OVER WATER – 106

 

| 26-08-2017 | 13.00 uur |


 

OVER WATER – 106

 

Wat betekent het veranderend klimaat voor de eigen gemeente?

Investeringen in rioleringen zijn in de toekomst een forse gemeentelijke opgave. Het klimaat verandert en dat zal ook in de komende 20 tot 30 jaar, ook in Bergen op Zoom, tot een forse stijging van de lasten betekenen. Riolering is meer dan een technische zaak en vraagt om bestuurlijke keuzes, waarbij het van belang is de doelstellingen scherp op het beeldvlies te krijgen van ieder gemeenteraadslid.

In alle klimaatscenario’s nemen zware buien in aantal en hevigheid toe, maar blijven incidenteel en plaatselijk. Hoe kan de gemeente hiermee omgaan? Om die vraag te kunnen beantwoorden is het goed na te denken en invulling te geven aan de vraag: wat de gemeentelijke doelstellingen/redenen/vraagstukken zijn ten aanzien van rioleringen?

  • De riolering beschermt de gezondheid en zorgt voor droge voeten
  • Behalve afvalwater verwerkt de riolering ook hemel- en grondwater
  • Hoe verdelen we de kosten over de generaties?
  • Hoe hoog wordt de rioolheffing op termijn?
  • Hoe regelen we het rioolbeheer?
  • Is daarvoor een rioleringsplan (GRP) nodig?
  • Welke functie vervult stedelijk oppervlaktewater daarin?
  • Bewoners en bedrijven kunnen hemelwater opvangen op eigen terrein. Heeft uw gemeente vastgelegd wat zij van bewoners en bedrijven verwacht?
  • Grondwater is complex en raakt de burger vaak direct. Grondwater is de verantwoordelijkheid van de grondeigenaar. De gemeente kan wel deel uitmaken van de oplossing. Wil de gemeenteraad dat en hoe dan?
  • Het Bestuursakkoord Water (BAW) beoogt het heroverwegen van investeringen. Wat is écht nodig? Is een maatregel met feiten onderbouwd?
  • Daarnaast moet een betere afstemming tussen gemeenten onderling en met het waterschap leiden tot besparingen. Is dat goed geregeld en worden de in het BAW afgesproken besparingen ook gerealiseerd?

Meer informatie is te vinden op http://www.rioolenraad.nl/

Steeds meer gemeenten gaan hun inwoners verplichten om regenwater op het eigen terrein te houden en niet op de riolering te lozen. Zelfs een ‘tegeltax’ wordt overwogen. Ik schreef daar eerder over. Afkoppelen van regenpijpen wordt steeds vaker door gemeenten verplicht gesteld.  Sommige gemeenten gebruiken daarbij de modelverordening van de VNG, die gaat best ver. Wie niet meewerkt aan het afkoppelen van de regenpijp kan dan te maken krijgen met drie maanden cel of een boete van € 4.050,-. De verplichting tot afkoppelen geldt dan vaak voor aangewezen gebieden. In de praktijk lozen vrijwel alle huis- en perceeleigenaren het overtollige regenwater van hun perceel op de riolering. Dit terwijl zij sinds 2009 in principe zelf verantwoordelijk zijn om het regenwater op het eigen terrein te verwerken. Het is een wettelijke verplichting, waar de meeste huiseigenaren zich niet van bewust zijn. Soms is verwerken/bergen op het perceel niet mogelijk of moeilijk. Denk aan binnensteden of geheel bebouwde percelen. Toch zal men er rekening mee moeten gaan houden dat in de toekomst zij ook hun regenwaterprobleem meer zelf op moeten gaan lossen. Zeker als zij aantoonbaar medeveroorzaker zijn van wateroverlast in lager gelegen percelen/straten of wijken.

De meeste huiseigenaren kunnen zelf maatregelen treffen om de wateroverlast, deels afkomstig van hun perceel, tegen te gaan, bijvoorbeeld door het plaatsen van een regenton. Ook kunnen eigenaren van bebouwingen zelf meer structurele maatregelen nemen, zoals door opritten en terrassen lager aan te leggen dan het huis, zodat zij kunnen dienen als tijdelijke waterberging bij extreme regenval. Ook de aanleg van groen in de tuin in plaats van verharde oppervlakken of het aanleggen van een grindbed of drainagekuil kunnen een forse bijdrage leveren aan de beperking van wateroverlast. Het is tijd dat gemeenteraden gaan nadenken of de verplichting om af te koppelen niet iets is voor bepaalde delen van de eigen gemeente, te beginnen bij nieuw te bouwen wijken.

24 augustus
Veldbezoek met vertegenwoordigers van Staatsbosbeheer en met de wethouders Paul de Beer van Breda en Jan van Hal van Etten-Leur in het gebied Noordrand Midden. We bezochten de deelgebieden Kelsdonk/Zwermlaken, De Berk, Strijpen, Zwartenbergsche Polder en Weimeren ter oriëntatie op de meekoppelkansen voor toerisme en recreatie bij de natuurontwikkeling en hydrologisch herstel van deze natte natuurparel.

Louis van der Kallen



OVER WATER – 89

 

| 29-04-2017 | 10.30 uur |


 

OVER WATER – 89

 

De afgelopen weken heb ik gelezen: “De dijk is van ons allemaal”, geschreven door Frank Bolder en uitgegeven door waterschap Rivierenland. Een boekwerk met herinneringen, verhalen, emoties, ideeën, bewustwording, draagvlak en participatie aanpak/resultaten van dijkverbetering in het prachtige Rivierenland. Ook voor mensen buiten het Riverengebied het lezen waard.

Een tweede boek dat ik gelezen heb is: “Tranen op het land”, geschreven door Erik Driessen en uitgegeven door het waterschap Zuiderzeeland. Een boek over Zeeuwen en Brabanders in de Noordoostpolder. Een boek vol emoties en ervaringsmomenten waarvan de huidige generaties kunnen leren.

In het tijdschrift Riolering van april 2017 een artikel met de titel “Rivierenland gaat buiten de lijntjes kleuren”. Het Algemeen Bestuur van het waterschap Rivieren land heeft geld vrijgemaakt voor een nieuwe manier van werken. Waterschap Rivierenland wil voortaan verder kijken dan haar kerntaken. Tot nu toe hield het waterschap zich alleen bezig met de primaire waterschapstaken, maar dat gaat nu veranderen. Samen met gemeenten en organisaties in de regio wil het waterschap zoeken naar oplossingen bij de door klimaatverandering ontstane problematiek, waarbij sociale vraagstukken en waterproblemen in één project worden aangepakt. Feitelijk doet mijn eigen waterschap Brabantse Delta dat ook al. Alleen is daarvoor niet gelabeld geld vrijgemaakt.    

Soms kom je een website tegen waarvan ik denk: die moet iedereen in overheidsland (gemeenten, waterschappen, provincies en de rijksoverheid) kennen, omdat de website tal van voorbeelden geeft hoe klimaatadaptatie en hittestress aan te pakken.  http://www.destraad.nl/ is er zo één. Gaan kijken dus!

21 april
De werksessie “geneesmiddelen en microverontreinigingen” in Utrecht met o.a. lezingen van Aline Meier van VSA Zürich en Thomas Rolfs van Wasserverband Eifel – Rur uit Düren. Het verhaal van Aline Meier was indrukwekkend en liet zien dat in Zwitserland tal van proeven zijn genomen en lopen met een grote variëteit aan reinigingsmethoden. Zwitserland heeft ook een belasting ingevoerd van 9 sfr per inwoner om de zuiveringen uit te breiden met een extra stap om microverontreinigingen, zoals geneesmiddelen aan te pakken. Naar Nederland vertaald zou dit een gemiddelde stijging van het zuiveringstarief betekenen van circa 20 %. Het verhaal van Thomas Rolfs was een beschrijving van een project in realisatie van een nazuivering gericht op microverontreinigingen op één van de zuiveringen van het wasserverband. Zijn motto sprak mij wel aan: “leren, fouten maken, beter worden”. In Nederland schuiven we de aanpak voor ons uit omdat nog niet duidelijk is welke techniek in de toekomst de beste zal blijken. Elders heeft men besloten dat de aanpak geen uitstel meer verdraagt en gaat men aan de slag met een grote variëteit aan methoden. Wel allemaal gebaseerd op twee hoofdlijnen (oxidatie en/of absorptie door actieve kool).  De ontwikkeling van resistente bacteriën is voor één van de redenen om snel aan de slag te gaan met de aanpak van microverontreinigingen en geneesmiddel restanten. Ik schreef er eerder in 2015 over en in Over Water – 68 ( 1 december). 

25 april
Een dag van veel portefeuillehouderoverleggen (PHO). Een PHO over een advies aan de gemeente Geertruidenberg inzake een vijver nabij de Scheepswerflaan te Raamsdonksveer.
Een PHO over een zienswijze op een begrotingswijziging 2017 en de programmabegroting 2018 van Aquon.
Een gesprek met Ivo Kortmann de voorzitter van Stichting Streekhuis Het Groene Woud.
Een PHO met mijn nieuwe gebiedsadviseur voor Gilze en Rijen en Hart van Brabant.
Een PHO over het dijkverbeteringproject Geertruidenberg/Amertak.

In de avond een bijeenkomst van de werkgroep bestuurlijke vernieuwing. 

Louis van der Kallen



OVER WATER – 46

 

| 25-06-2016 | 10.30 uur |


 


OVER WATER – 46

 

BIOPOP-web

MicroCat-BioPOP

“De gemeente Zoetermeer pakt vetproblemen in riool biologisch aan” was de kop van een artikel in Vakblad Riolering. Ruim 3 jaar gebruikt de gemeente Zoetermeer een biologische manier om vetproblemen in de gemeentelijke riolen en gemalen aan te pakken. Vetten veroorzaken nogal wat problemen en kosten aan rioolsystemen. Hun aanpak behelst een systeem (MicroCat-BioPOP), dat een onschadelijk biologische afbreekbaar polymeer en vetafbrekende bacteriën bevat. Een blok wordt in het rioolwater gehangen en laat dan langzaam maar continue bacteriën los die zich hechten aan de wanden van het riool of gemaal en dan de vetlagen afbreken. Zij hebben geen nadelig effect op de rioolwaterzuivering, zo is gebleken, en voorkomen op deze wijze verstoppingen. In veel Engelse en Duitse steden worden deze vetafbrekende bacteriesystemen met succes ingezet. Ook in meerdere Nederlandse steden wordt nu gebruik gemaakt van dit systeem waaronder Alkmaar, Arnhem Delft en Den Haag. Het lijkt mij goed als nu ook de gemeenten in het werkgebied van de Brabantse Delta gaan kijken of dit voor hen de oplossing kan zijn voor hun vetproblemen.

14 juni
In de morgen een portefeuillehouderoverleg over de opening van de EVZ Om Dongen.

21 juni
In de ochtend de vergadering van het dagelijks bestuur met onder andere de agendapunten: De Zoete Delta, projectplan EVZ Kibbelvaart Halderberge, Projectplan EVZ Molenbeek fase 3 Roosendaal, treasurystatuut 2016, health deal gezonde verstedelijking, samenwerking streeknetwerken, samenwerkingsovereenkomst Waterpoort, evaluatie waterschapsverkiezingen.

In de middag portefeuillehouder overleggen over de Westelijke Langstraat en de alternatieven van de dijkversterking Geertruidenberg/Amertak. Daarna een gesprek met de begeleider van de heisessie van volgende week.

22 juni
De opening van de EVZ om Dongen fase 3 en Paviljoen Roosen te Dongen, waar ik en wethouder Bea van Beers een praatje hielden en er een filmimpressie, gemaakt door Zimniak filmproducties Dongen, werd vertoond. Daarna werd onder begeleiding van een natuurgids een wandeling door het gebied gemaakt.

24 juni
palVandaag De PAL lezing in het provinciehuis van Zuid-Holland over het landschap als vestigingsfactor bijgewoond. Adriaan Geuze hield een prachtig en inspirerend verhaal voor de meer dan 250 bezoekers. Hij is een spreker die van zijn hart geen moordkuil maakt en stevige uitspraken niet schuwt. Zo vond hij de provinciekaart in de statenzaal “pure propaganda”. De werkelijke bebouwingsgraad is een veelvoud. Was de grachtgordel in Amsterdam een teken van “mentale vernauwing”? Hoorden de kassen van het Westland (51 % van de kassen in Nederland staat in Zuid- Holland) op de Zeeuwse eilanden of in de veenkoloniën en in Brabant”? En was de tuinbouw in de kassen de oorzaak van de gemiddeld lage inkomens in de grote steden in de Randstad en van de verpauperde vele Vogelaarwijken daar met alle sociale en illegale gevolgen van dien? Hij hekelde herhaaldelijk het gebruik van Engelse termen in beleidsstukken van overheden. Mensen als zijn vader begrepen dat soort termen niet en konden zich er dan ook geen eigenaar van voelen.

Ik bezoek de PAL lezingen vaak en als buitenstaander (van buiten de provincie Zuid-Holland) neem ik niet vaak deel aan de discussie. Dit keer moest ik wel reageren. Als het om de kwaliteit van het landschap gaat, zitten Zeeland en Noord-Brabant niet te wachten op meer kassen en er moest mij ook van het hart dat ik de nu nog mooie grotendeels open Hoekse Waard zie verschimmelen door her en der opduikende plukjes kassen.

Na de lezing heb ik de afscheidsbijeenkomst voor Kees Coppens bijgewoond op Bouvigne en werd getrakteeerd op een ontmoeting met een zwanenfamilie. 

Louis van der Kallen 

 zwanen


OVER WATER – 28

 

| 13-02-2016 | 10.45 uur |


 

rioleringTessy van de Linde, Tamanna Wahdat en Almedina Zuljko hebben op mijn verzoek en met mijn medewerking, in het kader van hun studie aan de ‎Juridische Hogeschool Avans – Fontys, de afgelopen maanden een onderzoek uitgevoerd naar de voorwaarden waaronder de gemeenteraad van Loon op Zand een gebod tot afkoppeling van de gemeentelijke vuilwater riolering mag opnemen in een gemeentelijke verordening. Het rapport “een-beetje-nat” is recent verschenen. Ik ben er blij mee en ik denk dat menige gemeente hier iets aan kan hebben bij het nader uitwerken en vormgeven van het gemeentelijk waterbeleid in het kader van klimaatadaptatie en het aanpakken van hittestress. Ik bedank de dames voor hun kwalitatieve inzet en de manier waarop ze zich gestort hebben op een voor velen misschien saai onderwerp, maar waaraan een groot maatschappelijk belang verbonden is. 

10 februari
In de middag een portefeuillehouderoverleg over het dijkverbeteringsproject Geertruidenberg/Amertak.

11 februari
Met de partijleider van West-Brabant Waterbreed gesproken over het waterschap en een aantal locaties bezocht die qua waterbeheer naar zijn mening aandacht behoeven.

12 februari
Vandaag de Unie commissie Waterkeringen (CWK) in Amersfoort met agendapunten zoals:

  • Het beoordelingsinstrumentarium voor de veiligheidsbeoordeling van de primaire waterkeringen
  • De samenwerking bij de beoordeling van de primaire waterkeringen
  • Het plan van aanpak 2e planronde richtlijn overstromingsrisico’s
  • De nationale omgevingsagenda
  • En de strategische onderwerpen voor de CWK 2016.

Een technische, maar leerzame vergadering. 

Louis van der Kallen

 


KRW RIJN-WEST – 0013

 


 

Bergen op Zoom, 1 augustus 2005

 

Aan het Dagelijks Bestuur van

Waterschap Rivierenland

per e-mail: info@wsrl.nl

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Recent is verschenen de karakterisering deelstroomgebied Rijn-West. Dit stuk leidt voor ondergetekende tot een aantal vragen/bemerkingen, te weten:

pagina 23

“De afstemming inzake afbakening van grensoverschrijdende grondwaterlichamen is nog niet afgerond. Ook de karakterisering van deze grondwaterlichamen is een kennishiaat. De richting en grootte van de grensoverschrijdende grondwaterstroming dient te worden vastgesteld, bij voorkeur in samenspraak met de buurlanden”.

VRAAG

1. Wie is hierbij de initiatiefnemer?

pagina 55

Uit tabel 3.4b blijkt dat in het rivierengebied relatief weinig (4) virtuele waterlichamen met toetsingswaarden zijn vastgesteld.

VRAAG

2. Zijn in het rivierengebied dezelfde criteria gehanteerd als elders in het stroomgebied bij de bepaling van de aard, omvang of het aantal van de virtuele waterlichamen?

pagina 57

“De wijze van bepaling van de 100-jaarszone is door elke betrokken provincie op een iets andere wijze uitgevoerd”.

Hier zou harmonisatie van methoden, regelgeving en werkwijzen op z’n plaats zijn!

pagina 91

“Daarnaast wordt geen nieuw gecreosoteerd hout meer toegepast”.

VRAAG

3. Deze tekst is niet geheel juist. Uit enkele begraafplaatsreglementen blijkt dat men voor de verankering van grafmonumenten nog steeds verduurzaamd/gecreosoteerd hout voorschrijft. Ligt hier een taak voor het waterschap om richting begraafplaatsen op dit punt stappen te ondernemen?

pagina 91

“Diuron is sinds 2000 voor elke toepassing verboden in Nederland. Regionaal zal de stof geen probleem meer vormen in 2015. Mogelijk zou door belasting vanuit het buitenland de stof nog wel in rijkswateren een probleem kunnen geven.

VRAAG

4. Deze tekst lijkt in strijd met de tekst op pagina 77 (“Diuron (herbicide) is voor gebruik in de landbouw in 1999 in Nederland verboden, maar wordt nog beperkt toegepast als anti-foulingsmiddel”). Welke tekst: pagina 91 of pagina 77 is juist?

pagina 91

“Omdat het in het buitenland nog wordt gebruikt, komt Endosulgan via atmosferische depositie en de grote rivieren nog in de Nederlandse wateren terecht”.

De regelgeving ten aanzien van verboden stoffen, zoals Diuron en Endosulfan dienen op Europese schaal geharmoniseerd te worden!

pagina 112

“De in Nederland onderscheiden waterdiensten betreffen drinkwaterverzorging, riolering, afvalwaterzuivering, grondwaterbeheer en het regionale watersysteem”.

Hier ontbreekt de scheepvaart c.q. het bevaarbaar houden als waterdienst. Deze omissie is des te meer van belang, omdat de KRW uitgaat van de vervuiler betaalt en van het kostenterug-winningsprincipe.

Onderstaand enkele citaten uit de karakterisering deelstroomgebied Rijn-West, die de belasting door de scheepvaart onderschrijven:

– pagina 76 t.a.v. fluorantheen: “Tenslotte is een belangrijke bron de coating van de binnenvaartschepen (17 %)”

– t.a.v. benzo(k)fluorantheen: “Een andere bron die wordt geschat is de emissie uit de onderwateruitlaten van recreatievaartuigen (23 %)”

– t.a.v. benzo(a)pyreen: “de belangrijkste bron is de coating van de binnenvaartschepen (51 %)

– pagina 77: “verontreinigde waterbodems (samen met opwoeling door recreatie- en beroepsvaart) zijn in Rijn-West belangrijke overige belastingen”

– zie tevens het eerdere citaat inzake Diuron als anti-foulingsmiddel.

VRAAG

5. Is het DB met ondergetekende van mening dat scheepvaartdiensten ook voor kostenterugwinning in aanmerking zouden moeten komen?

Op 13 juli stelde ondergetekende een aantal vragen inzake de karakterisering van het Nederlandse Maastroomgebied. Gezien een zekere samenhang stel ik gezamenlijke beantwoording met deze brief op prijs.

Met vriendelijke groet,

L.H. van der Kallen

 


KRW MAAS – 0006

 


 

Bergen op Zoom, 4 juli 2005

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

per e-mail

Geacht Bestuur,

Recent is verschenen de karakterisering Nederlands Maasstroomgebied. Dit stuk leidt voor ondergetekende tot een aantal vragen/bemerkingen, te weten:

Verschillende methoden/normen

 

Pagina 67 – hoofdrapport

“De begrenzing (grondwaterlichamen) is in Duitsland en België anders aangepakt dan in Nederland. Hierover wordt bilateraal overleg gevoerd.”

“In Duitsland is een andere begrenzingsmethodiek gehanteerd.”

Pagina 69 – hoofdrapport

“Ook over de begrenzing van grondwaterlichamen ten westen van Maastricht (daar is de aansluiting tussen Nederlandse, drie Vlaamse en een Waals grondwaterlichaam onduidelijk) is afstemming noodzakelijk.”

Pagina 137 – hoofdrapport

“Nederland en België gaan verschillend te werk bij het opnemen van grondwaterlichamen voor menselijke consumptie in het register. In Nederland zijn alle grondwaterbeschermingsgebieden (per definitie) opgenomen in het register. In België is slechts een deel van de gebieden die in het nationale beleid beschermd worden, in het register opgenomen. Dit geeft verschillen aan de grens.”

De feitelijke verschillen (o.a. pag. 174 – hoofdrapport)

 

NederlandVlaanderenNordrhein-Westfalen
Waterlichamen55 typen9 typen23 typen
Grondwater-lichamengrotere, geen onderscheid in lagenkleinere, alleen voor onttrekkingen menselijke consumptiekleiner dan Nederland, groter dan Nordrhein-Westfalen, deels verticaalkleine lichamenonderscheid
prioritairestoffentoetsen aan EC-voorstellen Fraunhofer Instituuttoetsen aan nationale normen en Fraunhofer normen als vastgesteldtoetsen aan nationale normen

Verder zijn er verschillen op: politieke aandachtspunten, het implementatieproces, het ambitieniveau, de risicoanalyse en de publieke participatie.

Wat gebeurt er of is er gebeurd

Pagina 13 – samenvatting

“Duitsland en België hebben grondwaterlichamen op een andere manier ingedeeld. In België is het grondwaterlichaam Zand in de verticaal onderverdeeld. In Duitsland zijn veel kleinere grondwaterlichamen onderscheiden. In een procedure van wederzijdse afstemming met de buurlanden is aan de Duitse grens een aantal (kleine) grensoverschrijdende grondwaterlichamen aangewezen, terwijl aan de Belgische grens rekening is gehouden met de verticale verdeling.”

Het is in de ogen van de tekstschrijvers geen groot probleem. Maar in de ogen van de ambtenaren en bestuurders die ik sprak, is er in ieder geval wel een probleem met de typologie-indelingen.
Nederland is voor de realisering van de doelen in 2015 en/of later, gezien de herkomst van het grootste deel van de vervuiling, grotendeels afhankelijk van de aanpak van de problemen bovenstrooms.

Op pagina 20 van de samenvatting en op pagina 113 van het hoofdrapport is te lezen dat één de uitgangspunten van de risicoanalyse is: “voor een realistische inschatting is aangenomen dat de belasting vanuit het buitenland niet merkbaar zal verminderen in de periode tot 2015.”

Het gebruik van andere typologieën, methoden en normen kan er toe leiden dat men ideale excuses en vertragingstactieken kan ontwikkelen om vooral niet of niet volledig te komen tot een effectieve aanpak van de problemen. Wij (Nederland) blijven dan als afvoerputje mooi zitten met de vuiligheid in onze wateren!

Pagina 9 – hoofdrapport

“De internationale coördinatie van een rapportage door de Internationale Maas Commissie richt zich op de grotere onderwerpen die relevant zijn voor het gehele internationale stroomgebied. Daarom is er aanvullend de noodzaak van bilaterale afstemming met direkt aangrenzende buurlanden. Het maasstroomgebied grenst aan de zuidkant aan Vlaanderen, in het uiterste zuidoosten aan Wallonië en in het oosten aan Nordrhein-Westfalen. Met uitzondering van Wallonië, heeft met deze partijen bilateraal overleg plaatsgevonden over de gehanteerde methoden.”

Pagina 67 – hoofdrapport

“De begrenzing van het diepgelegen grondwaterlichaam voor menselijke consumptie is al aangepast aan de Belgische indeling.”

Pagina 41 – hoofdrapport

“Het wordt niet als een groot probleem ervaren dat er verschillen in de typologie zijn.”

VRAGEN

  1. Worden voornoemde verschillen bestuurlijk of ambtelijk als een probleem ervaren?
  2. Hoe vindt de afstemming van methoden/normen/typenindeling met onze zuiderburen plaats?
  3. “Voor een realistische inschatting is aangenomen dat de belasting vanuit het buitenland niet merkbaar zal verminderen in de periode tot 2015”. Doen zij niets?

Pagina 28 – samenvatting:

“Vanwege de benedenstroomse ligging is het bereiken van een goede ecologische toestand in de Nederlandse Maaswateren mede afhankelijk van de inspanningen die de bovenstrooms gelegen landen leveren om lozingen te verminderen en de waterkwaliteit te verbeteren.

Inzicht in die effectiviteit van maatregelen in Nederland en in de bovenstroomse landen is een nadrukkelijk punt van aandacht”.

Pagina 51 – hoofdrapport

“Uit de brede screenings blijkt ook dat het aantal meetlocaties waar diuron de MTR overschreed, in 2003 met ongeveer 60 % afgenomen was ten opzichte van 2000. Sinds 1999 is er in Nederland een verbod op het gebruik van dit middel. In enkele gebieden is het goed mogelijk dat het middel uit België afkomstig is, waar gebruik toegestaan is.”

Pagina 87 – hoofdrapport

“Diuron is veel gebruikt op verharde terreinen, maar is in Nederland inmiddels verboden.”

VRAAG

  • Een groot deel van de probleemstoffen in onze wateren komen uit het buitenland. Op welke wijze worden de verschillen in wetgeving benaderd? Welke concrete stappen en door wie worden gezet om bijvoorbeeld de wetgeving rond het gebruik/verbod van Diuron te harmoniseren?

Pagina 33 – hoofdrapport

“Ook gemeenten hebben een taak in het waterbeheer. Zij zijn verantwoordelijk voor de detailontwatering in bebouwd gebied, de opvang en afvoer van regenwater en de inzameling van communaal afvalwater. Daarnaast spelen gemeenten een belangrijke rol in de lokale ruimtelijke ordening en de uitvoering van het milieubeleid”.

VRAAG

  • Op welke wijze betrekt het waterschap de inliggende gemeenten bij de uitwerking/realisering van de doelen en opgaven die de KRW stelt?

Pagina 39 – hoofdrapport

“Beschermde gebieden kunnen andere doelstellingen krijgen en de doelstellingen dienen in 2015 gehaald te zijn; uitstel met tweemaal zes jaar is voor deze gebieden niet mogelijk”.

“Tot de beschermde gebieden behoren onder andere de Europese Vogel- of Habitatrichtlijngebieden. Van die wateren die binnen deze gebieden liggen, is in Nederland besloten dat zij aparte waterlichamen vormen”.

VRAAG

  • Wat is het praktische nut of realiteitswaarde van deze aparte waterlichamen, indien zij hydrologisch één geheel vormen met een ander lichaam?

Pagina 47 – hoofdrapport

“De KRW eist formeel dat over de referenties van alle watertypen wordt gerapporteerd. Het is praktisch gezien niet mogelijk om nu al invulling te geven aan het MEP van sterk veranderde en kunstmatige wateren. De toekenning van de status sterk veranderd en het MEP zullen in de periode 2004 tot 2009 nauwgezet onderbouwd worden. Pas dan vindt de afweging plaats of hydromorfologische aanpassingen vanwege economische of maatschappelijke belangen omkeerbaar zijn of niet”.

VRAAG

  • Bij het voorgaande lijkt het er op dat de tijd tot 2009 qua het nemen van maatregelen verloren gaat. Er is toch op voorhand voor veel wateren wel een inschatting te maken? Bij het stellen van bijvoorbeeld prioriteiten kan hierdoor rekening gehouden worden met de te formuleren doelstellingen en de te behalen kwaliteitsverbeteringen

Pagina 55 – hoofdrapport

“In bijna alle rijkswateren, inclusief de kustzone, overschrijden PCB’s meer dan vijf keer de norm (gemeten in zwevend stof). In figuur 3.9 is te zien dat dit nog geen vijf procent van het aantal waterlichamen betreft. PCB’s worden nauwelijks in regionale wateren gemeten”.

PCB’s zijn grotendeels afkomstig uit afvalverbranding en komen via atmosferische depositie in de waterbodem (zie pagina 86).

VRAAG

  • Hoe worden deze vervuilers aangesproken en de kosten verhaald?

Pagina 65 – hoofdrapport

“Delen van de diepe pakketten zijn door de provincies Noord-Brabant en Limburg aangemerkt als strategische voorraad, gereserveerd voor winningen ten behoeve van menselijke consumptie”.

VRAAG

  • Betekent dit dat winningen uit die pakketten en gebieden niet meer voor andere doeleinden gebruikt mogen worden? Hoe worden deze watervoorraden feitelijk beschermd

Pagina 69 – hoofdrapport

“Omdat de diepgelegen grondwaterlichamen voor menselijke consumptie onder een dikke scheidende laag liggen, is verondersteld dat er een verwaarloosbare interactie is met ecosystemen”.

Pagina 73 – hoofdrapport

“Hoewel van de diepgelegen grondwaterlichamen voor menselijke consumptie verondersteld is dat er geen relatie met ecosystemen aan het maaiveld is, is een aandachtspunt dat dit geldt bij de huidige onttrekkingshoeveelheden. Het betekent niet dat er onbeperkt onttrokken kan worden zonder dat er effecten zullen optreden”.

“Net als voor oppervlaktewater, geldt voor de terrestrische ecosystemen ook, dat er geen relatie wordt verondersteld met de diepgelegen grondwaterlichamen voor menselijke consumptie”.

VRAGEN

  • Is er voor deze veronderstellingen enige proefondervindelijke onderbouwing voor handen?
  • In het recente verleden is er bij het stoppen van een aantal diepere winningen grondwateroverlast ontstaan die er voorheen niet was! Hoe is dit te rijmen met de voorgaande veronderstellingen?

Pagina 79 – hoofdrapport

Ten aanzien van bestrijdingsmiddelen blijkt dat er niet of nauwelijks gemeten wordt in de landelijke meetnetten.

VRAAG

  • Wat wordt de inspanning van het waterschap op dit punt? Op welke termijn komt er duidelijkheid omtrent het voorkomen van welke bestrijdingsmiddelen in welke concentraties in onze wateren?

Pagina 81 – hoofdrapport

“Wegens een tekort aan informatie, is ten aanzien van bestrijdingsmiddelen geconstateerd dat bijna 90 % van de grondwaterlichamen voor menselijke consumptie mogelijk slecht van kwaliteit is”.

“Op grondwaterlichaam Kalksteen na, die door hoge nitraatwaardes een slechte toestand heeft, en de diepgelegen grondwaterlichamen voor menselijke consumptie, die zowel een goede kwalitatieve als kwantitatieve toestand kennen, hebben mogelijk alle grondwaterlichamen een slechte kwaliteit”.

Hoewel het waterschap op het gebied van grondwater niet de primaire verantwoordelijkheid heeft, meen ik, gezien de relatie met de verontreinigende stoffen die mogelijk komen vanuit het oppervlaktewater, de vragen over grondwater toch te moeten stellen in de hoop en het vertrouwen dat de antwoorden door het waterschap mede te verkrijgen zouden moeten zijn bij de provincie.

VRAAG

  • De cijfers zijn zeer verontrustend. Wie is verantwoordelijk voor welke te nemen beschermingsmaatregelen en het verkrijgen van de noodzakelijke meetgegevens?

Pagina 83 – hoofdrapport

VRAAG

  • Is het juist dat waar in de tweede alinea “industriële winningen” staat bedoeld is “industriële lozingen?

Pagina 85 – hoofdrapport

“Ook riooloverstorten worden tot de diffuse bronnen gerekend”.

VRAAG

  • Waarom wordt een welbekende puntbron tot de diffuse bronnen gerekend?

Pagina 86 – hoofdrapport

Uit de tabel 4.3 blijkt dat het Mark-Vliet-systeem verhoudingsgewijs veel (14) directe industriële lozers op oppervlaktewater kent, die verhoudingsgewijs er veel verkeerde stoffen lozen (o.a. veel fosfor).

VRAGEN

  • Is dit toeval of is onze houding c.q. ons beleid ten aanzien van industriële lozers op oppervlaktewater anders (lankmoediger) dan van de andere kwaliteitsbeheerders? Mocht onze industriële bedrijfssamenstelling significant afwijken, dan graag een cijfermatige onderbouwing.
  • Wat is de verklaring van de zeer slechte cijfers van het Mark-Vliet-systeem qua vrachten naar het oppervlaktewater van de diffuse bronnen (o.a. cadmium, nikkel, koper, fosfor)?

Pagina 89 – hoofdrapport

“De grootste bron van uitgespoeld nikkel is de oxidatie van pyriet en mobilisatie van nikkel door verzuring”.

Pagina 97 – hoofdrapport

“Een ander punt van aandacht is de uitloging van van nature aanwezige zware metalen, zoals nikkel. Het vrijkomen van deze stoffen kan overigens wel door actueel menselijk handelen, zoals peilbeheer, worden veroorzaakt. Deze vormen van belasting vereisen een andere benadering dan het aanpakken van huidige belastende activiteiten”.

VRAGEN

  • Hier wordt peilbeheer nadrukkelijk als mogelijke oorzaak genoemd! Is de aanpak van deze belastende stoffen mogelijk via de keur en/of peilbeheer?
  • Uit figuur 4.10 blijkt dat bij cadmium, nikkel, koper en fosfor de RWZI’s een voorname bron zijn! Hoe is aanpak mogelijk?

Pagina 95 – hoofdrapport

“Op landelijk niveau en op het niveau van stroomgebieden zijn emissie-analyses uitgevoerd (RIZA 2003). De modelberekeningen laten zien dat nutriënten en zware metalen (met name koper) in de Maas sterk afnemen als gevolg van bovenstroomse emissiereductie (waarbij op de grenzen aan de norm wordt voldaan)”.

Uit figuur en tabel 4.6 blijkt dat er nog al veel stoffen voor meer dan 90 % van de totale belasting in het stroomgebied uit het buitenland komt. Voorbeelden zijn: benzo(k)fluorantheen, koper en PCB’s

Pagina 113 – hoofdrapport

“Voor een realistische inschatting is aangenomen dat de belasting vanuit het buitenland niet merkbaar zal verminderen in de periode tot 2015”.

VRAAG

  • Als enerzijds een gegeven is dat het buitenland de verantwoordelijke is voor grote delen van de vuillast en uit onderzoek van het RIZA blijkt dat reductie kan, waarom gaat men er dan van uit dat reductie van de belasting vanuit het buitenland in de periode tot 2015 niet realistisch zou zijn?

Pagina 103 – hoofdrapport

“Geconcludeerd mag worden dat KWO’s nog geen bedreiging vormen voor het grondwater in het stroomgebied. Bij een verwachte groei is het echter van belang de richtlijnen voor deze systemen verder uit te werken”.

VRAAG

  • Wiens taak is het eventueel uitwerken van richtlijnen voor KWO?

Pagina 105 – hoofdrapport

“NITG-TNO (1991) heeft onderzoek gedaan naar het effect van de bruinkoolwinning op het grondwater in Nederland, met name in de Centrale Slenk. Daaruit blijkt dat de grondwaterstanden in diepe aquifers onder Nederland, die in direct contact staan met de lagen waaruit bruinkool wordt gewonnen, enkele meters zijn gedaald. Deze daling gaat nog altijd door”.

“De dalingen in de stijghoogte onder de Boomse klei zijn fors, en de mogelijke doorwerking naar het maaiveld (bijvoorbeeld verticaal langs breukvlakken) moet een onderwerp voor verder onderzoek zijn”.

“Duidelijk is dat de bruinkoolwinning een enorme grondwateronttrekking is voor de regio, en ook grensoverschrijdende effecten heeft op het grondwater”.

VRAAG

  • Welke instanties zijn bevoegd om enerzijds nader onderzoek te doen/gelasten naar de effecten van de bruinkoolwinning en welke mogelijkheden/verplichtingen biedt de KRW in deze?

Pagina 106 – hoofdrapport

“Een voorlopige inschatting doet vermoeden dat negatieve effecten van economische groei, de positieve effecten van het waterkwaliteitsbeleid en technologische ontwikkelingen te niet zullen doen”.

Pagina 113 – hoofdrapport)

“De toename van economische activiteiten leidt tot meer emissies. Deze toename wordt gecompenseerd door de effecten van het huidige waterbeleid. De verwachting is dat voortzetting van het huidige beleid zal leiden tot geringe afname van de belasting van het oppervlaktewater in het stroomgebied Maas met nutriënten, zware metalen en de meeste organische microverontreinigingen”.

VRAAG

  • De citaten op pagina 106 en 113 lijken in tegenspraak! Welk citaat is juist?

Pagina 107 – hoofdrapport

“De mate waarin de natuurlijke situatie door hydromorfologische ingrepen is aangepast, en de mogelijke omkeerbaarheid daarvan, bepaalt of een waterlichaam de status ‘sterk veranderd’ krijgt. Alleen als de aanpassing als onomkeerbaar wordt ingeschat, vanwege economische of maatschappelijke belangen, is een waterlichaam sterk veranderd”.

VRAAG

  • Dit lijkt op een opgeven van waterlichamen met de status ‘sterk veranderd’! Wat zijn de economische kwantificeerbare criteria op basis waarvan men tot de voorlopige conclusie komt van onomkeerbaar?

Uit tabel 5.2 blijkt hoe slecht het deelgebied Mark-Vliet eruit springt, zowel op het gebied van bestrijdingsmiddelen als op het gebied van zware metalen.

VRAGEN

  • Is er een verband met het gegeven uit tabel 4.3 (het aantal industriële lozers)?
  • Kloppen de kleuren van zink in tabel 5.3?

Pagina 129 – hoofdrapport

“Door de relatie tussen watergebruiken en kosten in beeld te brengen is het mogelijk ‘prijsprikkels’ in te voeren”.

VRAAG

  • Als enerzijds de terugwinning van de kosten voor waterdiensten dient plaats te vinden en er een prijsprikkel dient te zijn om de watervoorraden efficiënt te benutten, wat betekent dit anderzijds dan voor het terugwinpercentage (100%+)?

Pagina 129 – hoofdrapport

“De waterdiensten zijn ingedeeld in de volgende categorieën; drinkwatervoorziening, riolering, afvalwaterzuivering, grondwaterbeheer en het beheer van regionale watersystemen”.

Pagina 3 – samenvatting

“Lidstaten hebben ervoor te zorgen dat watergebruikers de kosten voor hun rekening nemen”.

Pagina 8 – samenvatting

“De kaderrichtlijn Water heeft het principe ‘de vervuiler betaalt’ uitgebreid naar het meer algemene ‘de gebruiker betaalt'”

VRAGEN

  • Hoe zit het met het bevaarbaar houden van de vaarwegen en de door de scheepvaart veroorzaakte verontreiniging? Is dat geen waterdienst, waarop terugwinning van de kosten moet plaatsvinden?
  • In tabel 6.7 lijkt de landbouw te ontbreken in de kolommen voor ‘zelfgewonnen oppervlaktewater’ en ‘zelfgewonnen grondwater’! Waarom ontbreekt hier het watergebruik van de landbouw?

Pagina 139 – hoofdrapport

“Het stroomgebied Maas telt 136 zwemwaterlocaties (kaart 19b). De zwemwateren zijn niet als aparte waterlichamen begrensd”.

VRAAG

  • Betekent dit dat het gehele betrokken waterlichaam onder de richtlijn 76/160/EEG valt?

Pagina 139 – hoofdrapport (pagina 30 – samenvatting)

“Nutriëntgevoelige gebieden, die op grond van de nitraatrichtlijn (91/676/EEG) als bedreigde zone, of op grond van de Stedelijk Afvalwaterrichtlijn (91/271/EEG) als kwetsbare gebieden zijn aangewezen, moeten in het Register van beschermde gebieden worden opgenomen. Nederland is echter van deze verplichting ontheven, omdat de regering aan de Europese Commissie heeft toegezegd maatregelen te zullen treffen die op grond van beide richtlijnen zijn vereist”.

VRAAG

  • Waaruit bestaan die toegezegde maatregelen?

Pagina 141 – hoofdrapport

“De KRW geeft niet duidelijk aan of ook deze natuurgebieden (EHS en natuurmonumenten) in het register moeten worden opgenomen. Bovendien is niet duidelijk wat het opnemen voor gevolgen heeft. Daarom is besloten deze gebieden (nog) niet in het register op te nemen”.

VRAAG

  • Wat is de planning van opneming van deze gebieden in het register?

Bijlagen

VRAGEN

  • In bijlage 8 pagina 185 is onder nr. NB 41 Nedalco opgenomen als een winning voor menselijke consumptie! Is dit juist?
  • Uit kaart 10 blijkt dat er in het werkgebied van de Brabantse Delta onevenredig veel industriële en andere lozingen (excl. RWZI’s) zijn! Is het beleid ten aanzien van industriële en andere lozers anders dan bij de andere waterschappen?
  • Uit kaart 129 blijkt dat de emissie van Diuron in kg/ha in het gebied van de gemeente Moerdijk relatief hoog is! Is daar een oorzaak aanwijsbaar?
  • Diuron is sinds 1999 verboden in ons land. Hoe is het mogelijk dat in de risico-analyse 2015 Diuron zelfs in 2015 in het gehele werkgebied van Brabantse Delta in de 76 – 100 % klasse zit (kaart 17A)

Hopende op een spoedige beantwoording,

met vriendelijke groet,

L.H. van der Kallen