantrekken van hoogopgeleide kenniswerkers en kennisintensieve bedrijven. In de ‘lerende economie’ blijken dit voorwaarden voor succes. Het metropolitaan landschap is niet los te zien van economische ontwikkelingen. Nu we omschakelen naar een kennisintensieve economie is de kwaliteit, identiteit en gebruikswaarde van het metropolitaan landschap een cruciale factor in het voortbrengen , aantrekken en vasthouden van talent en daarmee cruciaal voor het economisch voortbestaan van steden. “Blind Spot” geeft inzicht in hoe de kwaliteit van het landschap bij kan dragen aan het succes van stad en regio. Metropolitane regio’s beconcurreren elkaar mondiaal op het terrein van de innovatieve bedrijvigheid. Hoog opgeleiden kiezen steeds vaker hun woonplaats mede op basis van de kwaliteit van het leven. Investeren in cultuur (historie) en landschap is direct en indirect verrijkend en blijkt een basisvoorwaarde voor de verbetering van het leef- en vestigingsklimaat. 

Belangrijk is ook het realiseren van goede fysieke verbindingen tussen stad en ommeland door middel van aantrekkelijke en uitgebreide fiets- en wandelnetwerken. Investeren in de groen/blauwe raamwerken, waarmee cultuurhistorisch erfgoed herbestemd en benaderbaar wordt, loont.

Kijkend naar de in “Blind Spot” geanalyseerde tien wereldse metropolitane landschappen, me realiserend dat Bergen op Zoom en West-Brabant niet de Randstad/Deltametropolis, Londen, Madrid of Milaan zijn, maar van een volstrekt andere schaal, Bergen op Zoom en West-Brabant hebben wel veel van de elementen die volgens “Blind Spot” de toegangsweg tot succes kunnen zijn. In de nabijheid zijn: de zee, meren, een rivier, wetland, standen, bossen en landbouwgebieden maar vooral biedt de stad en ommeland veel cultuurhistorie en water die bijvoorbeeld in het kader van de Zuiderwaterlinie nog beter in beeld gebracht zouden kunnen worden. Dat kan en moet beter onder de aandacht van de beslissers van het mondiale bedrijfleven worden gebracht. Ik raad iedere bestuurder aan dit boek te lezen. 

Louis van der Kallen 

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 36: MAAK VAN VOLKERAK-ZOOMMEER GEEN PROBLEEMGEBIED

 

| 26-01-2016 | 09.30 uur |


 

 

blauwalgMilieuomstandigheden die naar het gevoel van de mens een negatieve wending nemen, krijgen vaak het etiket ‘waterkwaliteitsprobleem’. Zo constateerde men blauwalgenbloei in een periode van de zomer op het Volkerak-Zoommeer (VZM). Voor ons onaantrekkelijk en het geeft overlast. Objectivering van de ontstane situatie is volgens ir. W. Lases een eerste vereiste, voordat men besluit tot maatregelen. Bezint eer ge begint.  

Een milieuomslag kenmerkt zich door tijdelijke explosieve groei van enkele organismen.  De kunst is geduld te hebben met de natuur en er zoveel mogelijk van af te blijven. Het VZM heeft in de enkele decennia van haar bestaan een hoge mate van stabiliteit bereikt. In het meer is de blauwalgenbloei de laatste tien jaar sterk afgenomen, tezamen met het chlorofylgehalte, de voedingsbodem voor blauwalgen. Wat men een waterkwaliteitsprobleem noemde, was in wezen een ecologische eruptie. De biodiversiteit is inmiddels groot en ontwikkelt zich verder. Natuurliefhebbers kijken er hun ogen uit.

Problematisch beleid
Verzilten is nog altijd het beleidsvoornemen. Deze aanslag op het milieu zal massale sterfte veroorzaken van de nu rijkelijk aanwezige zoetwaterorganismen. Het afstervend ecosysteem maakt vervolgens een explosie van maritieme blauwalgen mogelijk. Blauwalgen kunnen daarom geen reden zijn voor het beleid van drastische maatregelen zoals algehele verzilting en de introductie van beperkt getij via een gat in de Brouwersdam.

Destructieve zoetwaterbesparing
Dan resteert de stelling, dat men met verzilting zoet water zou besparen en dat er op termijn te weinig zoet water zou zijn om aan het afgesproken criterium van maximaal 450 mg Cl’/l te voldoen.

Men vergeet dat er vóór de aanleg van de delta-infrastructuur veel meer zoet water van de grote rivieren ten goede kwam aan de Zeeuwse wateren, waardoor er een grote schakering aan lagere zoutgehaltes was, van belang voor het grondwater en de zoetwaterhuishouding op de eilanden. Men vergeet dat men aan het potverteren gaat van een gemengde overgangslaag in de bodem, die een buffer vormt tegen een te snelle verzilting. Men rekent zich ten onrechte rijk en waarvoor? Voor een schijntje meer zoet water voor Midden en West Nederland? Tevens wordt door een zout VZM een toekomstig zoet Grevelingenmeer onmogelijk. Het benodigde zoete water om het VZM zoet te houden is er wel degelijk. Men verlaat nu zonder noodzaak een zoetwaterzone en brengt bewust verzilting verder het land in. Het gebrek aan zoet water wordt hierdoor op den duur alleen maar nijpender en van effectieve besparing is dan ook geen sprake. Zo creëren we zelf het probleem van waterschaarste.

Planvorming in alle haast doorgedrukt
Met het Manifest Waterpoort en met het lobbyen voor een getijdencentrale in de Brouwersdam lag er binnen de kortste keren een rijksstructuurvisie voor de regio. Deze kwam nog sneller tot stand dan het discutabele Uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta. Participatie en inspraak bleken een wassen neus zodra deze niet in lijn met de plannen lagen. Er spelen tal van belangen zoals het verpachten van percelen voor schelpdierteelt, besparingen bij de Krammersluizen en aanleg en exploitatie van jachthavens. Dit alles gaat ten koste van West-Brabant, de natuur en de zoetwatervoorziening. Nu worden nog alleen de projecten Flakkeese Spuisluis en Roode Vaart gerealiseerd. Of de verzilting er ooit komt is onzeker, want de financiering is lang niet rond.

Momenteel wordt het VZM gereed gemaakt voor noodopvang van rivierwater om voorlopig de waterveiligheid van de Drechtsteden wat te vergroten. Met verzilting zou men een herhalend en fors probleem scheppen. Elke berging van zoet water op een zout milieu leidt tot een ecologische ramp.

Kritiek op de hype van zilte plannen
Een bres met centrale in de Brouwersdam en verzilting van het VZM zijn vooral voor de (internationale) bühne en zetten geen zoden aan de dijk. Het blijven nu eenmaal averechtse acties. Er komt steeds meer ongezouten kritiek op het binnenhalen van de zee. Verzilting voorkomen is altijd een betere strategie, dan achteraf proberen om deze weer teniet te doen. In kringen van biologen is de noodzaak van een zout VZM inmiddels omstreden en worden de toenemende en blijvende negatieve gevolgen van verzilting steeds meer onderkend. Vlaanderen wenst het ook niet. Aanvankelijke voorstanders raken overtuigd van het feit dat verzilting weinig goeds kan brengen.

Hou het milieu gezond
Gelukkig blijkt het Volkerak-Zoommeer vrij probleemloos. Regionale milieugroepen, waterschapspartijen, politiek, agrarische belangen, beroepsvissers en ideële organisaties streven er naar duurzaamheid, kwaliteit en het tegengaan van verzilting. Het einde van de dreiging door korte termijn maatregelen en ondoordachte planvorming moet dan ook in zicht komen. Maak geen problemen waar ze niet zijn.

Ir. Wil Lases

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 35: ACTUALITEITEN

 

| 16-01-2016 | 10.30 uur |


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 35: ACTUALITEITEN

 

krammersluizen

Krammersluizen

In de nota van antwoord inspraak op het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP) zijn een aantal zaken te vinden die een relatie hebben met de voorgenomen verzilting van het Volkerak-Zoommeer. Het waterschap Brabantse Delta vroeg in haar zienswijze aandacht voor het behoud van vismigratie bij realisatie van de zogeheten ‘zoutmitigerende maatregelen’ bij de West-Brabantse sluizen (bij Benedensas en Dintelsas) ingeval van een zout Volkerak-Zoommeer. En om deze maarregelen expliciet op te nemen in het beheer-ontwikkelplan-rijkswateren.

Deze zienswijze was ook ingediend bij beheer-ontwikkelplan-rijkswateren en in dat kader als volgt beantwoord: “Bij een zout Volkerak-Zoommeer zal, als gevolg van de extra aanvoer van zoet water om zoutindringing op het Mark-Dintel-Vliet stelsel te beperken, bij de West-Brabantse sluizen een enigszins brakke overgangssituatie ontstaan. In het voorziene zoet-zout scheidingssysteem in de sluizen, zal regelmatig via de openingen in de sluisdeuren zoetwater door de schutkolken stromen. Dat biedt kansen voor visintrek, zoals nu ook bij de Bathse Spuisluis en Bergse Diepsluis het geval is. Het opnemen van eisen met betrekking tot vismigratie gebeurt bij de benadering van de marktpartijen die uiteindelijk de maatregelen realiseren om het Volkerak-Zoommeer weer zout te maken, plus de hieraan gekoppelde beperking van zoutindringing op de aangelegen wateren. De opgave die Rijkswaterstaat heeft op het vlak van vismigratie is onderdeel van de kerntaak schoon en gezond water. Hiermee is geborgd dat de passeerbaarheid van kunstwerken door vissen behoren tot de eisen die worden gesteld aan de nog te realiseren maatregelen in het kader van het weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer.” Of hiermede in de toekomst de vispasseerbaarheid werkelijk geborgd is zal blijken. Ons Water zal dit tegen die tijd zeker in de gaten houden.

Het waterschap Brabantse Delta ging er in haar zienswijze van uit dat “in de situatie van een zout Volkerak-Zoommeer passende maatregelen worden getroffen om het zoutlek bij de Krammersluizen, of de gevolgen ervan, afdoende tegen te gaan en stelt voor in het beheer-ontwikkelplan-rijkswateren  een referentie toe te voegen aan het Waterakkoord Volkerak-Zoommeer. In het kader van het Deltaprogramma is nader onderzoek aangekondigd naar de mogelijk nadelige consequenties voor de leveringszekerheid van verschillende regionale inlaatpunten bij een zout Volkerak-Zoommeer. En vraagt deze afspraak over te nemen in NWP2 en het beheer-ontwikkelplan-rijkswateren en eventuele noodzakelijk geachte mitigerende en/of compenserende maatregelen tijdig in beeld te brengen.”

De zienswijze was ook ingediend bij beheer-ontwikkelplan-rijkswateren en in dat kader als volgt beantwoord: “Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is, zal Rijkswaterstaat de afspraken nakomen over het chloridegehalte in het meer uit het waterakkoord Volkerak-Zoommeer. Dit wordt aan de betreffende tekst in het beheer-ontwikkelplan-rijkswateren toegevoegd. Hiervoor is onder meer groot onderhoud aan het zoet-zoutscheidingssysteem in het Krammersluizencomplex nodig. Dit is enige jaren uitgesteld in afwachting van een besluit over een zoet of zout Volkerak-Zoommeer. Hierdoor is er sprake van een groter lek van zout door deze sluizen. Dit wordt momenteel opgevangen door het meer extra te spoelen met water uit het Hollandsch Diep. Naast het herstel van het zoet-zoutscheidingssysteem op het Krammersluizencomplex (middels groot onderhoud aan het bestaande systeem of door vervanging met een innovatieve zoet-zoutscheiding) wordt onderzocht of het mogelijk is via extra doorspoeling van het meer voorafgaand aan het groeiseizoen, het zoutgehalte in het Volkerak-Zoommeer omlaag te brengen om zo een buffer te creëren tegen het oplopen van het zoutgehalte in de zomermaanden (‘winterspoelen’). Wanneer deze extra doorspoeling haalbaar is, zal die ook onderdeel uitmaken van het waterakkoord. Het betreffende onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het Deltaprogramma. Het Deltaprogramma maakt onderdeel uit van het NWP. Daarmee is de afspraak over het onderzoek dus al impliciet opgenomen in het NWP. Het onderzoek naar de leveringszekerheid wordt uitgevoerd in 2015. Het nieuwe beheer-ontwikkelplan-rijkswateren wordt 22 december 2015 vastgesteld en geldt voor de periode 2016 – 2021. Resultaten zullen worden meegenomen bij de besluitvorming over de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. “ 

Voor Ons Water is vooral de volgende tekst van belang: “Naast het herstel van het zoet-zoutscheidingssysteem op het Krammersluizencomplex (middels groot onderhoud aan het bestaande systeem of door vervanging met een innovatieve zoet-zoutscheiding)”. Ons Water gaat er vanuit dat na afronding van het onderzoek (wat ons betreft uiterlijk in 2016) naar de zogenoemde innovatieve zoet-zoutscheiding het groot onderhoud aan deze scheiding direct gaat plaatsvinden. Voor Ons Water een blijvend punt van aandacht. 

Het Kabinet van de Vlaamse Minister Omgeving, natuur en landbouw vroeg in haar zienswijze Nederland, net zoals bij de tussentijdse herziening in 2014 van het Nationaal Waterplan 2009-2015, om de impact van het terug zout worden van het Volkerak-Zoommeer op de Schelde-Rijnverbinding en het Albertkanaal te onderzoeken en Vlaanderen in kennis te stellen van de resultaten.

De in de Nota vermelde reactie is: “Tijdens de planstudie Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (2004 – 2012) zijn de effecten van een weer zout Volkerak-Zoommeer op de Westerschelde en Zeeschelde, de havendokken van Antwerpen en het Antwerps Kanaalpand onderzocht, gerapporteerd en besproken met de betrokken Vlaamse partijen. Bij het opstellen van het milieueffectrapport bij de rijksstructuurvisie zijn deze resultaten gebruikt (het ontwerp-MER Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer is bijlage bij het MER voor de rijksstructuurvisie). Het verloop van de zoutgradiënt in het Antwerps Kanaalpand tussen de havendokken en de Kreekraksluizen zal veranderen, als gevolg van de doorwerking van zout water uit het Zoommeer via de schutsluizen en het pompgemaal van het Kreekraksluizencomplex. Het zoutgehalte in de Antwerpse dokken wordt bepaald door het zoutgehalte van de Westerschelde en Zeeschelde ter plaatse van de grote zeesluizen. Wat aan zout water wordt gespuid of gelekt op het Antwerps Kanaalpand is bepalend voor het zoutgehalte direct ten zuiden van de Kreekraksluizen en het verloop van de zoutgradiënt richting de havendokken. In het ontwerp-MER Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer staat dit verloop beschreven in paragraaf 6.3.2. Hiervoor is gebruik gemaakt van een notitie van de toenmalige Waterdienst van Rijkswaterstaat, waarin het verloop van het chloridegehalte in het Antwerps Kanaalpand is weergegeven. De doorwerking van het weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer met beperkt getij op de ScheldeRijnverbinding en het Albertkanaal zal bij het vervolgonderzoek tijdens de planuitwerking van de maatregelen van de rijksstructuurvisie Grevelingen Volkerak-Zoommeer worden betrokken. In de Werkgroep Onderzoek en Monitoring van de Vlaams Nederlandse Schelde Commissie (VNSC) zullen de onderwerpen worden geïnventariseerd, die in de fase van planuitwerking nader onderzoek vereisen naar de impact van een zout Volkerak-Zoommeer op de Vlaamse wateren, en deze zullen door Vlaanderen en Nederland gezamenlijk worden opgepakt.” Ons water zal met belangstelling kennisnemen van de eventuele resultaten en deze betrekken bij haar strijd tegen de verzilting van het Volkerak-Zoommeer.

LTO Nederland verzoekt om de ‘stresstest Zoetwater’ op te nemen in het NWP2. Participant maakt zich zorgen over de zoutintrusie op de Lek. Participant pleit voor een worst case scenario voor de verzilting van het Volkerak. De in de Nota vermelde reactie is: “De stresstest zoetwatervoorziening is in juni 2015 voltooid. Daarmee is invulling gegeven aan de genoemde toezegging. De resultaten van de stresstest Zoetwatervoorziening zullen worden opgenomen in het NWP2. Als er een knelpunt optreedt door zoutindringing op de Lek, dan kan dat effect met de huidig beschikbare waterstaatswerken worden beheerst. Wel zijn nadere uitwerking en afspraken vereist. Het Rijk werkt hieraan in het Deltaprogramma Zoetwater. Het adaptatiepad met zoetwatermaatregelen voor West Nederland benoemt voor de middellange en langere termijn mogelijkheden van zoutwerende maatregelen in een open Nieuwe Waterweg. De stresstest laat zien dat in het adaptatiepad Zoetwater voldoende maatregelen mogelijk zijn om de zoetwatervoorziening van het regionaal watersysteem op het huidige niveau te houden. Daarmee is duidelijk welke maatregelen in een worst case scenario kunnen worden ingezet. Volgens adaptief deltamanagement blijven de partijen in het Deltaprogramma volgen of en zo ja wanneer aanvullende maatregelen nodig zijn en daarnaast of de adaptatiepaden houdbaar zijn. Ook de participant zal daar vanzelfsprekend bij worden betrokken.”

Ons Water ondersteunt het verzoek voor de ontwikkeling van een worst case scenario. Dan pas komen echt de mogelijke risico’s in beeld die Zuid-West Nederland en Zuid-Holland lopen met de verzilting van het Volkerak-Zoommeer. Te makkelijk wordt uitgegaan van de aanvoer van voldoende zoet water via de grote rivieren. In het verleden is herhaaldelijk gebleken dat dit een te optimistische benadering is. De voorziene klimaatveranderingen laten zien dat zeer droge zomers vaker zullen voorkomen. Ons Water Zal dit blijven volgen.

Voor Ons Water is het helder: de onnodige verspilling van geld en de vernietiging van de mooie natuur kan nog voorkomen worden. Stop de verzilting. Teken de petitie via http://www.petities24.com

Chris Ooms 

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 24: WAT IS DE WAARHEID -4

 

| 28-03-2015 | 00:10 uur |


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 24

 

Wat is de waarheid? – 4

 

roode vaart 2De landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten. 

In het kader van het schriftelijk overleg over de ontwerp-rijksstructuurvisie hebben de Tweede Kamer fracties van de VVD, de PvdA, de SP en het CDA schriftelijke vragen gesteld, die door de Minister van Infrastructuur en Milieu, Schultz van Haegen, zijn beantwoord.

Op pagina 6 van het antwoord gaat de minister in op het scenario “waarbij de quaggamossel zich permanent en in voldoende mate kan vestigen in het Volkerak-Zoommeer”. Zij erkent dan dat “de waterkwaliteit blijvend kan verbeteren.” Zij geeft daarbij aan dat bij een scenario waarbij de quaggamossel in aantal terugloopt de overlast aan blauwalgen kan toenemen. Dat is een open deur! Wat je in de visie van Ons Water moet doen is het de quaggamossel makkelijk maken zich te vestigen door bijvoorbeeld harde ondergronden toe te voegen aan zijn biotoop waarop hij zich graag hecht. 

Op pagina 6 merkt de VVD fractie op dat het scenario dat er niets zal gebeuren niet ondenkbaar is. “De financiering is immers nog niet rond.”

In het antwoord op pagina 7 stelt de minister dat “Als er geen financiering komt dan blijft de verwezenlijking van het ontwikkelperspectief (voorlopig) beperkt tot realisatie van de projecten Flakkeese spuisluis en Roode Vaart (1e fase) en uitvoering van de deltabeslissing Zoetwater.”

Verzilting is dus nog lang geen gelopen race! 

De VVD-fractie wilde op pagina 7 graag weten “op welke wijze de waterkwaliteit van het Volkerak-Zoommeer op peil blijft zolang het zoet is”. Het antwoord is deels verbijsterend en zeker openhartig: “Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is zal Rijkswaterstaat de afspraken nakomen die zijn opgenomen in het Waterakkoord Volkerak-Zoommeer (2001) over het chloridegehalte in het meer. Om dit te kunnen doen is groot onderhoud aan het zoet-zout scheidingssysteem in het Krammersluizencomplex nodig. Dit is enige jaren uitgesteld in afwachting van een besluit over een zoet of zout Volkerak-Zoommeer. Hierdoor is er sprake van een grotere lek van zout door deze sluizen.” Hier erkent de minister feitelijk dat Rijkswaterstaat zich de afgelopen jaren niet heeft gehouden aan het afgesloten Waterakkoord. Er is weliswaar getracht om de in de zomer oplopende chloridegehaltes te beteugelen met extra doorspoelen met zoet water uit het Hollands Diep maar dat was er niet altijd in voldoende mate en dan liepen de chloride gehaltes alsnog op.

Als bewijs hiervan een citaat uit Milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (april 2012) pagina 87/88: “In het “droge” jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.”. Dit laat ook zien wat de term “enige jaren uitgesteld” betekent in het antwoord van de minister. Minimaal 10 jaar!!

Positief in het antwoord is dat de minister toezegt te gaan onderzoeken of naast het herstel van het zoet-zoutscheidingssysteem “het mogelijk is via extra doorspoelen van het meer voorafgaande aan het groeiseizoen, het zoutgehalte in het Volkerak-Zoommeer omlaag te brengen”. 

Louis van der Kallen

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 19: WIE WORDEN ER BETER VAN?

 

| 21-02-2015 | 13:45 uur |


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 19

 

Wie worden er beter van?


jachthavenDe landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.
 

In deel 12 van deze reeks werd de zienswijze van de jachthavenbedrijven, gevestigd in West-Brabant, behandeld en eindigde het stukje met: voor wie is verzilting dan wel voordelig?  “Ons Water sluit niet uit dat dit de havens zijn langs de Grevelingen. Ook hier lijkt het erop dat de Zeeuwen goede zaken doen met de structuurvisie en West-Brabant wederom aan het kortste eind trekt en de rekening mag betalen!”. Recent bleek mij dat dit een groot deel van de waarheid is. Middels een beroep op de WOB heb ik inzage gekregen in het rapport “Verdienpotentieel zout-Volkerak-Zoommeer” van Royal Haskoning. Dit rapport laat zien dat verzilting een groot voordeel betekent voor de schelpdierenteelt en daardoor ook voor de verpachter: het Rijk. Zie ook deel 10 in deze reeks. Maar het voordeel van het Rijk is veel groter. Verzilting van het Volkerak-Zoommeer betekent voor het Rijk ook dat een derde kolk bij de Krammersluizen niet nodig is. Besparing 74 miljoen euro (pagina 57).

Wat mij echt verbouwereerde is de voorziene stimulans voor de recreatie. Die stimulans zou volgens het rapport “Verdienpotentieel zout-Volkerak-Zoommeer” moeten leiden tot een nieuwe jachthaven bij de Brouwersdam van 500 plaatsen (pagina 31) en een nieuwe jachthaven bij de Krammersluisen van 470 plaatsen (pagina 34). Maar er worden ook nog honderden nieuwe ligplaatsen voorzien aan de Molenplaat en elders in Bergen op Zoom en aan de Speelmansplaten. Het laat zich raden waar de schepen allemaal vandaan zullen komen? Ik schat in dat mijn stelling aan het einde van deel 12 in deze reeks helaas hout zal snijden. Ik herhaal het maar: het lijkt het erop dat de Zeeuwen goede zaken doen met de structuurvisie en West-Brabant aan het kortste eind trekt en de rekening mag betalen! De jachthaveneigenaren, gelegen binnen de straks gesloten sluizen van West-Brabant, zijn bij verzilting de klos.

De Brabantse bestuurders van de gemeenten, provincie en waterschap, die hebben deelgenomen aan de gesprekken die tot de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer hebben geleid, hebben voor een appel en een ei de belangen van deze ondernemers verkwanseld! Het wordt tijd dat er een ander Brabants geluid gaat klinken in de discussies met het Rijk en de Zeeuwen.

Louis van der Kallen

 


ZIENSWIJZE ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE NAMENS JACHTHAVENS

 


De Heen, 28 november 2014

 

Directie Participatie

Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Postbus 30316

2500 GH Den Haag 

 

Betreft: zienswijze op de Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

 

Geachte heer, mevrouw,

In de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (hierna ‘de rijksstructuurvisie’) staat een ontwikkelperspectief geschetst waarin het Volkerak-Zoommeer (hierna VZM) wordt verzilt. De voornaamste reden die hiervoor wordt gegeven is de overlast van blauwalg. Echter, sinds 2008 is de overlast door blauwalg nagenoeg verdwenen en is het water van het VZM schoon en helder geworden, naar alle waarschijnlijkheid door de aanwezigheid van de quaggamossel.

In de rijksstructuurvisie wordt (ruwweg) gesteld dat de kans dat de blauwalg terug komt voldoende zwaar weegt om te besluiten alsnog te verzilten. Aan verzilten van het VZM kleven echter ook nadelen, onder meer voor de recreatie. Die nadelen voor de recreatie worden onvoldoende onderkend in de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten. 

Het voornaamste nadeel voor de waterrecreatie ligt in het opnieuw in bedrijf nemen van de Manderssluis en het Benedensas. Daarmee vermindert de bereikbaarheid van de Brabantse binnenwateren, omdat geschut moet worden om de havens achter de sluizen (zes jachthavens met gezamenlijk zo’n 1550 ligplaatsen) te bereiken. Daarnaast is stankoverlast voorzien van rottende zeesla, juist bij de Manderssluis en het Benedensas. 

Deze extra barrière voor onze klanten heeft een sterk negatief effect, zowel op het aantal overnachtingen van passanten als voor de aantrekkelijkheid van de vaste ligplaatsen. Dat blijkt duidelijk uit het feit dat de havens achter deze twee sluizen pas goed tot ontwikkeling zijn gekomen na de afsluiting van de Philips- en Oesterdam. In de MKBA is dit negatieve effect amper meegenomen voor de passanten en helemaal niet voor de vaste ligplaatsen, terwijl het overgrote deel van de inkomsten van een jachthaven komt uit de liggelden van de vaste ligplaatshouders. Het niet meenemen van deze negatieve effecten is in onze ogen onterecht. 

Verzilten van het VZM zal een zeer zware wissel trekken op de rentabiliteit en levensvatbaarheid van onze havens. 

Naast dit effect op de havens langs het VZM, hebben wij nog meer opmerkingen over de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten. Om deze brief leesbaar te houden, zijn deze argumenten opgenomen in de bijlage bij deze brief. Die bijlage is dan ook niet enkel ter onderbouwing, maar maakt een volwaardig deel uit van onze zienswijze. 

Een van de drie doelstellingen in de structuurvisie is nieuwe ontwikkelingen voor regionale economie. Voor de havens achter de Manderssluis en het Benedensas is het effect van een zout VZM echter juist tegengesteld. 

Wij vragen u om:

Voorlopig af te zien van verzilting van het VZM, totdat duidelijk is of de overlast van blauwalg terugkeert.
Geheel af te zien van verzilting van het VZM als in een later stadium blijkt dat de kans dat overlast van blauwalg terugkeert nihil is.
Te onderkennen dat verzilting van het VZM forse negatieve effecten met zich meebrengt voor de havens achter de Manderssluis en het Benedensas.
De rijksstructuurvisie en de onderliggende MER en MKBA te heroverwegen en zo nodig aan te passen op de punten zoals in de bijlage bij deze brief genoemd.  

Deze zienswijze wordt zowel digitaal als schriftelijk ingediend. Wij zien uw reactie in de Nota van Antwoord tegemoet. 

Namens onderstaande bedrijven en met vriendelijke groet, 

Willem de Neve

Jachthaven de Schapenput 

Deze zienswijze wordt namens de volgende bedrijven ingediend:

1)      Jachthaven Waterkant

2)      Jachtcentrum Dintelmond

3)      Jachthaven de Vlije

4)      Bunkerstation AM van der Kolk

5)      Stevens Nautical

6)      Jachthaven de Schapenput 

 

Bijlage bij zienswijze op de Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

 

In deze bijlage staan de specifieke punten weergegeven waar wij vinden dat de concept rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (hierna de rijksstructruurvisie) en de onderliggende MKBA en MER tekort schieten. Er is voor gekozen om de bezwaren in te delen naar die drie documenten, waardoor mogelijk enige overlap is ontstaan tussen de diverse kanttekeningen.

Deze kanttekeningen zijn onderdeel van de zienswijze en niet enkel ter ondersteuning. De reden om ze in een bijlage te zetten is om de leesbaarheid van de bijbehorende zienswijzebrief te vergroten. 

Rijksstructuurvisie:
Het maken van een doorvaarbare verbinding tussen VZM en Grevelingen zou volgens de structuurvisie een positieve bijdrage leveren aan de waterrecreatie. Voor de havens langs het Volkerak-Zoommeer is dit echter een nadeel, aangezien het makkelijker wordt om direct door te varen naar de Grevelingen. Die optie wordt dus aantrekkelijker ten opzichte van verblijven in één van de havens langs het VZM, zeker aangezien dit tegelijk gebeurt met het herinvoeren van schutbedrijf van de Manderssluis en het Benedensas, het minder bereikbaar zijn voor diepstekende schepen van de havens van Ooltgensplaat en Oude Tonge en de waarschijnlijke stankoverlast van rottende zeesla (bij de Manderssluis en het Benedensas). Dit effect zou meegenomen moeten worden in de structuurvisie.

In de structuurvisie is bij de geraamde kosten geen post opgenomen voor eventuele schadevergoedingen aan jachthavens achter de sluizen. Aangezien wij inschatten dat de effecten voor de jachthavens langs het VZM juist sterk negatief zijn (zie hieronder), zou een dergelijke post, in ieder geval voor deze jachthavens, wel opgenomen moeten worden.
Op pagina 52 van de structuurvisie wordt gesteld dat bij een zout VZM het water helderder wordt. Dit is echter alleen zo als wordt aangenomen dat de overlast van blauwalg terugkeert. De andere referentiesituatie, waarin de huidige situatie gehandhaafd blijft, wordt niet genoemd. Dit geeft een vertekend beeld, aangezien de helderheid van het water in dat geval hetzelfde blijft en dus geen positief effect oplevert bij verzilting.
Daarnaast is ook geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat het water troebeler wordt. Een vertroebeling zou juist voor een verslechtering van de waterkwaliteit zorgen ten opzichte van de huidige situatie en kan door twee mechanismen worden veroorzaakt. Ten eerste is troebelheid kenmerkend voor brak water, een situatie die zich aan de oostkant van het Krammer-Volkerak voor zal doen, gezien de hoeveelheden zoet water die het meer in worden gebracht. Ten tweede is er de mogelijkheid dat zoutminnende plaagalgen zich ontwikkelen, wat juist in het westelijke deel van het Krammer-Volkerak voor vertroebeling kan zorgen.
Naar onze mening moet deze mogelijke vertroebeling (en dus verslechtering van de waterkwaliteit) worden meegenomen in de scores die (deels) op waterkwaliteit zijn gestoeld. Dit geldt voor de rijksstructuurvisie én de onderliggende documenten.
In de structuurvisie wordt op meerdere plaatsen gesproken over het verdwijnen van blauwalg wanneer het VZM zout wordt. Dit is geen eerlijke voorstelling van zaken. Ten eerste omdat dit niet overeen komt met de huidige werkelijkheid (waarin de overlast van blauwalg nog slechts minimaal is) en ten tweede omdat dit slechts één van de twee gebruikte referentiescenario’s is. Hierdoor wordt in de structuurvisie een verkeerd beeld geschetst van de huidige situatie en van de voordelen die verzilting oplevert. Dit wordt dermate vaak genoemd dat het beeld ontstaat van vooringenomenheid; de rijksstructuurvisie lijkt te zijn toegeschreven naar de beslissing om het VZM te verzilten. Naar onze mening moet de rijkstructuurvisie hierop worden aangepast, zodat een evenwichtigere afweging kan worden gemaakt of al dan niet verzilt moet worden.
In de begroting zijn de operationele kosten van het herintroduceren van schutbedrijf (zowel beheer als onderhoud) bij zowel de Manderssluis als het Benedensas niet meegenomen. Het is reëel te verwachten dat 24 uur per dag schutten een dermate significante kostenpost is dat dit meegenomen moet worden in de begroting van de structuurvisie.
Als rekening wordt gehouden met een schutregime waarbij de sluizen niet 24 uur per dag beschikbaar zijn, wordt juist de schadepost voor de jachthavens achter de sluizen (zie onderstaand voor meer hierover) nog groter.
In de structuurvisie zijn twee referentiealternatieven opgenomen, terwijl in de quick scan waterkwaliteit en ecologie VZM drie mogelijke paden zijn gegeven voor de toekomst van een zoet VZM. Naast een stabiele situatie en een verslechterende situatie, is het ook mogelijk dat de situatie in het VZM verbetert (als waterplanten zich uitbreiden en het effect van de quaggamossel versterken). Door deze derde situatie niet mee te nemen als referentiealternatief, ontstaat onterecht het beeld dat de enige mogelijkheden voor een zoet VZM stilstand en achteruitgang zijn. Om tot een evenwichtige afweging te komen, is het naar onze mening nodig om een derde referentiealternatief door te rekenen voor het VZM.  

MKBA:
Op pagina 35 van de MKBA wordt aangegeven dat het sluizencomplex Benedensas in de zomer circa 2000 schuttingen telt. Ten eerste wordt daarmee geïmpliceerd dat er in de huidige situatie ook wordt geschut, wat niet het geval is. Ten tweede is dit een sterke onderschatting van het aantal passages, blijkens de aantallen passanten in de havens achter die sluis. Het is waarschijnlijk dat de 300 tot 350 passages van de Manderssluis ook een onderschatting zijn van het werkelijke aantal. De MKBA zou hierop aangepast moeten worden, aangezien dit leidt tot een onderschatting van de effecten (die naar onze mening negatief zijn; zie onderstaand).

In de MKBA worden verouderde gegevens gebruikt (voetnoot 34 op pagina 35) over de verwachte groei van de recreatievaart. Ondertussen is duidelijk dat er juist krimp optreedt in deze sector en dat het voor veel jachthavens lastiger wordt om te overleven doordat er een overschot bestaat aan ligplaatsen in Nederland (zie rapportage ‘Jachthavens aan de vooravond van roerige tijden’ van de Rabobank). De negatieve effecten van verzilting van het VZM (uiteengezet in onderstaande punten) zullen daardoor extra zwaar aankomen bij de havens rond het VZM. Hiermee zou rekening moeten worden gehouden in de MKBA.
Op pagina 66 van de MKBA wordt gesteld dat er op dit moment niet wordt geïnvesteerd in nieuwe overnachtingsplaatsen in de verblijfsrecreatie rond het VZM door de slechte kwaliteit van het water. Dit is incorrect, in ieder geval voor de gemeente Steenbergen maar wellicht ook op andere plaatsen rond het VZM. Over het algemeen zijn ruimtelijke ordening en natuurwetgeving de beperkende factor waardoor het onzeker is of een plan doorgaat en niet de waterkwaliteit. Een (mogelijke) verbetering van de waterkwaliteit zal daardoor geen invloed hebben op het al dan niet investeren in verblijfsrecreatie. In de MKBA wordt dus onterecht een positief effect op verblijfsrecreatie toegekend aan de optie om te verzilten.
In paragraaf 6.7.2 van de MKBA is, vanaf onderaan bladzijde 66, het effect op jachthavens meegewogen, maar in onze ogen is daarbij een groot deel van de negatieve effecten buiten beschouwing gelaten. In het onderstaande staat uiteengezet om welke negatieve effecten dit gaat:
In het stuk over recreatievaart is geen rekening gehouden met de effecten van verzilting van het VZM op de vaste ligplaatsen bij de havens rond het VZM. Dit is een onterechte omissie, aangezien het overgrote deel van de omzet van de havens in het gebied komt uit het verhuren van deze vaste ligplaatsen. Het effect van verzilting op de vaste ligplaatsen zal daardoor een veel sterkere economische weerslag hebben op de havens dan het effect op passanten.
Door het sluiten van de sluizen en de mogelijkheid dat er, juist rond de sluizen, stankoverlast ontstaat door rottende zeesla, is een negatief effect te verwachten op de vaste ligplaatsen. Dit kan de vorm aannemen van een verminderde bezettingsgraad, een lager tarief per ligplaats of een combinatie van die twee. Hoe dan ook zal het economische effect op de havens significant zijn, omdat de kosten voor het runnen / onderhouden van een haven niet dalen met een lagere prijs per ligplaats of een lagere bezetting.
Deze effecten moeten zeker beschouwd worden in de MKBA. Het is te verwachten dat het netto effect van verzilting op de havens achter de twee sluizen sterk negatief uitpakt. De conclusie over recreatievaart zal daarmee ook een stuk negatiever uitpakken dan nu weergegeven.
Er wordt zonder onderbouwing aangenomen dat het aantal jaarlijkse overnachtingen per ligplaats in havens rond het VZM door een verbeterde waterkwaliteit omhoog gaat naar het gemiddelde voor de hele delta (met de getallen die in de MKBA worden aangenomen betekent dit meer dan een verdubbeling). Er zijn echter dermate veel factoren die het aantal passanten beïnvloeden, dat het erg onwaarschijnlijk is dat alleen een verbetering in waterkwaliteit een dergelijk effect zal hebben. Daarnaast is in de huidige situatie de waterkwaliteit dermate goed dat niet verwacht mag worden dat de verbetering zo sterk is dat dit een positief effect op het aantal passanten zal hebben. In de MKBA zou het effect van een (mogelijke) verbetering van de waterkwaliteit dus op nul gesteld moeten worden.
Er wordt gemeld dat de passageduur voor de recreatievaart bij de sluizen in ‘de Brabantse rivieren’ langer wordt door de noodzaak om continu te schutten. Dat impliceert dat er nu ook al geschut moet worden, wat niet het geval is. Het schutten is dus een nieuwe factor bij een verzilting van het VZM. Dit onderscheid is belangrijk, omdat het psychologische verschil voor klanten van jachthavens tussen wel of niet schutten veel groter is dan het verschil tussen korter of langer schutten. Met dat  effect zou in de MKBA rekening gehouden moeten worden.
De bovenstaande extra passageduur wordt in de MKBA weggestreept tegen de gemiddeld 5 minuten korter wordende passageduur in de Krammersluizen. Het is echter te verwachten dat die kortere schuttijd bij de Krammersluizen er eerder voor zorgt dat meer recreanten er voor kiezen om door te varen richting Zeeland in plaats van langs het VZM te overnachten. Dus er is voor de havens langs het VZM sprake van twee cumulatieve negatieve effecten in plaats van een positief en een negatief effect die tegen elkaar weggestreept kunnen worden.
Er wordt in de MKBA aangenomen dat de tijden voor schutten en dergelijke nauwelijks van invloed zijn op de keuze van een watersporter voor een bepaald gebied. Daarbij wordt een onderzoek van de heer Vrolijks uit 1999 aangehaald. De heer Vrolijks heeft echter veel recenter aangegeven dat de havens achter de Manderssluis en het Benedensas juist tot bloei zijn gekomen nadat die sluizen open zijn gegaan.
De praktijkervaring leert dat veel waterrecreanten opzien tegen sluispassages of er zelfs angst voor hebben, zeker bij wat grotere drukte of als er mensen op de wal staan te kijken. Vooral het invaren en afmeren in de sluis brengt stress met zich mee. De duur van het schutten is daarbij minder van belang; het maakt niet zo veel uit of dat 10 of 15 minuten duurt.
Het verwaarlozen van de schuttijden, zoals in de MKBA wordt gedaan, is dus onterecht (in ieder geval zonder daar nieuw / nader onderzoek naar te doen).
In de MER wordt gesteld dat er stankoverlast te verwachten is van rottende zeesla, specifiek bij de drie sluizen waar zoet en zout water aan elkaar grenzen. Twee van die sluizen zijn de Manderssluis en het Benedensas. Stankoverlast bij deze sluizen vormt een extra barrière voor watersporters, zeker in combinatie met de wachttijd voor het schutten. Dit is een extra negatief effect voor de havens achter de sluizen en moet worden meegenomen.
Bij het bepalen van de kosten en baten voor recreatievaart zou meegewogen moeten worden dat de hier beschreven negatieve effecten er in de huidige lastige marktomstandigheden (zie rapportage ‘Jachthavens aan de vooravond van roerige tijden’ van de Rabobank) voor kunnen zorgen dat een jachthaven niet langer levensvatbaar is en failliet gaat. Als uit analyse blijkt dat een dergelijk effect verwacht mag worden, vallen de kosten voor de recreatievaart veel hoger uit. Dit geldt voor de MKBA en in het bijzonder voor de REES.
Een ander negatief effect op de jachthavens rond het VZM is dat het effect van verzilting op sportvissen negatief is (zie pagina 141 van de MER). Aangezien een deel van de klanten van de jachthavens sportvissers zijn, worden de havens rond het VZM minder aantrekkelijk voor die doelgroep bij verzilting. Dit effect moet ook meegewogen worden in de bepaling van de kosten voor de recreatieve sector rond het VZM.
Het maken van een doorvaarbare verbinding tussen VZM en Grevelingen zou een positieve bijdragen leveren aan de waterrecreatie. Voor de havens langs het Volkerak-Zoommeer is dit echter een nadeel, aangezien het voor watersporters makkelijker wordt om direct door te varen naar de Grevelingen. Die optie wordt dus aantrekkelijker ten opzichte van verblijven in één van de havens langs het VZM, zeker in combinatie met het sluiten van de Manderssluis en het Benedensas, het minder bereikbaar zijn voor diepstekende schepen van de havens van Ooltgensplaat en Oude Tonge en de waarschijnlijke stankoverlast van rottende zeesla (bij de Manderssluis en het Benedensas). Deze optie zou het negatieve effect op de havens dus versterken.
Ook de voorziene kweek van schelpdieren op een zout VZM heeft een negatief effect op de recreatievaart dat niet is meegenomen in de MKBA. Ten eerste betekent de aanwezigheid van de (blauwe) tonnen voor de mosselkweek een verslechtering van de belevingswaarde van het VZM.
Ten tweede zal de mosselkweek de vaarruimte beperken, wat een direct negatief effect heeft op de geschiktheid van het VZM voor de recreatievaart. Daarnaast is hiervan een indirect effect te verwachten, doordat de recreatievaart gemiddeld dichter bij de beroepsvaart zal komen. Dit zorgt voor een verslechterde situatie voor de (vaar)veiligheid op het VZM.
Deze effecten van schelpdierkweek in het VZM zullen langs deze weg een negatieve impact hebben op de havens rond het VZM en zouden meegenomen moeten worden in de effectberekening in de MKBA.
De hierboven genoemde negatieve effecten zouden ook verwerkt moeten worden in de indirecte effecten voor de recreatie (pagina 101 van de MKBA).
Op pagina 82 van de MKBA wordt gesteld dat een zout VZM voordeel oplevert voor de landbouw door de zoetwatermaatregelen die dan genomen moeten worden. Daarom worden landbouwbaten toegerekend aan verzilting van het VZM. In de rijksstructuurvisie is echter opgenomen dat de ingrepen om het zoetwatersysteem robuuster te maken ook voordeel hebben bij een zoet VZM (deze maatregelen zijn aangeduid als ‘altijd goed’). De baten van deze alternatieve zoetwatervoorziening zouden dus niet alleen bij verzilting meegenomen moeten worden in de berekening van de NCW, maar ook bij de referentiealternatieven.
Op pagina 101 en verder van de MKBA wordt gekeken naar de tijdelijke extra effecten op de regionale economie door het uitvoeren van de maatregelen. Er is echter niet gekeken naar tijdelijke extra negatieve effecten. Een effect dat in ieder geval meegenomen zou moeten worden is dat in een overgangsperiode van zoet naar zout de aantrekkelijkheid van het VZM achteruit zal gaan. In ieder geval zal dan een groot deel van de zoetwaterorganismen dood gaan, wat rotting en stank met zich mee kan brengen. Het is daarnaast voorstelbaar dat de aanpassing die de natuur in en om het VZM dan ondergaat ook andere negatieve effecten met zich meebrengt.
Op pagina 104 van de MKBA wordt gemeld dat de natuur in het VZM op dit moment achteruit gaat. De reden hiervoor is echter dat voor het gebied ook natuurwaarden zijn gedefinieerd die samenhangen met zout water. Specifiek gaat dit om de habitattypen ‘Zilte pionierbegroeiingen (zeemuur én zeekraal)’ (H1310_A en _B) en voor ‘Schorren zilte graslanden (buitendijks)’ (H1330_A), zie hiervoor ook pagina 86 van de MER. Het is echter duidelijk dat bij een zoet VZM die natuurwaarden niet in stand kunnen blijven. Het vasthouden aan de natuurwaarden voor het VZM die samenhangen met zout water is redeneren naar de uitkomst toe. Als het VZM zoet blijft, is het reëel om te verwachten dat deze natuurwaarden worden aangepast. Daarom mag ons inziens het stoppen van de achteruitgang van die natuurwaarden niet meegewogen worden bij de baten van verzilten van het VZM. Dit resulteert in een minder positief natuureffect van verzilting.
Op pagina’s 105 en 106 van de MKBA wordt aangegeven dat er voor de omwonenden van het VZM een verhoogde recreatieve gebruikswaarde van zwemmen optreedt bij verzilting. Dit zou een gevolg zijn van de verbetering van de waterkwaliteit bij het referentiescenario waarin de blauwalg terugkeert. Hierin is echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat in een zilt VZM juist overlast ontstaat van bijvoorbeeld zeesla, wat een negatief effect op de recreatieve gebruikswaarde van zwemmen betekent. Dit zou hierin meegewogen moeten worden.
Dit effect is nog sterker op de plaatsen waar brak water ontstaat, dus vooral bij de drie sluizen waarlangs zoet water het VZM in stroomt, omdat brak water gekenmerkt wordt door troebelheid. Recreanten ervaren brak water over het algemeen als onprettig om in te zwemmen.
In de REES (vanaf pagina 128 van de MKBA ) worden dezelfde aannames gebruikt als in de MKBA, dus de bovenstaande aanmerkingen op de MKBA gelden ook voor de REES.
In de REES zijn alleen baten opgenomen en geen kosten. Normaliter zou dit een correcte weergave zijn van zaken (aangezien het een effectenstudie betreft en geen kosten-baten afweging), maar in dit specifieke geval wordt de regio gevraagd (fors) mee te betalen aan de aanpassingen.
De redenering die nu gevolgd wordt in de rijksstructuurvisie is dat er baten zijn voor de regio en dat de regio daarom mee kan (moet) betalen aan het nemen van de maatregelen. Dat betekent dat er een duidelijke samenhang is tussen de regionale kosten en baten van de in de rijksstructuurvisie opgenomen veranderingen.
Het niet meewegen van het geld dat de regio bij moet dragen maakt dat de REES een verkeerd beeld geeft van de impact op de regio. De REES daarom geen goed instrument om deze impact duidelijk te maken en zou vervangen moeten worden door een regionale versie van de MKBA.
In de conclusies van de MKBA wordt in paragraaf 9.2 (pagina 136 en verder) gekeken naar de optimale volgorde van de te maken keuzes. De uitkomst hiervan is dat de beslissingen tegelijk genomen moeten worden. Er is in deze redenering echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid om te wachten met het verzilten van het VZM om te zien of de overlast van blauwalg al dan niet terugkeert. Uit de quick scan waterkwaliteit en ecologie blijkt namelijk dat de mogelijkheid bestaat dat de waterkwaliteit in het VZM autonoom verder verbetert.
Als het VZM zoet blijft en er blijkt dat de blauwalg niet terugkeert, worden forse kosten vermeden. Daar tegenover staan de eventuele extra kosten van het later verzilten van het VZM, maar die kosten zijn, voor zover uit de stukken blijkt, alleen hoger in de optie waarbij getij via de Grevelingen naar het VZM wordt gebracht.
Aangezien volgens de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten het verzilten van het VZM via de Oosterschelde een valide optie is, bestaan dus wel degelijk een mogelijkheid én een goede reden om te wachten met de beslissing om het VZM al dan niet zout te maken en te bezien of de waterkwaliteit autonoom op orde blijft en wellicht verbetert. Deze optie moet nader onderzocht worden om een goede afweging op basis van de rijksstructuurvisie te kunnen maken.
In paragraaf 9.6 (vanaf pagina  144 in de MKBA ) worden de risico’s behandeld van het uitvoeren van de maatregelen in de rijksstructuurvisie. Deze risico’s worden echter niet meegewogen in de MKBA, terwijl het voornaamste risico van het niet nemen van de maatregelen, de terugkeer van blauwalg in het VZM, wel zwaar mee wordt gewogen. Daardoor ontstaat in de MKBA een scheef beeld van de voor- en nadelen van de maatregelen in de rijksstructuurvisie (vooral wat het verzilten van het VZM aangaat). Voor een evenwichtig beeld is het noodzakelijk om ook de risico’s die in paragraaf 9.6 genoemd zijn mee te wegen. Naar onze mening schiet de MKBA daardoor tekort in haar huidige vorm en zou aangepast moeten worden.
Een andere mogelijkheid om de MKBA evenwichtiger te maken waar het om risico’s gaat, is door ook de risico’s die samenhangen met het niet nemen van de maatregelen (wederom: vooral de mogelijke terugkeer van blauwalg) niet mee te wegen in de MKBA. Het referentiescenario waarin de blauwalg terugkeert zou dan komen te vervallen. Deze mogelijkheid zou overwogen moeten worden.
In paragraaf 9.6.1 van de MKBA is het risico niet opgenomen dat velden met zeesla kunnen ontstaan, met stankoverlast tot gevolg, terwijl dit risico wel blijkt uit de MER. Dit moet ook meegewogen worden in de berekeningen in de MKBA.
Op pagina 88 van de MER is aangegeven dat veel soorten broedvogels zonder intensief beheer in de autonome situatie geen broedplaatsen meer zullen kunnen vinden in het Krammer-Volkerak. Dergelijk intensief beheer zou meegenomen moeten worden in de REES, aangezien hiervan een positief economisch effect voor de regio van te verwachten is.
Op pagina 132 van de MER wordt aangegeven dat er bij een zout VZM een negatief effect te verwachten is op de leveringszekerheid voor zoet water in (onder andere) het Mark-Dintel-Vliet stelsel. Dit is een gevolg van het te verwachten hogere zoutgehalte van het Hollandsch Diep, vooral in perioden van lage rivierafvoer. Dit heeft een negatief effect op de landbouw, vooral omdat verwacht mag worden dat een periode van lage rivierafvoer vaak samenvalt met een hogere waterbehoefte van de landbouw (beiden kunnen het gevolg zijn van een droge periode). Dit negatieve effect is onterecht niet meegenomen in de MKBA bij de effecten op de landbouw rond het VZM. Zeker in combinatie met het eerder genoemde argument dat de zoetwatermaatregelen die sowieso een positief effect hebben (de ‘altijd goed’ maatregelen) niet als positief effect van verzilting meegewogen mogen worden, is het goed mogelijk dat het totale effect op de landbouw negatief uitpakt. Wij zijn van mening dat de MKBA op dit punt moet worden aangepast.
Tijdens een informatie-avond in Steenbergen (op 24-11-2014, georganiseerd door de plaatselijke VVD-fractie) gaf de heer Boeters (Rijkswaterstaat) in zijn presentatie “Volkerak-Zoommeer, zoetwaterbekken onder druk” aan dat sinds 2008 in het VZM onder meer het volgende speelt: “oplopende zoutgehalten (o.a. door achterstallig onderhoud aan zoetzout scheidingssysteem Krammersluizen)”. Op pagina’s 14 en 15 van de MKBA staat aangegeven dat in beide referentiescenario’s de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen groot onderhoud ondergaat. Vervolgens is op pagina 45 van de MKBA te lezen dat in de kosten voor het referentiealternatief 25,5 miljoen Euro is begroot voor groot onderhoud.
Echter, het feit dat er achterstallig onderhoud is aan de zoet-zout scheiding van de Krammersluizen betekent dat (noodzakelijk) onderhoud niet is uitgevoerd. Dit brengt logischerwijs een kostenbesparing met zich mee. Het is te verwachten dat als de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen naar behoren onderhouden was, de kosten voor groot onderhoud een stuk lager zouden liggen in het referentiealternatief of dat groot onderhoud wellicht helemaal niet nodig zou zijn geweest.
Dit betekent dat de op pagina 45 genoemde onderhoudskosten (fors) te hoog geschat zijn en dat dit bedrag naar beneden aangepast moet worden om een juiste invulling van de MKBA te krijgen.
Verder is noch in de rijksstructuurvisie noch in de MKBA of de MER benoemd dat het groot onderhoud dat nodig is aan de Krammersluizen (op zijn minst deels) voortkomt uit achterstallig onderhoud. Daardoor wordt in de hele rijksstructuurvisie een verkeerd beeld van de situatie geschetst. Het hoge chloridegehalte en het verhelpen daarvan door het doorspoelen met zoet water zijn geen intrinsieke eigenschappen van een zoet VZM, maar een artefact dat is gecreëerd doordat er voor gekozen is om de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen niet te onderhouden.  Hiermee is het beeld dat in de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten wordt geschetst van de zoete referentiesituaties te negatief. Het achterstallig onderhoud zou meegewogen moeten worden en de rijksstructuurvisie zou hierop moeten worden aangepast, inclusief de onderliggende documenten. 

Uit de MER:
In de MER wordt telkens wanneer het verdwijnen van de blauwalgproblematiek aan bod komt meteen het voorbehoud gemaakt dat die problematiek in de toekomst terug kan keren. Een dergelijk voorbehoud wordt echter niet gemaakt wanneer aangegeven wordt dat de waterkwaliteit verbetert door verzilting van het VZM, terwijl wel degelijk het risico bestaat op achteruitgang van de waterkwaliteit door potentieel hoge algenconcentraties, rottende zeesla bij de sluizen en troebelheid waar het water brak wordt. Voor een evenwichtig beeld zou dat risico even sterk benoemd moeten worden als het risico dat de blauwalg terugkeert.

Eén van de randvoorwaarden voor het nemen van de maatregelen uit de rijksstructuurvisie (zie pagina 40 van de MER) is dat er geen waterkwaliteitsproblemen veroorzaakt mogen worden. Doordat het risico bestaat dat zoute plaagalgen ontstaan in een verzilt VZM wordt niet aan die randvoorwaarde voldaan. Het niet voldoen aan die randvoorwaarde wordt verder niet benoemd noch meegewogen in de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten. Dit is in onze ogen onterecht, aangezien het niet voldoen aan een randvoorwaarde betekent dat de maatregel niet uitgevoerd mag worden.
In de MER wordt aangegeven dat een getijslag van 30 centimeter op het VZM het minimum is om de kans op zoute plaagalgen zo klein mogelijk te houden. Er mag echter verwacht worden dat in dit getal een onzekerheid schuilt, wat betekent dat het mogelijk is dat 30 centimeter getijslag onvoldoende is om zoute plaagalgen tegen te gaan. Aan de andere kant is 30 centimeter getijslag ook meeteen het maximum, omdat meer niet haalbaar is vanwege onder meer schade aan de natuur en effecten op de scheepvaart (zie paragraaf 3.3.2 op pagina 42 van de MER). De positieve effecten op waterkwaliteit van het toelaten van getij in het VZM rusten dus op een precaire balans. Als blijkt dat die balans anders uitvalt en 30 centimeter getijslag onvoldoende blijkt te zijn voor het tegengaan van zoute plaagalgen bestaat niet de mogelijkheid om dit met een grotere getijslag op te lossen. Aan het risico dat de 30 centimeter getijslag onvoldoende blijkt te zijn vanuit het oogpunt van waterkwaliteit wordt in de rijksstructuurvisie te weinig aandacht besteed.
Op bladzijde 98 van de MER zijn de bestuurlijke afwegingen weergeven bij beslissingen over de waterhuishouding. Deze zijn samengevat als veilig – veerkrachtig – vitaal. Om deze ambities waar te maken, moet een wijziging van de waterhuishouding een aantal kwaliteiten hebben. Met andere woorden: de waterhuishouding kan alleen worden gewijzigd als aan al deze kwaliteiten / eisen wordt voldaan. De plannen om het VZM te verzilten schieten op een aantal punten tekort.
Ten eerste is het onzeker dat de waterkwaliteit verbetert. Het is mogelijk dat na verzilting overlast volgt van zoute algen (voor sommige specifieke plekken wordt het zelfs waarschijnlijk geacht dat er overlast volgt; met name zeesla bij de drie sluizen op de grenzen van zoet en zout) en daarnaast is te verwachten dat de delen van het VZM die na verzilting brak worden ook vertroebeling zullen vertonen. Dit betekent een verslechtering van de waterkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie, wat betekent dat de waterhuishouding niet gewijzigd zou mogen worden, tenzij bestuurlijk besloten wordt om (deels) dan de geformuleerde ambitie af te stappen.
Ten tweede is de bijdrage aan de aantrekkelijkheid van de delta voor recreëren twijfelachtig wanneer het VZM wordt verzilt. Daarbij verwijzen we naar de eerder gegeven argumenten over het sterke negatieve effect van verzilting op de jachthavens langs het Krammer-Volkerak en naar de hierboven genoemde mogelijke afname van de waterkwaliteit. Ook op deze grond zou de waterhuishouding van het VZM dus niet gewijzigd mogen worden, tenzij bestuurlijk besloten wordt om (deels) dan de geformuleerde ambitie af te stappen.
In de lijst met kwaliteiten op bladzijde 98 van de MER wordt over waterkwaliteit en natuur gesteld dat het resultaat (van een wijziging in de waterhuishouding) moet kunnen voldoen aan de huidige of aan beter passende doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000. Hiermee wordt aangegeven dat er bestuurlijke ruimte is om die doelen te veranderen als blijkt dat ze niet goed passen.
De eerder genoemde doelen voor het VZM voor zoute habitats, ‘Zilte pionierbegroeiingen (zeemuur én zeekraal)’ (H1310_A en _B) en voor ‘Schorren zilte graslanden (buitendijks)’ (H1330_A), zijn duidelijk niet passend voor de huidige situatie van een zoet VZM. Gezien de bestuurlijke ruimte om meer passende doelen vast te stellen, mag verwacht worden dat bij een beslissing om het VZM zoet te houden de doelen voor zoute habitats verlaten kunnen en zullen worden. Dit is een extra argument om bij de bepaling van het effect van de beide zoete referentiesituaties op de ontwikkeling van de natuurwaarden van het VZM de effecten op deze doelen voor zoute habitats niet mee te nemen. In dat geval vermindert de negatieve impact op natuur voor de referentie, waardoor het in de rijksstructuurvisie gevonden positieve effect op natuur voor alle alternatieven met een zout VZM kleiner wordt. Dit heeft mogelijk impact op de optelsommen van effecten, zoals onder andere weergegeven in tabel 8.1 uit de rijksstructuurvisie.
In tabellen 12 en 13 van de MER (pagina’s 108 en 109) staat het zoutgehalte (van het VZM) als apart kwaliteitscriterium genoemd. Hier wordt in de tekst echter niets over gezegd. Dit impliceert dat een van de uitgangspunten bij het opstellen van de MER is dat een zout VZM sowieso beter is dan een zoet VZM, ook los beschouwd van andere effecten. Een dergelijk uitgangspunt impliceert vooringenomenheid bij het opstellen van de MER. Het zoutgehalte van het VZM zou niet als criterium mogen gelden bij het beslissen om het VZM al dan niet te verzilten. En als het wel wordt opgenomen, moet hier op zijn minst een zeer goede onderbouwing voor worden gegeven.
Op pagina 141 van de MER is aangegeven dat in de situatie waarin de blauwalg wegblijft grote hoeveelheden waterplanten worden verwacht die hinder kunnen opleveren. Dit wordt genoemd als negatief effect in de autonome situatie waarin de blauwalg niet terugkeert. Wat daarbij niet onderzocht is (of ander niet weergegeven staat in de MER en de quick scan waterkwaliteit en ecologie Volkerak-Zoommeer), is of het goed op diepte houden van de vaargeulen (wat sowieso moet gebeuren) deze overlast voor de recreatievaart weg kan nemen, waardoor ook het negatieve effect in de genoemde referentiesituatie wegvalt. Dit zou nader onderzocht moeten worden.
Een aspect van deze grote hoeveelheden waterplanten is ook dat dit een verdere verbetering betekent van de waterkwaliteit, aangezien deze waterplanten het effect van de quaggamossel versterken (de derde mogelijkheid voor de toekomst die is genoemd in de quick scan waterkwaliteit en ecologie Volkerak-Zoommeer). Aangezien in de MER rekening wordt gehouden met de negatieve effecten van deze waterplanten, zouden ook de extra positieve effecten die ze hebben meegewogen moeten worden.
Op bladzijde 141 van de MER is ook aangegeven dat er kans is op het ontstaan van overlast door zeesla of andere mariene algen, met name bij de sluizen naar zoet water; Volkeraksluizen, Dintelsas en Benedensas (paragraaf 6.8.1). Toch is deze verandering (als gevolg van verzilting van het VZM) als positief voor de recreatie beoordeeld, ondanks het feit dat deze overlast specifiek voorkomt op twee zeer belangrijke plaatsen voor de recreatievaart; de beide toegangssluizen tot het Mark-Dintel-Vliet stelsel. Zie hiervoor ook onze opmerkingen bij het bepalen van de effecten op recreatievaart in de MKBA.
Verder is in de MER niets opgenomen over de kans dat zeesla een veel wijder verspreid probleem wordt bij een zilt VZM, terwijl de voorziene getijslag van 30 centimeter het theoretische minimum is om een dergelijke situatie te voorkomen. Dit zou nader onderzocht moeten worden.
Het is ook niet duidelijk waarom bij het oordelen over deze verandering alleen wordt gekeken naar de referentiesituatie waarin de blauwalg terugkeert. Juist in vergelijking met de andere referentiesituatie, waarin de blauwalg niet terugkeert, mag verwacht worden dat het effect van verzilting op waterkwaliteit (en dus ook recreatie) negatief is als wordt gekeken naar de potentiële overlast van zeesla. Op dit punt van de MER zouden beide referentiesituaties bezien moeten worden.
Op pagina 148 van de MER is aangegeven dat zout en getij de belevingswaarde van het VZM verhogen. Hierin is echter niet meegewogen dat de hierboven genoemde stankoverlast van rottende zeesla een negatief effect heeft op de beleving. Daarnaast zal er een negatief effect zijn van de schelpdierkweek, omdat op het VZM dan vele (blauwe) tonnetjes komen te drijven en een substantieel deel van de oostkant van het Krammer-Volkerak dan niet langer toegankelijk is. Dit effect is nog sterker wanneer de schelpdierkweek op grote schaal plaats zal vinden, zoals voorzien in de rijksstructuurvisie. Deze punten zouden alsnog meegenomen moeten worden in het bepalen van het effect van verzilten op de belevingswaarde van het VZM.
Op pagina 151 van de MER wordt in paragraaf 6.12.1 gesteld dat er kans blijft op het ontstaan van overlast door zeesla of andere mariene algen (met name bij de sluizen). Vervolgens wordt aangegeven dat dit een positief effect is ten opzichte van de referentiesituatie waarin de blauwalg terugkeert. Maar er wordt (wederom) niet gekeken naar het effect ten opzichte van de situatie waarin blauwalg niet terugkeert, wat overeen komt met de actuele situatie. Terwijl verwacht mag worden dat het effect ten opzichte van die tweede referentiesituatie neutraal is, of zelfs negatief in verband met de voorziene zeesla. Het effect van verzilten op wonen is daarom te positief ingeschat (zie ter vergelijking ook de opmerkingen hierover bij recreatie).
Vervolgens wordt in tabel 39 op pagina 152 van de MER het effect van zout en getij in het VZM als positief weergegeven, ook voor de referentiesituatie waarin de blauwalg wegblijft. Deze inschatting wordt niet onderbouwd, wat impliceert dat daarin geen rekening is gehouden met de overlast van zeesla. Logischerwijs zou het effect als neutraal of negatief beoordeeld moeten worden, tenzij goed wordt onderbouwd waarom dit als een positieve verandering is aangemerkt.
In tabel 41 op pagina 157 van de MER is bij elk alternatief waar het VZM wordt verzilt in de kolom ‘natuur VZM en omgeving’ weergegeven dat de effecten overwegend positief zijn. Er zijn echter, zoals in het voorgaande is vermeld, kanttekeningen te zetten bij de beoordeling van deze effecten (vooral het feit dat de achteruitgang van zoute habitattypen bij een zoet VZM als negatief effect wordt beoordeeld, zie hierboven voor een nadere uitwerking daarvan). Een herwaardering van deze effecten waarin deze kanttekeningen worden meegenomen zou op zijn plaats zijn.
In tabel 43 op pagina 160 van de MER is bij elk alternatief waar het VZM wordt verzilt in de kolom ‘recreatie VZM en omgeving’ weergegeven dat de effecten zowel positief als negatief zijn. Echter, gezien de kanttekeningen die in het bovenstaande zijn gezet (die wijzen op meer negatieve effecten op recreatie in en om het VZM) is een herwaardering van deze kolom op zijn plaats. Er mag verwacht worden dat de beoordeling bij een zout VZM verandert naar ‘overwegend negatief’ of zelfs ‘uitsluitend negatief’.
In diezelfde tabel 43 word de optie ‘doorvaarbare opening’ als uitsluitend positief voor de recreatie in het VZM beoordeeld. Zoals in het bovenstaande vermeld, mag verwacht worden dat het effect voor de jachthavens langs het VZM juist negatief is. Dit oordeel verdient daarom heroverweging.
Het is verder mogelijk dat de overige eindoordelen in hoofdstuk 7 van de MER, in de genoemde tabellen, de bijbehorende teksten en de conclusies in paragraaf 7.4, beïnvloed worden door de kanttekeningen en opmerkingen hierboven. In dat geval is ook daar een heroverweging op zijn plaats.
In paragraaf 7.5 van de MER (pagina 162 en verder) is aangegeven wat gedaan kan worden om mogelijke negatieve effecten te voorkomen. Naar onze mening zou in deze paragraaf ook voor de in deze zienswijze genoemde negatieve effecten op recreatie gekeken moeten worden hoe deze te voorkomen zijn. 

Mogelijke oplossingsrichtingen:

Als het VZM niet wordt verzilt spelen ook de volgende twee problemen nog:

1)      Het meer is nog steeds eutroof, ook al wordt de blauwalg weggegeten door de quaggamossel.

2)      Het is mogelijk dat alleen het bijwerken van het achterstallig onderhoud aan de zoet-zout scheiding van de Krammersluizen onvoldoende is om de zoutindringing in het VZM tegen te gaan.

Wij denken dat er voor beide problemen technische oplossingen mogelijk zijn. 

ad 1):

Het nutriëntenrijke water van het VZM kan gebruikt worden als voedingsbodem voor het kweken van riet of algen. Door het oogsten hiervan worden voedingsstoffen weggenomen uit het VZM. Daarnaast is een dergelijke oogst in te zetten als grondstof in de biobased economy, bijvoorbeeld om te verstoken in een energiecentrale (laagwaardige toepassing) of als grondstof voor de chemische industrie (hoogwaardige toepassing). Vooral met de kweek van algen is de laatste jaren veel ervaring opgedaan en er lopen meerdere pilot-projecten, bijvoorbeeld in de slufter op de eerste Maasvlakte.

Een extra synergie met algenkweek wordt bereikt doordat in Bergen op Zoom de Green Chemistry Campus gevestigd is, een business accelerator voor biobased innovaties op het snijvlak van agro en chemie. Het mes snijdt dus aan drie kanten: verwijdering van voedingsstoffen uit het VZM, zetten van een stap op weg naar het gebruik van hernieuwbare grondstoffen en een bijdrage aan de regionale (innovatieve) economie.

Wij willen u vragen om deze optie nader te onderzoeken. Een keuze om het VZM niet te verzilten kan hierdoor aantrekkelijker worden. 

ad 2):

Wij werken aan een ontwerp voor een simpel doch doeltreffend systeem om het zoute water dat in het VZM terecht komt terug te loodsen naar de Oosterschelde. Wij kunnen u dit ontwerp nog niet aanbieden omdat het eerst nog nader doorgerekend moet worden, maar wij zullen dit naar u toesturen binnen een door u te stellen redelijke termijn.

Wij willen u vragen dit ontwerp te beoordelen en mee te wegen in de beslissing omtrent de verzilting van het VZM. Als deze relatief goedkope optie om de zoutindringing naar het VZM binnen de perken te houden gerealiseerd wordt, maakt dat het zoet houden van het VZM aantrekkelijker. 

 


ZIENSWIJZE OP DE ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE GREVELINGEN EN VOLKERAK-ZOOMMEER EN BIJBEHORENDE STUKKEN, KENMERK LK/0062

 


Bergen op Zoom, 26 november  2014

 

Directie Participatie

Ontwerp Rijksstructuurvisie                                                                                               
Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Postbus 30316

2500 GH Den Haag

 

via http://www.platformparticipatie.nl/projecten/alle-projecten/projectenlijst/grevelingen-volkerak-zoommeer/ontwerprijksstructuurvisie/index.aspx 

Reeds digitaal ingediend op 26 november 2014  

 

Betreft:          Zienswijze op de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en bijbehorende stukken, kenmerk LK/0062 

L.S., 

Algemeen
Voor het verbinden van een zout ecologisch probleemgebied (de Grevelingen) met een nu vrijwel gezond zoet milieu (het Volkerak-Zoommeer), ontbreekt iedere logica. Het zal een massale sterfte geven van flora en fauna en langdurig ernstige overlast. De kans is groot dat een doorlaat in de Brouwersdam een beperkt getij zal geven zonder te komen tot een stabiel getijdenmilieu. De kans is ook groot dat het totale systeem een voedingsbodem gaat vormen voor zoute blauwalgen en zeesla en problemen gaat geven zoals die nu optreden in de Oostzee.  

Het ontwikkelperspectief, zoals door de zeven gemeenten rond het gebied verwoord in Verbonden Toekomst, is gebouwd op drijfzand. Het heeft de schijn dat het alleen is opgeschreven om de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie te verleiden tot uitwerking van de verziltingsoptie voor het Volkerak-Zoommeer. In Bergen op Zoom, en mogelijk ook in de andere betrokken gemeenten is Verbonden Toekomst niet in de gemeenteraad besproken, laat staan als visie document vastgesteld.

Een voorbeeld van de misleiding van de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie is de wijze waarop het college van Burgemeester en Wethouders van Bergen op Zoom naar de gemeenteraad reageert over elementen uit de visiekaart Verbonden Toekomst (pagina 28 van de Ontwerp-rijksstructuurvisie en pagina 31 van Verbonden Toekomst).

Bij brief van 19 november 2014 kenmerk U14-045100 laat het college van B&W der gemeente Bergen op Zoom weten: “het College van Bergen op Zoom heeft evenwel geen fiducie in de voorgestelde (vakantie)woningbouw.”  Hoe de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie kunnen denken dat er ruim 105 miljoen euro uit gebiedsontwikkeling zou moeten kunnen komen is de fractie Ons Water dan ook een raadsel en maakt het moeilijk de Ontwerp-rijksstructuurvisie uitvoerbaar te achten. 

Onderbouwing
Ons Water heeft geconstateerd dat de MKBA feitelijk een optelsom is van wat per onderdeel er aan baten en soms lasten zijn. De baten lijken gemaximaliseerd weergegeven te zijn, terwijl de eventuele lasten aanzienlijk minder uitgebreid zijn geïnventariseerd. Wat ontbreekt zijn de interacties van beoogde ontwikkelingen op elkaar.

Waar is de interactie van de komst van de schelpdierkweek op het toerisme?

Als voorbeeld: op pagina op 113 van het Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie (oktober 2014) is te vinden dat het Volkerak-Zoommeer totaal 10.527 hectare groot is waarvan 7.387 hectare water. 3.236 hectare is dus geschikt voor de schelpdierkweek (pagina 80, MKBA). Als we dan ook de vaargeul beschouwen, blijft er bitter weinig aantrekkelijks over voor de andere beoogde functies van het verzilte Volkerak-Zoommeer. Het beeld van vele drijvende markeringstonnen en vele hectares water die voor de recreatievaart gesloten zullen worden, verkleinen de toekomstige kansen voor de recreatie fors. Van de recreatieve vergezichten zal weinig overblijven. Waar is de optelsom van baten minus die negatieve effecten op elkaar van alle geschetste toekomst opties?  

Wat Ons Water opvalt is dat in de onderbouwing van de in de Ontwerp-rijksstructuurvisie opgenomen toekomstbeelden niet is gekeken naar het verleden. Het lijkt alsof er geen gegevens zijn van de nulsituatie (vóór de aanleg van de compartimenteringsdammen), toen het Volkerak-Zoommeer nog zout was en eb en vloed vrij spel hadden.

In de rapporten: “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat 1968, worden nadrukkelijk de oorzaken van de verzilting van westelijk Nederland en de verzilting van boezemwateren en (landbouw)gronden, ook die in West-Brabant in beeld gebracht.

Uit deze rapportages blijkt dat in 1965 het boezemwater tot ongeveer de westelijke stadsgrens van Steenbergen meer dan 5000 mg Cl/per liter bevatte. Tot een lijn die in een boog liep van Ossendrecht over Heerle, Kruisland, Stampersgat, Fijnaart en Willemstad bevatte het boezemwater 2000/5000 mg Cl/per liter. Tot een lijn die globaal liep van westelijk Roosendaal over Oud Gastel naar Klundert bevatte het boezemwater 500/1000 mg Cl/per liter. In het besef dat voor de land- en tuinbouw water nodig is met chloridegehaltes beneden de 300 mg per liter moge het duidelijk zijn dat verzilting van het Volkerak-Zoommeer de land- en tuinbouw potenties in het werkgebied van de Brabantse Delta aanzienlijk zal verslechteren.

Het gestelde op pagina 154 van de MKBA: “Door een zout Volkerak-Zoommeer neemt het chloridegehalte van het kwelwater toe in een zone van enkele honderden meters tot maximaal 1,5 km, grenzend aan het Volkerak-Zoommeer. Door de aanwezigheid van kwelsloten kan oppervlaktewater met verhoogde chloridegehalten worden afgevangen en afgevoerd, waardoor geen nadelige gevolgen optreden voor de landbouw”, is dan ook nauwelijks serieus te nemen. Wat is de onderbouwing? Dit is in strijd met de gegevens uit “De waterhuishouding van Nederland d.d. 1968” een document opgesteld door Rijkswaterstaat zelf! Natuurlijk weet ook Ons Water dat er toen geen bellenschermen functioneerden, maar dat er wel geschut werd om de zoutlekkage te beperken. Dus is het waarschijnlijk dat zoute kweleffecten op een aanzienlijk grotere afstand zullen optreden dan enkele honderden meters!

Het zelfde geldt voor het gestelde in het Milieueffectraport op pagina 134: “Conclusie.” “Herintroductie van zout en getij in het Volkerak-Zoommeer heeft een neutraal effect op de zoutindringing naar het achterland, met uitzondering van een licht negatief effect op de havendokken van Antwerpen en het Antwerps Kanaalpand.”

Wat is de onderbouwing? Dit is in strijd met de gegevens uit “De waterhuishouding van Nederland d.d. 1968”

Een advies van Ons Water is: neem je zelf serieus. Lees en begrijp de implicatie van de MKBA tekst op pagina 144: “Er zijn maar weinig voorbeelden van projecten waarin een ecosysteem wordt aangepast van een zoetwatersysteem naar zoutwatersysteem.

In het “Advies Deltaplan Zoetwater” is op pagina 43 te lezen: “In de zuidwestelijke Delta voert de regio maatregelen uit die overwegend gericht zijn op het bestendigen van zoete landbouwcondities. Die focus ligt op het conserveren of uitbreiden van zoetwatervoorraden. Op de korte termijn zet de regio in op vijf maatregelen: Het in kaart brengen van de zoet-zoutverdeling in de bodem. Deze kartering kan worden beschouwd als onderlegger voor alle andere maatregelen.” 

Een tweede advies van Ons Water in deze is: wacht deze kartering af en betrek deze samen met de vermelde rapporten uit 1965/1968 bij een meer realistische inschatting van de toekomstige verzilting van (landbouw)gronden en wateren in West-Brabant. 

Als laatste opmerking in zake de onderbouwing wil Ons Water opmerken dat wij volledig hebben gemist hoe de inhoud van de Ontwerp-rijksstructuurvisie zich verhoudt met eerdere rapporten zoals “Waterbeleid voor de 21e eeuw” van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw onder voorzitterschap van F. Tielrooij, waarin de zoetwater voorraad van het Volkerak-Zoommeer van het grootste belang werd verklaard voor de strijd tegen de verzilting van (zuid) westelijk Nederland.

De leverzekerheid
In de samenvattingen in de stukken wordt met regelmaat vermeld dat de leverzekerheid van de (landbouw)waterinlaten verbetert als alle voorgenomen maatregelen zijn gerealiseerd. De vraag is altijd in dit soort zaken: wat is de referentie waarmee vergeleken wordt?
In dit geval memoreert Ons Water graag aan de geschiedenis. Het nu volgende is een tekst overgenomen uit het Milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer uit april 2012 (pagina 87/88):  “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloridenorm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”. 

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”.

“In het “droge” jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.”.  

Feit is dat het gehanteerde maximale chloridegehalte keer op keer is verhoogd c.q. beperkt in tijd. Maar dat niet alleen. In de “Joint Fact Finding zoet water” is op pagina 20 te lezen: “Het Volkerak-Zoommeer is de laatste jaren aanmerkelijk zouter geworden door de toegenomen zoutlekkage van de Krammersluizen. Het meerjarig zomergemiddelde is 415 mgCl/l. Incidenteel wordt in de zomer de normconcentratie van 450 mgCl/l overschreden. In de zomer van 2011 was de overschrijding langdurig (eind april-half juli, met een maximum van 615 mgcl/l) doordat ten gevolge van de langdurige lage rivierafvoer de doorspoeling moest worden beperkt.”.  

Wat vermeld is voor de Krammersluizen, gaat naar onze inzichten ook op voor de Bergse Diepsluis. Rijkswaterstaat koos er dus voor om de zoetwater inlaat te beperken ten voordele van de bestrijding van de verzilting vanuit de Nieuwe Waterweg. Dit ten nadele van onze inlaten en onze boeren. Van de afspraken kwam dus niets terecht. Weg leverzekerheid, niet door een act of God maar door een beslissing van de waterbeheerder.

Kijkend naar inlaattabellen lijkt het of stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar de informatie van Ons Water de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Voor onze fractie geldt dat, als het gaat om de leverzekerheid ten aanzien van zoutgehalten, men uit dient te gaan van de zoutgehalten in het Volkerak-Zoommeer als men zich zou houden aan de gemaakte afspraken en de achterstallige onderhoudswerkzaamheden aan de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zouden zijn uitgevoerd.  

Ten aanzien van de kwantitatieve leverzekerheid is helder dat een waterinlaat via de Roode Vaart verre van zeker is. In tegendeel. Op pagina 30 in de Joint Fact Finding is onder het subkopje ‘Watertekort’ de volgende tekst te vinden: “Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door de Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoet waterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”  

Van een inlaat via een categorie 2 route wordt ons agrarisch bedrijfsleven straks afhankelijk van een categorie 4 inlaat route. Hoezo een verbetering van de leveringszekerheid? Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is en men zich zou houden aan de afspraken en de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis fatsoenlijk zou onderhouden, was er nu geen sprake van leveronzekerheden door verzilting! Rijkswaterstaat zou zich moeten houden aan de afspraken qua chloridegehalten en werk moet maken met het onderhoud van de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis, zeker nu het Volkerak-Zoommeer vermoedelijk tot 2028 zoet blijft.  

In dit kader enkele citaten uit de MKBA:

  • Pagina xi: “Het bellenscherm in de Krammersluizen levert direct baten op en is kosteneffectief bij zowel een zoet als een zout Volkerak-Zoommeer, doordat ook een zout Volkerak-Zoommeer pas over enkele jaren mogelijk is.”
  • Pagina xii (figuur D): “verzilveren no-regrets en kansen – Bellenscherm Krammersluis”
  • Pagina 24 (optie 6): “Standaard wordt bij het grote onderhoud aan de Krammersluizen uitgegaan van vervanging van de zoet-zoutscheiding door een traditionele oplossing. Deze vergt een grote investering en een lange gebruiksduur om economisch aantrekkelijk te zijn. Wanneer deze oplossing bij een zout Volkerak-Zoommeer voortijdig overbodig wordt, is sprake van kapitaalvernietiging. Een optie bij alle alternatieven is om de bestaande zoet-zoutscheiding te vervangen door een bellenscherm vanwege de reistijdwinsten voor de scheepvaart en mogelijk lagere levensduurkosten. Ook bij varianten waarin het Volkerak-Zoommeer op termijn zout wordt en de zoet-zoutscheiding niet meer nodig is, levert dit voordeel op. Er is sprake van minder kapitaalvernietiging en met een bellenscherm ervaart de scheepvaart al direct minder reistijdverlies.” 

In deze citaten ziet Ons Water alle reden dat Rijkswaterstaat voor de periode tot minimaal 2028 ten spoedigste het zoutlek in de Krammersluizen middels een bellenscherm aanpakt, zoals vermeld als no-regret maatregel in de MKBA. Ons Water wenst nadrukkelijk dat, gezien het bij leveringszekerheid van goed zoet water voor de landbouw, de inlaat aan het Hollandsch Diep ten behoeve van de Roode Vaart in het kader van de verdringingsreeks een categorie 2 inlaat wordt . Er is naar onze mening geen principieel verschil als het gaat om verziltingbestrijding met de inlaat bij de Volkeraksluizen.  

Dan de feitelijke huidige kwaliteit als het over de blauwalg gaat. Op pagina 38/39 van de MKBA is te lezen: “Sinds 2008 is door de aanwezigheid van de quaggamossel de blauwalgproblematiek afgenomen. In 2012 en 2013 zijn er geen innamestops meer geweest.” Dit lijkt een heldere uitspraak. Het verbaast Ons Water dan ook dat in de “Joint Fact Finding zoet water” op pagina 22 is te lezen: “In 2012 zijn vanaf eind augustus, dus laat in het seizoen, de Brabantse inlaten aan de Eendracht dichtgezet wegens blauwalgen (mondelinge mededeling ……. (ingevuld was een naam van een ambtenaar) – Waterschap Brabantse Delta.)” .  

Wij hebben nog nooit eerder in openbare stukken van de Rijksoverheid gelezen “mondelinge mededeling van….” Maar als die mededeling in strijd is met een schriftelijke mededeling in een MKBA bevreemdt dat Ons Water zeer en worden wij argwanend. Wat is de waarheid en hoe kan het dat in een belangrijk stuk als de “Joint Fact Finding zoet water” iets anders staat dan in een MKBA? Wat zijn de feiten?  

Ook de kwalitatieve zekerheid roept vragen op. Het woord ‘bruinrot’ komt in de stukken maar zelden voor en al helemaal niet in de ontwerprijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Ook in de MKBA is er tevergeefs naar gezocht. Ook op pagina 157 van de MKBA, waar geschreven wordt over de “aanpassing inlaat Oosterhout”, lijkt bruinrot niet te bestaan.

Curieus is de inhoud van de Zoetwaterrapportage 2012. Op pagina 41 is de navolgende tekst te vinden over water dat via Oosterhout in het Mark-Vliet stelsel komt: “Het risico bestaat dat dit water verontreinigd is met de bruinrotbacterie die in Oost-Brabant voorkomt en een bedreiging kan vormen voor de aardappelteelt in West- Brabant.”.  

De “Joint Fact Finding zoet water” is helder. Bijvoorbeeld uit figuur 2 op pagina 19 blijkt dat de inlaat bij Oosterhout een wezenlijk deel (10 m3/s.) uitmaakt van de beoogde zoetwatervoorziening. Niet helemaal helder is waar die 10 m3/s. vandaan komt. Uit de Amer, het Wilhelminakanaal of allebei? Wat tevens opvalt is dat in de factsheets in de “Joint Fact Finding zoet water” op enkele plaatsen (pagina 47 (PAN-polders) en pagina 51 (Mark-Vliet systeem)) bruinrot als probleem wel wordt aangegeven.

Als voorbeeld de tekst op pagina 51: “De leveringszekerheid in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt mogelijk beïnvloed door de watervraag voor zoutlekbestrijding bij een zout Volkerak-Zoommeer, die een hogere prioriteit krijgt. Wegens extra inlaat vanuit het Hollandsch Diep voor de doorvoer naar Zeeland en PAN-polders en zoutbestrijding wordt het bruinrotprobleem kleiner.”. Men erkent het probleem dus wel!!!!  

Ons Water is ronduit verbijsterd dat het bruinrotprobleem slechts zijdelings wordt aangestipt en van een aanpak geen sprake lijkt en dat terwijl de levering vanuit Oosterhout voor geheel het kleigebied van West-Brabant van eminent belang is. Het zal helder zijn dat Ons Water het noodzakelijk vindt dat de bruinrotproblematiek wordt aan gepakt. Zonder de aanpak van de bruinrotbacterie in het water, dat via de inlaat Oosterhout naar de kleigebieden van West-Brabant komt, is van een verbetering van de leverzekerheid geen sprake!  

Toerisme/Recreatie/Sportvisserij 
In de Ontwerp-rijksstructuurvisie is veel aandacht voor de ‘positieve’ kanten die zouden zitten aan de verzilting van het Volkerak-Zoommeer voor de recreatie. Er zijn echter ook veel nadelen voor de recreatie, verbonden aan een eventuele verzilting.

Het voornaamste nadeel voor de waterrecreatie ligt in het opnieuw in bedrijf nemen van de Mandersluis en het Benedensas. Daarmee verminderen de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van de West-Brabantse binnenwateren, omdat geschut moet worden om de wateren en havens achter de sluizen te bereiken. Het gaat daarbij om zes jachthavens met een gezamenlijke capaciteit van ruim 1500 ligplaatsen.  

Een extra sluispassage is nadelig voor een jachthaven, zowel voor het aantal overnachtingen van passanten als voor de aantrekkelijkheid van de vaste ligplaatsen. Dat het effect van wel of niet schutten groot is, blijkt wel uit het feit dat de havens achter deze twee sluizen pas goed tot ontwikkeling zijn gekomen na de afsluiting van de Philips- en Oesterdam. Het overgrote deel van de inkomsten van een jachthaven komt uit de liggelden van de vaste ligplaatshouders. Deze zullen door onbenutte ligplaatsen en lagere tarieven dalen en dit bij gelijk blijvende kosten. Verzilten van het Volkerak-Zoommeer trekt daarmee een zeer zware wissel op de rentabiliteit en levensvatbaarheid van deze havens. In de Ontwerp-rijksstructuurvisie en de achterliggende documenten, voornamelijk de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) en de milieueffectrapportage (MER), zijn deze effecten niet adequaat meegenomen in de bepaling van het effect op de (water)recreatie. De stelling in de MKBA, dat het aantal overnachtingen van passanten in de jachthavens langs het Volkerak-Zoommeer toe zal nemen, is onjuist aangezien er eerder sprake zal zijn van een afname. De effecten op vaste ligplaatsen van havens wordt zelfs helemaal niet besproken.  

Een belangrijk deel van de waterrecreatie bestaat uit sportvisserij. Deze zal grotendeels verloren gaan. Zoetwatersportvissers zullen voor andere wateren kiezen en hun ligplaatsen in ons gebied opgeven. Het zal jaren duren voordat er aanwas zal zijn van zoutwatersportvissers, omdat het jaren zal duren voordat er een min of meer stabiel zoutwatermilieu zal zijn ontwikkeld die interessant is voor sportvissers. De opbouw van dat klantenbestand zal voor de watersportondernemers, zoals jachthavenexploitanten van onderop moeten gebeuren. Die hebben immers al ligplaatsen waar zij nu hun hobby beoefenen.  

Uitvoerbaarheid
De voorgenomen maatregelen worden in de stukken gepresenteerd als instandhoudingsmaatregelen. Als Ons Water deze toetst aan de uitleg van de Vogel- en Habitatrichtlijn lijkt dit standpunt niet houdbaar. De verzilting van het Volkerak-Zoommeer moet naar het gevoel van Ons Water worden opgevat als een project en dient vervolgens de complete procedure van een natuurbeschermingswet de vergunningsprocedure te doorlopen, inclusief de ADC-toets. Alleen deze procedure is een waarborg voor een zorgvuldige besluitvorming.

De verzilting wordt eerst voorgesteld als een systeemwijziging. Vervolgens wordt deze wijziging van systeem opgevat als een instandhoudingsmaatregel. Een instandhoudingsmaatregel richt zich op het in standhouden van het systeem. Het begrip ‘instandhouding’ wordt volgens artikel 1, onder a van de Habitatrichtlijn als volgt omschreven: “a) instandhouding: een geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier‑ en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding als bedoeld in de letters e) en i) “.

In artikel 2, lid 2, wordt nader gepreciseerd welke de doelstellingen zijn van de maatregelen die uit hoofde van de Richtlijn moeten worden genomen: “De […] genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier‑ en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen”.

Wat in de Ontwerp-rijksstructuurvisie en bijbehorende stukken wordt gepresenteerd als instandhoudingsmaatregelen lijkt in strijd met de natuurwetgeving zoals: de Vogel- en Habitatrichtlijn en de natuurbeschermingswet. Nu lijkt het dat, wanneer binnen een plan of project men denkt dat de doelen niet kunnen worden gehaald, de doelen worden aangepast. Helder is dat uit de geschiedenis van het beheer van het Volkerak-Zoommeer blijkt dat men niet echt moeite heeft gedaan de oorspronkelijke normen van het zoutgehalte te realiseren, met als nevengevolg dat de natuurdoelen behorende bij dat zoutgehalte niet zijn gerealiseerd. Ons Water komt tot deze conclusie omdat op diverse plaatsen in de stukken wordt gerefereerd aan de onderhoudssituatie van de Krammersluizen. 

Het meest pregnant is dat in het “Advies Deltaplan Zoetwater” op pagina 39 is te lezen: “Voordat een zout Volkerak-Zoommeer is gerealiseerd, is waarschijnlijk ook nog een zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen nodig. Kiest het kabinet voor een blijvend zoet Volkerak-Zoommeer, dan is herstel van de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen noodzakelijk om aan de huidige beheersafspraken en het waterakkoord te kunnen voldoen.” Het door ons vet weergegeven woord zegt veel: herstel! De bestaande zoet-zoutscheiding werkt dus al langere tijd niet of niet optimaal. Het komt Ons Water voor dat de voornemens, vermeld in de Ontwerp-rijksstructuurvisie niet binnen de huidige kaders van de (Europese) wetgeving uitgevoerd kunnen worden, want de voornemens in de Ontwerp-Rijksstructuurvisie bevatten voor de natuur meer nadelen dan voordelen en zijn derhalve in juridische zin niet uitvoerbaar.

De huidige trends/de quaggamossel
De afgelopen jaren is de overlast van de blauwalg in het Volkerak-Zoommeer aanzienlijk afgenomen door de graas van een in Nederland relatieve nieuwkomer (exoot): de quaggamossel. In de bij de Ontwerp-rijksstructuurvisie behorende stukken, zoals het milieueffectrapport, komt de ontwikkeling van de quaggamossel met regelmaat aan de orde, zie onder staande citaten uit het milieueffectrapport:

Pagina 80: “De autonome ontwikkeling van de waterkwaliteit in het Volkerak-Zoommeer is onzeker. Een scenario waarin de quaggamossel die zich in het gebied heeft gevestigd voor een blijvende verbetering zorgt, is voorstelbaar. Experts op dit gebied voorzien volgens de genoemde ‘Quick scan’ echter ook een ander scenario: terugval van het aantal van deze mosselen, gevolgd door opnieuw toenemende overlast van blauwalgen als gevolg van de nog steeds aanwezige grote hoeveelheden fosfaat en de hoge stikstofbelasting in het meer. Snelle groei gevolgd door een terugval van populaties exoten, onder meer door hun gevoeligheid voor ziekten, is een bekend verschijnsel en zou dus ook in het geval van de quaggamossel in het Volkerak-Zoommeer kunnen optreden.”

Pagina 81: “Bij een autonome ontwikkeling waarin de quaggamossel wel voor een blijvende verbetering zorgt, kan de toestand binnen enkele jaren verbeteren naar ‘goed’ voor doorzicht en het kwaliteitselement fytoplankton.” 

Pagina 104: “Sinds 2008 nemen de algenconcentraties af, met name als gevolg van begrazing door de quaggamossel die zich in het water heeft gevestigd. Deze situatie kan in het zichtjaar nog steeds aan de orde zijn, maar het is ook goed mogelijk dat de populatie van deze exoot weer geheel of gedeeltelijk uit het water is verdwenen en de algenconcentraties opnieuw zijn opgelopen.”

 De ‘experts’ geven in de stukken aan dat er een kans is dat deze exoot weer grotendeels verdwijnt. Een echte onderbouwing van deze gedachte wordt in geen van de geleverde stukken gegeven, behalve dat het een soort van risico is verbonden aan elke exoot. De quaggamossel (Dreissena bugensis) is weliswaar relatief kort in ons land (2004), maar een naast familielid, de driehoeksmossel is al langer hier. Deze komt al in Nederland voor sinds het begin van de 20e eeuw. Beiden komen uit het Ponto-Kaspische gebied en kunnen, zo is in het  Zwarte Zee gebied gebleken, nogal wat klimaatvariaties aan. Het is een mossel die houdt van zoet water met niet te hoge zoutgehalten en hecht zich graag aan een harde ondergrond. Hun belangrijkste kenmerk is: ze eten grote hoeveelheden fytoplankton, zoöplankton en algen waardoor het water zeer helder wordt. Toch zijn er tal van ‘experts’ die denken dat ze ook zomaar weer kunnen verdwijnen. Nu kan natuurlijk bijna alles. Dus ook ziekten zouden deze exoot kunnen bedreigen, maar als een familielid die hier al circa 90 jaar zich staande houdt (en voor een leek zijn ze bijna niet van elkaar te onderscheiden) dan lijkt dat ‘verdwijn-verhaal’ niet erg waarschijnlijk.  

In de circa 3.000 pagina’s die ik (Ons Water) heb gelezen met een relatie tot de Ontwerp-rijksstructuurvisie, heb ik gespeurd naar aanwijzingen waarop die verdwijntheorie van de quaggamossel gebaseerd zou kunnen zijn. Wij denken hem gevonden te hebben. Kijkend naar inlaattabellen lijkt het of bij stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar onze informatie de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak, lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Als, zoals nu gebeurt, sluipend de chloridegehaltes in het Volkerak-Zoommeer, mede door achterstallig onderhoud, stijgen dan is het helder: dan daalt de effectiviteit van de blauwalggraas van de quaggamossel en kan hij bij nog hogere zoutgehalten uit het Volkerak-Zoommeer verdwijnen. Hij verdwijnt dan niet door een ziekte, maar omdat zijn leefomgeving door wanbeleid wordt aangetast. Het al jaren niet voldoende onderhouden van bijvoorbeeld de Krammersluizen lijkt op het opzettelijk werken naar een zout Volkerak-Zoommeer.

Ons Water verwacht van een overheid, die goedkoop een overlastprobleem zou willen bestrijden, dat zij het hun werknemers (de quaggamossel) makkelijker zouden maken door zoutgehaltes omlaag te brengen en hier en daar te zorgen voor wat meer harde ondergronden waar deze beestjes zich op kunnen hechten. Geef de quaggamossel een faire kans de zoete biotoop die het Volkerak-Zoommeer nu is te volmaken. Dat kan als men zich aan de afspraken zou houden en de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zou herstellen. Bijvoorkeur snel en met een bellenscherm. Dat past binnen de no-regret maatregel zoals vermeld in de MKBA (pagina 143).  

Kosten
Bij het lezen van de rapportage maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA), één van de onderleggers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, heeft Ons Water bemerkt dat bij de opsomming van kosten van de diverse te nemen maatregelen ook vermeld is wat de jaarlijkse kosten van deze maatregelen zullen zijn. Onderstaand een, door Ons Water samengesteld, overzicht van de in de MKBA vermelde ingeschatte jaarlijkse kosten van investeringen, waarvan tevens vermeld is dat zij na realisering overgedragen zullen worden aan het waterschap Brabantse Delta.

Pagina 45/153/157

Jaarlijks onderhoudskosten overzicht in euro’s

Zoutbestrijding Dintelsas en Benedensas    150.000 Tabel 70/pagina 153.

Uitbreiding gemaal Hollands Diep               150.000

Inrichting kwelsloten                                         10.000

Verplaatsen inlaatpunten Dintel/Vliet           80.000

Ontmanteling inlaatpunten VLK-ZM         –  20.000

Aanpassen gemaal Roode Vaart                   450.000 Tabel 72/pagina 157

Aanpassen watergangen Vossemeer en
Auvergnepolder                                               250.000

Roode Vaart                                                     500.000 Tabel 15/pagina 45

In de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (een stuk uit 2012) is reeds vermeld dat het waterschap na realisering de zorg krijgt voor beheer, exploitatie en onderhoud van de werken. Tot op heden zijn er geen afspraken gemaakt over de vergoeding van de jaarlijkse kosten. Ons Water is van mening dat volgens het vervuiler-betaalt-principe de veroorzaker van de kosten van de verzilting tot in lengte van jaren de daaruit voortkomende lasten zal dienen te dragen. Het kan immers niet zo zijn dat de bewoners en bedrijven van West-Brabant blijvend de lasten van de verzilting van het Volkerak-Zoommeer zouden moeten dragen.  

De oorzaak van de sluipende verzilting/het ontbrekende alternatief
Het lijkt erop dat er ook invloeden van buiten de regio ten grondslag liggen aan de Ontwerp-rijksstructuurvisie. De honger naar zoet water!
Door de verzilting van laag Nederland is steeds meer zoet water nodig. Nu wordt de schuld gegeven aan zaken die we niet of nauwelijks kunnen beïnvloeden, zoals de klimaatverandering en de stijgende zeespiegel.

Maar dat is niet het hele verhaal. Reeds in de rapporten: “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat in 1968, wordt nadrukkelijk een andere oorzaak in beeld gebracht. Enerzijds logisch, want de klimaatverandering en de zeespiegelstijging waren nog niet politiek aan de orde, laat staan de tunnelvisie op dit punt. Natuurlijk spelen de klimaatverandering en de zeespiegelstijging een rol maar als de grootste oorzaak toen werd een andere schuldige aan gewezen: de veranderingen rond de Nieuwe waterweg!  

Vanaf eind vijftiger jaren van de vorige eeuw tot 1968 zijn er belangrijke ontwikkelingen geweest die de zoetwatervraag om de verzilting via de Nieuwe waterweg tegen te gaan hebben doen toenemen van circa 300 m3/s naar circa 700/800 m3/s. De uitbreiding van het havenareaal (Europoort, Botlekhavens, Eemhaven) en de verdieping van de vaarweg naar deze havens, alsmede de verdieping van de oliegeul vanuit zee naar de monding van de Nieuwe Waterweg hebben het vloedvolume toen enorm doen toenemen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de rivier zich aangepast heeft aan het toegenomen getijvolume op het traject van de rivier tussen de mond en de betreffende havens. Hierdoor ontstond een verdieping van de rivier in de periode 1958/1964 van circa 2 meter door een proces van terugschrijdende erosie op het traject Hoek van Holland – Maassluis. De verwachting in 1968 was dat dit proces voort zou gaan. Als aanpassing op dit proces werd de norm van het chloridegehalte ter hoogte van de Parkhaven (300mg/l) losgelaten en de toetsplek werd verlegd naar de mond van de Hollandsche IJssel en het advies gegeven: “de bodem van de Nieuwe Maas en de Nieuwe Waterweg te verhogen en vast te leggen.” (Bron: “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Gebeurde dit? Nee, het was volgens de politiek immers niet nodig en volgens Rotterdam en de havenbaronnen ongewenst. De Deltawerken kwamen er aan en het zoete water kon door de dammen gestopt worden en doorgeleid worden naar zee via de Nieuwe Waterweg. Maar de Rotterdamse groot muil werd nog groter. Sinds 1968 bleven er gewoon havens bij komen. Dit leidde er toe dat van oude afspraken steeds minder terecht kwam.

Als voorbeeld de geschiedenis van de afspraken rond het Volkerak-Zoommeer: “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloride norm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”  

“In het ‘droge’ jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.” (Bron;  pagina’s 87/88 van de Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie, oktober 2014).

Wie zijn de slachtoffers van deze zoet water honger van de Nieuwe Waterweg. De boeren en tuinders van Zuid-Holland, Zeeland en West-Brabant en de drinkwaterleidingbedrijven in laag Nederland en daarmee alle consumenten van dat drinkwater. Zij lijden de schades veroorzaakt door de verzilting in de vorm van mindere opbrengsten en hogere kosten. Natuurlijk erkent Ons Water dat Rotterdam en zijn havens voor de BV Nederland van onschatbare waarde zijn. Maar het jaar na jaar afwentelen van de verziltingproblemen op boeren, tuinders en drinkwaterbedrijven en het laten verzilten van zoete natuurgebieden, zoals laagveen moerassen, kan niet blijven voortduren. Het gat dat de Nieuw waterweg heet moet vergaand gedicht worden. Door sluizen die, als er gebrek is aan zoet water, geschut kunnen worden en door maatregelen, die al in 1965 en 1968 werden genoemd als alternatieven, zoals het verhogen/vastleggen van de bodem van de Nieuwe Waterweg eventueel met een drempel en luchtbellenschermen, die nu nog steeds als innovatief door Rijkswaterstaat worden betiteld maar in 1968 al in de grote schutsluizen te IJmuiden werden gebruikt (bron: pagina 33 “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Het wordt tijd dat de landelijke politiek zijn werk gaat doen en doorkrijgt dat vanaf eind jaren vijftig van de vorige eeuw de rest van Nederland gebruikt wordt als zoetwaterleverancier voor de eeuwig hongerige Nieuwe Waterweg. Rotterdam moet ophouden de problemen die haar havenactiviteiten veroorzaken af te wentelen op de rest van Nederland.

Er vanuit gaande dat de zoetwaterhonger van de Nieuwe Waterweg blijft en dat het zoete water voor doorspoeling van het Volkerak-Zoommeer nodig wordt geacht voor deze slokop, dan mist Ons Water een alternatief. Wat naar onze opvatting in de stukken ontbreekt is een alternatief wat zoet is, zonder de garantie van  de nu geldende chloridenorm van maximaal 450 mg/l. Met de absolute randvoorwaarde dat de zoetwatervoorziening voor de landbouw (Roode Vaart) wordt aangelegd en er bij de inlaat maatregelen komen die de inlaat van de bruinrotbacterie voorkomen. En als tweede randvoorwaarde: de snelle aanleg van een bellenscherm in de Krammersluizen.

Wat zijn de gevolgen van het loslaten van de huidige chloridenorm zonder opzettelijke verzilting?

  • Geen extra doorspoeling, niet meer noodzakelijk
  • Geen zoetwater meer nodig vanuit het Hollandsch Diep/Haringvliet systeem
  • Gevarieerder waterpeil word mogelijk
  • Minder gevaar voor zoutindringen in Haringvliet / Hollandse Diep
  • Makkelijker beheer Krammersluizen en vlottere doorvaart
  • Geen nadelige effecten op Oosterschelde en Westerschelde
  • Minder kans op verzilting omringende landbouwgronden

Voor de helderheid: Ons Water wijst verzilting van het Volkerak-Zoommeer af! 

Voor meer informatie/inzichten en artikelen die Ons Water heeft gepubliceerd over het Volkerak-Zoommeer zie onze website  http://onswater.com/dossier-volkerak-zoommeer/  

In afwachting van uw reactie in de Nota van Antwoord,

hoogachtend,

namens Ons Water 

L.H. van der Kallen

 


REACTIE OP CONCEPT ZIENSWIJZE ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE, KENMERK 0060

 


Bergen op Zoom, 17 november 2014

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

Betreft:          reactie fractie Ons Water/West Brabant waterbreed op de concept  zienswijze ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, kenmerk 0060

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Ten aanzien van het gestelde onder het kopje “Eerst het zoet, dan het zout” heeft onze fractie een probleem met de zin: “Omdat het zout maken van het Volkerak-Zoommeer voor 2028 is voorzien, gaan wij er vanuit dat er in de tussenliggende periode passende maatregelen zullen worden getroffen om het zoutlek bij de Krammersluizen, of de gevolgen ervan, afdoende tegen te gaan. Dit is noodzakelijk om aan de afspraken uit het Waterakkoord Volkerak-Zoommeer te kunnen voldoen.”

Onze fractie vindt dat dit concreter en steviger kan en wat ons betreft gewenst is. Wij onderschrijven dat de aanpak van het zoutlek bij de Krammersluizen noodzakelijk is om aan de gemaakte afspraken inzake de maximale chloride gehaltes op het Volkerak-Zoommeer te gaan voldoen. Onze pijn zit de frase “in de tussenliggende periode”.

Onderstaand enkele citaten uit de MKBA:

  • Pagina xi: “Het bellenscherm in de Krammersluizen levert direct baten op en is kosteneffectief bij zowel een zoet als een zout Volkerak-Zoommeer, doordat ook een zout Volkerak-Zoommeer pas over enkele jaren mogelijk is.”
  • Pagina xii (figuur D): “verzilveren no-regrets en kansen – Bellenscherm Krammersluis”
  • Pagina 24 (optie 6): “Standaard wordt bij het grote onderhoud aan de Krammersluizen uitgegaan van vervanging van de zoet-zoutscheiding door een traditionele oplossing. Deze vergt een grote investering en een lange gebruiksduur om economisch aantrekkelijk te zijn. Wanneer deze oplossing bij een zout Volkerak-Zoommeer voortijdig overbodig wordt, is sprake van kapitaalvernietiging. Een optie bij alle alternatieven is om de bestaande zoet-zoutscheiding te vervangen door een bellenscherm vanwege de reistijdwinsten voor de scheepvaart en mogelijk lagere levensduurkosten. Ook bij varianten waarin het Volkerak-Zoommeer op termijn zout wordt en de zoet-zoutscheiding niet meer nodig is, levert dit voordeel op. Er is sprake van minder kapitaalvernietiging en met een bellenscherm ervaart de scheepvaart al direct minder reistijdverlies.”

In deze citaten ziet de fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed alle reden voor een steviger inzet. De fractie Ons Water/West-Brabant Waterbreed verzoekt uw DB de woordener in de tussenliggende periode passende maatregelen zullen worden getroffen om het zoutlek bij de Krammersluizen” te vervangen door: “ten spoedigste het zoutlek in de Krammersluizen middels een bellenscherm aan te pakken, zoals vermeld als no-regret maatregel in de MKBA”.

Ten aanzien van het gestelde onder het kopje “Planning en aanpak van aanvullend onderzoek naar leveringszekerheid” acht onze fractie de laatste twee zinnen te afwachtend. Wij hebben geen probleem met iets onderzoeken, maar het kan geen kwaad nu reeds helder te maken wat wij willen en waarom. 

Ook hier eerst een citaat: Op pagina 30 van de “Joint Fact Finding zoet water” onder het kopje “Leveringszekerheid en efficiency” is de volgende tekst te vinden:  “Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoetwaterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”

Onze fractie wenst nadrukkelijk dat in de zienswijze helder wordt dat het waterschap Brabantse Delta van mening is dat, gezien ons belang bij leveringszekerheid van goed zoet water voor de landbouw, de inlaat aan het Hollandsch Diep in het kader van de verdringingsreeks een categorie 2 inlaat wordt. Er is naar onze mening geen principieel verschil als het gaat om verziltingbestrijding met de inlaat bij de Volkeraksluizen. Belangrijk is tevens dat we dan minder kans hebben gebruik te moeten maken van de waterinlaat bij Oosterhout als daar het risico is van bruinrot. Graag zagen we het voorgaande verwerkt in de zienswijze.

Ten aanzien van het gestelde onder het kopje “Financiering van maatregelen inclusief extra beheer en onderhoud” is de fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed van mening dat de laatste zin niet in overeenstemming is met de wensen zoals in het AB van 12 november is verwoord en ondersteund door een ruime meerderheid van de vergadering.

Wat ons betreft wordt in de zienswijze opgenomen  dat volgens het vervuiler-betaald-principe de veroorzaker van de kosten van de verzilting tot in lengte van jaren de daaruit voortkomende lasten zal dienen te dragen.

Dus, geacht DB, maak helder in de zienswijze dat het waterschap Brabantse Delta van de veroorzaker van de verzilting van het Vokerak-Zoommeer, de Rijksoverheid, voor beheer, onderhoud en exploitatie van de werken een adequate vergoeding verlangt op basis van de werkelijke kosten.

In afwachting van uw handelen,

hoogachtend,

Namens de fractie Ons Water/Waterbreed

L.H. van der Kallen

 


ZIENSWIJZE

 

| 13-11-2014 | 14:00 uur |


ZIENSWIJZE

 

volkerak zoommeer

Onderstaand mijn inbreng van 12 november 2014 bij de bespreking van de concept waterschapszienswijze op de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Met als resultaat dat de concept waterschapszienswijze wordt aangepast en later deze maand opnieuw wordt besproken in het algemeen bestuur van het waterschap.

Mevrouw de dijkgraaf,

De fractie Ons Water/ West-Brabant Waterbreed zal zich in onze bijdrage focussen op de mogelijke gevolgen voor ons waterschap van een eventuele verzilting van het Volkerak-Zoommeer. We gaan derhalve niet in op de redenen van het wel of niet verzilten van die buitenwateren, want wij als bestuur van het waterschap gaan daar niet over. Het waterschap is een territoriale overheid en ons AB en DB, alsmede onze ambtenaren hebben sec de belangen van ons waterschap en haar ingezetenen en de ingelegen (agrarische)bedrijven te behartigen. De fractie van Ons Water/ West-Brabant Waterbreed verwacht van ieder van onze ambtenaren en van het DB, als hij of zij het waterschap vertegenwoordigt een focus op de belangen van ons waterschap in al haar facetten. Die focus ziet onze fractie niet altijd terug in de uitingen van ons DB in de media of in de bijdragen aan de stukken die inzake het Volkerak-Zoommeer in de openbaarheid zijn gekomen. Ook waterschappen kennen een hoge mate van autonomie in de uitvoering van haar beleid.

Ten aanzien van de gevolgen voor het waterschap, die mijn fractie graag terug zou willen zien in de zienswijze van het waterschap, zijn wat ons betreft de volgende thema’s van belang:

  • de beperking van de verzilting van oppervlaktewateren binnen het territoir van ons waterschap
  • de beperking van de verzilting van grondwater en gronden binnen het territoir van ons waterschap
  • de leverzekerheid van (landbouw)water in termen van kwantiteit en kwaliteit
  • en de gevolgen voor de waterschapslasten.

De verzilting
Wat in alle door de fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed gelezen stukken:

  • Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer.
  • Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (oktober 2014).
  • MKBA bij Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer.
  • Verbonden Toekomst.
  • Deltaprogramma 2015 Werk aan de Delta.
  • Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer.
  • Zoetwater rapportage 2012.
  • Natuureffectenstudie bij de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. deel 1 en 2.
  • Joint Fact Finding zoet water.
  • Milieueffectrapportage Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer april 2012,
    opvalt is dat de onderzoekers/opstellers geen enkele moeite hebben gedaan om qua verziltingseffect van een zout Volkerak-Zoommeer een nulsituatie in kaart te brengen. Terwijl dit voor de inschatting van de verziltingseffecten van een mogelijk toekomstige zout Volkerak-Zoommeer van groot belang is om de gebruikte modellen te valideren en een hoger realiteitsgehalte te geven. In de literatuuropgaven in de stukken hebben wij niets gevonden van vóór de aanleg van de compartimenteringsdammen. Terwijl dergelijke informatie wel te vinden is.

Als voorbeeld het “Rapport van de centrale commissie voor de drinkwatervoorziening 1965” met de mooie titel: “De toekomstige drinkwatervoorziening van Nederland.”, gedrukt door de Staatsdrukkerij in 1967. Ik zou zeggen een betrouwbare bron van informatie. En dat de opstellers wisten waarover ze schreven werd mij door de volgende zin al duidelijk (pagina 73): “Om bij de Parksluizen aan de Rotterdamse Waterweg bij vloed nog water in te kunnen laten met een relatief laag chloridegehalte zou ten minste een hoeveelheid van 700 m3/sec rivierwater langs de Waterweg moeten worden afgevoerd.”. Dat stond in een rapport van bijna 50 jaar geleden! Nu met de kennis van de stijgende zeespiegel en de betere meetmethoden en computermodellen komen de geleerde dames en heren tot de conclusie dat 800 m3/sec. nodig is. De commissie van toen onder voorzitterschap van Mr. E.H.J. Baron van Voorst tot Voorst waren geen domme jongens. Uit deze rapportage blijkt dat in 1965 (figuur 24, pagina 72) het boezemwater tot ongeveer de westelijke stadsgrens van Steenbergen meer dan 5000 mg Cl/per liter bevatte. Tot een lijn die in een boog liep van Ossendrecht over Heerle, Kruisland, Stampersgat, Fijnaart en Willemstad bevatte het boezemwater 2000/5000 mg Cl/per liter. Tot een lijn die globaal liep van westelijk Roosendaal over Oud Gastel naar Klundert bevatte het boezemwater 500/1000 mg Cl/per liter. Deze gegevens zijn ook te vinden in “De waterhuishouding van Nederland” een rapportage uit 1968 (figuur 6, pagina 19). Natuurlijk weet onze fractie dat er toen geen bellenschermen functioneerden, maar dat er wel geschut werd om de zoutlekkage te beperken. Dus mogelijk zijn er ook zoute kwel effecten op een aanzienlijk grotere afstand dan enkele honderden meters!

Wij vinden de opmerking op pagina 154 van de MKBA dan ook volstrekt onvoldoende onderbouw, te weten: “Door een zout Volkerak-Zoommeer neemt het chloridegehalte van het kwelwater toe in een zone van enkele honderden meters tot maximaal 1,5 km, grenzend aan het Volkerak-Zoommeer. Door de aanwezigheid van kwelsloten kan oppervlaktewater met verhoogde chloridegehalten worden afgevangen en afgevoerd, waardoor geen nadelige gevolgen optreden voor de landbouw.”.

In het besef dat voor de land- en tuinbouw water nodig is met chloridegehaltes beneden de 300 mg per liter moge het duidelijk zijn dat verzilting van het Volkerak-Zoommeer de land- en tuinbouw potenties in het werkgebied van de Brabantse Delta aanzienlijk zou kunnen verslechteren en dat dit een veel grotere zoet water aanvoer nodig kan maken dan tot op heden door Rijkswaterstaat en door ons waterschap wordt voorgesteld. Onze fractie wil benadrukken dat op pagina 144 van de MKBA te lezen is: “Er zijn maar weinig voorbeelden van projecten waarin een ecosysteem wordt aangepast van een zoetwatersysteem naar zoutwatersysteem.”. In dat besef dienen modellen, waarop beslissingen genomen worden, die van groot belang zijn voor onze grond- en watergebruikers, goed en aantoonbaar onderbouwd worden.

De leverzekerheid
In de samenvattingen in de stukken wordt met regelmaat vermeld dat de leverzekerheid van de (landbouw)waterinlaten verbetert als alle voorgenomen maatregelen zijn gerealiseerd. De vraag is altijd in dit soort zaken: wat is de referentie waarmee vergeleken wordt?  In dit geval memoreert onze fractie graag aan de geschiedenis. Het nu volgende is een tekst overgenomen uit het Milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer uit april 2012 (pagina 87/88): “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloridenorm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”.

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”.

“In het “droge” jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.”.

Feit is dat het gehanteerde maximale chloridegehalte keer op keer is verhoogd c.q. beperkt in tijd. Maar dat niet alleen. In de “Joint Fact Finding zoet water” is op pagina 20 te lezen: “Het Volkerak-Zoommeer is de laatste jaren aanmerkelijk zouter geworden door de toegenomen zoutlekkage van de Krammersluizen. Het meerjarig zomergemiddelde is 415 mgCl/l. Incidenteel wordt in de zomer de normconcentratie van 450 mgCl/l overschreden. In de zomer van 2011 was de overschrijding langdurig (eind april-half juli, met een maximum van 615 mgcl/l) doordat ten gevolge van de langdurige lage rivierafvoer de doorspoeling moest worden beperkt.”.

Wat vermeld is voor de Krammersluizen, gaat naar onze inzichten ook op voor de Bergse Diepsluis. Rijkswaterstaat koos er dus voor om de zoetwater inlaat te beperken ten voordele van de bestrijding van de verzilting vanuit de Nieuwe Waterweg. Dit ten nadele van onze inlaten en onze boeren. Van de afspraken kwam dus niets terecht. Weg leverzekerheid, niet door een act of God maar door een beslissing van de waterbeheerder. Kijkend naar inlaat tabellen lijkt het of stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar mijn informatie de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Voor onze fractie geldt dat, als het gaat om de leverzekerheid ten aanzien van zoutgehalten, men uit dient te gaan van de zoutgehalten in het Volkerak-Zoommeer als men zich zou houden aan de gemaakte afspraken en het achterstallig onderhoud aan de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zou zijn uitgevoerd.

Ten aanzien van de kwantitatieve leverzekerheid is helder dat een waterinlaat via de Roode Vaart verre van zeker is. In tegendeel. Op pagina 30 in de Joint Fact Finding is onder het subkopje ‘Watertekort’ de volgende tekst te vinden:

“Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoet waterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”

Van een inlaat via een categorie 2 route wordt ons agrarisch bedrijfsleven straks afhankelijk van een categorie 4 inlaat route. Hoezo een verbetering van de leveringszekerheid? Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is en men zich zou houden aan de afspraken en de Krammer Sluizen en de Bergse Diepsluis fatsoenlijk zou onderhouden, was er nu geen sprake van leveronzekerheden door verzilting! Dus DB in de zienswijze dient te komen dat Rijkswaterstaat zich moet houden aan de afspraken qua chloridegehalten en werk moet maken met het onderhoud van de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zeker nu het Volkerak-Zoommeer vermoedelijk tot 2028 zoet blijft.

Dan de feitelijke huidige kwaliteit als het over de blauwalg gaat. Op pagina 38/39 van de MKBA is te lezen: “Sinds 2008 is door de aanwezigheid van de quaggamossel de blauwalgproblematiek afgenomen. In 2012 en 2013 zijn er geen innamestops meer geweest.” Dit lijkt een heldere uitspraak. Het verbaast onze fractie dan ook dat in de “Joint Fact Finding zoet water” op pagina 22 is te lezen: “In 2012 zijn vanaf eind augustus, dus laat in het seizoen, de Brabantse inlaten aan de Eendracht dichtgezet wegens blauwalgen (mondelinge mededeling (………. van een ambtenaar wiens naam ik maar niet noem in het openbaar) van – Waterschap Brabantse Delta.)” . Ik heb nog nooit eerder in openbare stukken van de Rijksoverheid gelezen “mondelinge mededeling van….” Maar als die mededeling in strijd is met een schriftelijke mededeling in een MKBA heb ik daar als volksvertegenwoordiger in dit huis grote moeite mee en word ik argwanend. Wat is de waarheid en hoe kan het dat in een belangrijk stuk als de “Joint Fact Finding zoet water” iets anders staat dan in een MKBA? Wat zijn de feiten? Het antwoord is belangrijk om werkelijk te kunnen beoordelen of de kwantitatieve leverzekerheid straks beter is.

Ook de kwalitatieve zekerheid roept vragen op. Het woord ‘bruinrot’ komt in de stukken maar zelden voor en al helemaal niet in de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Ook in de MKBA heb ik er tevergeefs naar gezocht. Ook op pagina 157 van de MKBA waar geschreven wordt over de “aanpassing inlaat Oosterhout” lijkt bruinrot niet te bestaan. Curieus is de inhoud van de Zoetwater rapportage 2012. Op pagina 41 is de navolgende tekst te vinden over water dat via Oosterhout in het Mark-Vliet stelsel komt: “Het risico bestaat dat dit water verontreinigd is met de bruinrotbacterie die in Oost-Brabant voorkomt en een bedreiging kan vormen voor de aardappelteelt in West- Brabant.”.

Op pagina 12 van de Zoetwater rapportage 2012 wordt in een omkaderd gedeelte verwezen naar de “nieuwe inzichten weergegeven van waterschap Brabantse Delta met betrekking tot de inzet van Oosterhout.”. Als je dan bijlage 5 van dat stuk leest (pagina 127/132) valt op dat bruinrot in dat stuk niet lijkt te bestaan. Wat ook opvalt is dat de opstellers vermeld zijn, maar, hoewel het stuk deels het karakter heeft van een zienswijze, het stuk niet getekend is door de dijkgraaf noch, dat het naar mijn beste weten, is behandeld in het DB.

De “Joint Fact Finding zoet water” is helder. Bijvoorbeeld uit figuur 2 op pagina 19 blijkt dat de inlaat bij Oosterhout een wezenlijk deel (10 m3/s.) uitmaakt van de beoogde zoetwatervoorziening. Niet helemaal helder is waar die 10 m3/s. vandaan komt. Uit de Amer, het Wilhelminakanaal of allebei? Wat tevens opvalt is dat in de factsheets in de “Joint Fact Finding zoet water” op enkele plaatsen (pagina 47 (PAN-polders) en pagina 51 (Mark-Vliet systeem)) bruinrot als probleem wel wordt aangegeven. Als voorbeeld de tekst op pagina 51: “ De leveringszekerheid in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt mogelijk beïnvloed door de watervraag voor zoutlekbestrijding bij een zout Volkerak-Zoommeer, die een hogere prioriteit krijgt. Wegens extra inlaat vanuit het Hollandsch Diep voor de doorvoer naar Zeeland en PAN-polders en zoutbestrijding wordt het bruinrotprobleem kleiner.”. Men erkent het probleem dus wel!!!!

De fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed is ronduit verbijsterd dat het bruinrot probleem slechts zijdelings wordt aangestipt en van een aanpak geen sprake lijkt en dat terwijl de levering vanuit Oosterhout voor geheel het kleigebied van West-Brabant van eminent belang is. Wat wij vreemd vinden, en ook een reactie op verwachten, is de inhoud van de genoemde bijlage 5 en de gevolgde procedure (geen DB behandeling/vaststelling). Wat was de status van dat stuk en waarom is daarin niet nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de bruinrot problematiek? Het zal helder zijn dat onze fractie het noodzakelijk vindt dat de bruinrot problematiek prominent wordt opgenomen in de in te dienen zienswijze.

 De waterschaplasten
Naar aanleiding van de inhoud stukken (MKBA en de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer) heeft mijn fractie vragen gesteld over de mogelijk toekomstige jaarlijkse kosten (1,57 miljoen euro) mogelijk voor het waterschap verbonden aan de verzilting van het Volkerak-Zoommeer VZM, kenmerk 0058 en kenmerk 0059. Mogelijk kunnen die vragen nu beantwoord worden. Onze fractie is buitengewoon onaangenaam getroffen door het feit dat er nog geen afspraken zijn over wie opdraait voor deze kosten. Wat wij vreemd vinden is dat, hoewel al uit de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (een stuk uit 2012) blijkt dat het waterschap na realisering de zorg krijgt voor beheer, exploitatie en onderhoud van de werken, dit gegeven niet is gedeeld met het AB en naar mijn weten ook niet is gedeeld met het DB. Laat staan dat het AB zich hierover en over wie de kosten moet gaan dragen heeft uit gesproken.

De fractie van Ons Water/Waterbreed is van mening dat volgens het vervuiler-betaalt-principe de veroorzaker van de kosten van de verzilting tot in lengte van jaren de daaruit voortkomende lasten zal dienen te dragen. Wij vinden tevens dat dit het standpunt moet zijn in de zienswijze en ingebracht moet worden in de gesprekken die het DB voert met de landsregering of met vertegenwoordigers daarvan.

Louis van der Kallen 

 


 

INSPRAAKPUNT V&W INZ. PKB RUIMTE VOOR DE RIVIER – A007

 


 

Bergen op Zoom, 18 juli 2005

 

PKB/MER Ruimte voor de Rivier

Postbus 30316

2500 GH Den Haag

 

Geachte heer/mevrouw,

Ondergetekende wenst middels dit schrijven een inspraakreactie te geven op de PKB Ruimte voor de Rivier, alsmede de Milieueffectrapportage Ruimte voor de Rivier. Ter illustratie zal ik soms verwijzen naar de documenten ter informatie, omdat deze ook mede onderleggers c.q. bouwstenen zijn van de PKB Ruimte voor de Rivier.

Strategie – visie
Nederland krijgt in toenemende mate problemen met het waterbeheer. De bodem daalt in het westelijk deel. De grond klinkt in een fors aantal bemalen percelen in. Als gevolg van klimaatveranderingen stijgt de zeespiegel en nemen neerslaghoeveelheden en neerslagintensiteiten toe. De bodemdaling is een geologisch proces dat grotendeels tot stand komt zonder menselijk ingrijpen.

De inklinking van de bemalen gronden is een proces van honderden jaren, dat mede door het peilbeheer de laatste honderd jaar is versneld. Steeds vaker zijn gronden in gebruik genomen die voor dit gebruik niet of minder geschikt waren. Dit proces gaat nog steeds door.

De PKB gaat uit van het zogeheten “middenscenario van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) (een stijging van de temperatuur van 20C per eeuw)” (pagina 39 PKB deel 1).

Dit wordt vertaald in een Rijnafvoer van 18.000 m3/s en een Maasafvoer van 4.600 m3/s en een zeespiegelstijging van 60 cm/per eeuw.

Het IPCC rapport kwam uit in 2001 en is gebaseerd op data van ruim vóór 2001. Recente publicaties geven aanleiding te veronderstellen dat het middenscenario qua temperatuur en zeespiegelstijging wel eens een stevige onderschatting kan zijn van de toekomstige werkelijkheid.

Is er nagedacht over de toekomst en de houdbaarheid van het totale Nederlandse watersysteem in relatie met het huidige en toekomstige gebruik van gronden?

Zijn de dijkringen 13 en 14 (grote delen van Zuid- en Noord-Holland en Utrecht) op langere termijn verdedigbaar? En wat zou verdediging betekenen voor bijvoorbeeld infrastructuren als havens en watertransportwegen (belangrijke economische dragers)?

Welke scenario’s voor ons Nederlands waterbeheer en onze landsverdediging tegen wateroverlast en overstromingen zijn denkbaar? En wat vereist dan het voorzorgprincipe voor beleid, bijvoorbeeld ten aanzien van investeringen in infrastructuur en economie? Zou onze Nederlandse economie een plotseling en onvoorzien verlies van de dijkringen 13 en 14 te boven kunnen komen?

De PKB Ruimte voor de Rivier zou in deze brede context geplaatst moeten worden. Dit is helaas niet het geval!

Plangebied
Het plangebied van de PKB Ruimte voor de Rivier beperkt zich tot de Boven-Rijn, de Waal, de IJssel, het Neder-Rijn-Lek-systeem, Merwedes, Bergse Maas, de Maas, het Hollands Diep en het Haringvliet (kaart 1, topografie Plangebied, pag. 116 PKB 1).

Ook de Milieueffectrapportage (MER) beperkt zich tot dit gebied.

De maatregelen beperken zich echter niet tot dit gebied. De bergingsmaatregel in het Volkerak/Zoommeer ligt buiten het plangebied. Een effect hiervan is dat deze bergingsmaatregel feitelijk niet meegenomen is in de MER. Evenzo geldt dit voor de zogenaamde ‘afleiding naar de Zeeuwse wateren’.

Dit lijkt op het afschuiven van problemen om op een uiterst goedkope manier van de Randstadproblemen af te komen.

Ter illustratie:

“In het mondingsgebied van Rijn en Maas wordt de taakstelling opgelost met het afleiden van water naar het Volkerak Zoommeer” (o.a. pag. 73 MER).

“Een duurzame veiligheid in het dichtbevolkte Rijnmond en het Drechtstedengebied wordt gewaarborgd door het maximaal vergroten van de bergingscapaciteit van het Rijn-Maas-mondingsgebied” (pag. 47 PKB1).

Uit kaart A4 (pag. 43 MER) blijkt de berging op het Volkerak Zoommeer en doorvoer richting Oosterschelde en/of Grevelingenmeer.

In de MER worden de gevolgen van de berging op het Volkerak Zoommeer vrijwel niet in beeld gebracht: niet ten aanzien van veiligheid, de natuur, gebruiksfuncties als wonen, werken, recreatie en ook niet ten aanzien van bijvoorbeeld grondwater, kwel, enz.

Stelling: hier ligt de noodzaak van een aparte MER voor de berging op het Volkerak Zoommeer!

Berging/afleiden – Zeeuwse wateren
Onder het kopje “Afleiden naar de Zeeuwse wateren”:

“Deze maatregel is in een verdiepingsslag uitgewerkt in een aantal varianten. Op basis van effectiviteit in relatie tot de veiligheidsdoelstelling en de bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit zijn er vier varianten overgebleven” (pag. 62 MER).

Waar zijn de varianten te vinden?

“Berging op het Volkerak Zoommeer kan worden gerealiseerd met een aantal beperkte aanpassingen aan de Volkerak- en Krammersluizen en de dijken en kunstwerken rondom het Zoommeer” (pag. 152 PKB1).

Wat de sluizen betreft kan dit kloppen! Wat betreft de dijken heeft ondergetekende de nodige vraagtekens.

De dijkringen 25 (Goeree-Overflakkee), 27 (Tholen en St Philipsland), 34 (West-Brabant) en ook dijkringen 33 en 31 die grenzen aan de scheepvaartroute Schelde-Rijnverbinding en het Bathse Spuikanaal kunnen beïnvloed worden door de peilvariatie op het Volkerak Zoommeer (VZM).

Bij een vast peil, zoals op het VZM worden er andere eisen gesteld aan een dijk dan bij een eventueel wisselend peil (zoals bij berging). Bij een vast peil is de steenbekleding beperkt tot het peil + golfslag. Bij een peilvariatie, zoals met berging, wordt het oppervlak van de benodigde steenbekleding en het onderhoud daaraan van een andere orde. Dit moet niet licht opgevat worden. Met name de Krammer/Volkerak is een grote plas water waar het bij storm goed kan spoken met een behoorlijke golfslag.

Nu is de primaire waterkering rond het VZM ingedeeld in de categorie C. Dit zou met de kans op berging zeker categorie A moeten worden !

In het regioadvies wordt gesproken op pagina 32 in termen als: “Echter de bijzonder lage frequentie van voorkomen (schatting voorjaar 2005 circa 1/1400 per jaar) en de korte duur vanwege de afhankelijkheid van het getij maken deze maatregel acceptabel”.

Dit is een grove bagatellisering van de feiten. De kans op berging was in 2001 circa 1/1430 per jaar. Dit is echter in 2050 al ca. 1/25 per jaar! (de gevolgen van de klimaatswijzigingen).

Ook de verblijftijd is niet alleen afhankelijk van het getij, maar ook van de spuicapaciteit. Het is ondenkbaar dat bij de maximale berging (ca. 2 meter) met één tij deze 2 meter valt te spuien!

Op pagina 152 (PKB1) wordt er op gewezen dat berging in het VZM de afwatering van West-Brabant “kan” bemoeilijken.

Het gebruik van het woordje “kan” is ronduit misleidend. Berging in het VMZ bemoeilijkt de afwatering van West-Brabant. 2 Meter berging maakt afwatering van grote delen van West-Brabant simpelweg, in de huidige situatie, onmogelijk. Tot Breda gaan dan grote gebieden onder water, waaronder veel woningen en bedrijven. De kans is namelijk groot dat, als de Rijn en Maas veel afvoer hebben, dit ook het geval zal zijn met de Mark/Dintel en de Vliet.

De gevolgen van een mogelijke berging van 2 meter water in het VZM zijn o.a.:

– problemen met de afwatering van de rivieren van West-Brabant

– problemen met de lozingen via de gemalen en de RWZI’s (opvoerhoogte) in West-Brabant, Goeree-Overflakkee, Tholen, Sint Philipslands

– scheepvaartproblemen (doorvaarthoogten Schelde-Rijnverbinding)

– het onderlopen van alle natuurgebieden (verdrinken o.a. van grote zoogdieren)

– onderlopen van huizen op de kade bij Tholen

– belemmeringen uitbreidingsplannen van Bergen op Zoom (Bergse Haven)

– noodzaak tot aanpassing van alle beroeps- en recreatie havens

– mogelijke toename van de kweldruk in West-Brabant en op de Zeeuwse eilanden.

Alle reden voor een aparte MER voor de berging van Rijn/Maas water in het VZM, alsmede het nu reserveren van een adequate hoeveelheid geld om de problemen op te lossen.

Hierbij moet tevens betrokken worden wat het afleiden naar de Zeeuwse Wateren (Oosterschelde/Grevelingenmeer) betekent voor het estuariene karakter en de voedselrijkdom/-armoe van de Zeeuwse Wateren.

“Een ander beheer van de stormvloedkeringen wordt onderzocht in combinatie met bergen op het VMZ” (pag. 94 MER).

Indien het beheer van de stormvloedkeringen in het mondingsgebied van Rijn en Maas (de Maeslantkering en de Hartelkering) wordt aangepast, neemt de kans op berging in het VZM toe. Dit maakt een serieuze aanpak van de gevolgen van deze berging geen lange termijnzaak maar een direct korte termijn noodzaak!

Op pagina 60 van PKB1 wordt gesteld dat berging in het VZM conform het Regioadvies is. Dit is juist! Maar wie hebben dit regioadvies gegeven? Wie zaten er in de regionale stuur- en klankbordgroepen? Antwoord: niemand uit West-Brabant of Zeeland! Geen vertegenwoordiger van de waterschappen Zeeuwse Eilanden of de Brabantse Delta.

Het is buitengewoon makkelijk om de problemen af te schuiven op diegenen die niet vertegenwoordigd zijn! Kortom: het regioadvies, dat mede als motivatie wordt gebruikt in de PKB-maatregel berging in het VZM, blinkt in deze uit door eenzijdigheid en eigen belang.

De enige Brabantse provinciebestuurder in de stuurgroep benedenrivieren is dijkgraaf geworden in een bovenstrooms waterschap (dus belanghebbend)!

Graag aandacht voor een goed citaat uit het regioadvies: “Uitgangspunt is dat bovenstroomse maatregelen niet mogen leiden tot een verslechtering benedenstrooms” (pag. 19)

Tenslotte, ten aanzien van het VZM, verdient de afstemming met de lopende planstudie “verbetering waterkwaliteit”een hogere prioriteit!

Zich houden aan de Wet
Met enige verbijstering heeft ondergetekende in de Kosten-batenanalyse Ruimte voor de Rivier deel 1 (KBR deel 1) moeten lezen dat een fors aantal dijkringen de in de wet (Wet op de Waterkering) vastgelegde veiligheidsnormen niet halen! Een aantal in de verste verte niet, ondanks de relatief recente dijkversterkingen!

Onderstaande een aantal onthutsende citaten uit de door het CPB opgestelde KBR deel 1:

“Volgens recente inzichten zijn de werkelijke overstromingskansen uitgestegen boven de wettelijke veiligheidsnormen” (pag. 13)

“Door allerlei veranderingen in het klimaat- en watersysteem worden de kansen op overstromingen zonder ingrijpen bovendien nog groter. Door de groei van de bevolking en de economie nemen verder de gevolgen bij overstromingen toe, in de vorm van menselijke slachtoffers en van schade aan de fysieke en de economische infrastructuur” (pag. 13 en 14).

“Er is dus vroeger niet geïnvesteerd om de overschrijdingskans duidelijk onder de wettelijke bovengrens te brengen” (pag. 17).

“De wettelijke norm wordt in de praktijk dus meer gehanteerd als een streefgetal dat op (middel)lange termijn gehaald dient te worden, dan als een absolute norm” (pag. 17).

“De werking als ondergrens blijkt ook uit het feit dat het project Ruimte voor de Rivier erop is gericht om in 2015 te voldoen aan de eisen op basis van de informatie voor 2001, zonder bijvoorbeeld rekening te houden met de waterstandsontwikkelingen volgens de klimaatscenario’s” (pag. 17)

“Doelstelling van het project Ruimte voor de Rivier is om in 2015 weer te voldoen aan de wettelijke norm. Daarbij is de wettelijke norm vertaald in het kunnen verwerken van een maatgevende afvoer van 16.000 m3/s in Lobith in 2015. Hierbij wordt er dan van uitgegaan dat de hydraulische situatie tussen 2001 en 2015 (en ook de eerstkomende tijd daarna) niet verandert” (pag. 18).

“Zoals gezegd, wordt er in het project echter geen rekening gehouden met waterstijging na 2001” (pag. 30).

“Zonder ingrijpen zullen voor sommige dijkringen, bijvoorbeeld 24 Land van Altena en 35 Donge, de feitelijke overstromingskansen in 2015 zo’n 7 maal groter zijn dan die welke in de wet zijn vastgelegd” (pag. 64).

“Bij de beoordeling van de wettelijke norm mag niet uit het oog worden verloren dat de wettelijke normen formeel betrekking hebben op de minimale veiligheid (= de maximale overstromingskans) van een dijkring. Dat ze hierboven toch zijn afgezet tegen de gemiddelde optimale overstromingskansen, komt omdat de wettelijke normen feitelijk ook fungeren als een bovengrens voor de veiligheid” (pag. 66).

“Beleidsmatig bestaat bovendien de neiging om met verbeteringen in het algemeen niet verder te gaan dan de wettelijke norm vereist 26” (pag. 66)

“26 Sommige wijzen zelfs op mogelijke juridische problemen, bijvoorbeeld bij onteigening, als een project verder gaat dan de wettelijke norm” (pag. 66).

Onderstaand enige cijfers ontleend aan tabel 1 (pagina 16):

Bij een wettelijke norm van 1/1250 per jaar in het bovenrivierengebied heeft bijvoorbeeld Dijkring 43 Betuwe, Tieler en Culemborgerwaarden feitelijk in 2001 een overstromingskans van 1/645 per jaar. De dijkringen 51 Gorssel en 53 Salland spannen de kroon in het bovenrivierengebied met overstromingskansen feitelijk in 2001 van 1/320 en 1/315 per jaar.

In het benedenrivierengebied bij een wettelijke norm van 1/2000 per jaar springen de dijkringen 24 Land van Althans met 1/530 per jaar en 35 Donge met 1/510 per jaar er uit.

Uit tabel 1 blijkt dat in het Rivierengebied alleen de dijkringen 44 Kromme Rijn en 45 Gelderse Vallei in 2001 feitelijk aan de normen voldeden.

Dit alles plaatst de op pagina 11 PKB 1 geformuleerde doelstelling “Het op het vereiste niveau brengen van de bescherming van het rivierengebied tegen overstromingen” wel in een heel bijzonder kader. Dat van misleiding!

Zeker als daar de cijfers uit tabel 4.1 (pag. 63) bijgevoegd worden. Enkele voorbeelden uit deze tabel:

Nr. Dijkring wettelijke feitelijk
norm in 2015
per jaar per jaar

43 Betuwe, Tieler en Culemborgerwaarden 1/1250 1/500

51 Gorssel 1/1250 1/500

53 Salland 1/1250 1/500

24 Land van Altena 1/2000 1/280

35 Donge 1/2000 1/300

Hoe is het mogelijk dat zelfs met de plannen tot 2015 de wettelijke normen niet worden nagestreefd c.q. met de recente omvangrijke dijkversterkingen in het Rivierengebied de wettelijke normen als blijvende factor niet zijn nagestreefd?

Beneden rivierengebied
Uit de KBR deel 1 blijkt tevens dat naar de mening van CPB de risico’s in het beneden rivierengebied lager ingeschat worden met de gebruikelijke rekenmodellen dan ze in werkelijkheid zijn. Met name de wind en de effecten van de zee(spiegelstijging) blijken onderbelicht.

Enkele citaten waaruit dit blijkt:

“De urgentie van investeren is in het gebied van de benedenrivieren over het algemeen nu al hoger dan bij de bovenrivieren. Daar komt bij dat ook de stijging van de verwachte schade veel groter is, omdat de relatieve stijging van de zeespiegel belangrijker is dan de verwachte vergroting van de rivierafvoer” (pag. 23 KBR deel 1).

“Gezien de betrekkelijke hardheid van de verwachting van relatieve zeespiegelstijging zijn deze dijkverhogingen ook voorbeelden van grote maatregelen waarvan de omvang duidelijk groter moet zijn dan nu volgens de wettelijke norm is vereist” (pag. 23 KBR deel 1)

“Anders dan in het bovenrivierengebied hebben in het benedenrivierengebied, behalve de rivierafvoer, ook zee en wind een belangrijke(re) invloed op de overstromingskansen” (pag. 61 KBR deel 1).

Uit tabel 46 (pagina 78 KBR deel 1) blijkt dat bijvoorbeeld de overstromingskansen in het benedenrivierengebied bij een ‘veiliger’ keuze van parameters de feitelijke overstromingskans in 2015 van dijkring 24 Land van Altena geen 1/2000 per jaar maar 1/130 per jaar te zijn. Van dijkring 35 Donge geen 1/2000 per jaar, maar 1/170 per jaar.

Als verklaring wordt op pagina 79 KBR deel 1 gesteld “ook heeft de windfactor een groter effect op de verandering van de overstromingskansen door de opvermenigvuldiging van de stijging van de waterstanden in de loop der tijd in de klimaatscenario’s”.

Kortom: men is in werkelijkheid ver weg van de reële invulling van de wettelijke normen.

Dit vraagt om robuustere maatregelen, die ook een langere beveiliging bieden, dan de maatregelen die nu in PKB 1 worden voorgesteld.

Toekomstbeeld
Gezien het vorenstaande is de vraag of de lange termijnvisies en de geschetste toekomstbeelden (pagina’s 34/39 MER) niet de korte termijn zouden moeten zijn.

Reeds in de “Rivierkundige waarneemingen uit ondervinding opgemaakt, dienftig tot het bepaalen van Middelen ter Voorkoming van Overstroomingen der aangelegenfte Rivieren in Gelderland en Holland” door Martinus van Barnevelt, 1773, alsmede in de “Nota ter algemeene overdenking wegens de bedreigde veiligheid der Provinciën Holland, Utrecht en Gelderland, bijzonderlijk van de Betuwen, de Tieler-, de Bommeler-, en de Alblasserwaarden, met de Landen van Heusden en Altena, door de jaarlijks opklimmende gevaren van overstrooming, bij ijsgang en hoog rivierwater” door J. Blanken, Jz, inspecteur-generaal van den Waterstaat en der Publieke werken, 1821, werden de conclusies getrokken van een overlaat in moderne termen: groene rivier door ’t Land van Altena. Kortom: toekomstbeeld 2.

In de PKB1 is terecht op pagina 53 de conclusie getrokken dat een zeer ingrijpende hoogwatergeul door het Land van Heusden en Altena niet past in het regionaal ruimtelijk kader en weinig draagvlak heeft in de regio. In het besef dat nu reeds de overstromingsrisico’s veel groter zijn dan wettelijk is toegestaan en de ingrepen rond het gebied nu reeds aanzienlijk zijn (waarbij ook in 2015 de normen volgens het CPB rapport volstrekt niet worden gehaald) zou het in de rede liggen met deze kennis het draagvlak in de regio opnieuw te peilen.

Systeemwerking
“Systeemwerking kan grote invloed hebben op overstromingskansen. Als er een overstroming optreedt, dan lijkt onder de huidige omstandigheden in veel gevallen overstroming van dijkring 43 Betuwe en Tieler- en Culemborgerwaarden niet te voorkomen” (pag. 119 KBR deel 1).

In hoofdstuk 6 van de KBR deel 1 over systeemwerking, lijkt het alsof de opstellers wel heel makkelijk denken over het eventueel onderlopen van de Betuwe en Tieler- en Culemborgerwaarden. Op veel plaatsen in dit hoofdstuk worden de (‘positieve’) effecten besproken van de systeemwerking indien deze waarden onder zouden lopen.

Uitgangspunt dient te zijn dat alle dijkringen optimaal/maximaal beschermd worden en de risico’s van cascadewerking worden beperkt. Dijkringen die door hun ligging meer bedreigd worden dienen extra beschermd c.q. door compartimentering de risico’s/schades beperkt en de evacuatiemogelijkheden verbeterd te worden. Deze eventueel aanvullende maatregelen dienen dan ook in de PKB opgenomen te worden.

Tenslotte
“Bij de samenstelling van het maatregelenpakket als onderdeel van deze PKB is rekening gehouden met de wensen vanuit de KRW” (pag. 69 PKB1).

Deze regel heeft ondergetekende met enig genoegen gelezen. Hoewel het woord “wensen” in het kader van de KRW wat vreemd overkomt.

Ondergetekende vindt het jammer dat nergens in de stukken rond deze PKB deze opmerking van pag. 69 gestaafd wordt.

Vertrouwende op een serieuze behandeling van mijn reactie,

hoogachtend,

L.H. van der Kallen

bestuurlijk betrokken bij waterschappen:

Zeeuwse Eilanden

Brabantse Delta

Rivierenland

Rijn & IJssel