(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 16: WAT BETEKENT ZOET OF ZOUT VOOR DE SCHEEPVAART?

 

| 01-02-2015 | 11:30 uur |


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 16

 

Wat betekent zoet of zout voor de scheepvaart? 

 

binnenvaartschipDe landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.

Zoet of zout water betekenen nog al wat voor de corrosiegevoeligheid van de scheepshuid en het daarvoor benodigde onderhoud, verf en kathodische beschermingssystemen. Wat in de MKBA (maatschappelijke kosten/baten analyse) opvalt is dat er geen berekeningen zijn opgenomen voor de meerkosten voor de scheepvaart bij een zout Volkerak-Zoommeer. De Rijn-Schelde verbinding is nu in principe een geheel zoetwatersysteem. Als dat gedeeltelijk zout wordt, vergt dat een volstrekt andere benadering van de corrosieproblematiek voor bijvoorbeeld de schepen die door afwisselend zoet en zout water varen. Dit gaat fors meer geld aan onderhoud van de schepen vergen. Het overgrote deel van de vrachtschepen, die gebruik maken van het Volkerak-Zoommeer, zijn ontworpen en worden onderhouden voor zoet water.
Bepalend voor bijvoorbeeld het kathodische beschermingssysteem is de omgeving waarin het schip zich gaat bevinden. Als schepen afwisselend varen in zoet en zout water dient met dit feit rekening gehouden te worden bij de keuze van het kathodische beschermingssysteem. De keuze van de te gebruiken anodes is afhankelijk van de zoutgehalten van de te bevaren wateren. Bijvoorbeeld zinkanoden voor varen in zout water, aluminiumanoden voor varen in brak water, zoals het IJsselmeer en de riviermondingen, en magnesiumanoden voor varen in zoete binnenwateren.
Ook verfsystemen en onderhoudssystemen, maar feitelijk het hele ontwerp van een schip dienen afgestemd te zijn op de zoutgehalten van de te bevaren wateren. Je zal maar een schip hebben gekocht, afgestemd op zoete binnenwateren en je kan plotseling, omdat het Volkerak-Zoommeer is verzilt, geen vrachten voor de kortste route tussen Rotterdam –Antwerpen meer aannemen. Dat zijn nog eens maatschappelijke kosten! In dit geval afgewenteld op een vaak kleine ondernemer.  

Louis van der Kallen 

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 12: WAT IS DE WAARHEID? – 2

 

| 04-01-2015 | 11:00 uur |


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 12

Wat is de waarheid? – 2

 

jachthaven 2De landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.  

De ontwerp-rijksstructuurvisie is bijna juichend over de door de verzilting te verwachten positieve effecten voor het toerisme. Als dat werkelijk voor het hele gebied zo zou zijn waarom hebben dan maar liefst zes jachthaven/watersport bedrijven, die afhankelijk zijn van het watersporttoerisme dan een zienswijze ingediend met de volgende vier verzoeken:

  1. Voorlopig af te zien van verzilting van het VZM, totdat duidelijk is of de overlast van blauwalg terugkeert.
  2. Geheel af te zien van verzilting van het VZM als in een later stadium blijkt dat de kans dat overlast van blauwalg terugkeert nihil is.
  3. Te onderkennen dat verzilting van het VZM forse negatieve effecten met zich meebrengt voor de havens achter de Manderssluis en het Benedensas.
  4. De rijksstructuurvisie en de onderliggende MER en MKBA te heroverwegen en zo nodig aan te passen op de punten zoals in de bijlage bij deze brief genoemd.  

Zouden de zes bedrijven: Jachthaven Waterkant te Dinteloord, Jachtcentrum te Dintelmond, Jachthaven de Vlije te Steenbergen, het Bunkerstation AM van der Kolk te Dinteloord, Stevens Nautical te Heijningen en Jachthaven de Schapenput in de Heen, hun belangen niet zien? Of is het zo dat in de stukken vooral de voordelen aan bod zijn gekomen.  

Volgens hen is het voornaamste nadeel voor de waterrecreatie het opnieuw in bedrijf nemen van de Manderssluis en het Benedensas. Daarmee vermindert de bereikbaarheid van de Brabantse binnenwateren, omdat geschut moet worden om de havens achter de sluizen (zes jachthavens met gezamenlijk zo’n 1.550 ligplaatsen) te bereiken. Daarnaast voorzien zij stankoverlast van rottende zeesla, juist bij de Manderssluis en het Benedensas. 

Deze extra barrière voor hun klanten heeft een sterk negatief effect, zowel op het aantal overnachtingen van passanten als op de aantrekkelijkheid van de vaste ligplaatsen. Dat blijkt naar hun inzicht uit het feit dat de havens achter deze twee sluizen pas goed tot ontwikkeling zijn gekomen na de afsluiting van de Philips- en Oesterdam. In de Maatschappelijke Kosten/baten analyse (MKBA) is dit negatieve effect amper meegenomen voor de passanten en helemaal niet voor de vaste ligplaatsen, terwijl het overgrote deel van de inkomsten van een jachthaven komt uit de liggelden van de vaste ligplaatshouders. Het niet meenemen van deze negatieve effecten is in hun ogen onterecht. “Verzilten van het VZM zal een zeer zware wissel trekken op de rentabiliteit en levensvatbaarheid van onze havens”, was hun harde conclusie. Voor wie is het dan wel voordelig? Ons Water sluit niet uit dat dit de havens zijn langs de Grevelingen. Ook hier lijkt het erop dat de Zeeuwen goede zaken doen met de structuurvisie en West-Brabant wederom aan het kortste eind trekt en de rekening mag betalen!

Louis van der Kallen 

 


VRAGEN EN ANTWOORDEN SCHRIFTELIJK OVERLEG ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE GREVELINGEN EN VOLKERAK-ZOOMMEER

 


december 2014

De voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Binnenhof 4

2513 AA Den Haag

 

Betreft:            Schriftelijk overleg ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

 

Geachte voorzitter,

Hierbij beantwoord ik, mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken, de vragen die zijn gesteld in het kader van het schriftelijk overleg over de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (RGV).  

Bij de beantwoording is dezelfde volgorde aangehouden als in de inbreng van de fracties (Kamerstuk 33531, nr. 2). Onderdeel A betreft de beantwoording van de inbreng van de VVD-fractie, onderdeel B die van de PvdA-fractie, onderdeel C van de inbreng van de SP-fractie en onderdeel D van de CDA-fractie. 

Hoogachtend,  

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

mw. drs. M.H. Schultz van Haegen

 

Vragen en antwoorden schriftelijk overleg ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Onderdeel A: Beantwoording van de vragen van de VVD-fractie

Vraag A1

De leden van de VVD fractie vragen hoe de twee conclusies uit de verschillende MKBA’s (de second opinion en de MKBA RGV) zich tot elkaar verhouden. Zij vragen zich ook af welke risico’s er zijn wanneer de berekeningen van CPB en PBL bewaarheid worden.

Antwoord A1

In de conclusies van de second opinion van het CPB en PBL wordt gesteld dat de aannames over de maatschappelijke baten in de concept-MKBA om een aantal redenen te positief zijn.

De second opinion van het CPB/PBL is gericht op een eerdere conceptversie van de MKBA waarin ook indirecte effecten gewaardeerd waren. Naar aanleiding van het commentaar van het CPB en PBL zijn de “indirecte effecten van extra mosselkweek en landbouwbaten door betere zoetwatervoorziening”, niet langer opgenomen in de overzichtstabel van de definitieve MKBA. Op dit punt is het commentaar van het CPB/PBL dus overgenomen, ook al zijn er volgens de opstellers van de MKBA wel aanwijzingen dat er enige effecten zullen zijn.

De overzichtstabel in de definitieve MKBA bevat voor de landbouwbaten alleen nog de directe effecten. Deze worden door het CPB/PBL redelijk en plausibel gevonden. CPB en PBL onderschrijven dat de aanleg van de zoetwatermaatregelen baten oplevert, die hoger zijn dan de kosten die ermee gemoeid zijn. Wel zien CPB en PBL de aanleg van de zoetwatermaatregelen graag als zelfstandig projectalternatief. Dit is ook als zodanig zichtbaar gemaakt in de definitieve MKBA (alternatief B2). Over de omvang van verschillende kleinere batenposten (woningwaarde, scheepvaartbaten) bestaat geen significant verschil van inzicht.

Het verschil van inzicht tussen de second opinion van CPB/PBL en de MKBA concentreert zich op de directe mosselbaten. Het CPB/PBL beschouwt in de second opinion de gepresenteerde baten voor de schelpdiersector als te hoog en meent dat deze effecten ook fors negatief uit kunnen vallen. De uitgevoerde analyses in het kader van de MKBA leiden wel tot de conclusie dat er substantiële mosselbaten zijn omdat het terugbrengen van getij op de Grevelingen en zout en getij op het Volkerak-Zoommeer kweekcondities voor schelpdieren (met name mosselen en oesters) creëert, die vergelijkbaar zijn met die van vóór de Deltawerken.

Om meer inzicht in dit geschilpunt te krijgen is in juli 2014 een expertbijeenkomst georganiseerd. Hier is door deskundigen op het gebied van ecologie, schelp- en schaaldiervisserij en de visserijsector zélf de conclusie getrokken dat de schelpdierproductie inderdaad kan toenemen door de introductie van getij in de Grevelingen en getij en zout in het Volkerak-Zoommeer (6 tot 10 miljoen kg jaarlijks per bekken). Daarnaast zijn er mogelijkheden voor mosselhangcultures, mosselzaadwinning, oesterkweek en tapijtschelpkweek. Verschil van inzicht is blijven bestaan over de monetaire waardering hiervan. Bij het monetariseren van opbrengsten en effecten in een verkennende fase is altijd sprake van onzekerheidsmarges en dus risico’s. Deze kunnen zowel positieve als negatieve effecten hebben.

Gezien de aanpassingen die gedaan zijn in de definitieve MKBA en de nadere analyse van de mosselbaten mag worden aangenomen dat er zeker mosselbaten zullen zijn. Dat sprake is van significante baten wordt ondersteund door de bereidheid – onder voorwaarden – van de schelpdiertelers om mee te betalen aan maatregelen, zoals is gebleken uit het programma Gebiedsontwikkeling Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, dat onder regie van de betrokken provincies is uitgevoerd vanwege de baten die de regio voorziet van beperkt getij terug op de Grevelingen en een weer zout VZM. Hierin zijn met inschakeling van de markt innovatieve bekostigingsmogelijkheden bezien, inclusief de mogelijkheden van kostenoptimalisatie en -besparing.

Vraag A2

De leden van de VVD-fractie willen graag een onderbouwing ten aanzien van de vraag op welke wijze en in welke mate de zoetwatervoorziening op de korte, middellange en lange termijn met de ontwerp-RGV voor de betrokken landbouwbedrijven en andere economische sectoren is geborgd. Er is straks met de doorvoering van de maatregelen uit de ontwerp-RGV minder zoetwater in de omgeving dan daarvoor. Op welke wijze wordt hiermee omgegaan? Welke maatregelen worden er genomen om er voor te zorgen dat agrarische en industriële gebruikers nog voldoende zoetwater hebben als de wateren weer zout worden? Met welke scenario’s is hierbij gerekend en kan worden aangegeven op welke wijze de landbouwsector kan profiteren van de wijzigingen als er bijvoorbeeld langdurige droogte is?

Antwoord A2

In de ontwerp-RGV is een aantal maatregelen opgenomen die de realisering van het ontwikkelperspectief mogelijk maakt. Een deel van deze maatregelen is ook onderdeel van het Deltaprogramma Zoetwater. Dit programma bevat onder meer maatregelen die de effecten van een zout Volkerak-Zoommeer op het gebruik van het zoete water in de Rijn-Maasmonding tot een minimum reduceren.

Ten eerste wordt voor de gebieden die momenteel direct afhankelijk zijn van zoet water uit het Volkerak-Zoommeer een alternatieve en betere zoetwatervoorziening gerealiseerd. Om in de huidige situatie in het groeiseizoen over voldoende zoet water te beschikken dat geschikt is voor peilbeheer, doorspoeling en beregening van de polderwateren, moet het Volkerak-Zoommeer worden doorgespoeld met grote hoeveelheden zoet water uit het Hollands Diep. Met de alternatieve zoetwatervoorziening kan dat op een meer effectieve en efficiënte wijze.

Ten tweede worden maatregelen uitgevoerd om de nadelige gevolgen van een zout Volkerak-Zoommeer op de omliggende zoete wateren tot een minimum te reduceren. Zo worden innovatieve zoet-zoutscheidingssystemen in de schutsluizen in gebruik genomen. In combinatie met een beperkte aanvoer van zoet water uit het Hollands Diep zal bij deze sluizen de zoutindringing naar het zoete water worden bestreden. Proeven in de Krammersluizen wijzen uit dat deze techniek goed werkt.

Ten derde worden maatregelen getroffen in de Rijn-Maasmonding om de volgende effecten te reduceren:

  • Toename van het chloridegehalte als gevolg van de beperkte zoutlast via de Volkeraksluizen op het Hollands Diep en Haringvliet in de Rijn-Maasmonding (bij lage Rijnafvoeren en gesloten Haringvlietsluizen);
  • Vermindering van de tegendruk van rivierwater tegen de zoutindringing in de Nieuw Waterweg als gevolg van het gebruik van zoet water voor de bestrijding van zoutindringing door de schutsluizen.

In concreto betreft dit de aanpassing van de drinkwatervoorziening Ouddorp (Evides), de inname van zoet water uit Oude Maas via de inlaatsluis Spijkenisse en de doorvoer van zoet water uit de Lek via de Krimpenerwaard naar innamepunt Gouda (Hollandsche IJssel).

Zolang het Volkerak-Zoommeer nog niet zout is, zal door extra doorspoelen van het Volkerak-Zoommeer met water uit het Hollands Diep en groot onderhoud aan de zoet-zoutscheiding in het Krammersluizencomplex gezorgd worden voor de beschikbaarheid van zoet water in het meer.

Op de middellange termijn zal na het weer zout worden van het Volkerak-Zoommeer de zoetwatervoorziening met behulp van de geschetste maatregelen plaatsvinden.

Op de lange termijn, wanneer duidelijk is op welke wijze klimaatverandering zorgt voor andere (zoetwater)condities, zijn mogelijk aanvullende maatregelen nodig.

Er zal altijd een kans bestaan op het optreden van extreme situaties (droogte en lage rivierafvoeren). In die situaties zal, net zoals nu, sprake zijn van het verstandig toedelen van het dan schaarse zoete water door toepassing van de verdringingsreeks.

Vraag A3

Voor de leden van de VVD-fractie is het uitgangspunt dat de overheid geen zoet water verzilt vanwege de natuur en dan de ondernemer meer laat betalen voor zijn zoete water. Kan worden aangegeven in hoeverre en op welke punten deze ontwerp-RGV strijdig is met dit uitgangspunt?

Antwoord A3

De zoetwatermaatregelen maken onderdeel uit van het pakket maatregelen behorend bij Deltabeslissing Zoetwater. Deze maatregelen zijn geprogrammeerd en geagendeerd in het kader van het Deltafonds. Daarbij is alleen sprake van een financiële bijdrage van regionale overheden en dus niet van een separate bijdrage van ondernemers.

Vraag A4

Het is de leden van de VVD-fractie niet duidelijk wat de gevolgen zijn als alleen de zogenoemde ‘altijdgoedmaatregelen’ worden doorgevoerd en alle overige maatregelen niet, dan wel als alleen de gedekte maatregelen uit hoofdstuk vier van de ontwerp-RGV worden doorgevoerd. Wat betekent dit voor de economische potenties van de recreatie-, toerisme-, landbouw-, industrie- en visserijsector? Wat betekent dit voor de waterkwaliteit en veiligheid?

Antwoord A4

Tot de ‘altijd goed’-maatregelen worden gerekend: de aanpassing van de Roode Vaart (1e fase), de inwerkingstelling van de Flakkeese Spuisluis en het maatregelenpakket voor een robuuster regionaal zoetwatersysteem (Deltabeslissing Zoetwater).

Het uitvoeren van deze ‘altijd goed’-maatregelen leidt tot een structurele en robuuste verbetering van de zoetwatervoorziening in de regio, respectievelijk een lokale verbetering van de waterkwaliteit op de Grevelingen. Er wordt dan geen robuuste oplossing geboden voor het waterkwaliteitsprobleem van het Volkerak-Zoommeer en in het overgrote deel van de Grevelingen blijft de waterkwaliteit verder achteruit gaan. De inwerkingstelling van de Flakkeese Spuisluis betekent ook dat er een locatie beschikbaar komt voor het testen van (innovatieve) turbines waarmee energie kan worden gewonnen uit getijdenbeweging (Tidal Test Centre).

Als de uitvoering zich beperkt tot alleen de gedekte maatregelen (i.c. openstellen Flakkeese Spuisluis en Roode Vaart) dan leidt dat tot vergelijkbare effecten, met dien verstande dat in dat geval de verbetering van de zoetwatervoorziening zich beperkt tot delen van West-Brabant.

Voor beide gevallen geldt dat de regionaal-economische ontwikkelingen (schelpdiersector, visserij en toerisme), die afhankelijk zijn van het weer zout maken en het introduceren van tij, niet zullen plaatsvinden. Voor de veiligheid heeft dit in beide gevallen geen gevolgen.

Vraag A5

In de aanbiedingsbrief bij de ontwerp-RGV van 10 oktober 2014 staat onder het kopje ‘uitkomsten ontwerp-RGV’ dat er geen zicht is op autonome verbetering van de waterkwaliteit van de Grevelingen. Vervolgens wordt verder in de brief geconstateerd dat de waterkwaliteit de afgelopen periode wel is verbeterd. Hoe verhouden deze twee uitspraken zich tot elkaar? Is het niet uit te sluiten dat de maatregelen met betrekking tot de waterkwaliteit in bredere zin al voldoende verbetering bewerkstelligen? De leden horen graag wat de verwachtingen zijn ten aanzien van de waterkwaliteit zonder grote ingrepen. In hoeverre zijn alternatieven, zoals de zogenoemde quaggamossel, als oplossingen onderzocht voor het tegengaan van blauwalg? Wat zijn de kosten van deze alternatieve oplossingen en wat zijn de kosten van verzilting?

Antwoord A5

De waterkwaliteit in de Grevelingen verbetert autonoom niet. Voor het Volkerak-Zoommeer is er de afgelopen jaren wel sprake van een lichte verbetering van de waterkwaliteit. Dat komt door de dalende nutriëntenbelasting (fosfaat en stikstof) vanuit de omringende wateren en gebieden. Deze daling is het gevolg van de uitvoering van de Nitraatrichtlijn en de emissiewetgeving die onder de Kaderrichtlijn Water valt. De prognose is echter dat de gehaltes aan nutriënten in het Volkerak-Zoommeer in ieder geval tot 2021 te hoog blijven om te voldoen aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water aan stilstaande zoete meren stelt.

De spontane vestiging van de quaggamossel, die als exoot de inheemse zoetwatermossel heeft verdrongen, heeft de afgelopen jaren tot een afname van blauwalgen(overlast) geleid.

Deskundigen zijn het erover eens dat de waterkwaliteit van het meer sterk afhangt van het ‘succes’ van de quaggamossel. Om die reden zijn zowel in de MKBA als in het MER twee scenario’s gehanteerd met als variabele het succes van de quaggamossel.

Bij een scenario waarbij de quaggamossel zich permanent en in voldoende mate kan vestigen in het Volkerak-Zoommeer, kan de waterkwaliteit blijvend verbeteren. Daarbij speelt echter ook het succes van emissiebeperkende maatregelen voor nutriënten een rol. Bij het scenario waarbij de quaggamossel in aantal terugloopt, zal de overlast aan blauwalgen toenemen.

Het scenario waarbij de quaggamossel kan zorgen voor een blijvende verbetering van de waterkwaliteit, leek de afgelopen jaren ingezet. In de zomer van 2014 was echter toch weer sprake van blauwalgenoverlast. Hierdoor moest de inname van water uit het Volkerak-Zoommeer voor de zoetwatervoorziening van de landbouw in West-Brabant tijdelijk moest worden stilgelegd. Tevens blijkt uit recente meetgegevens dat de hoeveelheid en verspreiding van de quaggamossel is teruglopen. Dit illustreert de onzekerheden rond de ontwikkeling van de waterkwaliteit van een zoet Volkerak-Zoommeer.

In de RGV is daarom geconcludeerd dat het weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer en het toelaten van beperkt getij, de meest betrouwbare en robuuste oplossing is voor de waterkwaliteitsproblemen.

Indien afgezien zou worden van het zout maken van het Volkerak-Zoommeer, dan blijven de kosten beperkt tot de aanpassing van de Roode Vaart (23 miljoen euro; inclusief BTW) en het onderhoud aan de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen (circa 17,5 miljoen euro).

De kosten voor het weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer worden geraamd op ca. 195 miljoen euro (inclusief BTW). Het betreft de kosten voor een doorlaatmiddel in de Philipsdam (ca. 47 miljoen euro), maatregelen voor een alternatieve zoetwatervoorziening (ca. 85 miljoen euro) en voor maatregelen ter bestrijding van zoutindringing op de omringende wateren (ca. 62 miljoen euro).

Vraag A6

Het scenario dat er niets zal gebeuren blijkt bovendien niet ondenkbaar, zo merken de leden van de VVD-fractie op. De financiering is immers nog niet rond. Te lezen is dat er wordt gewerkt aan robuuste financiering met betrokken partijen. Welke partijen zijn er betrokken? Welke partijen hebben zich bereid verklaard om financieel bij te dragen, onder welke condities en in welke mate? Als er geen financiering komt is de conclusie dan juist dat de uitvoering beperkt blijft tot ‘altijdgoedmaatregelen’ en maatregelen in het kader van de Flakkeese Spuisluis en Roode Vaart?

Welke gevolgen heeft dit precies voor de waterkwaliteit en de waterveiligheid, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Wat betekent dit voor de economische potenties van de verschillende economische sectoren van recreatie, toerisme, landbouw, industrie en visserij? In hoeverre is dit scenario beoordeeld in de verschillende MKBA-studies en met welke uitkomsten? Is hierin bijvoorbeeld wel de zoetwatervoorziening voor agrarische ondernemers opgenomen? Op pagina 57 van de ontwerp-RGV is immers te lezen dat deze investering een positieve MKBA oplevert, ook als het Volkerak-Zoommeer uit zichzelf weer vrij wordt van blauwalg. Welke gevolgen hebben de alternatieven precies voor de MKBA, de waterkwaliteit en de waterveiligheid, zo vragen deze leden.

Antwoord A6

Om te komen tot een robuuste financiering worden gesprekken gevoerd met de betrokken regionale overheden (provincies, waterschappen en gemeenten), marktpartijen (aannemers, beleggers, projectontwikkelaars) en gebruikers (schelpdiertelers, agrariërs, recreatieondernemers en terreinbeheerders).

Deze gesprekken hebben nog een verkennend karakter. Ten tijde van het opstellen van de ontwerp-RGV is bereidheid gebleken bij de genoemde partijen om te komen tot afspraken over de bekostiging. Door genoemde partijen is aangegeven dat het nodig is om te beschikken over een – door het Rijk vastgesteld – ontwikkelperspectief. De RGV moet hierin voorzien.

Als er geen financiering komt dan blijft de verwezenlijking van het ontwikkelperspectief (voorlopig) beperkt tot realisatie van de projecten Flakkeese spuisluis en Roode Vaart (1e fase) en uitvoering van de deltabeslissing Zoetwater. Voor de waterveiligheid heeft dit geen gevolgen. De gevolgen voor de waterkwaliteit zijn beschreven bij de beantwoording van vraag A4 en A5. Dit scenario is in de MKBA onderzocht in alternatief A (uitgangssituatie). Hierin is de aanpassing van de zoetwatervoorziening voor de agrariërs niet opgenomen. Deze aanpassing is opgenomen in alternatief B2. De resultaten van de MKBA zijn weergegeven in paragraaf 8.4 van de RGV.

Vraag A7

Wat betekent het als de financiering niet binnen een jaar is geregeld voor de eventuele ruimtelijke reserveringen op basis van de ontwerp RGV? Vervallen deze dan? Welke termijnen gelden er voor de reserveringen en wanneer wordt er uiterlijk definitieve besluitvorming verwacht? Is dat alleen afhankelijk van aanvullende financiering of spelen er nog andere zaken mee? Zo ja, welke?

Antwoord A7

Voor het weer zout maken van het Volkerak-Zoommeer en het terugbrengen van beperkt getij op de Grevelingen zijn geen ruimtelijke reserveringen nodig. Er is dus ook geen sprake van termijnen. De besluitvorming over de maatregelen uit de RGV is uiterlijk eind 2015 voorzien en is alleen afhankelijk van de regeling van de financiering.

Vraag A8

Verder willen de leden van de VVD-fractie graag weten op welke wijze de waterkwaliteit van het Volkerak-Zoommeer op peil blijft zolang het zoet is. Eventuele verzilting is pas in 2028 aan de orde. Welke kosten zijn hier mee gemoeid en door wie worden deze gefinancierd, zo vragen zij.

Antwoord A8

Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is zal Rijkswaterstaat de afspraken nakomen die zijn opgenomen in het Waterakkoord Volkerak-Zoommeer over het chloridegehalte in het meer. Om dit te kunnen doen is groot onderhoud aan het zoet-zout scheidingssysteem in het Krammersluizencomplex nodig. Dit is enige jaren uitgesteld in afwachting van een besluit over een zoet of zout Volkerak-Zoommeer. Hierdoor is er sprake van een grotere lek van zout door deze sluizen.

Dat wordt momenteel opgevangen door het meer extra te spoelen met water uit het Hollands Diep. Groot onderhoud aan het zoet-zout scheidingssysteem kan gebeuren door het huidige systeem te herstellen. Dit systeem heeft hoge exploitatiekosten vanwege energieverbruik en het onderhoud van deze ingewikkelde en deels verouderde installatie. Daarnaast heeft dit systeem lange passeertijden voor de scheepvaart.

Rijkswaterstaat werkt op dit moment een alternatief uit, waarbij op innovatieve wijze het zoete en zoute water worden gescheiden. Inzet van een dergelijk systeem betekent naar verwachting lagere exploitatiekosten en kortere passeertijden voor de scheepvaart. Afgelopen zomer zijn goede ervaringen opgedaan met dit systeem in een van de jachtensluizen van het Krammersluizencomplex. Belangrijke elementen van het innovatieve systeem, zoals luchtbellenschermen en het zoetwaterspoelsysteem, zijn onderdeel van het zoet-zout scheidingssysteem dat op het Volkeraksluizencomplex zal worden geïnstalleerd bij een zout Volkerak-Zoommeer.

Naast het herstel van het zoet-zoutscheidingssysteem op het Krammersluizencomplex wordt onderzocht of het mogelijk is via extra doorspoeling van het meer voorafgaand aan het groeiseizoen, het zoutgehalte in het Volkerak-Zoommeer omlaag te brengen om zo een buffer te creëren tegen het oplopen van het zoutgehalte in de zomermaanden (“winterspoelen”). Indien deze extra doorspoeling haalbaar is, zal dat ook onderdeel uitmaken van het waterakkoord.

Rijkswaterstaat schat de kosten van het groot onderhoud aan de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen in op circa 17,5 miljoen euro.

Wat betreft de overige aspecten van waterkwaliteit wordt verwezen naar antwoord A5.

 

 

Onderdeel B: Beantwoording van de vragen van de PvdA-fractie

Vraag B1

De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden met het besluit om de problemen met de waterkwaliteit van de Grevelingen en het Volkerak-Zoommeer aan te pakken. Deze leden zijn blij dat dit een positieve invloed heeft op de biodiversiteit. Deze leden verzoeken de regering om de positieve effecten die deze ontwerp-rijksstructuurvisie op de biodiversiteit heeft, nader toe te lichten. Op welke termijn kunnen deze effecten verwacht worden? Deze leden vragen de regering daarnaast wat de andere positieve milieueffecten zijn en op welke termijn deze verwacht kunnen worden.

Antwoord B1

Herintroductie van zout en getij zal het Volkerak-Zoommeer terugbrengen naar een systeem met een estuarien karakter. Dat sluit beter aan bij de omringende deltagebieden en zijn karakteristieke natuurwaarden. Het Volkerak-Zoommeer wordt op deze manier onderdeel van het grote, veel meer robuuste systeem van de Zuidwestelijke Delta. Dit past bij het streefbeeld van het Nationaal Waterplan.

Het terugbrengen van getij in de Grevelingen vanuit de Noordzee lost de huidige problemen met de waterkwaliteit vrijwel geheel op. Hierdoor ontstaat een gezond, meer divers en daardoor robuust ecosysteem. Daarnaast biedt de doorlaat in de Brouwersdam betere migratiemogelijkheden voor vissen en zeezoogdieren.

Het verbeteren van beide gebieden levert, door de schaal en omvang waarop natuurlijke processen zich kunnen manifesteren, een belangrijke bijdrage aan het meer robuust maken van de Zuidwestelijke Delta als geheel. Dit zal zich naar verwachting ook op lange termijn (50-100 jaar) uitbetalen door de grotere veerkracht tegen externe invloeden van klimaatverandering.

Effecten op de waterkwaliteit (zuurstofhuishouding) van de Grevelingen treden onmiddellijk na openstelling van het doorlaatmiddel op. Volledig herstel van het bodemleven zal naar verwachting ongeveer 6 jaar duren.
Zodra de systeemwijziging van het Volkerak-Zoommeer een feit is, zal de overlast van de blauwalgen op korte termijn verdwijnen. De ecologie volgt deze verbetering met enige vertraging; hierbij is eerder sprake van enkele jaren dan decennia. Naar verwachting zullen de processen in het Grevelingen sneller verlopen omdat daar geen verandering van zoet naar zout speelt.

Vraag B2

De leden van de PvdA-fractie lezen dat door een zoutlek de zoutconcentraties van het Hollands Diep, Haringvliet en Spui kunnen toenemen. Deze leden vragen de regering toe te lichten wat de gevolgen hiervan voor de natuur zijn en of er nog aanvullende maatregelen genomen kunnen en zullen worden om de negatieve gevolgen, indien deze aanwezig blijken te zijn, zoveel mogelijk te beperken.

Antwoord B2

De gevolgen van de zoutlek voor de natuur zijn verwaarloosbaar door de voorziene zoet-zoutscheiding waarmee de zoutlek wordt geminimaliseerd.
Het is daarom niet noodzakelijk aanvullende maatregelen te nemen.

Vraag B3

De leden van de PvdA-fractie vragen op basis van welke onderzoeken besloten zal worden of, en zo ja wanneer, bescherming tegen overstromingen bij de Rijn-Maasmonding door middel van het versterken van dijken nodig is.

Antwoord B3

Op basis van het onderzoek dat wordt uitgevoerd voor het toetsen van de dijkvakken op hoogte en sterkte met het Wettelijk Toetsinstrumentarium (WTI), wordt een uitvoeringsprogramma voor dijkaanpassing opgesteld: het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het tijdstip waarop deze versterkingen plaatsvinden is afhankelijk van de prioriteitsstelling, die wordt ontleend aan de overstromingsrisico’s (urgentie).

Vraag B4

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de keuze voor een zout Volkerak-Zoommeer gevolgen heeft voor de zoetwatervoorziening in het Rijnmaasmondgebied. Deze leden zien dat Rijkswaterstaat aandringt om gelet daarop de Deltabeslissing Zoetwater zoals voorgesteld in het Deltaprogramma uit te voeren. Deze leden vragen de regering wat de effecten zullen zijn van de uitvoering van dit programma. Deze leden vragen de regering daarnaast of zij het advies van Rijkswaterstaat op dit gebied volgt.

Antwoord B4

De maatregelen zoals voorgesteld in het Deltaprogramma Zoetwater hebben primair tot doel om de kwaliteit en de leveringszekerheid van de huidige en toekomstige zoetwatervoorziening voor de afnemers van water uit het huidige Volkerak-Zoommeer te verbeteren. Dit geldt voor West-Brabant, Goeree-Overflakkee, Tholen en St Philipsland en de Reigerbergsche Polder in Zuid-Beveland. Uitvoering van het programma Zoetwater draagt bij aan de vereiste om een alternatieve zoetwatervoorziening te regelen, voordat het Volkerak-Zoommeer zout kan worden (‘eerst het zoet, dan het zout’). Naast de alternatieve zoetwatervoorziening zijn ook maatregelen nodig om zoutindringing naar omringende wateren te beperken, inclusief de RijnMaasmonding. Deze maatregelen zijn beschreven in het antwoord op vraag A2.

Het advies van Rijkswaterstaat zal zeker een rol spelen bij de uitvoering van het Deltaplan Zoetwater. Een aantal maatregelen is in de agendering en programmering van dit plan opgenomen.

 

Onderdeel C: Beantwoording van de vragen van de SP-fractie

Vraag C1

De minister van Infrastructuur en Milieu schetst in haar brief van 10 oktober 2014 dat onder meer de verslechtering van de water- en natuurkwaliteit van de bekkens Grevelingen (zuurstofloosheid) en Volkerak-Zoommeer (blauwalgenplagen) de aanleiding is geweest voor deze Rijksstructuurvisie. De leden van de SP-fractie willen graag uitgaan van dit gegeven als uitgangspunt. Hierdoor komt een niet onbelangrijke andere zaak als (mogelijke) economische potenties wat deze leden betreft pas later in beeld. Deze leden behandelen dit soort nevenwensen vooralsnog niet in deze inbreng.

Over de water- en natuurkwaliteit van genoemd gebied zijn vele vragen te stellen, die naar mening van de leden van de SP-fractie eerst beantwoord dienen te worden, alvorens het pad van verdergaande plannen op te gaan. Is de kwaliteit van het water echt nog wel zo slecht? Heeft de aanwezigheid van de quaggamossel niet een flinke verbetering ingezet? Is het niet een kwestie van tijd? Bestaat de mogelijkheid om de ontwikkeling van de quaggamossel op een langere termijn te bezien en te wachten met het besluit om met het Volkerak-Zoommeer van zoet naar zout te gaan? Zou de waterkwaliteit, indien er wordt over gegaan tot zoutwater, nu echt wel zoveel beter worden? Waar blijkt dit uit? Is dit onderzocht? Wat zijn hiervan de uitkomsten?

Klopt het dat er geen zicht is op autonome verbetering van de waterkwaliteit van de Grevelingen? Zijn er andere wegen om de zuurstofloosheid tegen te gaan? Zo ja, welke en zijn deze onderzocht?

Antwoord C1

Voor de Grevelingen is er geen zicht op autonome verbetering. Van het areaal aan bodem dat in de zomermaanden levenloos wordt, herstelt in de wintermaanden slechts de helft. Per saldo is dus sprake van een steeds verdergaande achteruitgang. In theorie is er voor de aanpak van deze problematiek een andere mogelijkheid dan het terugbrengen van getij op de Grevelingen. Dat betreft het inzetten van zogeheten Solar Bees, die ervoor zorgen dat de waterlagen mengen. In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van de MIRT-verkenning Grevelingen is beargumenteerd dat deze techniek niet als een duurzame oplossing wordt gezien, omdat ze zich niet nog op de schaal van de Grevelingen heeft bewezen, ze niet duurzaam is vanwege het energiegebruik en door het ruimtegebruik tot hinder leidt voor andere gebruiksfuncties van de Grevelingen.

Voor de analyse van de kwaliteitsontwikkeling van het Volkerak-Zoommeer wordt verwezen naar het antwoord op vraag A5.

Vraag C2

Zijn de drie basiskeuzen ingegeven vanuit de behoefte de water- en natuurkwaliteit te verbeteren, of is dat uitgangspunt vooral ingegeven om tegemoet te komen aan wensdenken in combinatie met een gebrek aan geld, zo vragen de leden van de SP-fractie. De tekst in de eerder aangehaalde brief van de minister van Infrastructuur en Milieu is immers “Op de rijksbegroting zijn echter door de noodzaak van scherpe prioritering onvoldoende middelen beschikbaar voor de uitvoering van het ontwikkelingsperspectief in de RGV”.

Antwoord C2

Aan de drie basiskeuzen liggen de vraagstukken van de waterkwaliteit in het Volkerak-Zoommeer en de Grevelingen (twee basiskeuzen) en van de veiligheid tegen overstromingen (derde basiskeuze) ten grondslag.

Het waterkwaliteitsprobleem in het Volkerak-Zoommeer is merkbaar door de vertroebeling, te hoge concentraties stikstof en fosfaat en de jaarlijks terugkerende overlast van blauwalgen in de ondiepe delen van het meer. In de Grevelingen zijn grote delen van het meer in elke zomerperiode enige tijd zuurstofloos, waardoor bodemdieren sterven. Door de noodzaak echter van scherpe prioritering op de rijksbegroting zijn inderdaad onvoldoende middelen beschikbaar om op korte termijn verbetermaatregelen uit te voeren.

Mede hierdoor is onder regie van de betrokken provincies het programma Gebiedsontwikkeling Grevelingen en Volkerak-Zoommeer uitgevoerd. Hierin wordt de ambitie van de regio van getij terug op de Grevelingen en een weer zout Volkerak-Zoommeer kracht bijgezet met (innovatieve) financieringsarrangementen van overheden, marktpartijen en gebruikers. Om de kansen van de gebiedsontwikkeling te kunnen realiseren heeft de regio behoefte aan een door het Rijk vastgesteld toekomstbeeld. Om die reden heeft het Rijk besloten tot een innovatieve pilot om samen met de regio in het jaar na de vaststelling van de ontwerp-rijksstructuurvisie naar financiële dekking te zoeken voor de beoogde structurele verbetering van de waterkwaliteit van Grevelingen en Volkerak-Zoommeer.

Voor de derde basiskeuze – de veiligheid tegen overstromingen in het gebied rond Haringvliet, Hollands Diep en bij Dordrecht – is de oplossing het versterken van de dijken, wanneer de klimaatverandering dat nodig maakt. Deze maatregelen zullen worden bekostigd vanuit het Deltafonds.

Vraag C3

De leden van de SP-fractie lezen tevens in deze brief dat “er nog een inspanning nodig is voor de dekking van de kosten van de hiervoor benodigde maatregelen” en “wordt hieraan de randvoorwaarde verbonden dat binnen één jaar na de bekendmaking van de ontwerp-RGV tot en robuuste financiering van de maatregelen wordt gekomen (dat is eind 2015)”. De leden van de SP-fractie lezen hierin dat indien de financiering niet rond komt, het ‘hele feest niet doorgaat’. Deze leden vragen wat er over blijft van de ontwerp-RGV indien betrokken provincies en waterschappen het geld niet bij elkaar krijgen. Wat is, of wordt, de status van deze rijksstructuurvisie? Deze leden vragen of het dan simpel ‘einde oefening’ is of dat er dan zaken vanuit het Rijk alsnog dwingend zullen worden opgelegd. Zo ja, welke?

Op welke moment wordt er door wie een besluit genomen? En zo ja, waarover? Wordt de Kamer expliciet voorgelegd wat te doen met deze ontwerp-RGV? Graag ontvangen deze leden hier een uitgebreide toelichting op.

Antwoord C3

De vaststelling van de definitieve rijksstructuurvisie is afhankelijk van de voortgang bij het robuust maken van de bekostiging van de maatregelen. Een eerste stap daarbij is het sluiten van een bestuursovereenkomst met de regio.

Mocht het niet mogelijk blijken om in het jaar na vaststelling van de ontwerp-RGV financiële dekking te vinden, dan blijft de verwezenlijking van het geschetste ontwikkelingsperspectief (voorlopig) beperkt tot realisatie van de projecten Flakkeese spuisluis en Roode Vaart en uitvoering van de deltabeslissing Zoetwater (zie ook het antwoord op vraag A4).

Bij een mogelijke toekomstige wijziging van de financieringsmogelijkheden of van de uitkomst van de prioritering van financiële middelen vanwege de noodzaak tot snel ingrijpen, dient het ontwikkelperspectief uit deze rijksstructuurvisie voor het Rijk als leidraad bij nieuw overleg en planvorming, bijvoorbeeld in het kader van de voorbereiding van de derde tranche programmering van budgetten om de waterkwaliteit te verbeteren volgens de Kaderrichtlijn Water (2019).

Vraag C4

De Rijksstructuurvisie heeft geen directe rechtsgevolgen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Heeft het op basis van andere wetten mogelijk wel rechtsgevolgen, zo vragen de leden van de SP-fractie. Zo ja, welke?

Antwoord C4

Een rijksstructuurvisie is een beleidsdocument op grond van de Wet ruimtelijke ordening dat gevolgen heeft voor het Rijk, maar geen externe rechtsgevolgen heeft. Tegen een rijksstructuurvisie kan om die reden geen beroep bij de rechter worden ingesteld. Een structuurvisie is in dat opzicht niet gelijk te stellen met een bestemmingsplan, dat voor burgers en bedrijven bindende bepalingen bevat.

De rijksstructuurvisie bindt wel het Rijk, in die zin dat hiervan bij het nemen van besluiten niet ongemotiveerd kan worden afgeweken. De verwijzing naar (het besluitbegrip in) de Awb betekent niet dat de structuurvisie op grond van een andere wet wel directe rechtsgevolgen zou hebben. Er zijn ook geen rechtsgevolgen op basis van andere wetten.

Vraag C5

De leden van de SP-fractie zouden graag over de inhoud van de Kader Richtlijn Water (KRW) beter worden geïnformeerd. Wat zijn de doelen ten aanzien van het Volkerak-Zoommeer op dit moment, nog zonder ingrepen? Hoe komen die zaken eruit te zien indien het Volkerak-Zoommeer zout wordt en beide meren getij hebben gekregen? Wat worden dan de doelen voor de waterkwaliteit?

Antwoord C5

Voor het huidige zoete systeem van het Volkerak-Zoommeer gelden de KRW-maatstaven voor ‘matig grote diepe gebufferde zoete meren’ (M20). Onderzoek in het kader van de effectbeoordeling in het MER bij de RGV, wijst uit dat momenteel niet wordt voldaan aan de KRW-maatstaven voor stikstof, doorzicht en fosfaat. Ook aan de maatstaven voor algen (fytoplankton), waterflora, macrofauna en vis wordt nog niet voldaan. Dit ondanks verbeteringen die op het conto van de quaggamossel kunnen worden geschreven. Meer recente gegevens voor de ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen 2016 -2021 bevestigen dit beeld voor fosfaat en stikstof, terwijl de aspecten algen en doorzicht op dit moment als goed worden beoordeeld.

Volgens het MER voor de RGV is het onzeker dat het meer zich zonder ingrijpen zal ontwikkelen tot een duurzaam en robuust zoet watermeer. Zie verder het antwoord op vraag A5.

Wanneer het Volkerak-Zoommeer weer zout wordt, gaan andere KRW-maatstaven gelden, namelijk die voor een ‘estuarium met matig getijverschil’ (O2). Hiervoor gelden ook doelen voor stikstof, fosfaat, doorzicht, en dergelijke, maar dan met andere getalswaarden. Bij een zout Volkerak-Zoommeer zal de haalbaarheid van de KRW-maatstaven voor ‘overige waterflora’, ‘macrofauna’ en ‘vissen’ verbeteren, terwijl de haalbaarheid voor ‘hydromorfologie’ en ‘fytoplankton’ naar verwachting gelijk zal blijven. Voor ‘fysische chemie’ (o.a. stikstof en fosfaat) zal het, zonder extra maatregelen om aanvoer van voedingsstoffen vanuit het Hollands Diep en de Brabantse rivieren vanuit het Hollands Diep en de Brabantse rivieren te beperken, lastig blijven om aan de maatstaven van de KRW te voldoen. Bij een zout Volkerak-Zoommeer is het mogelijk om met schelpdierkweek in (kunstmatig) hoge dichtheden (zoals ook in de Oosterschelde plaatsvindt) de graasdruk op algen te verhogen en met het oogsten van de schelpdieren nutriënten uit het systeem te halen.

De type-aanduiding volgens de KRW voor de Grevelingen is nu ‘Grote brakke tot zoute meren’. Bij het terugbrengen van beperkt getij zal dit veranderen in ‘kustwater, beschut en polyhalien’. Onderzoek in het kader van de effectbeoordeling in het MER bij de RGV, laat zien dat in de huidige situatie wordt voldaan aan de KRW-maatstaven voor fysische chemie en fytoplankton. De toestand van macrofauna en vis is matig en van overige waterflora slecht en dat is ook de prognose voor de toestand in 2021. Dit wordt bevestigd door recente gegevens voor de ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen 2015-2021 voor de KRW. De verwachting is dat met het verslechteren van de zuurstofcondities en de bijbehorende ecologische processen in 2027 nog steeds niet aan de KRW-maatstaven kan worden voldaan voor overige waterflora, macrofauna en vis.

Vraag C6

Welke maatregelen zijn nodig bij voortzetting van de huidige toestand? Hoeveel besparing levert dit op, waarop en voor wie? Wat is nu werkelijk het belang van de KRW binnen deze voornemens?

Antwoord C6

Bij voortzetting van de huidige toestand (een zoet Volkerak-Zoommeer) zijn, afgezien van het aanbrengen van enkele vispassages tussen het meer en achterliggende polderwateren, geen maatregelen gepland.

Wat betreft de besparingen en de kostenverdeling zie het antwoord op vraag A5. Het algemene belang van de KRW is gelegen in de doelstelling om te komen tot bescherming, verbetering en herstel van de waterkwaliteit. Zie het antwoord op vraag C5.

Vraag C7

In paragraaf 2.5 wordt gesproken over het toepassen van het profijtbeginsel. De leden van de SP-fractie hebben hier nog geen invulling door de regering, in de zin van informatie door middel van een brief, van gezien. Hoe gaat dat eruit zien? Hoe kan het dat er zonder openbaar bekende visie over het profijtbeginsel er blijkbaar al wel op vooruit gelopen wordt in overleggen?

Antwoord C7

In het jaar na vaststelling van de ontwerp-Rijksstructuurvisie verkennen regio en Rijk de mogelijkheden van bekostiging van het ontwikkelperspectief. Dat gebeurt in het Programma Gebiedsontwikkeling 2e fase. In dat kader wordt onderzocht op welke wijze kostenbesparingen mogelijk zijn en of combinaties met ambities voor recreatie, woningbouw en natuurontwikkeling mogelijk zijn. Daarbij wordt ook bezien of de waardecreatie als gevolg van de verbetering van de waterkwaliteit, omgezet kan worden in financiële betrokkenheid van de ‘gebruikers’ die profijt trekken van de waardecreatie. Dit past in een benadering van gebiedsontwikkeling waarbij complexe projecten gemeenschappelijk en stapsgewijs worden gerealiseerd, met ruimte voor samenwerking met nieuwe partijen.
De gebiedsontwikkeling rond Grevelingen en Volkerak-Zoommeer wordt in de RGV gezien als een innovatieve samenwerkings- en financieringspilot.

Vraag C8

Op welk moment en met welke dringende reden zijn er al stappen in gang gezet? Zoals de Flakkeese spuisluis en het aanpassen van de Roode Vaart genoemd worden als verbetering van de waterkwaliteit. Wat zal dit verbeteren?

Antwoord C8

De stappen die in gang zijn gezet betreffen de zogenoemde ‘altijd goed’-maatregelen die sowieso zorgen voor een kwaliteitsimpuls aan het gebied.
Deze initiatieven renderen dus ook als er geen getij terug komt op de Grevelingen en het Volkerak-Zoommeer zoet blijft.

De aanbestedingsprocedure voor de inwerkstelling van de Flakkeese Spuisluis is afgelopen zomer gestart. Dat is op dringend verzoek van de regio en de markt gebeurd, omdat deze partijen in het kader van innovatieve deltatechnologie een Tidal Test Centre (TTC) willen bouwen. Door de inwerkstelling van de Flakkeese Spuisluis verbetert lokaal de waterkwaliteit in het oostelijk deel van de Grevelingen en komt een locatie beschikbaar voor het testen van (innovatieve) turbines waarmee energie kan worden gewonnen uit getijdenbeweging en waterstroming.

De aanpassing van de Roode Vaart is een initiatief van de provincies Noord-Brabant en Zeeland, het waterschap Brabantse Delta en de gemeente Moerdijk. Genoemde partijen hebben hierover eind 2013 een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Het Rijk levert een financiële bijdrage vanwege de voorbeeldfunctie van dit project voor de strategische aanpak (langs de lijn van adaptief deltamanagement) van de (zoet)wateropgave van het Deltaprogramma en de verbinding van waterbeheer met ruimtelijke ontwikkeling. De urgentie komt door de koppeling met het plan van de gemeente Moerdijk om in het centrum van Zevenbergen de oorspronkelijke loop van de Roode Vaart te herstellen.
De aanpassing van de Roode Vaart wordt tevens benut om delen van West-Brabant (en op termijn Tholen en St. Philipsland) via de Roode Vaart te voorzien van water uit het Hollands Diep. Deze gebieden zijn nu voor de zoetwatervoorziening afhankelijk van het Volkerak-Zoommeer. Het water uit het Hollands Diep is van betere kwaliteit (lager chloridegehalte) en biedt meer leveringszekerheid (geen innamestops door blauwalgenplagen) dan het water uit het Volkerak-Zoommeer. Door dit initiatief verbetert dus de zoetwatervoorziening van de landbouw ten opzichte van de huidige situatie.  

Vraag C9

Wat indien er gekozen zou worden het Volkerak-Zoommeer niet zout te maken? Welke verbeteringen zijn volgens de KRW (2019) specifiek voor dit gebied, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Antwoord C9

Voor een stabiel zoet Volkerak-Zoommeer zijn in elk geval (extra) maatregelen nodig om de aanvoer van stikstof en fosfaat vanuit omliggende gebieden en wateren te beperken. Ook in dat geval zal nog langere tijd sprake zijn van nutriëntenbelasting van het Volkerak-Zoommeer door nalevering vanuit de (water)bodem. Conform het MER dat voor de RGV is uitgevoerd, is het onzeker of het meer zich zonder aanvullende maatregelen zal ontwikkelen tot een duurzaam en robuust zoetwatermeer. Voor een nadere analyse wordt verwezen naar het antwoord op vraag A5.

Voor de beantwoording van het tweede deel van de vraag wordt verwezen naar het antwoord op C5.

Vraag C10

Waarom zijn de mogelijkheden van de getijdencentrale nog niet onderzocht, zo vragen de leden van de SP-fractie. Was het niet beter geweest dit soort belangrijke zaken eerst te onderzoeken alvorens met een nu, naar de mening van deze leden, deels onvolledige MKBA te komen? Kosten en baten hiervan ontbreken immers.

Antwoord C10

De Getijdencentrale is in de MKBA meegenomen als optie (‘optie1’). De Getijdencentrale geeft voor de alternatieven, waarbij sprake is van een opening in de Brouwersdam, aan dat er baten zijn voor de werkgelegenheid, innovatie/kennis spin-off en CO2-baten bij het wegvallen van het Europees Emissiehandel systeem.

Het rendement van de getijdencentrale was op basis van eerste inzichten nog onvoldoende voor een positief welvaartssaldo. De verwachting was dat door inschakeling van de markt en door technologieontwikkeling nog veel verbeterd kon worden. Vandaar dat er eind vorig jaar een traject is gestart om de markt te consulteren. Recente (november 2014) uitkomsten van deze marktconsultatie laten zien dat een opening in de Brouwersdam in combinatie met een getijdencentrale wel degelijk een positief welvaartssaldo kan opleveren. De resultaten van de marktconsultatie en een samenvatting van de business case zullen in januari 2015 openbaar worden gemaakt.

Vraag C11

Kunnen de leden van de SP-fractie meer informatie ontvangen over de Bathse spuisluis, en de vele onzekerheden daaromtrent? Wanneer worden welke studies gedaan? Waarom is dit niet uitgewerkt, terwijl dat bij andere, veelal economische, wensen al wel is gedaan. Zijn uitkomsten van deze studies van invloed op een MKBA? Zo nee, waarom niet? Graag ontvangen deze leden ook meer antwoorden over dit soort zaken rond de Oesterdam. Op welk moment is er meer duidelijkheid over nader hydrologisch onderzoek? Is dit van invloed op de MKBA?

Antwoord C11

Via de Bathse spuisluis wordt momenteel overtollig zoet water vanuit het Volkerak-Zoommeer geloosd op de Westerschelde.

Met de herintroductie van getij, wordt het Volkerak-Zoommeer opnieuw zout. De Bathse spuisluis tussen het Schelde-Rijnkanaal en de Westerschelde wordt dan ingezet voor peilbeheer en voor het doorspoelen van het zoute meer.

Ten behoeve van het MER bij de RGV is onderzoek gedaan naar de invloed van het spuien van zout water op de Westerschelde via de Bathse Spuisluis. Voor de zeer uitzonderlijke situatie waarin de zoetwaterafvoer van de Schelde gedurende enkele maanden minimaal is, laat het onderzoek zien dat het spuien van zout water leidt tot een verhoging van het zoutgehalte op de Westerschelde en Zeeschelde. Een dergelijke situatie heeft zich tussen 1996 en 2012 slechts één keer voorgedaan. Weliswaar is deze zeer beperkt, het gaat om een toename van 1000 tot 1500 mg Cl/l in een gebied met grote schommelingen in zoutgehalte, maar negatieve gevolgen voor de ecologie en het slibtransport zijn niet uit te sluiten. Dit geldt met name in het middendeel van het estuarium, tussen de Nederlands-Belgische grens en Schelle (Vlaanderen).

Daarom is nader onderzoek nodig, bijvoorbeeld naar de invloed van het spuien van zout water onder meer reguliere omstandigheden, met grotere afvoeren van zoetwater via de Schelde. Dit nadere onderzoek zal onderdeel zijn van de planuitwerking na de vaststelling van de RGV.

Met een extra doorlaat in de Oesterdam voor doorspoeling en peilbeheer kunnen de genoemde negatieve gevolgen voor de (Wester)Schelde worden vermeden. Het zoute water wordt in dat geval gespuid op de Oosterschelde. Er is daardoor minder invloed van voedselrijk water vanuit het Volkerak-Zoommeer op de Westerschelde. Dit is gunstig voor de waterkwaliteit van de Westerschelde. Voor de nutriëntenarme Oosterschelde is de instroom van voedselrijk water vanuit het Volkerak-Zoommeer via de extra doorlaat in de Oesterdam juist positief, met name voor de schelpdierenpopulaties. Negatieve effecten op de Oosterschelde worden nauwelijks verwacht.

Nader hydrologisch onderzoek moet uitwijzen of de negatieve effecten op de Westerschelde als gevolg van het spuien zo groot zijn dat een extra doorlaat in de Oesterdam noodzakelijk is. Omdat die noodzaak nog niet vaststaat, is de doorlaat niet in de MKBA opgenomen.

Vraag C12

Zijn de voorstellen van ingenieur Spaargaren nader onderzocht? Klopt het dat het rapport van Deltares inzake dit onderwerp uit is gegaan van aannames? Kan de regering een reactie geven op de voorstellen van ingenieur Spaargaren?

Wat zou de invloed zijn op voorliggende Rijksstructuurvisie indien naar deze voorstellen gehandeld zou worden? Wat is de invloed hiervan op de totale zoetwatervoorziening? Kost dit geld of bespaart dit geld? Kan hier een MKBA voor uitgevoerd worden? Zo nee, waarom niet, zo vragen de leden van de SP-fractie.  

Antwoord C12

Voor de Deltabeslissing Rijn-Maasdelta zijn meerdere alternatieven onderzocht en meegewogen, ook op kosten en baten. Ook het alternatief van de zes ingenieurs (waaronder de heer Spaargaren) met zeesluizen in Nieuwe en Oude Maas is geanalyseerd. In het onderzoek van Deltares naar dit alternatief zijn, zoals bij elk onderzoek, aannames gedaan. Deze aannames sluiten aan bij het Deltaprogramma en betreffen onder meer de klimaatscenario’s van het KNMI.  

Het is een interessant alternatief, dat in de toekomst mogelijk nog van pas kan komen. Dan zal tegen die tijd het alternatief nog wel verder uitgewerkt moeten worden. Zoals aangegeven in het wetgevingsoverleg Water van 17 november jongstleden is dit alternatief op dit moment echter niet nodig.

In de voorkeursstrategie van het Deltaprogramma worden ook bij het meest extreme KNMI-scenario (het W+ scenario) de doelen voor veiligheid en zoetwater gehaald, maar met minder gevolgen voor de economie en voor de ecologie dan bij het bovengenoemde alternatief met zeesluizen. De analyses laten ook zien dat deze voorkeursstrategie de beste kosten-batenverhouding heeft en ook kan rekenen op een groot draagvlak in de regio. Bovendien is de voorkeursstrategie, in tegenstelling tot het alternatief van deze zes ingenieurs, adaptief uit te voeren en kan dus aangepast worden aan voortschrijdende inzichten over de klimaatverandering.

Specifiek voor de zoetwatervoorziening is in het Deltaprogramma het volgende geconcludeerd. Bij extreem lage afvoeren in de zomer en de gevolgen daarvan voor de zoetwatervoorziening is de variant van de zes ingenieurs een mogelijke oplossing. Een oplossing kan echter ook bereikt worden met de veel minder ingrijpende maatregelen die het Deltaprogramma beschrijft. Deze alternatieven kosten slechts een fractie van afsluiting van de Nieuwe Waterweg. In de rijksstructuurvisie is voortgebouwd op de kaderstellende voorkeursstrategie van het Deltaprogramma. Een MKBA over de impact van de voorstellen van de zes ingenieurs op de rijksstructuurvisie is om die reden nu niet gemaakt. Dat zou pas aan de orde zijn wanneer een strategiewijziging wordt overwogen.

Vraag C13

De leden van de SP-fractie ontvangen graag een uitputtende lijst bij tabel 4 op pagina 32 van de ontwerp-RVG wat de gevolgen zijn indien er geen dekking gevonden wordt in de tweede fase gebiedsontwikkeling. Wat zijn in dit geval de gevolgen voor de waterkwaliteit? Waar worden oplossingen gezocht indien deze vele miljoenen, te weten bijna € 300 mln., nog los van de openstelling van de opening bij Grevelingendam en de doorlaat Oesterdam, niet gevonden worden?

Antwoord C13

Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de antwoorden op de vragen A5, C2, C3 en C7.

Vraag C14

Graag ontvangen de leden van de SP-fractie een uitgebreide analyse van het aanpassen van systeemwijziging als doelen van de KRW. Graag ontvangen deze leden daarbij de vermelding van nut en noodzaak. Waarom moeten aanwijzingsbesluiten, van bijvoorbeeld Natura 2000-gebieden, worden aangepast? Is betreffende dit soort zaken al duidelijkheid rond de voornemens van de Europese Commissie, op basis van de zogenaamde Juncker/Timmermans brief van 7 november 2014 met voornemens? Waaruit bestaat het op pagina 37 genoemde overleg?

Antwoord C14

Voor een antwoord op de vraag over de KRW-doelen van het Volkerak-Zoommeer wordt verwezen naar het antwoord op C5.

Het huidige aanwijzingsbesluit voor de Grevelingen is toegesneden op de situatie zonder getij en de daarbij horende habitats en (vogel)soorten. Een aangepast aanwijzingsbesluit zal toegesneden zijn op de nieuwe situatie en de daarbij behorende de doelen. Deels zullen die ongewijzigd blijven en voor ander deel zullen die veranderen. Het Krammer-Volkerak zal eerst worden aangewezen op basis van de bestaande waarden. In het aanwijzingsbesluit zullen de aanpassingen aan de situatie met zout en getij in de toekomst worden aangekondigd, zoals ook bij de Grevelingen is gebeurd.

Het op pagina 37 genoemde overleg met de Europese Commissie is een ambtelijk overleg, waarin is verkend hoe de Europese Commissie staat tegenover een systeemwijziging. Uit dit overleg is gebleken dat de Commissie in beginsel positief staat tegenover een systeemwijziging. Het overleg zal worden voortgezet met het oog op de aanpassing van de aanwijzing voor Grevelingen en de Natura 2000 doelen.

Vraag C15

Worden de compenserende maatregelen, gewenst door de waterschappen, wel of niet vastgelegd in de Rijksstructuurvisie, zo vragen de leden van de SP-fractie. Zo nee, waarom niet? Worden inderdaad eerst de zoetwatervoorzieningen aangelegd (eerst zoet, dan zout) wanneer besloten wordt het Volkerak-Zoommeer weer zout te maken? Waarin wordt dat vastgelegd?

Antwoord C15

De compenserende maatregelen en de fasering daarvan, zoals onder meer door de waterschappen gewenst, maken onderdeel uit van de rijksstructuurvisie. In het ontwikkelperspectief is opgenomen dat ‘voorafgaand aan het zout maken van het Volkerak-Zoommeer maatregelen worden uitgevoerd voor alternatieve zoetwatervoorziening en de zoutlekbestrijding’ (blz. 20).

Vraag C16

Kan duidelijkheid komen over de visie over wie nu precies de zoetwaterleiding voor (met name) Tholen en Sint Philipsland gaat betalen?

Antwoord C16

De maatregelen die nodig zijn om een robuuste zoetwatervoorziening in Tholen en Sint Philipsland te krijgen zijn opgenomen in de rijksstructuurvisie. Het gaat daarbij om ‘aanpassing Roode Vaart (‘altijd goed’-maatregel)’, ‘Roode Vaart (vergroting robuustheid regionaal systeem)’ en ‘gemaal Roode Vaart’.
Deze projecten zijn ook onderdeel van het investeringsprogramma Zoetwater voor de zoetwateropgave van de Zuidwestelijke Delta uit de deltabeslissing Zoetwater. In het kader van deze deltabeslissing zijn ook afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten tussen Rijk en regio (provincies en waterschappen).

Vraag C17

De betrokken partijen in het Zeeuwse zijn akkoord gegaan met de verzilting van het Volkerak Zoommeer onder het beding dat de boeren dan zoet water uit Brabant krijgen voor het besproeien van de akkers bij droog weer. Afgesproken was de volgorde: ‘eerst zoet dan zout’. Dat zou naar de leden van de SP-fractie begrepen hebben ook geregeld worden, via een inlaat bij het Hollands Diep naar de Roode Vaart en vervolgens met een pijpleiding. Maar het lijkt erop dat het Rijk nu de belanghebbenden (een deel van) de kosten wil laten betalen. Is dat zo? Hoe wordt dit aan de boeren ‘verkocht’ die nu nog gratis water uit het zoete Volkerak-Zoommeer halen?

Graag ontvangen deze leden duidelijkheid van de kant van de minister, daar die helderheid niet uit deze structuurvisie blijkt, zo menen deze leden.

Antwoord C17

Voor de kosten van de zoetwatermaatregelen is een verdeling gemaakt tussen Rijk en regio (provincies en waterschappen). Hiervoor wordt dus geen separaat beroep gedaan op de boeren in het gebied (zie antwoord op vraag C16).

Vraag C18

Hoe wordt gegarandeerd dat bij droge periodes het zoutniveau (20kg/sec) niet wordt overschreden? Wat doet dat met de KRW indien die kans op overschrijding niet kan worden uitgesloten?

Antwoord C18

Om de zoutlast vanuit een zout Volkerak-Zoommeer via de Volkeraksluizen op het Hollands Diep/Haringvliet te beperken tot 20 kg/s in perioden met lage Rijnafvoer, worden deze sluizen uitgerust met een innovatief zoet-zout scheidingssysteem (IZZS). Dit systeem bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder een vernieuwde manier van het inbrengen van lucht in de waterkolom (bellenscherm) en de doorspoeling van de schutkolken met zoet water. Voor alle onderdelen van het innovatieve zoet-zout scheidingssysteem is door ingenieursbureau Royal HaskoningDHV, in samenwerking met Deltares, een faalkansanalyse gemaakt.

De conclusies van deze studie zijn:

1.    Met preventieve, correctieve en mitigerende maatregelen zijn de effecten bij het falen van het IZZS goed te beperken. De invloed van additionele zoutlast ten gevolge van het falen is als gevolg van deze maatregelen zelfs in zeer droge perioden minder dan die van de basiszoutlast, en vergelijkbaar met effecten door natuurlijke omstandigheden.

2.    De effecten van het falen van het IZZS zijn sterk afhankelijk van het seizoen en meteorologische omstandigheden. In natte periodes zullen de effecten minimaal zijn.

3.    De preventieve maatregelen hebben de voorkeur boven correctieve maatregelen, omdat deze maatregelen effectiever zijn. Correctieve maatregelen bestaan uit bijvoorbeeld uit het tijdelijk aanpassen van het schutproces (minder schuttingen, meer spoeldebiet door kolken) wat hinder voor de scheepvaart kan betekenen. Om het spoeldebiet door de kolken te vergroten zal water worden onttrokken aan het Hollands Diep. In een periode van lage Rijnafvoer zal dit ten koste gaan van de verziltingsbestrijding in de  Nieuwe Waterweg. Het gevolg hiervan zou zijn dat het chloridegehalte bij het belangrijke zoetwaterinnamepunt Gouda oploopt. Dat kan worden vermeden door de maatregel ‘Doorvoer Krimpenerwaard’, waarmee zoet water uit de Lek wordt gebruikt om de verzilting van het innamepunt tegen te gaan. Deze maatregel maakt dan ook onderdeel uit van het maatregelenpakket behorend bij een zout Volkerak-Zoommeer. Bij het formuleren van de ontwerpeisen van het IZZS in de Volkeraksluizen zal de besproken faalkansanalyse worden betrokken.

Een zoutlast in de orde van 20 kg/s leidt in perioden met lage Rijnafvoeren tot een verhoging van de chlorideconcentratie met 55 tot 60 mg/l. Opgeteld met de achtergrondconcentratie van het rivierwater van ongeveer 130 mg/l in die omstandigheden, wordt het chloridegehalte circa 200 mg/l. Bij deze concentratie wordt nog steeds voldaan aan het KRW-vereiste van minder dan 300 mg/l voor het zoete water in de Rijn-Maasmonding.

Vraag C19

Wat is de invloed van de herintroductie van het schutbedrijf bij een aantal sluiscomplexen? Welke sluiscomplexen zijn dat? Wat doet dit met de zoetwaterbescherming Hoekse Waard en Voorne-Putten in het licht van het intensieve gebruik van de sluizen?

Antwoord C19

Bij de schutsluizen in de monding van de Brabantse rivieren zal het schutbedrijf bij een zout Volkerak-Zoommeer permanent worden ingezet. Bij een zoet Volkerak-Zoommeer gebeurt dit alleen in omstandigheden met overlast gevende blauwalgenbloei, dus in het zomerseizoen.

Ook deze sluizen zullen worden uitgerust met het innovatieve zoet-zout scheidingssysteem, waarbij door de aanvoer van extra zoet water via het Mark-Dintel-Vlietstelsel de resterende zoutlast wordt teruggedrongen. Door deze en andere in de RGV opgenomen zoetwatermaatregelen is van een zout Volkerak-Zoommeer geen of alleen zeer beperkte invloed te verwachten op de KRW-doelen voor de omringende wateren. Alleen in West-Brabant zullen in gebieden met ‘zoete’ KRW-doelen deze mogelijk niet volledig gehaald kunnen worden. Daar staat tegenover dat in gebieden met ‘brakke’ doelen de haalbaarheid juist verbetert. In de mondingen van de Brabantse rivieren zullen aan de buitenzijde van de sluizen, die dan niet langer permanent open staan, typische zoetwatersoorten verdwijnen.

De zoetwaterbescherming Hoekse Waard en Voorne-Putten gebeurt via het innovatieve zoet-zout scheidingssysteem in de Volkeraksluizen, zoals hierboven is uitgelegd. Zie ook het antwoord op vraag C18.

Vraag C20

Wat is de reden dat het Rijk een paar miljoen euro uittrekt om dwars door de haven van Tholen een dam met doorlaatopening aan te leggen, omdat de kans bestaat dat eens in de 1400 jaar het Volkerak-Zoommeer gebruikt moet worden als waterberging?

Is het niet een betere oplossing om in dat hypothetische geval de betrokken bewoners een riant hotel aan te bieden en dito schadevergoeding? Wat zegt de MKBA hierover? Is een schadevergoeding in dat geval niet veel goedkoper dan een dergelijke dure dam, die onderhouden moet worden tot in de verre toekomst? Waar komt deze behoefte tot geldverspilling toch vandaan, zo vragen deze leden.

Antwoord C20

Het project Waterberging Volkerak-Zoommeer maakt geen onderdeel uit van de rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, maar van de Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier. Dit project verkeert reeds in de uitvoeringsfase.

De reden dat er in de haven van Tholen een dam wordt aangelegd is het voorkomen van waardevermindering en waterschade die een groot deel van de woningen kan ondervinden bij de inzet van de waterberging.

De woningen zijn ontwikkeld voorafgaand aan het besluit over de Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier en het besluit om het Volkerak-Zoommeer als waterberging in te zetten. Deze situatie leidt tot een waardevermindering van de woningen. Het Rijk is aansprakelijk voor zowel schade als waardevermindering. Het Rijk stond indertijd voor de keuze om schade en waardedaling te voorkomen of te vergoeden. Om een keuze te maken zijn verschillende alternatieven en de mogelijke gevolgen naast elkaar gelegd. Het beheeraspect van de dam is ook meegenomen in de afweging. De bewoners hebben aangegeven een sterke voorkeur te hebben voor een keermiddel. Uiteindelijk is gekozen voor het voorkomen van schade in plaats van het vergoeden daarvan, vanwege de maatschappelijke voorkeur, het aantal woningen dat kan worden getroffen en de hoge waarde van het vastgoed.

Vraag C21

Kunnen de effecten die niet in geld zijn uit te drukken alsnog worden opgenomen in deze MKBA, zo vragen deze leden. Gaat de minister een proces in gang zetten om het CPB de opdracht te geven een manier te ontwikkelen om zaken die niet in geld zijn uit te drukken een waarde te kunnen geven? Deze leden denken daarbij bijvoorbeeld aan natuurwaarden, gezondheidswaarden, leefomgeving, welvaartseffecten in de toekomst, verbetering luchtkwaliteit et cetera. Zo nee, waarom niet? Zonder onvriendelijk te willen zijn vragen deze leden of er gewerkt kan worden aan een beter leesbare versie van dit MKBA. Het lezen van dit exemplaar is een studie op zich en draagt daardoor niet bij aan besluitvorming, zo menen deze leden.

Antwoord C21

Niet-monetariseerbare baten staan in het plan-MER en zijn reeds als kwalitatieve score overgenomen in de MKBA. Voor zover monetariseerbaar, zijn natuurbaten uit de plan-MER in de MKBA opgenomen. De werkwijze is conform de leidraad voor de MKBA, zoals opgesteld door het PBL en CPB.

De MKBA zal daarom op deze punten niet worden aangepast.

Waarden, zoals de verbetering van de luchtkwaliteit, gezondheid en toekomstige welvaartseffecten worden momenteel al zo goed als mogelijk in geld uitgedrukt in de MKBA.

Het monetariseren van natuurwaarden en kwaliteitsverandering van de leefomgeving is reeds in ontwikkeling en onderwerp van studie. Het is daarom niet nodig hiervoor opdracht te geven.

Het spijt me te moeten vernemen dat de MKBA niet overal even gemakkelijk leest. Er is evenwel getracht de toegankelijkheid van de MKBA te vergroten door een samenvatting bij de stukken te voegen. Hierin zijn de hoofdlijnen van de MKBA opgenomen.
Onderdeel D: Beantwoording van de vragen van de CDA-fractie

Vraag D1

Tijdens het wetgevingsoverleg Water (gehouden op 17 november 2014) stelde de minister van Infrastructuur en Milieu dat de zoetwater ‘stresstest’ van het hoofdwatersysteem beschikbaar zal zijn voordat het definitieve financiële besluit over de ontwerp-RGV genomen wordt. Wordt de zoetwater stresstest van het hoofdwatersysteem betrokken bij deze definitieve beslissing, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zo nee, waarom niet?

Antwoord D1

Met het onderzoek dat in het kader van de rijksstructuurvisie is uitgevoerd is reeds veel informatie over het functioneren van het betreffende hoofdwatersysteem beschikbaar gekomen en over de mogelijke effecten van het weer zout maken van het Volkerak Zoommeer. Er is een maatregelenpakket vastgesteld voor een alternatieve zoetwatervoorziening bij een zout Volkerak-Zoommeer. Deze maatregelen zullen per saldo leiden tot een betere watervoorziening (betere kwaliteit, meer leveringszekerheid) dan de huidige situatie. Dit wordt bevestigd door de MKBA. Verder blijkt uit onderzoek dat de voorgenomen maatregel voor het Brielse Meer (inlaatpunt Spijkenisse) voldoende is om de mogelijke extra verzilting vanuit het Volkerak-Zoommeer in droogtesituaties, zoals voorgekomen in de periode 2000-2013, op te vangen.

De stresstest die wordt uitgevoerd in het kader van het Deltaprogramma, draagt bij aan de verdere kennisontwikkeling over het functioneren van hoofdwatersysteem in dit gebied ten behoeve van toekomstige besluiten zoals over de verdieping van de Nieuwe Waterweg. In het kader van de besluitvorming over de RGV heeft al een onderzoek naar cumulatieve effecten plaatsgevonden.  In het voorjaar 2015 worden de uitkomsten van de stresstest verwacht. Als de stresstest relevante nieuwe informatie oplevert zal deze bij de financiële besluitvorming over het Volkerak-Zoommeer worden betrokken.

Vraag D2

Deze leden vragen de regering wat de knelpunten zijn voor de dekking van de kosten voor de maatregelen van de ontwerp-RGV. Wat is het proces om te komen tot deze robuuste financiering?

Antwoord D2

Op de rijksbegroting zijn door de noodzaak van scherpe prioritering onvoldoende middelen beschikbaar voor de uitvoering van het ontwikkelperspectief in de RGV. Omdat ook de regio belang hecht aan een ecologisch veerkrachtige en economisch vitale delta en door de huidige kwaliteit van Grevelingen en Volkerak-Zoommeer regionale baten worden gemist, is in 2013 onder regie van de betrokken provincies (parallel aan de RGV) het Programma Gebiedsontwikkeling Grevelingen en Volkerak-Zoommeer gestart. Hierin zijn met inschakeling van de markt en gebruikers innovatieve bekostigingsmogelijkheden bezien, inclusief de mogelijkheden van kostenoptimalisatie en -besparing. Dat programma leverde nog geen kostendekking op. Daarom is afgelopen zomer afgesproken dat regio en Rijk gezamenlijk een doorstart maken met het Programma Gebiedsontwikkeling 2e fase. Hierin wordt verder onderzocht wat de financieringsmogelijkheden zijn van regio, Rijk, markt, gebruikers en ook de subsidiemogelijkheden vanuit de EU.

Dit traject moet uiteindelijk uiterlijk eind 2015 zijn afgerond, met als doel om te komen tot sluitende afspraken tussen regio, Rijk en markt over de bekostiging van de maatregelen uit de RGV. Zie verder ook de antwoorden op de vragen A6, C2, C3 en C7.

Vraag D3

In de beantwoording op de feitelijke vragen en in het wetgevingsoverleg Water van 17 november 2014 gaf de minister van Infrastructuur en Milieu aan dat het Volkerak-Zoommeer niet van nationaal belang is voor de zoetwatervoorziening. Deze leden zouden in plaats van deze kwalificatie graag vernemen of er uit de berekeningen blijkt dat het zout maken van het Volkerak-Zoommeer geen effecten heeft op de zoetwatervoorziening van het hoofdwatersysteem. Is dit het geval? Kan de regering onderbouwen of het hoofdwatersysteem de verzilting van het Volkerak-Zoommeer aan kan? Zo nee, hoe worden deze effecten dan aangepakt? Zijn de maatregelen ten behoeve van de zoetwatervoorziening die genomen worden in het Deltaprogramma voldoende voor het tegengaan van klimaatverandering, de verdieping van de Nieuwe Waterweg en de verzilting van het Volkerak-Zoommeer, zo vragen deze leden.

Antwoord D3

Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de antwoorden op de vragen A2 en C18.

Daaraan kan worden toegevoegd dat de effecten van de verdieping van de Nieuwe Waterweg momenteel in het kader van de stresstest worden onderzocht. Daarbij worden ook het tegengaan van de effecten van klimaatverandering en het zout maken van het Volkerak-Zoommeer betrokken.

Vraag D4

De leden van de CDA-fractie vragen of de gevolgen van het toekomstige zoutlek van de Volkeraksluizen voldoende onderzocht zijn.

Antwoord D4

Zie het antwoord op vraag C18.

Vraag D5

De zoutlek van de Volkeraksluizen beïnvloedt de waterkwaliteit van een zeer groot en zeer belangrijk afnamegebied van zoet water uit het Hollands Diep en Haringvliet, zo merken deze leden op. Naast de agrarische gebieden op Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard, de Krimpenerwaard en Voorne-Putten, zijn ook de Rotterdamse Haven, drinkwatervoorziening, industrie en glastuinbouw in het Westland via het Brielse Meer/Bernisse-systeem, afhankelijk van goede kwaliteit zoet water uit het Haringvliet. Deze leden verzoeken de regering om een uitgebreide reactie op dit punt.
De leden van de CDA-fractie vragen of de cumulatieve effecten van het Kierbesluit, het zout maken van het Volkerak-Zoommeer en de verdieping van de Nieuwe Waterweg bij een situatie van lage rivierafvoer de waterkwaliteit in het Haringvliet in gevaar kunnen brengen, met alle gevolgen van dien, omdat bij lagere rivierafvoer de voorkeur zal worden gegeven voor het zoet houden van de Nieuwe Waterweg.

Deze leden zouden graag van de regering vernemen hoe zij hier naar kijkt. Kan de waterkwaliteit van het Haringvliet worden verzekerd, zo vragen deze leden. Hoe wordt de waterkwaliteit van het Haringvliet geborgd?

Antwoord D5

De waterkwaliteit van het Haringvliet en de zoetwatervoorziening vanuit dit bekken worden door de volgende maatregelen geborgd:

·         innovatieve zoet-zoutscheiding bij de Volkeraksluizen

·         inlaat Spijkenisse

·         aanpassing drinkwatervoorziening Ouddorp

·         de maatregelen behorend bij het Kierbesluit

Voor een uitgebreide reactie wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen van C18. Voor wat betreft de Nieuwe Waterweg wordt verwezen naar het antwoord op vraag D3.

Vraag D6

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij een toelichting kan geven op de uitkomsten van het Deltares rapport ‘verkenning effecten van ingrepen en maatregelen op de verzilting in West-Nederland’. Hoe is dit rapport betrokken bij het ontwerpbesluit Grevelingen en Volkerak-Zoommeer? Wat vindt de regering van de stelling dat er ‘niet kwantificeerbare onzekerheden’ zijn en dat de verzilting stroomopwaarts gevolgen heeft, zo vragen deze leden.

Antwoord D6

In het genoemde Deltares-rapport zijn de effecten van een nieuwe zeesluis IJmuiden, de eventuele verdieping van de Nieuwe Waterweg en een weer zout Volkerak-Zoommeer geanalyseerd. Daarbij is gekeken naar het cumulatieve effect ervan op de verzilting van het hoofdwatersysteem in Zuidwest en West-Nederland, ook bij diverse klimaatscenario’s. Voor de analyse is gebruik gemaakt van reeds beschikbare berekeningen, kennis en inzichten uit eerdere rapporten over de ingrepen, en dus ook van die voor een weer zout Volkerak-Zoommeer.

De uitkomsten voor de eventuele verdieping van de Nieuwe Waterweg en de zeesluis IJmuiden konden niet worden betrokken bij de vaststelling van de ontwerp-RGV,  maar deze komen nagenoeg overeen met de uitkomsten van de studies die voor het MER bij de RGV zijn uitgevoerd. Daarnaast zijn de maatregelen, die in de studie van Deltares worden genoemd ter vergroting van de robuustheid van het hoofdwatersysteem, ook opgenomen in het maatregelenpakket in de RGV. Het gaat hierbij om de KWA+ (onder meer  Doorvoer Krimpenerwaard), inlaat Brielse Meer via de inlaatsluis Spijkenisse en de doorvoer van 3,5 m3/s uit het Hollands Diep via de Roode Vaart.

In afwijking van eerdere studies trekt het rapport van Deltares de voorlopige conclusie dat een weer zout Volkerak-Zoommeer geen significant effect heeft op het inlaatpunt Gouda (zie het antwoord op C 18).

In het Deltaresrapport wordt het effect van een zout Volkerak-Zoommeer op de inname van drinkwater uit het Haringvliet gesignaleerd. In de RGV is hiermee  rekening gehouden door de aanpassing van drinkwatervoorziening Ouddorp in het maatregelenpakket op te nemen (zie tabel 4.1 in de RGV).

De ‘stelling’ over niet-kwantificeerbare onzekerheden is afkomstig uit de volgende passage uit het rapport: “Deze studie rust op de meest up-to-date systeemkennis en maakt gebruik van de beste diagnostische middelen om met beperkte tijd het gehele systeem te analyseren. Tegelijkertijd leidt de complexiteit van het systeem in zekere mate tot onzekerheden. De hier gepresenteerde resultaten kunnen worden beschouwd als robuust, maar tegelijkertijd zijn onzekerheden niet kwantificeerbaar.” Deze passage benadrukt dat de gepresenteerde informatie niet als absolute en permanente waarheid kan worden opgevat en dat allerlei ontwikkelingen in de toekomst, waarvan het grootste deel een hoog onzekerheidsgehalte heeft (zoals klimaatverandering), kunnen leiden tot het herzien van uitkomsten en conclusies. Dit onderstreept de noodzaak voor een adaptieve aanpak van de verziltingsproblematiek.

De in de vraag aangehaalde ‘stelling’ dat de verzilting stroomopwaarts gevolgen heeft, is in het rapport van Deltares niet aangetroffen.

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 7: WAT IS DE OORZAAK VAN DE SLUIPENDE VERZILTING?

 

| 30-11-2014 | 11.00 uur |


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 7

 

Wat is de oorzaak van de sluipende verzilting?

 

KrammersluizenDe landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.  

Op een hele boel plaatsen is in de beschikbare stukken rond de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer te lezen dat het Volkerak-Zoommeer aan het verzilten is. In de MKBA (maatschappelijke kosten/baten analyse) is op pagina 32 te lezen: “Naast de blauwalgproblematiek heeft het Volkerak-Zoommeer last van een stijgend chloridegehalte, doordat chloride uit de bodem oplost en het water verzilt,” en dat de ontzilting van de bodem traag verloopt (pagina 82 MKBA). Het is logisch dat het vele jaren duurt voordat bodem en oevers ontzilt zijn. Maar anderzijds zijn dit in strikte zin eindige processen die in de loop der tijd tot een dalende afgifte van zouten uit de bodem zouden moeten leiden. Het zelfde geldt voor de zoute kwel in de polders en kreken rond Steenbergen, waarvan het verzilte water via de Mark/Dintel en Vliet systemen afwateren op het Volkerak- Zoommeer. In de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en de bijbehorende stukken als de MKBA en het Milieueffectrapport zijn andere mogelijke oorzaken niet vermeld. Men kan er wel in vinden dat bij het zout worden van het Volkerak-Zoommeer er inverdieneffecten zijn, zoals uitgespaard onderhoud aan de zoet-zoutscheiding van de Krammersluizen (pagina 66 van de ontwerp-rijksstructuurvisie).  

Pas bij het lezen van opvraagbare stukken als de ‘Joint Fact Finding zoet water’ kom je dichter bij de vermoedelijk werkelijk oorzaken van de sluipende verzilting (Pagina 20: “Het Volkerak-Zoommeer is de laatste jaren aanmerkelijk zouter geworden door de toegenomen zoutlekkage van de Krammersluizen. Het meerjarig zomergemiddelde is 415 mgCl/l. Incidenteel wordt in de zomer de normconcentratie van 450 mgCl/l overschreden. In de zomer van 2011 was de overschrijding langdurig (eind april-half juli, met een maximum van 615 mgcl/l) doordat ten gevolge van de langdurige lage rivierafvoer de doorspoeling moest worden beperkt.).  Je krijgt pas echt het gevoel krijgt te weten bij het lezen van een stuk dat niets met de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer te maken heeft: “Het Advies Deltaplan Zoetwater” In dat stuk is op pagina 39 te lezen: “Voordat een zout Volkerak-Zoommeer is gerealiseerd, is waarschijnlijk ook nog een zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen nodig. Kiest het kabinet voor een blijvend zoet Volkerak-Zoommeer, dan is herstel van de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen noodzakelijk om aan de huidige beheersafspraken en het waterakkoord te kunnen voldoen.” In dit citaat is het woordje herstel door mij cursief aangegeven. De huidige zoet-zout scheiding functioneert klaarblijkelijk niet optimaal of is kapot want anders zou die niet hersteld hoeven te worden.  

Toen ik op de informatiebijeenkomst in het Markiezenhof inzake de komende verziltingsplannen de opmerking plaatste dat de huidige sluipende verzilting kwam door de onderhoudsachterstand aan de Krammersluizen vroeg een medewerkster van Rijkswaterstaat nog aan mij hoe ik daar bij kwam. Toen had ik nog niet alle stukken gelezen. Op de bijeenkomst van de VVD op 24 november in Steenbergen werd het slecht functioneren van de zoet/zout scheiding van de Krammersluizen door een woordvoerder van Rijkswaterstaat in het openbaar eindelijk bevestigd. “De sluisdeuren rammelen.”  

Maar nu is het zeker: er wordt al jaren bezuinigd op het onderhoud en het tegengaan van de zoutlekkages via sluizen zoals de Krammersluizen en mogelijk ook de Bergse Diepsluis. Mij bekruipt het gevoel dat, kijkend naar de onzinnigheid van het voorstel om het Volkerak-Zoommeer te verzilten tegen 2028, we enkel en alleen praten en praten om Rijkswaterstaat in staat te stellen onderhoud en uitgaven uit te stellen en gemaakte afspraken aan hun laars te lappen.  

Louis van der Kallen

 


 

ZIENSWIJZE ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE NAMENS JACHTHAVENS

 


De Heen, 28 november 2014

 

Directie Participatie

Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Postbus 30316

2500 GH Den Haag 

 

Betreft: zienswijze op de Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

 

Geachte heer, mevrouw,

In de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (hierna ‘de rijksstructuurvisie’) staat een ontwikkelperspectief geschetst waarin het Volkerak-Zoommeer (hierna VZM) wordt verzilt. De voornaamste reden die hiervoor wordt gegeven is de overlast van blauwalg. Echter, sinds 2008 is de overlast door blauwalg nagenoeg verdwenen en is het water van het VZM schoon en helder geworden, naar alle waarschijnlijkheid door de aanwezigheid van de quaggamossel.

In de rijksstructuurvisie wordt (ruwweg) gesteld dat de kans dat de blauwalg terug komt voldoende zwaar weegt om te besluiten alsnog te verzilten. Aan verzilten van het VZM kleven echter ook nadelen, onder meer voor de recreatie. Die nadelen voor de recreatie worden onvoldoende onderkend in de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten. 

Het voornaamste nadeel voor de waterrecreatie ligt in het opnieuw in bedrijf nemen van de Manderssluis en het Benedensas. Daarmee vermindert de bereikbaarheid van de Brabantse binnenwateren, omdat geschut moet worden om de havens achter de sluizen (zes jachthavens met gezamenlijk zo’n 1550 ligplaatsen) te bereiken. Daarnaast is stankoverlast voorzien van rottende zeesla, juist bij de Manderssluis en het Benedensas. 

Deze extra barrière voor onze klanten heeft een sterk negatief effect, zowel op het aantal overnachtingen van passanten als voor de aantrekkelijkheid van de vaste ligplaatsen. Dat blijkt duidelijk uit het feit dat de havens achter deze twee sluizen pas goed tot ontwikkeling zijn gekomen na de afsluiting van de Philips- en Oesterdam. In de MKBA is dit negatieve effect amper meegenomen voor de passanten en helemaal niet voor de vaste ligplaatsen, terwijl het overgrote deel van de inkomsten van een jachthaven komt uit de liggelden van de vaste ligplaatshouders. Het niet meenemen van deze negatieve effecten is in onze ogen onterecht. 

Verzilten van het VZM zal een zeer zware wissel trekken op de rentabiliteit en levensvatbaarheid van onze havens. 

Naast dit effect op de havens langs het VZM, hebben wij nog meer opmerkingen over de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten. Om deze brief leesbaar te houden, zijn deze argumenten opgenomen in de bijlage bij deze brief. Die bijlage is dan ook niet enkel ter onderbouwing, maar maakt een volwaardig deel uit van onze zienswijze. 

Een van de drie doelstellingen in de structuurvisie is nieuwe ontwikkelingen voor regionale economie. Voor de havens achter de Manderssluis en het Benedensas is het effect van een zout VZM echter juist tegengesteld. 

Wij vragen u om:

Voorlopig af te zien van verzilting van het VZM, totdat duidelijk is of de overlast van blauwalg terugkeert.
Geheel af te zien van verzilting van het VZM als in een later stadium blijkt dat de kans dat overlast van blauwalg terugkeert nihil is.
Te onderkennen dat verzilting van het VZM forse negatieve effecten met zich meebrengt voor de havens achter de Manderssluis en het Benedensas.
De rijksstructuurvisie en de onderliggende MER en MKBA te heroverwegen en zo nodig aan te passen op de punten zoals in de bijlage bij deze brief genoemd.  

Deze zienswijze wordt zowel digitaal als schriftelijk ingediend. Wij zien uw reactie in de Nota van Antwoord tegemoet. 

Namens onderstaande bedrijven en met vriendelijke groet, 

Willem de Neve

Jachthaven de Schapenput 

Deze zienswijze wordt namens de volgende bedrijven ingediend:

1)      Jachthaven Waterkant

2)      Jachtcentrum Dintelmond

3)      Jachthaven de Vlije

4)      Bunkerstation AM van der Kolk

5)      Stevens Nautical

6)      Jachthaven de Schapenput 

 

Bijlage bij zienswijze op de Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

 

In deze bijlage staan de specifieke punten weergegeven waar wij vinden dat de concept rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (hierna de rijksstructruurvisie) en de onderliggende MKBA en MER tekort schieten. Er is voor gekozen om de bezwaren in te delen naar die drie documenten, waardoor mogelijk enige overlap is ontstaan tussen de diverse kanttekeningen.

Deze kanttekeningen zijn onderdeel van de zienswijze en niet enkel ter ondersteuning. De reden om ze in een bijlage te zetten is om de leesbaarheid van de bijbehorende zienswijzebrief te vergroten. 

Rijksstructuurvisie:
Het maken van een doorvaarbare verbinding tussen VZM en Grevelingen zou volgens de structuurvisie een positieve bijdrage leveren aan de waterrecreatie. Voor de havens langs het Volkerak-Zoommeer is dit echter een nadeel, aangezien het makkelijker wordt om direct door te varen naar de Grevelingen. Die optie wordt dus aantrekkelijker ten opzichte van verblijven in één van de havens langs het VZM, zeker aangezien dit tegelijk gebeurt met het herinvoeren van schutbedrijf van de Manderssluis en het Benedensas, het minder bereikbaar zijn voor diepstekende schepen van de havens van Ooltgensplaat en Oude Tonge en de waarschijnlijke stankoverlast van rottende zeesla (bij de Manderssluis en het Benedensas). Dit effect zou meegenomen moeten worden in de structuurvisie.

In de structuurvisie is bij de geraamde kosten geen post opgenomen voor eventuele schadevergoedingen aan jachthavens achter de sluizen. Aangezien wij inschatten dat de effecten voor de jachthavens langs het VZM juist sterk negatief zijn (zie hieronder), zou een dergelijke post, in ieder geval voor deze jachthavens, wel opgenomen moeten worden.
Op pagina 52 van de structuurvisie wordt gesteld dat bij een zout VZM het water helderder wordt. Dit is echter alleen zo als wordt aangenomen dat de overlast van blauwalg terugkeert. De andere referentiesituatie, waarin de huidige situatie gehandhaafd blijft, wordt niet genoemd. Dit geeft een vertekend beeld, aangezien de helderheid van het water in dat geval hetzelfde blijft en dus geen positief effect oplevert bij verzilting.
Daarnaast is ook geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat het water troebeler wordt. Een vertroebeling zou juist voor een verslechtering van de waterkwaliteit zorgen ten opzichte van de huidige situatie en kan door twee mechanismen worden veroorzaakt. Ten eerste is troebelheid kenmerkend voor brak water, een situatie die zich aan de oostkant van het Krammer-Volkerak voor zal doen, gezien de hoeveelheden zoet water die het meer in worden gebracht. Ten tweede is er de mogelijkheid dat zoutminnende plaagalgen zich ontwikkelen, wat juist in het westelijke deel van het Krammer-Volkerak voor vertroebeling kan zorgen.
Naar onze mening moet deze mogelijke vertroebeling (en dus verslechtering van de waterkwaliteit) worden meegenomen in de scores die (deels) op waterkwaliteit zijn gestoeld. Dit geldt voor de rijksstructuurvisie én de onderliggende documenten.
In de structuurvisie wordt op meerdere plaatsen gesproken over het verdwijnen van blauwalg wanneer het VZM zout wordt. Dit is geen eerlijke voorstelling van zaken. Ten eerste omdat dit niet overeen komt met de huidige werkelijkheid (waarin de overlast van blauwalg nog slechts minimaal is) en ten tweede omdat dit slechts één van de twee gebruikte referentiescenario’s is. Hierdoor wordt in de structuurvisie een verkeerd beeld geschetst van de huidige situatie en van de voordelen die verzilting oplevert. Dit wordt dermate vaak genoemd dat het beeld ontstaat van vooringenomenheid; de rijksstructuurvisie lijkt te zijn toegeschreven naar de beslissing om het VZM te verzilten. Naar onze mening moet de rijkstructuurvisie hierop worden aangepast, zodat een evenwichtigere afweging kan worden gemaakt of al dan niet verzilt moet worden.
In de begroting zijn de operationele kosten van het herintroduceren van schutbedrijf (zowel beheer als onderhoud) bij zowel de Manderssluis als het Benedensas niet meegenomen. Het is reëel te verwachten dat 24 uur per dag schutten een dermate significante kostenpost is dat dit meegenomen moet worden in de begroting van de structuurvisie.
Als rekening wordt gehouden met een schutregime waarbij de sluizen niet 24 uur per dag beschikbaar zijn, wordt juist de schadepost voor de jachthavens achter de sluizen (zie onderstaand voor meer hierover) nog groter.
In de structuurvisie zijn twee referentiealternatieven opgenomen, terwijl in de quick scan waterkwaliteit en ecologie VZM drie mogelijke paden zijn gegeven voor de toekomst van een zoet VZM. Naast een stabiele situatie en een verslechterende situatie, is het ook mogelijk dat de situatie in het VZM verbetert (als waterplanten zich uitbreiden en het effect van de quaggamossel versterken). Door deze derde situatie niet mee te nemen als referentiealternatief, ontstaat onterecht het beeld dat de enige mogelijkheden voor een zoet VZM stilstand en achteruitgang zijn. Om tot een evenwichtige afweging te komen, is het naar onze mening nodig om een derde referentiealternatief door te rekenen voor het VZM.  

MKBA:
Op pagina 35 van de MKBA wordt aangegeven dat het sluizencomplex Benedensas in de zomer circa 2000 schuttingen telt. Ten eerste wordt daarmee geïmpliceerd dat er in de huidige situatie ook wordt geschut, wat niet het geval is. Ten tweede is dit een sterke onderschatting van het aantal passages, blijkens de aantallen passanten in de havens achter die sluis. Het is waarschijnlijk dat de 300 tot 350 passages van de Manderssluis ook een onderschatting zijn van het werkelijke aantal. De MKBA zou hierop aangepast moeten worden, aangezien dit leidt tot een onderschatting van de effecten (die naar onze mening negatief zijn; zie onderstaand).

In de MKBA worden verouderde gegevens gebruikt (voetnoot 34 op pagina 35) over de verwachte groei van de recreatievaart. Ondertussen is duidelijk dat er juist krimp optreedt in deze sector en dat het voor veel jachthavens lastiger wordt om te overleven doordat er een overschot bestaat aan ligplaatsen in Nederland (zie rapportage ‘Jachthavens aan de vooravond van roerige tijden’ van de Rabobank). De negatieve effecten van verzilting van het VZM (uiteengezet in onderstaande punten) zullen daardoor extra zwaar aankomen bij de havens rond het VZM. Hiermee zou rekening moeten worden gehouden in de MKBA.
Op pagina 66 van de MKBA wordt gesteld dat er op dit moment niet wordt geïnvesteerd in nieuwe overnachtingsplaatsen in de verblijfsrecreatie rond het VZM door de slechte kwaliteit van het water. Dit is incorrect, in ieder geval voor de gemeente Steenbergen maar wellicht ook op andere plaatsen rond het VZM. Over het algemeen zijn ruimtelijke ordening en natuurwetgeving de beperkende factor waardoor het onzeker is of een plan doorgaat en niet de waterkwaliteit. Een (mogelijke) verbetering van de waterkwaliteit zal daardoor geen invloed hebben op het al dan niet investeren in verblijfsrecreatie. In de MKBA wordt dus onterecht een positief effect op verblijfsrecreatie toegekend aan de optie om te verzilten.
In paragraaf 6.7.2 van de MKBA is, vanaf onderaan bladzijde 66, het effect op jachthavens meegewogen, maar in onze ogen is daarbij een groot deel van de negatieve effecten buiten beschouwing gelaten. In het onderstaande staat uiteengezet om welke negatieve effecten dit gaat:
In het stuk over recreatievaart is geen rekening gehouden met de effecten van verzilting van het VZM op de vaste ligplaatsen bij de havens rond het VZM. Dit is een onterechte omissie, aangezien het overgrote deel van de omzet van de havens in het gebied komt uit het verhuren van deze vaste ligplaatsen. Het effect van verzilting op de vaste ligplaatsen zal daardoor een veel sterkere economische weerslag hebben op de havens dan het effect op passanten.
Door het sluiten van de sluizen en de mogelijkheid dat er, juist rond de sluizen, stankoverlast ontstaat door rottende zeesla, is een negatief effect te verwachten op de vaste ligplaatsen. Dit kan de vorm aannemen van een verminderde bezettingsgraad, een lager tarief per ligplaats of een combinatie van die twee. Hoe dan ook zal het economische effect op de havens significant zijn, omdat de kosten voor het runnen / onderhouden van een haven niet dalen met een lagere prijs per ligplaats of een lagere bezetting.
Deze effecten moeten zeker beschouwd worden in de MKBA. Het is te verwachten dat het netto effect van verzilting op de havens achter de twee sluizen sterk negatief uitpakt. De conclusie over recreatievaart zal daarmee ook een stuk negatiever uitpakken dan nu weergegeven.
Er wordt zonder onderbouwing aangenomen dat het aantal jaarlijkse overnachtingen per ligplaats in havens rond het VZM door een verbeterde waterkwaliteit omhoog gaat naar het gemiddelde voor de hele delta (met de getallen die in de MKBA worden aangenomen betekent dit meer dan een verdubbeling). Er zijn echter dermate veel factoren die het aantal passanten beïnvloeden, dat het erg onwaarschijnlijk is dat alleen een verbetering in waterkwaliteit een dergelijk effect zal hebben. Daarnaast is in de huidige situatie de waterkwaliteit dermate goed dat niet verwacht mag worden dat de verbetering zo sterk is dat dit een positief effect op het aantal passanten zal hebben. In de MKBA zou het effect van een (mogelijke) verbetering van de waterkwaliteit dus op nul gesteld moeten worden.
Er wordt gemeld dat de passageduur voor de recreatievaart bij de sluizen in ‘de Brabantse rivieren’ langer wordt door de noodzaak om continu te schutten. Dat impliceert dat er nu ook al geschut moet worden, wat niet het geval is. Het schutten is dus een nieuwe factor bij een verzilting van het VZM. Dit onderscheid is belangrijk, omdat het psychologische verschil voor klanten van jachthavens tussen wel of niet schutten veel groter is dan het verschil tussen korter of langer schutten. Met dat  effect zou in de MKBA rekening gehouden moeten worden.
De bovenstaande extra passageduur wordt in de MKBA weggestreept tegen de gemiddeld 5 minuten korter wordende passageduur in de Krammersluizen. Het is echter te verwachten dat die kortere schuttijd bij de Krammersluizen er eerder voor zorgt dat meer recreanten er voor kiezen om door te varen richting Zeeland in plaats van langs het VZM te overnachten. Dus er is voor de havens langs het VZM sprake van twee cumulatieve negatieve effecten in plaats van een positief en een negatief effect die tegen elkaar weggestreept kunnen worden.
Er wordt in de MKBA aangenomen dat de tijden voor schutten en dergelijke nauwelijks van invloed zijn op de keuze van een watersporter voor een bepaald gebied. Daarbij wordt een onderzoek van de heer Vrolijks uit 1999 aangehaald. De heer Vrolijks heeft echter veel recenter aangegeven dat de havens achter de Manderssluis en het Benedensas juist tot bloei zijn gekomen nadat die sluizen open zijn gegaan.
De praktijkervaring leert dat veel waterrecreanten opzien tegen sluispassages of er zelfs angst voor hebben, zeker bij wat grotere drukte of als er mensen op de wal staan te kijken. Vooral het invaren en afmeren in de sluis brengt stress met zich mee. De duur van het schutten is daarbij minder van belang; het maakt niet zo veel uit of dat 10 of 15 minuten duurt.
Het verwaarlozen van de schuttijden, zoals in de MKBA wordt gedaan, is dus onterecht (in ieder geval zonder daar nieuw / nader onderzoek naar te doen).
In de MER wordt gesteld dat er stankoverlast te verwachten is van rottende zeesla, specifiek bij de drie sluizen waar zoet en zout water aan elkaar grenzen. Twee van die sluizen zijn de Manderssluis en het Benedensas. Stankoverlast bij deze sluizen vormt een extra barrière voor watersporters, zeker in combinatie met de wachttijd voor het schutten. Dit is een extra negatief effect voor de havens achter de sluizen en moet worden meegenomen.
Bij het bepalen van de kosten en baten voor recreatievaart zou meegewogen moeten worden dat de hier beschreven negatieve effecten er in de huidige lastige marktomstandigheden (zie rapportage ‘Jachthavens aan de vooravond van roerige tijden’ van de Rabobank) voor kunnen zorgen dat een jachthaven niet langer levensvatbaar is en failliet gaat. Als uit analyse blijkt dat een dergelijk effect verwacht mag worden, vallen de kosten voor de recreatievaart veel hoger uit. Dit geldt voor de MKBA en in het bijzonder voor de REES.
Een ander negatief effect op de jachthavens rond het VZM is dat het effect van verzilting op sportvissen negatief is (zie pagina 141 van de MER). Aangezien een deel van de klanten van de jachthavens sportvissers zijn, worden de havens rond het VZM minder aantrekkelijk voor die doelgroep bij verzilting. Dit effect moet ook meegewogen worden in de bepaling van de kosten voor de recreatieve sector rond het VZM.
Het maken van een doorvaarbare verbinding tussen VZM en Grevelingen zou een positieve bijdragen leveren aan de waterrecreatie. Voor de havens langs het Volkerak-Zoommeer is dit echter een nadeel, aangezien het voor watersporters makkelijker wordt om direct door te varen naar de Grevelingen. Die optie wordt dus aantrekkelijker ten opzichte van verblijven in één van de havens langs het VZM, zeker in combinatie met het sluiten van de Manderssluis en het Benedensas, het minder bereikbaar zijn voor diepstekende schepen van de havens van Ooltgensplaat en Oude Tonge en de waarschijnlijke stankoverlast van rottende zeesla (bij de Manderssluis en het Benedensas). Deze optie zou het negatieve effect op de havens dus versterken.
Ook de voorziene kweek van schelpdieren op een zout VZM heeft een negatief effect op de recreatievaart dat niet is meegenomen in de MKBA. Ten eerste betekent de aanwezigheid van de (blauwe) tonnen voor de mosselkweek een verslechtering van de belevingswaarde van het VZM.
Ten tweede zal de mosselkweek de vaarruimte beperken, wat een direct negatief effect heeft op de geschiktheid van het VZM voor de recreatievaart. Daarnaast is hiervan een indirect effect te verwachten, doordat de recreatievaart gemiddeld dichter bij de beroepsvaart zal komen. Dit zorgt voor een verslechterde situatie voor de (vaar)veiligheid op het VZM.
Deze effecten van schelpdierkweek in het VZM zullen langs deze weg een negatieve impact hebben op de havens rond het VZM en zouden meegenomen moeten worden in de effectberekening in de MKBA.
De hierboven genoemde negatieve effecten zouden ook verwerkt moeten worden in de indirecte effecten voor de recreatie (pagina 101 van de MKBA).
Op pagina 82 van de MKBA wordt gesteld dat een zout VZM voordeel oplevert voor de landbouw door de zoetwatermaatregelen die dan genomen moeten worden. Daarom worden landbouwbaten toegerekend aan verzilting van het VZM. In de rijksstructuurvisie is echter opgenomen dat de ingrepen om het zoetwatersysteem robuuster te maken ook voordeel hebben bij een zoet VZM (deze maatregelen zijn aangeduid als ‘altijd goed’). De baten van deze alternatieve zoetwatervoorziening zouden dus niet alleen bij verzilting meegenomen moeten worden in de berekening van de NCW, maar ook bij de referentiealternatieven.
Op pagina 101 en verder van de MKBA wordt gekeken naar de tijdelijke extra effecten op de regionale economie door het uitvoeren van de maatregelen. Er is echter niet gekeken naar tijdelijke extra negatieve effecten. Een effect dat in ieder geval meegenomen zou moeten worden is dat in een overgangsperiode van zoet naar zout de aantrekkelijkheid van het VZM achteruit zal gaan. In ieder geval zal dan een groot deel van de zoetwaterorganismen dood gaan, wat rotting en stank met zich mee kan brengen. Het is daarnaast voorstelbaar dat de aanpassing die de natuur in en om het VZM dan ondergaat ook andere negatieve effecten met zich meebrengt.
Op pagina 104 van de MKBA wordt gemeld dat de natuur in het VZM op dit moment achteruit gaat. De reden hiervoor is echter dat voor het gebied ook natuurwaarden zijn gedefinieerd die samenhangen met zout water. Specifiek gaat dit om de habitattypen ‘Zilte pionierbegroeiingen (zeemuur én zeekraal)’ (H1310_A en _B) en voor ‘Schorren zilte graslanden (buitendijks)’ (H1330_A), zie hiervoor ook pagina 86 van de MER. Het is echter duidelijk dat bij een zoet VZM die natuurwaarden niet in stand kunnen blijven. Het vasthouden aan de natuurwaarden voor het VZM die samenhangen met zout water is redeneren naar de uitkomst toe. Als het VZM zoet blijft, is het reëel om te verwachten dat deze natuurwaarden worden aangepast. Daarom mag ons inziens het stoppen van de achteruitgang van die natuurwaarden niet meegewogen worden bij de baten van verzilten van het VZM. Dit resulteert in een minder positief natuureffect van verzilting.
Op pagina’s 105 en 106 van de MKBA wordt aangegeven dat er voor de omwonenden van het VZM een verhoogde recreatieve gebruikswaarde van zwemmen optreedt bij verzilting. Dit zou een gevolg zijn van de verbetering van de waterkwaliteit bij het referentiescenario waarin de blauwalg terugkeert. Hierin is echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat in een zilt VZM juist overlast ontstaat van bijvoorbeeld zeesla, wat een negatief effect op de recreatieve gebruikswaarde van zwemmen betekent. Dit zou hierin meegewogen moeten worden.
Dit effect is nog sterker op de plaatsen waar brak water ontstaat, dus vooral bij de drie sluizen waarlangs zoet water het VZM in stroomt, omdat brak water gekenmerkt wordt door troebelheid. Recreanten ervaren brak water over het algemeen als onprettig om in te zwemmen.
In de REES (vanaf pagina 128 van de MKBA ) worden dezelfde aannames gebruikt als in de MKBA, dus de bovenstaande aanmerkingen op de MKBA gelden ook voor de REES.
In de REES zijn alleen baten opgenomen en geen kosten. Normaliter zou dit een correcte weergave zijn van zaken (aangezien het een effectenstudie betreft en geen kosten-baten afweging), maar in dit specifieke geval wordt de regio gevraagd (fors) mee te betalen aan de aanpassingen.
De redenering die nu gevolgd wordt in de rijksstructuurvisie is dat er baten zijn voor de regio en dat de regio daarom mee kan (moet) betalen aan het nemen van de maatregelen. Dat betekent dat er een duidelijke samenhang is tussen de regionale kosten en baten van de in de rijksstructuurvisie opgenomen veranderingen.
Het niet meewegen van het geld dat de regio bij moet dragen maakt dat de REES een verkeerd beeld geeft van de impact op de regio. De REES daarom geen goed instrument om deze impact duidelijk te maken en zou vervangen moeten worden door een regionale versie van de MKBA.
In de conclusies van de MKBA wordt in paragraaf 9.2 (pagina 136 en verder) gekeken naar de optimale volgorde van de te maken keuzes. De uitkomst hiervan is dat de beslissingen tegelijk genomen moeten worden. Er is in deze redenering echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid om te wachten met het verzilten van het VZM om te zien of de overlast van blauwalg al dan niet terugkeert. Uit de quick scan waterkwaliteit en ecologie blijkt namelijk dat de mogelijkheid bestaat dat de waterkwaliteit in het VZM autonoom verder verbetert.
Als het VZM zoet blijft en er blijkt dat de blauwalg niet terugkeert, worden forse kosten vermeden. Daar tegenover staan de eventuele extra kosten van het later verzilten van het VZM, maar die kosten zijn, voor zover uit de stukken blijkt, alleen hoger in de optie waarbij getij via de Grevelingen naar het VZM wordt gebracht.
Aangezien volgens de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten het verzilten van het VZM via de Oosterschelde een valide optie is, bestaan dus wel degelijk een mogelijkheid én een goede reden om te wachten met de beslissing om het VZM al dan niet zout te maken en te bezien of de waterkwaliteit autonoom op orde blijft en wellicht verbetert. Deze optie moet nader onderzocht worden om een goede afweging op basis van de rijksstructuurvisie te kunnen maken.
In paragraaf 9.6 (vanaf pagina  144 in de MKBA ) worden de risico’s behandeld van het uitvoeren van de maatregelen in de rijksstructuurvisie. Deze risico’s worden echter niet meegewogen in de MKBA, terwijl het voornaamste risico van het niet nemen van de maatregelen, de terugkeer van blauwalg in het VZM, wel zwaar mee wordt gewogen. Daardoor ontstaat in de MKBA een scheef beeld van de voor- en nadelen van de maatregelen in de rijksstructuurvisie (vooral wat het verzilten van het VZM aangaat). Voor een evenwichtig beeld is het noodzakelijk om ook de risico’s die in paragraaf 9.6 genoemd zijn mee te wegen. Naar onze mening schiet de MKBA daardoor tekort in haar huidige vorm en zou aangepast moeten worden.
Een andere mogelijkheid om de MKBA evenwichtiger te maken waar het om risico’s gaat, is door ook de risico’s die samenhangen met het niet nemen van de maatregelen (wederom: vooral de mogelijke terugkeer van blauwalg) niet mee te wegen in de MKBA. Het referentiescenario waarin de blauwalg terugkeert zou dan komen te vervallen. Deze mogelijkheid zou overwogen moeten worden.
In paragraaf 9.6.1 van de MKBA is het risico niet opgenomen dat velden met zeesla kunnen ontstaan, met stankoverlast tot gevolg, terwijl dit risico wel blijkt uit de MER. Dit moet ook meegewogen worden in de berekeningen in de MKBA.
Op pagina 88 van de MER is aangegeven dat veel soorten broedvogels zonder intensief beheer in de autonome situatie geen broedplaatsen meer zullen kunnen vinden in het Krammer-Volkerak. Dergelijk intensief beheer zou meegenomen moeten worden in de REES, aangezien hiervan een positief economisch effect voor de regio van te verwachten is.
Op pagina 132 van de MER wordt aangegeven dat er bij een zout VZM een negatief effect te verwachten is op de leveringszekerheid voor zoet water in (onder andere) het Mark-Dintel-Vliet stelsel. Dit is een gevolg van het te verwachten hogere zoutgehalte van het Hollandsch Diep, vooral in perioden van lage rivierafvoer. Dit heeft een negatief effect op de landbouw, vooral omdat verwacht mag worden dat een periode van lage rivierafvoer vaak samenvalt met een hogere waterbehoefte van de landbouw (beiden kunnen het gevolg zijn van een droge periode). Dit negatieve effect is onterecht niet meegenomen in de MKBA bij de effecten op de landbouw rond het VZM. Zeker in combinatie met het eerder genoemde argument dat de zoetwatermaatregelen die sowieso een positief effect hebben (de ‘altijd goed’ maatregelen) niet als positief effect van verzilting meegewogen mogen worden, is het goed mogelijk dat het totale effect op de landbouw negatief uitpakt. Wij zijn van mening dat de MKBA op dit punt moet worden aangepast.
Tijdens een informatie-avond in Steenbergen (op 24-11-2014, georganiseerd door de plaatselijke VVD-fractie) gaf de heer Boeters (Rijkswaterstaat) in zijn presentatie “Volkerak-Zoommeer, zoetwaterbekken onder druk” aan dat sinds 2008 in het VZM onder meer het volgende speelt: “oplopende zoutgehalten (o.a. door achterstallig onderhoud aan zoetzout scheidingssysteem Krammersluizen)”. Op pagina’s 14 en 15 van de MKBA staat aangegeven dat in beide referentiescenario’s de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen groot onderhoud ondergaat. Vervolgens is op pagina 45 van de MKBA te lezen dat in de kosten voor het referentiealternatief 25,5 miljoen Euro is begroot voor groot onderhoud.
Echter, het feit dat er achterstallig onderhoud is aan de zoet-zout scheiding van de Krammersluizen betekent dat (noodzakelijk) onderhoud niet is uitgevoerd. Dit brengt logischerwijs een kostenbesparing met zich mee. Het is te verwachten dat als de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen naar behoren onderhouden was, de kosten voor groot onderhoud een stuk lager zouden liggen in het referentiealternatief of dat groot onderhoud wellicht helemaal niet nodig zou zijn geweest.
Dit betekent dat de op pagina 45 genoemde onderhoudskosten (fors) te hoog geschat zijn en dat dit bedrag naar beneden aangepast moet worden om een juiste invulling van de MKBA te krijgen.
Verder is noch in de rijksstructuurvisie noch in de MKBA of de MER benoemd dat het groot onderhoud dat nodig is aan de Krammersluizen (op zijn minst deels) voortkomt uit achterstallig onderhoud. Daardoor wordt in de hele rijksstructuurvisie een verkeerd beeld van de situatie geschetst. Het hoge chloridegehalte en het verhelpen daarvan door het doorspoelen met zoet water zijn geen intrinsieke eigenschappen van een zoet VZM, maar een artefact dat is gecreëerd doordat er voor gekozen is om de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen niet te onderhouden.  Hiermee is het beeld dat in de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten wordt geschetst van de zoete referentiesituaties te negatief. Het achterstallig onderhoud zou meegewogen moeten worden en de rijksstructuurvisie zou hierop moeten worden aangepast, inclusief de onderliggende documenten. 

Uit de MER:
In de MER wordt telkens wanneer het verdwijnen van de blauwalgproblematiek aan bod komt meteen het voorbehoud gemaakt dat die problematiek in de toekomst terug kan keren. Een dergelijk voorbehoud wordt echter niet gemaakt wanneer aangegeven wordt dat de waterkwaliteit verbetert door verzilting van het VZM, terwijl wel degelijk het risico bestaat op achteruitgang van de waterkwaliteit door potentieel hoge algenconcentraties, rottende zeesla bij de sluizen en troebelheid waar het water brak wordt. Voor een evenwichtig beeld zou dat risico even sterk benoemd moeten worden als het risico dat de blauwalg terugkeert.

Eén van de randvoorwaarden voor het nemen van de maatregelen uit de rijksstructuurvisie (zie pagina 40 van de MER) is dat er geen waterkwaliteitsproblemen veroorzaakt mogen worden. Doordat het risico bestaat dat zoute plaagalgen ontstaan in een verzilt VZM wordt niet aan die randvoorwaarde voldaan. Het niet voldoen aan die randvoorwaarde wordt verder niet benoemd noch meegewogen in de rijksstructuurvisie en de onderliggende documenten. Dit is in onze ogen onterecht, aangezien het niet voldoen aan een randvoorwaarde betekent dat de maatregel niet uitgevoerd mag worden.
In de MER wordt aangegeven dat een getijslag van 30 centimeter op het VZM het minimum is om de kans op zoute plaagalgen zo klein mogelijk te houden. Er mag echter verwacht worden dat in dit getal een onzekerheid schuilt, wat betekent dat het mogelijk is dat 30 centimeter getijslag onvoldoende is om zoute plaagalgen tegen te gaan. Aan de andere kant is 30 centimeter getijslag ook meeteen het maximum, omdat meer niet haalbaar is vanwege onder meer schade aan de natuur en effecten op de scheepvaart (zie paragraaf 3.3.2 op pagina 42 van de MER). De positieve effecten op waterkwaliteit van het toelaten van getij in het VZM rusten dus op een precaire balans. Als blijkt dat die balans anders uitvalt en 30 centimeter getijslag onvoldoende blijkt te zijn voor het tegengaan van zoute plaagalgen bestaat niet de mogelijkheid om dit met een grotere getijslag op te lossen. Aan het risico dat de 30 centimeter getijslag onvoldoende blijkt te zijn vanuit het oogpunt van waterkwaliteit wordt in de rijksstructuurvisie te weinig aandacht besteed.
Op bladzijde 98 van de MER zijn de bestuurlijke afwegingen weergeven bij beslissingen over de waterhuishouding. Deze zijn samengevat als veilig – veerkrachtig – vitaal. Om deze ambities waar te maken, moet een wijziging van de waterhuishouding een aantal kwaliteiten hebben. Met andere woorden: de waterhuishouding kan alleen worden gewijzigd als aan al deze kwaliteiten / eisen wordt voldaan. De plannen om het VZM te verzilten schieten op een aantal punten tekort.
Ten eerste is het onzeker dat de waterkwaliteit verbetert. Het is mogelijk dat na verzilting overlast volgt van zoute algen (voor sommige specifieke plekken wordt het zelfs waarschijnlijk geacht dat er overlast volgt; met name zeesla bij de drie sluizen op de grenzen van zoet en zout) en daarnaast is te verwachten dat de delen van het VZM die na verzilting brak worden ook vertroebeling zullen vertonen. Dit betekent een verslechtering van de waterkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie, wat betekent dat de waterhuishouding niet gewijzigd zou mogen worden, tenzij bestuurlijk besloten wordt om (deels) dan de geformuleerde ambitie af te stappen.
Ten tweede is de bijdrage aan de aantrekkelijkheid van de delta voor recreëren twijfelachtig wanneer het VZM wordt verzilt. Daarbij verwijzen we naar de eerder gegeven argumenten over het sterke negatieve effect van verzilting op de jachthavens langs het Krammer-Volkerak en naar de hierboven genoemde mogelijke afname van de waterkwaliteit. Ook op deze grond zou de waterhuishouding van het VZM dus niet gewijzigd mogen worden, tenzij bestuurlijk besloten wordt om (deels) dan de geformuleerde ambitie af te stappen.
In de lijst met kwaliteiten op bladzijde 98 van de MER wordt over waterkwaliteit en natuur gesteld dat het resultaat (van een wijziging in de waterhuishouding) moet kunnen voldoen aan de huidige of aan beter passende doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000. Hiermee wordt aangegeven dat er bestuurlijke ruimte is om die doelen te veranderen als blijkt dat ze niet goed passen.
De eerder genoemde doelen voor het VZM voor zoute habitats, ‘Zilte pionierbegroeiingen (zeemuur én zeekraal)’ (H1310_A en _B) en voor ‘Schorren zilte graslanden (buitendijks)’ (H1330_A), zijn duidelijk niet passend voor de huidige situatie van een zoet VZM. Gezien de bestuurlijke ruimte om meer passende doelen vast te stellen, mag verwacht worden dat bij een beslissing om het VZM zoet te houden de doelen voor zoute habitats verlaten kunnen en zullen worden. Dit is een extra argument om bij de bepaling van het effect van de beide zoete referentiesituaties op de ontwikkeling van de natuurwaarden van het VZM de effecten op deze doelen voor zoute habitats niet mee te nemen. In dat geval vermindert de negatieve impact op natuur voor de referentie, waardoor het in de rijksstructuurvisie gevonden positieve effect op natuur voor alle alternatieven met een zout VZM kleiner wordt. Dit heeft mogelijk impact op de optelsommen van effecten, zoals onder andere weergegeven in tabel 8.1 uit de rijksstructuurvisie.
In tabellen 12 en 13 van de MER (pagina’s 108 en 109) staat het zoutgehalte (van het VZM) als apart kwaliteitscriterium genoemd. Hier wordt in de tekst echter niets over gezegd. Dit impliceert dat een van de uitgangspunten bij het opstellen van de MER is dat een zout VZM sowieso beter is dan een zoet VZM, ook los beschouwd van andere effecten. Een dergelijk uitgangspunt impliceert vooringenomenheid bij het opstellen van de MER. Het zoutgehalte van het VZM zou niet als criterium mogen gelden bij het beslissen om het VZM al dan niet te verzilten. En als het wel wordt opgenomen, moet hier op zijn minst een zeer goede onderbouwing voor worden gegeven.
Op pagina 141 van de MER is aangegeven dat in de situatie waarin de blauwalg wegblijft grote hoeveelheden waterplanten worden verwacht die hinder kunnen opleveren. Dit wordt genoemd als negatief effect in de autonome situatie waarin de blauwalg niet terugkeert. Wat daarbij niet onderzocht is (of ander niet weergegeven staat in de MER en de quick scan waterkwaliteit en ecologie Volkerak-Zoommeer), is of het goed op diepte houden van de vaargeulen (wat sowieso moet gebeuren) deze overlast voor de recreatievaart weg kan nemen, waardoor ook het negatieve effect in de genoemde referentiesituatie wegvalt. Dit zou nader onderzocht moeten worden.
Een aspect van deze grote hoeveelheden waterplanten is ook dat dit een verdere verbetering betekent van de waterkwaliteit, aangezien deze waterplanten het effect van de quaggamossel versterken (de derde mogelijkheid voor de toekomst die is genoemd in de quick scan waterkwaliteit en ecologie Volkerak-Zoommeer). Aangezien in de MER rekening wordt gehouden met de negatieve effecten van deze waterplanten, zouden ook de extra positieve effecten die ze hebben meegewogen moeten worden.
Op bladzijde 141 van de MER is ook aangegeven dat er kans is op het ontstaan van overlast door zeesla of andere mariene algen, met name bij de sluizen naar zoet water; Volkeraksluizen, Dintelsas en Benedensas (paragraaf 6.8.1). Toch is deze verandering (als gevolg van verzilting van het VZM) als positief voor de recreatie beoordeeld, ondanks het feit dat deze overlast specifiek voorkomt op twee zeer belangrijke plaatsen voor de recreatievaart; de beide toegangssluizen tot het Mark-Dintel-Vliet stelsel. Zie hiervoor ook onze opmerkingen bij het bepalen van de effecten op recreatievaart in de MKBA.
Verder is in de MER niets opgenomen over de kans dat zeesla een veel wijder verspreid probleem wordt bij een zilt VZM, terwijl de voorziene getijslag van 30 centimeter het theoretische minimum is om een dergelijke situatie te voorkomen. Dit zou nader onderzocht moeten worden.
Het is ook niet duidelijk waarom bij het oordelen over deze verandering alleen wordt gekeken naar de referentiesituatie waarin de blauwalg terugkeert. Juist in vergelijking met de andere referentiesituatie, waarin de blauwalg niet terugkeert, mag verwacht worden dat het effect van verzilting op waterkwaliteit (en dus ook recreatie) negatief is als wordt gekeken naar de potentiële overlast van zeesla. Op dit punt van de MER zouden beide referentiesituaties bezien moeten worden.
Op pagina 148 van de MER is aangegeven dat zout en getij de belevingswaarde van het VZM verhogen. Hierin is echter niet meegewogen dat de hierboven genoemde stankoverlast van rottende zeesla een negatief effect heeft op de beleving. Daarnaast zal er een negatief effect zijn van de schelpdierkweek, omdat op het VZM dan vele (blauwe) tonnetjes komen te drijven en een substantieel deel van de oostkant van het Krammer-Volkerak dan niet langer toegankelijk is. Dit effect is nog sterker wanneer de schelpdierkweek op grote schaal plaats zal vinden, zoals voorzien in de rijksstructuurvisie. Deze punten zouden alsnog meegenomen moeten worden in het bepalen van het effect van verzilten op de belevingswaarde van het VZM.
Op pagina 151 van de MER wordt in paragraaf 6.12.1 gesteld dat er kans blijft op het ontstaan van overlast door zeesla of andere mariene algen (met name bij de sluizen). Vervolgens wordt aangegeven dat dit een positief effect is ten opzichte van de referentiesituatie waarin de blauwalg terugkeert. Maar er wordt (wederom) niet gekeken naar het effect ten opzichte van de situatie waarin blauwalg niet terugkeert, wat overeen komt met de actuele situatie. Terwijl verwacht mag worden dat het effect ten opzichte van die tweede referentiesituatie neutraal is, of zelfs negatief in verband met de voorziene zeesla. Het effect van verzilten op wonen is daarom te positief ingeschat (zie ter vergelijking ook de opmerkingen hierover bij recreatie).
Vervolgens wordt in tabel 39 op pagina 152 van de MER het effect van zout en getij in het VZM als positief weergegeven, ook voor de referentiesituatie waarin de blauwalg wegblijft. Deze inschatting wordt niet onderbouwd, wat impliceert dat daarin geen rekening is gehouden met de overlast van zeesla. Logischerwijs zou het effect als neutraal of negatief beoordeeld moeten worden, tenzij goed wordt onderbouwd waarom dit als een positieve verandering is aangemerkt.
In tabel 41 op pagina 157 van de MER is bij elk alternatief waar het VZM wordt verzilt in de kolom ‘natuur VZM en omgeving’ weergegeven dat de effecten overwegend positief zijn. Er zijn echter, zoals in het voorgaande is vermeld, kanttekeningen te zetten bij de beoordeling van deze effecten (vooral het feit dat de achteruitgang van zoute habitattypen bij een zoet VZM als negatief effect wordt beoordeeld, zie hierboven voor een nadere uitwerking daarvan). Een herwaardering van deze effecten waarin deze kanttekeningen worden meegenomen zou op zijn plaats zijn.
In tabel 43 op pagina 160 van de MER is bij elk alternatief waar het VZM wordt verzilt in de kolom ‘recreatie VZM en omgeving’ weergegeven dat de effecten zowel positief als negatief zijn. Echter, gezien de kanttekeningen die in het bovenstaande zijn gezet (die wijzen op meer negatieve effecten op recreatie in en om het VZM) is een herwaardering van deze kolom op zijn plaats. Er mag verwacht worden dat de beoordeling bij een zout VZM verandert naar ‘overwegend negatief’ of zelfs ‘uitsluitend negatief’.
In diezelfde tabel 43 word de optie ‘doorvaarbare opening’ als uitsluitend positief voor de recreatie in het VZM beoordeeld. Zoals in het bovenstaande vermeld, mag verwacht worden dat het effect voor de jachthavens langs het VZM juist negatief is. Dit oordeel verdient daarom heroverweging.
Het is verder mogelijk dat de overige eindoordelen in hoofdstuk 7 van de MER, in de genoemde tabellen, de bijbehorende teksten en de conclusies in paragraaf 7.4, beïnvloed worden door de kanttekeningen en opmerkingen hierboven. In dat geval is ook daar een heroverweging op zijn plaats.
In paragraaf 7.5 van de MER (pagina 162 en verder) is aangegeven wat gedaan kan worden om mogelijke negatieve effecten te voorkomen. Naar onze mening zou in deze paragraaf ook voor de in deze zienswijze genoemde negatieve effecten op recreatie gekeken moeten worden hoe deze te voorkomen zijn. 

Mogelijke oplossingsrichtingen:

Als het VZM niet wordt verzilt spelen ook de volgende twee problemen nog:

1)      Het meer is nog steeds eutroof, ook al wordt de blauwalg weggegeten door de quaggamossel.

2)      Het is mogelijk dat alleen het bijwerken van het achterstallig onderhoud aan de zoet-zout scheiding van de Krammersluizen onvoldoende is om de zoutindringing in het VZM tegen te gaan.

Wij denken dat er voor beide problemen technische oplossingen mogelijk zijn. 

ad 1):

Het nutriëntenrijke water van het VZM kan gebruikt worden als voedingsbodem voor het kweken van riet of algen. Door het oogsten hiervan worden voedingsstoffen weggenomen uit het VZM. Daarnaast is een dergelijke oogst in te zetten als grondstof in de biobased economy, bijvoorbeeld om te verstoken in een energiecentrale (laagwaardige toepassing) of als grondstof voor de chemische industrie (hoogwaardige toepassing). Vooral met de kweek van algen is de laatste jaren veel ervaring opgedaan en er lopen meerdere pilot-projecten, bijvoorbeeld in de slufter op de eerste Maasvlakte.

Een extra synergie met algenkweek wordt bereikt doordat in Bergen op Zoom de Green Chemistry Campus gevestigd is, een business accelerator voor biobased innovaties op het snijvlak van agro en chemie. Het mes snijdt dus aan drie kanten: verwijdering van voedingsstoffen uit het VZM, zetten van een stap op weg naar het gebruik van hernieuwbare grondstoffen en een bijdrage aan de regionale (innovatieve) economie.

Wij willen u vragen om deze optie nader te onderzoeken. Een keuze om het VZM niet te verzilten kan hierdoor aantrekkelijker worden. 

ad 2):

Wij werken aan een ontwerp voor een simpel doch doeltreffend systeem om het zoute water dat in het VZM terecht komt terug te loodsen naar de Oosterschelde. Wij kunnen u dit ontwerp nog niet aanbieden omdat het eerst nog nader doorgerekend moet worden, maar wij zullen dit naar u toesturen binnen een door u te stellen redelijke termijn.

Wij willen u vragen dit ontwerp te beoordelen en mee te wegen in de beslissing omtrent de verzilting van het VZM. Als deze relatief goedkope optie om de zoutindringing naar het VZM binnen de perken te houden gerealiseerd wordt, maakt dat het zoet houden van het VZM aantrekkelijker. 

 


ZIENSWIJZE OP DE ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE GREVELINGEN EN VOLKERAK-ZOOMMEER EN BIJBEHORENDE STUKKEN, KENMERK LK/0062

 


Bergen op Zoom, 26 november  2014

 

Directie Participatie

Ontwerp Rijksstructuurvisie                                                                                               
Grevelingen en Volkerak-Zoommeer

Postbus 30316

2500 GH Den Haag

 

via http://www.platformparticipatie.nl/projecten/alle-projecten/projectenlijst/grevelingen-volkerak-zoommeer/ontwerprijksstructuurvisie/index.aspx 

Reeds digitaal ingediend op 26 november 2014  

 

Betreft:          Zienswijze op de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en bijbehorende stukken, kenmerk LK/0062 

L.S., 

Algemeen
Voor het verbinden van een zout ecologisch probleemgebied (de Grevelingen) met een nu vrijwel gezond zoet milieu (het Volkerak-Zoommeer), ontbreekt iedere logica. Het zal een massale sterfte geven van flora en fauna en langdurig ernstige overlast. De kans is groot dat een doorlaat in de Brouwersdam een beperkt getij zal geven zonder te komen tot een stabiel getijdenmilieu. De kans is ook groot dat het totale systeem een voedingsbodem gaat vormen voor zoute blauwalgen en zeesla en problemen gaat geven zoals die nu optreden in de Oostzee.  

Het ontwikkelperspectief, zoals door de zeven gemeenten rond het gebied verwoord in Verbonden Toekomst, is gebouwd op drijfzand. Het heeft de schijn dat het alleen is opgeschreven om de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie te verleiden tot uitwerking van de verziltingsoptie voor het Volkerak-Zoommeer. In Bergen op Zoom, en mogelijk ook in de andere betrokken gemeenten is Verbonden Toekomst niet in de gemeenteraad besproken, laat staan als visie document vastgesteld.

Een voorbeeld van de misleiding van de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie is de wijze waarop het college van Burgemeester en Wethouders van Bergen op Zoom naar de gemeenteraad reageert over elementen uit de visiekaart Verbonden Toekomst (pagina 28 van de Ontwerp-rijksstructuurvisie en pagina 31 van Verbonden Toekomst).

Bij brief van 19 november 2014 kenmerk U14-045100 laat het college van B&W der gemeente Bergen op Zoom weten: “het College van Bergen op Zoom heeft evenwel geen fiducie in de voorgestelde (vakantie)woningbouw.”  Hoe de opstellers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie kunnen denken dat er ruim 105 miljoen euro uit gebiedsontwikkeling zou moeten kunnen komen is de fractie Ons Water dan ook een raadsel en maakt het moeilijk de Ontwerp-rijksstructuurvisie uitvoerbaar te achten. 

Onderbouwing
Ons Water heeft geconstateerd dat de MKBA feitelijk een optelsom is van wat per onderdeel er aan baten en soms lasten zijn. De baten lijken gemaximaliseerd weergegeven te zijn, terwijl de eventuele lasten aanzienlijk minder uitgebreid zijn geïnventariseerd. Wat ontbreekt zijn de interacties van beoogde ontwikkelingen op elkaar.

Waar is de interactie van de komst van de schelpdierkweek op het toerisme?

Als voorbeeld: op pagina op 113 van het Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie (oktober 2014) is te vinden dat het Volkerak-Zoommeer totaal 10.527 hectare groot is waarvan 7.387 hectare water. 3.236 hectare is dus geschikt voor de schelpdierkweek (pagina 80, MKBA). Als we dan ook de vaargeul beschouwen, blijft er bitter weinig aantrekkelijks over voor de andere beoogde functies van het verzilte Volkerak-Zoommeer. Het beeld van vele drijvende markeringstonnen en vele hectares water die voor de recreatievaart gesloten zullen worden, verkleinen de toekomstige kansen voor de recreatie fors. Van de recreatieve vergezichten zal weinig overblijven. Waar is de optelsom van baten minus die negatieve effecten op elkaar van alle geschetste toekomst opties?  

Wat Ons Water opvalt is dat in de onderbouwing van de in de Ontwerp-rijksstructuurvisie opgenomen toekomstbeelden niet is gekeken naar het verleden. Het lijkt alsof er geen gegevens zijn van de nulsituatie (vóór de aanleg van de compartimenteringsdammen), toen het Volkerak-Zoommeer nog zout was en eb en vloed vrij spel hadden.

In de rapporten: “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat 1968, worden nadrukkelijk de oorzaken van de verzilting van westelijk Nederland en de verzilting van boezemwateren en (landbouw)gronden, ook die in West-Brabant in beeld gebracht.

Uit deze rapportages blijkt dat in 1965 het boezemwater tot ongeveer de westelijke stadsgrens van Steenbergen meer dan 5000 mg Cl/per liter bevatte. Tot een lijn die in een boog liep van Ossendrecht over Heerle, Kruisland, Stampersgat, Fijnaart en Willemstad bevatte het boezemwater 2000/5000 mg Cl/per liter. Tot een lijn die globaal liep van westelijk Roosendaal over Oud Gastel naar Klundert bevatte het boezemwater 500/1000 mg Cl/per liter. In het besef dat voor de land- en tuinbouw water nodig is met chloridegehaltes beneden de 300 mg per liter moge het duidelijk zijn dat verzilting van het Volkerak-Zoommeer de land- en tuinbouw potenties in het werkgebied van de Brabantse Delta aanzienlijk zal verslechteren.

Het gestelde op pagina 154 van de MKBA: “Door een zout Volkerak-Zoommeer neemt het chloridegehalte van het kwelwater toe in een zone van enkele honderden meters tot maximaal 1,5 km, grenzend aan het Volkerak-Zoommeer. Door de aanwezigheid van kwelsloten kan oppervlaktewater met verhoogde chloridegehalten worden afgevangen en afgevoerd, waardoor geen nadelige gevolgen optreden voor de landbouw”, is dan ook nauwelijks serieus te nemen. Wat is de onderbouwing? Dit is in strijd met de gegevens uit “De waterhuishouding van Nederland d.d. 1968” een document opgesteld door Rijkswaterstaat zelf! Natuurlijk weet ook Ons Water dat er toen geen bellenschermen functioneerden, maar dat er wel geschut werd om de zoutlekkage te beperken. Dus is het waarschijnlijk dat zoute kweleffecten op een aanzienlijk grotere afstand zullen optreden dan enkele honderden meters!

Het zelfde geldt voor het gestelde in het Milieueffectraport op pagina 134: “Conclusie.” “Herintroductie van zout en getij in het Volkerak-Zoommeer heeft een neutraal effect op de zoutindringing naar het achterland, met uitzondering van een licht negatief effect op de havendokken van Antwerpen en het Antwerps Kanaalpand.”

Wat is de onderbouwing? Dit is in strijd met de gegevens uit “De waterhuishouding van Nederland d.d. 1968”

Een advies van Ons Water is: neem je zelf serieus. Lees en begrijp de implicatie van de MKBA tekst op pagina 144: “Er zijn maar weinig voorbeelden van projecten waarin een ecosysteem wordt aangepast van een zoetwatersysteem naar zoutwatersysteem.

In het “Advies Deltaplan Zoetwater” is op pagina 43 te lezen: “In de zuidwestelijke Delta voert de regio maatregelen uit die overwegend gericht zijn op het bestendigen van zoete landbouwcondities. Die focus ligt op het conserveren of uitbreiden van zoetwatervoorraden. Op de korte termijn zet de regio in op vijf maatregelen: Het in kaart brengen van de zoet-zoutverdeling in de bodem. Deze kartering kan worden beschouwd als onderlegger voor alle andere maatregelen.” 

Een tweede advies van Ons Water in deze is: wacht deze kartering af en betrek deze samen met de vermelde rapporten uit 1965/1968 bij een meer realistische inschatting van de toekomstige verzilting van (landbouw)gronden en wateren in West-Brabant. 

Als laatste opmerking in zake de onderbouwing wil Ons Water opmerken dat wij volledig hebben gemist hoe de inhoud van de Ontwerp-rijksstructuurvisie zich verhoudt met eerdere rapporten zoals “Waterbeleid voor de 21e eeuw” van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw onder voorzitterschap van F. Tielrooij, waarin de zoetwater voorraad van het Volkerak-Zoommeer van het grootste belang werd verklaard voor de strijd tegen de verzilting van (zuid) westelijk Nederland.

De leverzekerheid
In de samenvattingen in de stukken wordt met regelmaat vermeld dat de leverzekerheid van de (landbouw)waterinlaten verbetert als alle voorgenomen maatregelen zijn gerealiseerd. De vraag is altijd in dit soort zaken: wat is de referentie waarmee vergeleken wordt?
In dit geval memoreert Ons Water graag aan de geschiedenis. Het nu volgende is een tekst overgenomen uit het Milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer uit april 2012 (pagina 87/88):  “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloridenorm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”. 

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”.

“In het “droge” jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.”.  

Feit is dat het gehanteerde maximale chloridegehalte keer op keer is verhoogd c.q. beperkt in tijd. Maar dat niet alleen. In de “Joint Fact Finding zoet water” is op pagina 20 te lezen: “Het Volkerak-Zoommeer is de laatste jaren aanmerkelijk zouter geworden door de toegenomen zoutlekkage van de Krammersluizen. Het meerjarig zomergemiddelde is 415 mgCl/l. Incidenteel wordt in de zomer de normconcentratie van 450 mgCl/l overschreden. In de zomer van 2011 was de overschrijding langdurig (eind april-half juli, met een maximum van 615 mgcl/l) doordat ten gevolge van de langdurige lage rivierafvoer de doorspoeling moest worden beperkt.”.  

Wat vermeld is voor de Krammersluizen, gaat naar onze inzichten ook op voor de Bergse Diepsluis. Rijkswaterstaat koos er dus voor om de zoetwater inlaat te beperken ten voordele van de bestrijding van de verzilting vanuit de Nieuwe Waterweg. Dit ten nadele van onze inlaten en onze boeren. Van de afspraken kwam dus niets terecht. Weg leverzekerheid, niet door een act of God maar door een beslissing van de waterbeheerder.

Kijkend naar inlaattabellen lijkt het of stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar de informatie van Ons Water de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Voor onze fractie geldt dat, als het gaat om de leverzekerheid ten aanzien van zoutgehalten, men uit dient te gaan van de zoutgehalten in het Volkerak-Zoommeer als men zich zou houden aan de gemaakte afspraken en de achterstallige onderhoudswerkzaamheden aan de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zouden zijn uitgevoerd.  

Ten aanzien van de kwantitatieve leverzekerheid is helder dat een waterinlaat via de Roode Vaart verre van zeker is. In tegendeel. Op pagina 30 in de Joint Fact Finding is onder het subkopje ‘Watertekort’ de volgende tekst te vinden: “Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door de Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoet waterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”  

Van een inlaat via een categorie 2 route wordt ons agrarisch bedrijfsleven straks afhankelijk van een categorie 4 inlaat route. Hoezo een verbetering van de leveringszekerheid? Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is en men zich zou houden aan de afspraken en de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis fatsoenlijk zou onderhouden, was er nu geen sprake van leveronzekerheden door verzilting! Rijkswaterstaat zou zich moeten houden aan de afspraken qua chloridegehalten en werk moet maken met het onderhoud van de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis, zeker nu het Volkerak-Zoommeer vermoedelijk tot 2028 zoet blijft.  

In dit kader enkele citaten uit de MKBA:

  • Pagina xi: “Het bellenscherm in de Krammersluizen levert direct baten op en is kosteneffectief bij zowel een zoet als een zout Volkerak-Zoommeer, doordat ook een zout Volkerak-Zoommeer pas over enkele jaren mogelijk is.”
  • Pagina xii (figuur D): “verzilveren no-regrets en kansen – Bellenscherm Krammersluis”
  • Pagina 24 (optie 6): “Standaard wordt bij het grote onderhoud aan de Krammersluizen uitgegaan van vervanging van de zoet-zoutscheiding door een traditionele oplossing. Deze vergt een grote investering en een lange gebruiksduur om economisch aantrekkelijk te zijn. Wanneer deze oplossing bij een zout Volkerak-Zoommeer voortijdig overbodig wordt, is sprake van kapitaalvernietiging. Een optie bij alle alternatieven is om de bestaande zoet-zoutscheiding te vervangen door een bellenscherm vanwege de reistijdwinsten voor de scheepvaart en mogelijk lagere levensduurkosten. Ook bij varianten waarin het Volkerak-Zoommeer op termijn zout wordt en de zoet-zoutscheiding niet meer nodig is, levert dit voordeel op. Er is sprake van minder kapitaalvernietiging en met een bellenscherm ervaart de scheepvaart al direct minder reistijdverlies.” 

In deze citaten ziet Ons Water alle reden dat Rijkswaterstaat voor de periode tot minimaal 2028 ten spoedigste het zoutlek in de Krammersluizen middels een bellenscherm aanpakt, zoals vermeld als no-regret maatregel in de MKBA. Ons Water wenst nadrukkelijk dat, gezien het bij leveringszekerheid van goed zoet water voor de landbouw, de inlaat aan het Hollandsch Diep ten behoeve van de Roode Vaart in het kader van de verdringingsreeks een categorie 2 inlaat wordt . Er is naar onze mening geen principieel verschil als het gaat om verziltingbestrijding met de inlaat bij de Volkeraksluizen.  

Dan de feitelijke huidige kwaliteit als het over de blauwalg gaat. Op pagina 38/39 van de MKBA is te lezen: “Sinds 2008 is door de aanwezigheid van de quaggamossel de blauwalgproblematiek afgenomen. In 2012 en 2013 zijn er geen innamestops meer geweest.” Dit lijkt een heldere uitspraak. Het verbaast Ons Water dan ook dat in de “Joint Fact Finding zoet water” op pagina 22 is te lezen: “In 2012 zijn vanaf eind augustus, dus laat in het seizoen, de Brabantse inlaten aan de Eendracht dichtgezet wegens blauwalgen (mondelinge mededeling ……. (ingevuld was een naam van een ambtenaar) – Waterschap Brabantse Delta.)” .  

Wij hebben nog nooit eerder in openbare stukken van de Rijksoverheid gelezen “mondelinge mededeling van….” Maar als die mededeling in strijd is met een schriftelijke mededeling in een MKBA bevreemdt dat Ons Water zeer en worden wij argwanend. Wat is de waarheid en hoe kan het dat in een belangrijk stuk als de “Joint Fact Finding zoet water” iets anders staat dan in een MKBA? Wat zijn de feiten?  

Ook de kwalitatieve zekerheid roept vragen op. Het woord ‘bruinrot’ komt in de stukken maar zelden voor en al helemaal niet in de ontwerprijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Ook in de MKBA is er tevergeefs naar gezocht. Ook op pagina 157 van de MKBA, waar geschreven wordt over de “aanpassing inlaat Oosterhout”, lijkt bruinrot niet te bestaan.

Curieus is de inhoud van de Zoetwaterrapportage 2012. Op pagina 41 is de navolgende tekst te vinden over water dat via Oosterhout in het Mark-Vliet stelsel komt: “Het risico bestaat dat dit water verontreinigd is met de bruinrotbacterie die in Oost-Brabant voorkomt en een bedreiging kan vormen voor de aardappelteelt in West- Brabant.”.  

De “Joint Fact Finding zoet water” is helder. Bijvoorbeeld uit figuur 2 op pagina 19 blijkt dat de inlaat bij Oosterhout een wezenlijk deel (10 m3/s.) uitmaakt van de beoogde zoetwatervoorziening. Niet helemaal helder is waar die 10 m3/s. vandaan komt. Uit de Amer, het Wilhelminakanaal of allebei? Wat tevens opvalt is dat in de factsheets in de “Joint Fact Finding zoet water” op enkele plaatsen (pagina 47 (PAN-polders) en pagina 51 (Mark-Vliet systeem)) bruinrot als probleem wel wordt aangegeven.

Als voorbeeld de tekst op pagina 51: “De leveringszekerheid in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt mogelijk beïnvloed door de watervraag voor zoutlekbestrijding bij een zout Volkerak-Zoommeer, die een hogere prioriteit krijgt. Wegens extra inlaat vanuit het Hollandsch Diep voor de doorvoer naar Zeeland en PAN-polders en zoutbestrijding wordt het bruinrotprobleem kleiner.”. Men erkent het probleem dus wel!!!!  

Ons Water is ronduit verbijsterd dat het bruinrotprobleem slechts zijdelings wordt aangestipt en van een aanpak geen sprake lijkt en dat terwijl de levering vanuit Oosterhout voor geheel het kleigebied van West-Brabant van eminent belang is. Het zal helder zijn dat Ons Water het noodzakelijk vindt dat de bruinrotproblematiek wordt aan gepakt. Zonder de aanpak van de bruinrotbacterie in het water, dat via de inlaat Oosterhout naar de kleigebieden van West-Brabant komt, is van een verbetering van de leverzekerheid geen sprake!  

Toerisme/Recreatie/Sportvisserij 
In de Ontwerp-rijksstructuurvisie is veel aandacht voor de ‘positieve’ kanten die zouden zitten aan de verzilting van het Volkerak-Zoommeer voor de recreatie. Er zijn echter ook veel nadelen voor de recreatie, verbonden aan een eventuele verzilting.

Het voornaamste nadeel voor de waterrecreatie ligt in het opnieuw in bedrijf nemen van de Mandersluis en het Benedensas. Daarmee verminderen de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van de West-Brabantse binnenwateren, omdat geschut moet worden om de wateren en havens achter de sluizen te bereiken. Het gaat daarbij om zes jachthavens met een gezamenlijke capaciteit van ruim 1500 ligplaatsen.  

Een extra sluispassage is nadelig voor een jachthaven, zowel voor het aantal overnachtingen van passanten als voor de aantrekkelijkheid van de vaste ligplaatsen. Dat het effect van wel of niet schutten groot is, blijkt wel uit het feit dat de havens achter deze twee sluizen pas goed tot ontwikkeling zijn gekomen na de afsluiting van de Philips- en Oesterdam. Het overgrote deel van de inkomsten van een jachthaven komt uit de liggelden van de vaste ligplaatshouders. Deze zullen door onbenutte ligplaatsen en lagere tarieven dalen en dit bij gelijk blijvende kosten. Verzilten van het Volkerak-Zoommeer trekt daarmee een zeer zware wissel op de rentabiliteit en levensvatbaarheid van deze havens. In de Ontwerp-rijksstructuurvisie en de achterliggende documenten, voornamelijk de maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) en de milieueffectrapportage (MER), zijn deze effecten niet adequaat meegenomen in de bepaling van het effect op de (water)recreatie. De stelling in de MKBA, dat het aantal overnachtingen van passanten in de jachthavens langs het Volkerak-Zoommeer toe zal nemen, is onjuist aangezien er eerder sprake zal zijn van een afname. De effecten op vaste ligplaatsen van havens wordt zelfs helemaal niet besproken.  

Een belangrijk deel van de waterrecreatie bestaat uit sportvisserij. Deze zal grotendeels verloren gaan. Zoetwatersportvissers zullen voor andere wateren kiezen en hun ligplaatsen in ons gebied opgeven. Het zal jaren duren voordat er aanwas zal zijn van zoutwatersportvissers, omdat het jaren zal duren voordat er een min of meer stabiel zoutwatermilieu zal zijn ontwikkeld die interessant is voor sportvissers. De opbouw van dat klantenbestand zal voor de watersportondernemers, zoals jachthavenexploitanten van onderop moeten gebeuren. Die hebben immers al ligplaatsen waar zij nu hun hobby beoefenen.  

Uitvoerbaarheid
De voorgenomen maatregelen worden in de stukken gepresenteerd als instandhoudingsmaatregelen. Als Ons Water deze toetst aan de uitleg van de Vogel- en Habitatrichtlijn lijkt dit standpunt niet houdbaar. De verzilting van het Volkerak-Zoommeer moet naar het gevoel van Ons Water worden opgevat als een project en dient vervolgens de complete procedure van een natuurbeschermingswet de vergunningsprocedure te doorlopen, inclusief de ADC-toets. Alleen deze procedure is een waarborg voor een zorgvuldige besluitvorming.

De verzilting wordt eerst voorgesteld als een systeemwijziging. Vervolgens wordt deze wijziging van systeem opgevat als een instandhoudingsmaatregel. Een instandhoudingsmaatregel richt zich op het in standhouden van het systeem. Het begrip ‘instandhouding’ wordt volgens artikel 1, onder a van de Habitatrichtlijn als volgt omschreven: “a) instandhouding: een geheel van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier‑ en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding als bedoeld in de letters e) en i) “.

In artikel 2, lid 2, wordt nader gepreciseerd welke de doelstellingen zijn van de maatregelen die uit hoofde van de Richtlijn moeten worden genomen: “De […] genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier‑ en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen”.

Wat in de Ontwerp-rijksstructuurvisie en bijbehorende stukken wordt gepresenteerd als instandhoudingsmaatregelen lijkt in strijd met de natuurwetgeving zoals: de Vogel- en Habitatrichtlijn en de natuurbeschermingswet. Nu lijkt het dat, wanneer binnen een plan of project men denkt dat de doelen niet kunnen worden gehaald, de doelen worden aangepast. Helder is dat uit de geschiedenis van het beheer van het Volkerak-Zoommeer blijkt dat men niet echt moeite heeft gedaan de oorspronkelijke normen van het zoutgehalte te realiseren, met als nevengevolg dat de natuurdoelen behorende bij dat zoutgehalte niet zijn gerealiseerd. Ons Water komt tot deze conclusie omdat op diverse plaatsen in de stukken wordt gerefereerd aan de onderhoudssituatie van de Krammersluizen. 

Het meest pregnant is dat in het “Advies Deltaplan Zoetwater” op pagina 39 is te lezen: “Voordat een zout Volkerak-Zoommeer is gerealiseerd, is waarschijnlijk ook nog een zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen nodig. Kiest het kabinet voor een blijvend zoet Volkerak-Zoommeer, dan is herstel van de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen noodzakelijk om aan de huidige beheersafspraken en het waterakkoord te kunnen voldoen.” Het door ons vet weergegeven woord zegt veel: herstel! De bestaande zoet-zoutscheiding werkt dus al langere tijd niet of niet optimaal. Het komt Ons Water voor dat de voornemens, vermeld in de Ontwerp-rijksstructuurvisie niet binnen de huidige kaders van de (Europese) wetgeving uitgevoerd kunnen worden, want de voornemens in de Ontwerp-Rijksstructuurvisie bevatten voor de natuur meer nadelen dan voordelen en zijn derhalve in juridische zin niet uitvoerbaar.

De huidige trends/de quaggamossel
De afgelopen jaren is de overlast van de blauwalg in het Volkerak-Zoommeer aanzienlijk afgenomen door de graas van een in Nederland relatieve nieuwkomer (exoot): de quaggamossel. In de bij de Ontwerp-rijksstructuurvisie behorende stukken, zoals het milieueffectrapport, komt de ontwikkeling van de quaggamossel met regelmaat aan de orde, zie onder staande citaten uit het milieueffectrapport:

Pagina 80: “De autonome ontwikkeling van de waterkwaliteit in het Volkerak-Zoommeer is onzeker. Een scenario waarin de quaggamossel die zich in het gebied heeft gevestigd voor een blijvende verbetering zorgt, is voorstelbaar. Experts op dit gebied voorzien volgens de genoemde ‘Quick scan’ echter ook een ander scenario: terugval van het aantal van deze mosselen, gevolgd door opnieuw toenemende overlast van blauwalgen als gevolg van de nog steeds aanwezige grote hoeveelheden fosfaat en de hoge stikstofbelasting in het meer. Snelle groei gevolgd door een terugval van populaties exoten, onder meer door hun gevoeligheid voor ziekten, is een bekend verschijnsel en zou dus ook in het geval van de quaggamossel in het Volkerak-Zoommeer kunnen optreden.”

Pagina 81: “Bij een autonome ontwikkeling waarin de quaggamossel wel voor een blijvende verbetering zorgt, kan de toestand binnen enkele jaren verbeteren naar ‘goed’ voor doorzicht en het kwaliteitselement fytoplankton.” 

Pagina 104: “Sinds 2008 nemen de algenconcentraties af, met name als gevolg van begrazing door de quaggamossel die zich in het water heeft gevestigd. Deze situatie kan in het zichtjaar nog steeds aan de orde zijn, maar het is ook goed mogelijk dat de populatie van deze exoot weer geheel of gedeeltelijk uit het water is verdwenen en de algenconcentraties opnieuw zijn opgelopen.”

 De ‘experts’ geven in de stukken aan dat er een kans is dat deze exoot weer grotendeels verdwijnt. Een echte onderbouwing van deze gedachte wordt in geen van de geleverde stukken gegeven, behalve dat het een soort van risico is verbonden aan elke exoot. De quaggamossel (Dreissena bugensis) is weliswaar relatief kort in ons land (2004), maar een naast familielid, de driehoeksmossel is al langer hier. Deze komt al in Nederland voor sinds het begin van de 20e eeuw. Beiden komen uit het Ponto-Kaspische gebied en kunnen, zo is in het  Zwarte Zee gebied gebleken, nogal wat klimaatvariaties aan. Het is een mossel die houdt van zoet water met niet te hoge zoutgehalten en hecht zich graag aan een harde ondergrond. Hun belangrijkste kenmerk is: ze eten grote hoeveelheden fytoplankton, zoöplankton en algen waardoor het water zeer helder wordt. Toch zijn er tal van ‘experts’ die denken dat ze ook zomaar weer kunnen verdwijnen. Nu kan natuurlijk bijna alles. Dus ook ziekten zouden deze exoot kunnen bedreigen, maar als een familielid die hier al circa 90 jaar zich staande houdt (en voor een leek zijn ze bijna niet van elkaar te onderscheiden) dan lijkt dat ‘verdwijn-verhaal’ niet erg waarschijnlijk.  

In de circa 3.000 pagina’s die ik (Ons Water) heb gelezen met een relatie tot de Ontwerp-rijksstructuurvisie, heb ik gespeurd naar aanwijzingen waarop die verdwijntheorie van de quaggamossel gebaseerd zou kunnen zijn. Wij denken hem gevonden te hebben. Kijkend naar inlaattabellen lijkt het of bij stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar onze informatie de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak, lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Als, zoals nu gebeurt, sluipend de chloridegehaltes in het Volkerak-Zoommeer, mede door achterstallig onderhoud, stijgen dan is het helder: dan daalt de effectiviteit van de blauwalggraas van de quaggamossel en kan hij bij nog hogere zoutgehalten uit het Volkerak-Zoommeer verdwijnen. Hij verdwijnt dan niet door een ziekte, maar omdat zijn leefomgeving door wanbeleid wordt aangetast. Het al jaren niet voldoende onderhouden van bijvoorbeeld de Krammersluizen lijkt op het opzettelijk werken naar een zout Volkerak-Zoommeer.

Ons Water verwacht van een overheid, die goedkoop een overlastprobleem zou willen bestrijden, dat zij het hun werknemers (de quaggamossel) makkelijker zouden maken door zoutgehaltes omlaag te brengen en hier en daar te zorgen voor wat meer harde ondergronden waar deze beestjes zich op kunnen hechten. Geef de quaggamossel een faire kans de zoete biotoop die het Volkerak-Zoommeer nu is te volmaken. Dat kan als men zich aan de afspraken zou houden en de zoet-zout scheiding in de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zou herstellen. Bijvoorkeur snel en met een bellenscherm. Dat past binnen de no-regret maatregel zoals vermeld in de MKBA (pagina 143).  

Kosten
Bij het lezen van de rapportage maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA), één van de onderleggers van de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, heeft Ons Water bemerkt dat bij de opsomming van kosten van de diverse te nemen maatregelen ook vermeld is wat de jaarlijkse kosten van deze maatregelen zullen zijn. Onderstaand een, door Ons Water samengesteld, overzicht van de in de MKBA vermelde ingeschatte jaarlijkse kosten van investeringen, waarvan tevens vermeld is dat zij na realisering overgedragen zullen worden aan het waterschap Brabantse Delta.

Pagina 45/153/157

Jaarlijks onderhoudskosten overzicht in euro’s

Zoutbestrijding Dintelsas en Benedensas    150.000 Tabel 70/pagina 153.

Uitbreiding gemaal Hollands Diep               150.000

Inrichting kwelsloten                                         10.000

Verplaatsen inlaatpunten Dintel/Vliet           80.000

Ontmanteling inlaatpunten VLK-ZM         –  20.000

Aanpassen gemaal Roode Vaart                   450.000 Tabel 72/pagina 157

Aanpassen watergangen Vossemeer en
Auvergnepolder                                               250.000

Roode Vaart                                                     500.000 Tabel 15/pagina 45

In de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (een stuk uit 2012) is reeds vermeld dat het waterschap na realisering de zorg krijgt voor beheer, exploitatie en onderhoud van de werken. Tot op heden zijn er geen afspraken gemaakt over de vergoeding van de jaarlijkse kosten. Ons Water is van mening dat volgens het vervuiler-betaalt-principe de veroorzaker van de kosten van de verzilting tot in lengte van jaren de daaruit voortkomende lasten zal dienen te dragen. Het kan immers niet zo zijn dat de bewoners en bedrijven van West-Brabant blijvend de lasten van de verzilting van het Volkerak-Zoommeer zouden moeten dragen.  

De oorzaak van de sluipende verzilting/het ontbrekende alternatief
Het lijkt erop dat er ook invloeden van buiten de regio ten grondslag liggen aan de Ontwerp-rijksstructuurvisie. De honger naar zoet water!
Door de verzilting van laag Nederland is steeds meer zoet water nodig. Nu wordt de schuld gegeven aan zaken die we niet of nauwelijks kunnen beïnvloeden, zoals de klimaatverandering en de stijgende zeespiegel.

Maar dat is niet het hele verhaal. Reeds in de rapporten: “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat in 1968, wordt nadrukkelijk een andere oorzaak in beeld gebracht. Enerzijds logisch, want de klimaatverandering en de zeespiegelstijging waren nog niet politiek aan de orde, laat staan de tunnelvisie op dit punt. Natuurlijk spelen de klimaatverandering en de zeespiegelstijging een rol maar als de grootste oorzaak toen werd een andere schuldige aan gewezen: de veranderingen rond de Nieuwe waterweg!  

Vanaf eind vijftiger jaren van de vorige eeuw tot 1968 zijn er belangrijke ontwikkelingen geweest die de zoetwatervraag om de verzilting via de Nieuwe waterweg tegen te gaan hebben doen toenemen van circa 300 m3/s naar circa 700/800 m3/s. De uitbreiding van het havenareaal (Europoort, Botlekhavens, Eemhaven) en de verdieping van de vaarweg naar deze havens, alsmede de verdieping van de oliegeul vanuit zee naar de monding van de Nieuwe Waterweg hebben het vloedvolume toen enorm doen toenemen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de rivier zich aangepast heeft aan het toegenomen getijvolume op het traject van de rivier tussen de mond en de betreffende havens. Hierdoor ontstond een verdieping van de rivier in de periode 1958/1964 van circa 2 meter door een proces van terugschrijdende erosie op het traject Hoek van Holland – Maassluis. De verwachting in 1968 was dat dit proces voort zou gaan. Als aanpassing op dit proces werd de norm van het chloridegehalte ter hoogte van de Parkhaven (300mg/l) losgelaten en de toetsplek werd verlegd naar de mond van de Hollandsche IJssel en het advies gegeven: “de bodem van de Nieuwe Maas en de Nieuwe Waterweg te verhogen en vast te leggen.” (Bron: “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Gebeurde dit? Nee, het was volgens de politiek immers niet nodig en volgens Rotterdam en de havenbaronnen ongewenst. De Deltawerken kwamen er aan en het zoete water kon door de dammen gestopt worden en doorgeleid worden naar zee via de Nieuwe Waterweg. Maar de Rotterdamse groot muil werd nog groter. Sinds 1968 bleven er gewoon havens bij komen. Dit leidde er toe dat van oude afspraken steeds minder terecht kwam.

Als voorbeeld de geschiedenis van de afspraken rond het Volkerak-Zoommeer: “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloride norm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”  

“In het ‘droge’ jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.” (Bron;  pagina’s 87/88 van de Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie, oktober 2014).

Wie zijn de slachtoffers van deze zoet water honger van de Nieuwe Waterweg. De boeren en tuinders van Zuid-Holland, Zeeland en West-Brabant en de drinkwaterleidingbedrijven in laag Nederland en daarmee alle consumenten van dat drinkwater. Zij lijden de schades veroorzaakt door de verzilting in de vorm van mindere opbrengsten en hogere kosten. Natuurlijk erkent Ons Water dat Rotterdam en zijn havens voor de BV Nederland van onschatbare waarde zijn. Maar het jaar na jaar afwentelen van de verziltingproblemen op boeren, tuinders en drinkwaterbedrijven en het laten verzilten van zoete natuurgebieden, zoals laagveen moerassen, kan niet blijven voortduren. Het gat dat de Nieuw waterweg heet moet vergaand gedicht worden. Door sluizen die, als er gebrek is aan zoet water, geschut kunnen worden en door maatregelen, die al in 1965 en 1968 werden genoemd als alternatieven, zoals het verhogen/vastleggen van de bodem van de Nieuwe Waterweg eventueel met een drempel en luchtbellenschermen, die nu nog steeds als innovatief door Rijkswaterstaat worden betiteld maar in 1968 al in de grote schutsluizen te IJmuiden werden gebruikt (bron: pagina 33 “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Het wordt tijd dat de landelijke politiek zijn werk gaat doen en doorkrijgt dat vanaf eind jaren vijftig van de vorige eeuw de rest van Nederland gebruikt wordt als zoetwaterleverancier voor de eeuwig hongerige Nieuwe Waterweg. Rotterdam moet ophouden de problemen die haar havenactiviteiten veroorzaken af te wentelen op de rest van Nederland.

Er vanuit gaande dat de zoetwaterhonger van de Nieuwe Waterweg blijft en dat het zoete water voor doorspoeling van het Volkerak-Zoommeer nodig wordt geacht voor deze slokop, dan mist Ons Water een alternatief. Wat naar onze opvatting in de stukken ontbreekt is een alternatief wat zoet is, zonder de garantie van  de nu geldende chloridenorm van maximaal 450 mg/l. Met de absolute randvoorwaarde dat de zoetwatervoorziening voor de landbouw (Roode Vaart) wordt aangelegd en er bij de inlaat maatregelen komen die de inlaat van de bruinrotbacterie voorkomen. En als tweede randvoorwaarde: de snelle aanleg van een bellenscherm in de Krammersluizen.

Wat zijn de gevolgen van het loslaten van de huidige chloridenorm zonder opzettelijke verzilting?

  • Geen extra doorspoeling, niet meer noodzakelijk
  • Geen zoetwater meer nodig vanuit het Hollandsch Diep/Haringvliet systeem
  • Gevarieerder waterpeil word mogelijk
  • Minder gevaar voor zoutindringen in Haringvliet / Hollandse Diep
  • Makkelijker beheer Krammersluizen en vlottere doorvaart
  • Geen nadelige effecten op Oosterschelde en Westerschelde
  • Minder kans op verzilting omringende landbouwgronden

Voor de helderheid: Ons Water wijst verzilting van het Volkerak-Zoommeer af! 

Voor meer informatie/inzichten en artikelen die Ons Water heeft gepubliceerd over het Volkerak-Zoommeer zie onze website  http://onswater.com/dossier-volkerak-zoommeer/  

In afwachting van uw reactie in de Nota van Antwoord,

hoogachtend,

namens Ons Water 

L.H. van der Kallen

 


REACTIE OP CONCEPT ZIENSWIJZE ONTWERP-RIJKSSTRUCTUURVISIE, KENMERK 0060

 


Bergen op Zoom, 17 november 2014

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

Betreft:          reactie fractie Ons Water/West Brabant waterbreed op de concept  zienswijze ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, kenmerk 0060

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Ten aanzien van het gestelde onder het kopje “Eerst het zoet, dan het zout” heeft onze fractie een probleem met de zin: “Omdat het zout maken van het Volkerak-Zoommeer voor 2028 is voorzien, gaan wij er vanuit dat er in de tussenliggende periode passende maatregelen zullen worden getroffen om het zoutlek bij de Krammersluizen, of de gevolgen ervan, afdoende tegen te gaan. Dit is noodzakelijk om aan de afspraken uit het Waterakkoord Volkerak-Zoommeer te kunnen voldoen.”

Onze fractie vindt dat dit concreter en steviger kan en wat ons betreft gewenst is. Wij onderschrijven dat de aanpak van het zoutlek bij de Krammersluizen noodzakelijk is om aan de gemaakte afspraken inzake de maximale chloride gehaltes op het Volkerak-Zoommeer te gaan voldoen. Onze pijn zit de frase “in de tussenliggende periode”.

Onderstaand enkele citaten uit de MKBA:

  • Pagina xi: “Het bellenscherm in de Krammersluizen levert direct baten op en is kosteneffectief bij zowel een zoet als een zout Volkerak-Zoommeer, doordat ook een zout Volkerak-Zoommeer pas over enkele jaren mogelijk is.”
  • Pagina xii (figuur D): “verzilveren no-regrets en kansen – Bellenscherm Krammersluis”
  • Pagina 24 (optie 6): “Standaard wordt bij het grote onderhoud aan de Krammersluizen uitgegaan van vervanging van de zoet-zoutscheiding door een traditionele oplossing. Deze vergt een grote investering en een lange gebruiksduur om economisch aantrekkelijk te zijn. Wanneer deze oplossing bij een zout Volkerak-Zoommeer voortijdig overbodig wordt, is sprake van kapitaalvernietiging. Een optie bij alle alternatieven is om de bestaande zoet-zoutscheiding te vervangen door een bellenscherm vanwege de reistijdwinsten voor de scheepvaart en mogelijk lagere levensduurkosten. Ook bij varianten waarin het Volkerak-Zoommeer op termijn zout wordt en de zoet-zoutscheiding niet meer nodig is, levert dit voordeel op. Er is sprake van minder kapitaalvernietiging en met een bellenscherm ervaart de scheepvaart al direct minder reistijdverlies.”

In deze citaten ziet de fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed alle reden voor een steviger inzet. De fractie Ons Water/West-Brabant Waterbreed verzoekt uw DB de woordener in de tussenliggende periode passende maatregelen zullen worden getroffen om het zoutlek bij de Krammersluizen” te vervangen door: “ten spoedigste het zoutlek in de Krammersluizen middels een bellenscherm aan te pakken, zoals vermeld als no-regret maatregel in de MKBA”.

Ten aanzien van het gestelde onder het kopje “Planning en aanpak van aanvullend onderzoek naar leveringszekerheid” acht onze fractie de laatste twee zinnen te afwachtend. Wij hebben geen probleem met iets onderzoeken, maar het kan geen kwaad nu reeds helder te maken wat wij willen en waarom. 

Ook hier eerst een citaat: Op pagina 30 van de “Joint Fact Finding zoet water” onder het kopje “Leveringszekerheid en efficiency” is de volgende tekst te vinden:  “Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoetwaterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”

Onze fractie wenst nadrukkelijk dat in de zienswijze helder wordt dat het waterschap Brabantse Delta van mening is dat, gezien ons belang bij leveringszekerheid van goed zoet water voor de landbouw, de inlaat aan het Hollandsch Diep in het kader van de verdringingsreeks een categorie 2 inlaat wordt. Er is naar onze mening geen principieel verschil als het gaat om verziltingbestrijding met de inlaat bij de Volkeraksluizen. Belangrijk is tevens dat we dan minder kans hebben gebruik te moeten maken van de waterinlaat bij Oosterhout als daar het risico is van bruinrot. Graag zagen we het voorgaande verwerkt in de zienswijze.

Ten aanzien van het gestelde onder het kopje “Financiering van maatregelen inclusief extra beheer en onderhoud” is de fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed van mening dat de laatste zin niet in overeenstemming is met de wensen zoals in het AB van 12 november is verwoord en ondersteund door een ruime meerderheid van de vergadering.

Wat ons betreft wordt in de zienswijze opgenomen  dat volgens het vervuiler-betaald-principe de veroorzaker van de kosten van de verzilting tot in lengte van jaren de daaruit voortkomende lasten zal dienen te dragen.

Dus, geacht DB, maak helder in de zienswijze dat het waterschap Brabantse Delta van de veroorzaker van de verzilting van het Vokerak-Zoommeer, de Rijksoverheid, voor beheer, onderhoud en exploitatie van de werken een adequate vergoeding verlangt op basis van de werkelijke kosten.

In afwachting van uw handelen,

hoogachtend,

Namens de fractie Ons Water/Waterbreed

L.H. van der Kallen

 


ZIENSWIJZE

 

| 13-11-2014 | 14:00 uur |


ZIENSWIJZE

 

volkerak zoommeer

Onderstaand mijn inbreng van 12 november 2014 bij de bespreking van de concept waterschapszienswijze op de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Met als resultaat dat de concept waterschapszienswijze wordt aangepast en later deze maand opnieuw wordt besproken in het algemeen bestuur van het waterschap.

Mevrouw de dijkgraaf,

De fractie Ons Water/ West-Brabant Waterbreed zal zich in onze bijdrage focussen op de mogelijke gevolgen voor ons waterschap van een eventuele verzilting van het Volkerak-Zoommeer. We gaan derhalve niet in op de redenen van het wel of niet verzilten van die buitenwateren, want wij als bestuur van het waterschap gaan daar niet over. Het waterschap is een territoriale overheid en ons AB en DB, alsmede onze ambtenaren hebben sec de belangen van ons waterschap en haar ingezetenen en de ingelegen (agrarische)bedrijven te behartigen. De fractie van Ons Water/ West-Brabant Waterbreed verwacht van ieder van onze ambtenaren en van het DB, als hij of zij het waterschap vertegenwoordigt een focus op de belangen van ons waterschap in al haar facetten. Die focus ziet onze fractie niet altijd terug in de uitingen van ons DB in de media of in de bijdragen aan de stukken die inzake het Volkerak-Zoommeer in de openbaarheid zijn gekomen. Ook waterschappen kennen een hoge mate van autonomie in de uitvoering van haar beleid.

Ten aanzien van de gevolgen voor het waterschap, die mijn fractie graag terug zou willen zien in de zienswijze van het waterschap, zijn wat ons betreft de volgende thema’s van belang:

  • de beperking van de verzilting van oppervlaktewateren binnen het territoir van ons waterschap
  • de beperking van de verzilting van grondwater en gronden binnen het territoir van ons waterschap
  • de leverzekerheid van (landbouw)water in termen van kwantiteit en kwaliteit
  • en de gevolgen voor de waterschapslasten.

De verzilting
Wat in alle door de fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed gelezen stukken:

  • Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer.
  • Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (oktober 2014).
  • MKBA bij Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer.
  • Verbonden Toekomst.
  • Deltaprogramma 2015 Werk aan de Delta.
  • Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer.
  • Zoetwater rapportage 2012.
  • Natuureffectenstudie bij de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. deel 1 en 2.
  • Joint Fact Finding zoet water.
  • Milieueffectrapportage Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer april 2012,
    opvalt is dat de onderzoekers/opstellers geen enkele moeite hebben gedaan om qua verziltingseffect van een zout Volkerak-Zoommeer een nulsituatie in kaart te brengen. Terwijl dit voor de inschatting van de verziltingseffecten van een mogelijk toekomstige zout Volkerak-Zoommeer van groot belang is om de gebruikte modellen te valideren en een hoger realiteitsgehalte te geven. In de literatuuropgaven in de stukken hebben wij niets gevonden van vóór de aanleg van de compartimenteringsdammen. Terwijl dergelijke informatie wel te vinden is.

Als voorbeeld het “Rapport van de centrale commissie voor de drinkwatervoorziening 1965” met de mooie titel: “De toekomstige drinkwatervoorziening van Nederland.”, gedrukt door de Staatsdrukkerij in 1967. Ik zou zeggen een betrouwbare bron van informatie. En dat de opstellers wisten waarover ze schreven werd mij door de volgende zin al duidelijk (pagina 73): “Om bij de Parksluizen aan de Rotterdamse Waterweg bij vloed nog water in te kunnen laten met een relatief laag chloridegehalte zou ten minste een hoeveelheid van 700 m3/sec rivierwater langs de Waterweg moeten worden afgevoerd.”. Dat stond in een rapport van bijna 50 jaar geleden! Nu met de kennis van de stijgende zeespiegel en de betere meetmethoden en computermodellen komen de geleerde dames en heren tot de conclusie dat 800 m3/sec. nodig is. De commissie van toen onder voorzitterschap van Mr. E.H.J. Baron van Voorst tot Voorst waren geen domme jongens. Uit deze rapportage blijkt dat in 1965 (figuur 24, pagina 72) het boezemwater tot ongeveer de westelijke stadsgrens van Steenbergen meer dan 5000 mg Cl/per liter bevatte. Tot een lijn die in een boog liep van Ossendrecht over Heerle, Kruisland, Stampersgat, Fijnaart en Willemstad bevatte het boezemwater 2000/5000 mg Cl/per liter. Tot een lijn die globaal liep van westelijk Roosendaal over Oud Gastel naar Klundert bevatte het boezemwater 500/1000 mg Cl/per liter. Deze gegevens zijn ook te vinden in “De waterhuishouding van Nederland” een rapportage uit 1968 (figuur 6, pagina 19). Natuurlijk weet onze fractie dat er toen geen bellenschermen functioneerden, maar dat er wel geschut werd om de zoutlekkage te beperken. Dus mogelijk zijn er ook zoute kwel effecten op een aanzienlijk grotere afstand dan enkele honderden meters!

Wij vinden de opmerking op pagina 154 van de MKBA dan ook volstrekt onvoldoende onderbouw, te weten: “Door een zout Volkerak-Zoommeer neemt het chloridegehalte van het kwelwater toe in een zone van enkele honderden meters tot maximaal 1,5 km, grenzend aan het Volkerak-Zoommeer. Door de aanwezigheid van kwelsloten kan oppervlaktewater met verhoogde chloridegehalten worden afgevangen en afgevoerd, waardoor geen nadelige gevolgen optreden voor de landbouw.”.

In het besef dat voor de land- en tuinbouw water nodig is met chloridegehaltes beneden de 300 mg per liter moge het duidelijk zijn dat verzilting van het Volkerak-Zoommeer de land- en tuinbouw potenties in het werkgebied van de Brabantse Delta aanzienlijk zou kunnen verslechteren en dat dit een veel grotere zoet water aanvoer nodig kan maken dan tot op heden door Rijkswaterstaat en door ons waterschap wordt voorgesteld. Onze fractie wil benadrukken dat op pagina 144 van de MKBA te lezen is: “Er zijn maar weinig voorbeelden van projecten waarin een ecosysteem wordt aangepast van een zoetwatersysteem naar zoutwatersysteem.”. In dat besef dienen modellen, waarop beslissingen genomen worden, die van groot belang zijn voor onze grond- en watergebruikers, goed en aantoonbaar onderbouwd worden.

De leverzekerheid
In de samenvattingen in de stukken wordt met regelmaat vermeld dat de leverzekerheid van de (landbouw)waterinlaten verbetert als alle voorgenomen maatregelen zijn gerealiseerd. De vraag is altijd in dit soort zaken: wat is de referentie waarmee vergeleken wordt?  In dit geval memoreert onze fractie graag aan de geschiedenis. Het nu volgende is een tekst overgenomen uit het Milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer uit april 2012 (pagina 87/88): “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloridenorm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”.

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”.

“In het “droge” jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.”.

Feit is dat het gehanteerde maximale chloridegehalte keer op keer is verhoogd c.q. beperkt in tijd. Maar dat niet alleen. In de “Joint Fact Finding zoet water” is op pagina 20 te lezen: “Het Volkerak-Zoommeer is de laatste jaren aanmerkelijk zouter geworden door de toegenomen zoutlekkage van de Krammersluizen. Het meerjarig zomergemiddelde is 415 mgCl/l. Incidenteel wordt in de zomer de normconcentratie van 450 mgCl/l overschreden. In de zomer van 2011 was de overschrijding langdurig (eind april-half juli, met een maximum van 615 mgcl/l) doordat ten gevolge van de langdurige lage rivierafvoer de doorspoeling moest worden beperkt.”.

Wat vermeld is voor de Krammersluizen, gaat naar onze inzichten ook op voor de Bergse Diepsluis. Rijkswaterstaat koos er dus voor om de zoetwater inlaat te beperken ten voordele van de bestrijding van de verzilting vanuit de Nieuwe Waterweg. Dit ten nadele van onze inlaten en onze boeren. Van de afspraken kwam dus niets terecht. Weg leverzekerheid, niet door een act of God maar door een beslissing van de waterbeheerder. Kijkend naar inlaat tabellen lijkt het of stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar mijn informatie de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Voor onze fractie geldt dat, als het gaat om de leverzekerheid ten aanzien van zoutgehalten, men uit dient te gaan van de zoutgehalten in het Volkerak-Zoommeer als men zich zou houden aan de gemaakte afspraken en het achterstallig onderhoud aan de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zou zijn uitgevoerd.

Ten aanzien van de kwantitatieve leverzekerheid is helder dat een waterinlaat via de Roode Vaart verre van zeker is. In tegendeel. Op pagina 30 in de Joint Fact Finding is onder het subkopje ‘Watertekort’ de volgende tekst te vinden:

“Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoet waterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”

Van een inlaat via een categorie 2 route wordt ons agrarisch bedrijfsleven straks afhankelijk van een categorie 4 inlaat route. Hoezo een verbetering van de leveringszekerheid? Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is en men zich zou houden aan de afspraken en de Krammer Sluizen en de Bergse Diepsluis fatsoenlijk zou onderhouden, was er nu geen sprake van leveronzekerheden door verzilting! Dus DB in de zienswijze dient te komen dat Rijkswaterstaat zich moet houden aan de afspraken qua chloridegehalten en werk moet maken met het onderhoud van de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zeker nu het Volkerak-Zoommeer vermoedelijk tot 2028 zoet blijft.

Dan de feitelijke huidige kwaliteit als het over de blauwalg gaat. Op pagina 38/39 van de MKBA is te lezen: “Sinds 2008 is door de aanwezigheid van de quaggamossel de blauwalgproblematiek afgenomen. In 2012 en 2013 zijn er geen innamestops meer geweest.” Dit lijkt een heldere uitspraak. Het verbaast onze fractie dan ook dat in de “Joint Fact Finding zoet water” op pagina 22 is te lezen: “In 2012 zijn vanaf eind augustus, dus laat in het seizoen, de Brabantse inlaten aan de Eendracht dichtgezet wegens blauwalgen (mondelinge mededeling (………. van een ambtenaar wiens naam ik maar niet noem in het openbaar) van – Waterschap Brabantse Delta.)” . Ik heb nog nooit eerder in openbare stukken van de Rijksoverheid gelezen “mondelinge mededeling van….” Maar als die mededeling in strijd is met een schriftelijke mededeling in een MKBA heb ik daar als volksvertegenwoordiger in dit huis grote moeite mee en word ik argwanend. Wat is de waarheid en hoe kan het dat in een belangrijk stuk als de “Joint Fact Finding zoet water” iets anders staat dan in een MKBA? Wat zijn de feiten? Het antwoord is belangrijk om werkelijk te kunnen beoordelen of de kwantitatieve leverzekerheid straks beter is.

Ook de kwalitatieve zekerheid roept vragen op. Het woord ‘bruinrot’ komt in de stukken maar zelden voor en al helemaal niet in de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Ook in de MKBA heb ik er tevergeefs naar gezocht. Ook op pagina 157 van de MKBA waar geschreven wordt over de “aanpassing inlaat Oosterhout” lijkt bruinrot niet te bestaan. Curieus is de inhoud van de Zoetwater rapportage 2012. Op pagina 41 is de navolgende tekst te vinden over water dat via Oosterhout in het Mark-Vliet stelsel komt: “Het risico bestaat dat dit water verontreinigd is met de bruinrotbacterie die in Oost-Brabant voorkomt en een bedreiging kan vormen voor de aardappelteelt in West- Brabant.”.

Op pagina 12 van de Zoetwater rapportage 2012 wordt in een omkaderd gedeelte verwezen naar de “nieuwe inzichten weergegeven van waterschap Brabantse Delta met betrekking tot de inzet van Oosterhout.”. Als je dan bijlage 5 van dat stuk leest (pagina 127/132) valt op dat bruinrot in dat stuk niet lijkt te bestaan. Wat ook opvalt is dat de opstellers vermeld zijn, maar, hoewel het stuk deels het karakter heeft van een zienswijze, het stuk niet getekend is door de dijkgraaf noch, dat het naar mijn beste weten, is behandeld in het DB.

De “Joint Fact Finding zoet water” is helder. Bijvoorbeeld uit figuur 2 op pagina 19 blijkt dat de inlaat bij Oosterhout een wezenlijk deel (10 m3/s.) uitmaakt van de beoogde zoetwatervoorziening. Niet helemaal helder is waar die 10 m3/s. vandaan komt. Uit de Amer, het Wilhelminakanaal of allebei? Wat tevens opvalt is dat in de factsheets in de “Joint Fact Finding zoet water” op enkele plaatsen (pagina 47 (PAN-polders) en pagina 51 (Mark-Vliet systeem)) bruinrot als probleem wel wordt aangegeven. Als voorbeeld de tekst op pagina 51: “ De leveringszekerheid in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt mogelijk beïnvloed door de watervraag voor zoutlekbestrijding bij een zout Volkerak-Zoommeer, die een hogere prioriteit krijgt. Wegens extra inlaat vanuit het Hollandsch Diep voor de doorvoer naar Zeeland en PAN-polders en zoutbestrijding wordt het bruinrotprobleem kleiner.”. Men erkent het probleem dus wel!!!!

De fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed is ronduit verbijsterd dat het bruinrot probleem slechts zijdelings wordt aangestipt en van een aanpak geen sprake lijkt en dat terwijl de levering vanuit Oosterhout voor geheel het kleigebied van West-Brabant van eminent belang is. Wat wij vreemd vinden, en ook een reactie op verwachten, is de inhoud van de genoemde bijlage 5 en de gevolgde procedure (geen DB behandeling/vaststelling). Wat was de status van dat stuk en waarom is daarin niet nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de bruinrot problematiek? Het zal helder zijn dat onze fractie het noodzakelijk vindt dat de bruinrot problematiek prominent wordt opgenomen in de in te dienen zienswijze.

 De waterschaplasten
Naar aanleiding van de inhoud stukken (MKBA en de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer) heeft mijn fractie vragen gesteld over de mogelijk toekomstige jaarlijkse kosten (1,57 miljoen euro) mogelijk voor het waterschap verbonden aan de verzilting van het Volkerak-Zoommeer VZM, kenmerk 0058 en kenmerk 0059. Mogelijk kunnen die vragen nu beantwoord worden. Onze fractie is buitengewoon onaangenaam getroffen door het feit dat er nog geen afspraken zijn over wie opdraait voor deze kosten. Wat wij vreemd vinden is dat, hoewel al uit de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (een stuk uit 2012) blijkt dat het waterschap na realisering de zorg krijgt voor beheer, exploitatie en onderhoud van de werken, dit gegeven niet is gedeeld met het AB en naar mijn weten ook niet is gedeeld met het DB. Laat staan dat het AB zich hierover en over wie de kosten moet gaan dragen heeft uit gesproken.

De fractie van Ons Water/Waterbreed is van mening dat volgens het vervuiler-betaalt-principe de veroorzaker van de kosten van de verzilting tot in lengte van jaren de daaruit voortkomende lasten zal dienen te dragen. Wij vinden tevens dat dit het standpunt moet zijn in de zienswijze en ingebracht moet worden in de gesprekken die het DB voert met de landsregering of met vertegenwoordigers daarvan.

Louis van der Kallen