OVER WATER – 25

 

| 23-01-2016 | 09.30 uur |


 

15 januari
In de middag een extra AB met als enig agendapunt het mandaat aan het DB tot herstructurering van de leningenportefeuille van het waterschap. Het gevolg: een forse besparing op de rentekosten in de komende jaren.

18 januari
In de morgen een bestuurlijk overleg met wethouder Gerard Bruijniks van de gemeente Loon op Zand over het waterschapsproject ‘inhaalslag Keur en oneigenlijk grondgebruik’.           

Aan het eind van de middag een bestuurlijk overleg over de het project Westelijke Langstraat met gedeputeerde van den Hout, wethouder mevr. Keijzers-Verschelling van Waalwijk en de heer de Wit, het hoofd van Staatbosbeheer in Noord-Brabant. Hernieuwde afspraken zijn gemaakt om de realisatie van het ruim 600 hectare groot natuurgebied weer actief op te pakken. Hierbij komt de focus te liggen op het realiseren van het gebied per peilvak.         

19 januari
In de morgen DB vergadering met een presentatie en discussie over duurzaam financieel beleid. En besluiten over o.a. het projectplan EVZ Dorpswaterloop te Alphen, de intentieovereenkomst Deltaplatform, een uitvoeringskrediet voor het baggeren van het Mark-Vlietsysteem, een aantal stukken over de nieuwe haven van Waalwijk en een mededeling over de resultaten van de heroriëntatie archiefbeheer. De heroriëntatie was één van de kernpunten van mijn vorige bestuursperiode (gestart in februari 2012) wat door Jan Slenders verder is afgemaakt en geresulteerd heeft in een forse besparing van 1.48 miljoen euro over de periode 2013 -2022.

In de middag een fors aantal afspraken met beleidsambtenaren over o.a. de wateropgave Loon op Zand,  de Westelijke Langstraat, cultuurhistorie en de dijkverbetering Geertruidenberg/Amertak (GEA). Ook een gesprek met collega heemraad Arie Bassa over de aanpak van werkeenheid 4, waarin ik ook de drie gemeenten in het werkgebied van het waterschap Rivierenland (Werkendam, Woudrichem en Wijk en Aalburg) onder mijn hoede heb. Ik mag, net als in de vorige periode, in dat werkgebied ook namens waterschap Rivierenland blijven optreden. Hierbij is mijn jarenlange ervaring als AB lid van het voormalige waterschap Alm & Biesbosch heel behulpzaam. Ik ken daardoor het gebied en de bestuurders goed.

20 januari
Al om negen uur een overleg op het stadskantoor van Tilburg met o.a. wethouder Mario Jacobs van Tilburg, wethouder Guus van der Put van Goirle en Guïljo van Nuland van Brabant Water over het beheer van een bosgebied.

water in de tuinDe middag doorgebracht bij een expertsessie ‘Water in de tuin’ waarbij ook uit de regio deskundigen en hoveniers aanwezig waren in het Natuurpodium Brabantse Wal. Op de bijeenkomst kon ik mijn kennis en ideeën, hoe het beter zou kunnen, goed kwijt. Ook de gemeentelijke deskundigen lieten zien dat het waterbewustzijn bij ambtenaren een keer ten goede aan het maken is. Ook mijn frustraties over het feit dat het al meer dan 40 jaar verwaarlozen van dit thema een relevant aandeel heeft in het ontstaan van de soms optredende wateroverlast, de toename van de hittestress in stedelijk gebied en de verschralende biodiversiteit en achteruitgang van vogel en vleermuis aantallen vond weerklank. Hopelijk wordt de ingebrachte kennis van een ieder en zeker ook van de hoveniers gebruikt om tot een ander beleid bij gemeenten en huisvesters te komen.

21 januari
In de avond de fractievergadering van Ons Water/Waterbreed. Hierbij konden, buiten het doorspreken van de AB agenda, ook de aandacht vragende thema’s voor toekomst ruim aanbod komen.

Louis van der Kallen

 


BEGROTINGSVERGELIJKING 2005 – 0012

 


 

Bergen op Zoom, 1 augustus 2005

 

Aan het Dagelijks Bestuur van

Waterschap Rivierenland

per e-mail: info@wsrl.nl

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Recent is verschenen de begrotingsvergelijking 2005 “beleidsambities en lastendruk vergeleken” van de Vereniging van Directeuren van Waterschappen.

Kijkend naar ons waterschap dan worden we daar niet vrolijk van. Bij het totaal overzicht van de beleidsthema’s op pagina 20, tabel 7 zijn we hekkensluiter. Dit verlangt een grondige analyse en bespreking in de algemene vergadering.

Ik verzoek Uw DB dan ook om voornoemde rapportage aan ieder AB-lid ter beschikking te stellen en dit stuk samen met een analyse te bespreken. Hierna kan een nieuw gekozen bestuur in een dan te formuleren beleidsprogramma keuzes maken om te komen tot beter presteren en ambities die recht doen aan onze taken.

Het navolgende zou ik graag meegenomen zien in Uw te maken analyse:

Naar aanleiding van pagina 21, tabel 7

VRAAG

1. Hoe vullen wij het nationaal bestuursaccoord water in? Het lijkt er op alsof WSRL in dit kader nauwelijks iets doet.

Uit pagina 22, tabel 9 maak ik op dat de stedelijke wateropgave uit het NBW niet actief wordt opgepakt. Ik betwijfel of dit klopt. Gaarne uitleg.

Op pagina 24, tabel 11 is te lezen dat het percentage regionale waterkeringen met door de provincie vastgestelde veiligheidseisen op 1 januari 2005 nul is.

VRAAG

2. Wie treft dit gebrek? Heeft de provincie de veiligheidseisen nog niet vastgesteld of pakt WSRL dit niet adequaat op?

Pagina 26, tabel 13

VRAAG

3. We zeggen ja op de vraag of wij actief samenwerken met gemeenten bij stedelijke grondwater. We zeggen nee op de vraag of we actief inventariseren bij de problematiek van stedelijk grondwater. Hoe zit het?

Het wordt tijd dat ook het WSRL de stedelijke grondwaterproblematiek meeneemt bij de besluitvorming rond peilbesluiten.

Pagina 32, tabel 15

VRAAG

4. Als het gaat om het percentage van totaal aantal personen dijkwacht waarmee jaarlijks wordt geoefend behoren we tot de achterhoede met 43 %. Wat is in deze het beleid?

Pagina 38, tabel 18

Het is niet allemaal kommer en kwel. Hier past een compliment. WSRL is koploper als het gaat over de terugdringing van de verdroging met 81 % ten opzichte van mediaan van 46 %.

Pagina 40, tabel 19

VRAAG

5. Is het zeer lage percentage van 5 % van het areaal waarvoor een conserverend peilbeheer wordt gevoerd juist? Zo ja, hoe komt het dat dit zo laag is?

Pagina’s 53 – 55

De vergunningverlening en handhaving van de keur blijkt bij WSRL goed geregeld. Het kan vast nog beter. Zo zou het mogelijk moeten worden aanvraag en verlening via internet te doen. Ook zou het voorbeeld van drie waterschappen gevolgd kunnen worden die in de keur voorschriften hebben opgenomen voor natuurvriendelijk onderhoud.

Pagina 64, tabel 27

Ook ten aanzien van de beleidsaspecten heffing en invordering zijn verbeteringen en kostenbesparingen mogelijk, zo lijkt het. Met name in de digitale mogelijkheden en samenwerking lijken we achter te lopen. Het zou goed zijn dit mee te nemen in de analyse om tot verbeterpunten te komen.

Pagina 68, tabel 28

Qua bestuur zijn er wel enkele slagen te maken bij de start van de nieuwe bestuursperiode, bijvoorbeeld een bestuursprogramma formuleren en de opstelling van een integriteitscode voor bestuurders en ambtenaren.

Pagina 74, grafiek 11

Onze kosten van bestuur en externe communicatie zijn relatief hoog. Voor bestuur is dat vermoedelijk tijdelijk. De kosten voor externe communicatie zouden nadrukkelijk in de analyse meegenomen moeten worden.

Hoofdstuk 16, Ontwikkeling kosten en opbrengsten 2005/2009

De kosten van waterkering, waterkwaliteit en waterkwantiteit stijgen minder dan de begrote opbrengsten. Dit biedt dus ruimte voor een grotere matiging van de tarieven dan tot nu toe aangenomen, zo lijkt het.

Uw reactie tegemoet ziende,

met vriendelijke groet,

L.H. van der Kallen

 


KRW RIJN-WEST – 0013

 


 

Bergen op Zoom, 1 augustus 2005

 

Aan het Dagelijks Bestuur van

Waterschap Rivierenland

per e-mail: info@wsrl.nl

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Recent is verschenen de karakterisering deelstroomgebied Rijn-West. Dit stuk leidt voor ondergetekende tot een aantal vragen/bemerkingen, te weten:

pagina 23

“De afstemming inzake afbakening van grensoverschrijdende grondwaterlichamen is nog niet afgerond. Ook de karakterisering van deze grondwaterlichamen is een kennishiaat. De richting en grootte van de grensoverschrijdende grondwaterstroming dient te worden vastgesteld, bij voorkeur in samenspraak met de buurlanden”.

VRAAG

1. Wie is hierbij de initiatiefnemer?

pagina 55

Uit tabel 3.4b blijkt dat in het rivierengebied relatief weinig (4) virtuele waterlichamen met toetsingswaarden zijn vastgesteld.

VRAAG

2. Zijn in het rivierengebied dezelfde criteria gehanteerd als elders in het stroomgebied bij de bepaling van de aard, omvang of het aantal van de virtuele waterlichamen?

pagina 57

“De wijze van bepaling van de 100-jaarszone is door elke betrokken provincie op een iets andere wijze uitgevoerd”.

Hier zou harmonisatie van methoden, regelgeving en werkwijzen op z’n plaats zijn!

pagina 91

“Daarnaast wordt geen nieuw gecreosoteerd hout meer toegepast”.

VRAAG

3. Deze tekst is niet geheel juist. Uit enkele begraafplaatsreglementen blijkt dat men voor de verankering van grafmonumenten nog steeds verduurzaamd/gecreosoteerd hout voorschrijft. Ligt hier een taak voor het waterschap om richting begraafplaatsen op dit punt stappen te ondernemen?

pagina 91

“Diuron is sinds 2000 voor elke toepassing verboden in Nederland. Regionaal zal de stof geen probleem meer vormen in 2015. Mogelijk zou door belasting vanuit het buitenland de stof nog wel in rijkswateren een probleem kunnen geven.

VRAAG

4. Deze tekst lijkt in strijd met de tekst op pagina 77 (“Diuron (herbicide) is voor gebruik in de landbouw in 1999 in Nederland verboden, maar wordt nog beperkt toegepast als anti-foulingsmiddel”). Welke tekst: pagina 91 of pagina 77 is juist?

pagina 91

“Omdat het in het buitenland nog wordt gebruikt, komt Endosulgan via atmosferische depositie en de grote rivieren nog in de Nederlandse wateren terecht”.

De regelgeving ten aanzien van verboden stoffen, zoals Diuron en Endosulfan dienen op Europese schaal geharmoniseerd te worden!

pagina 112

“De in Nederland onderscheiden waterdiensten betreffen drinkwaterverzorging, riolering, afvalwaterzuivering, grondwaterbeheer en het regionale watersysteem”.

Hier ontbreekt de scheepvaart c.q. het bevaarbaar houden als waterdienst. Deze omissie is des te meer van belang, omdat de KRW uitgaat van de vervuiler betaalt en van het kostenterug-winningsprincipe.

Onderstaand enkele citaten uit de karakterisering deelstroomgebied Rijn-West, die de belasting door de scheepvaart onderschrijven:

– pagina 76 t.a.v. fluorantheen: “Tenslotte is een belangrijke bron de coating van de binnenvaartschepen (17 %)”

– t.a.v. benzo(k)fluorantheen: “Een andere bron die wordt geschat is de emissie uit de onderwateruitlaten van recreatievaartuigen (23 %)”

– t.a.v. benzo(a)pyreen: “de belangrijkste bron is de coating van de binnenvaartschepen (51 %)

– pagina 77: “verontreinigde waterbodems (samen met opwoeling door recreatie- en beroepsvaart) zijn in Rijn-West belangrijke overige belastingen”

– zie tevens het eerdere citaat inzake Diuron als anti-foulingsmiddel.

VRAAG

5. Is het DB met ondergetekende van mening dat scheepvaartdiensten ook voor kostenterugwinning in aanmerking zouden moeten komen?

Op 13 juli stelde ondergetekende een aantal vragen inzake de karakterisering van het Nederlandse Maastroomgebied. Gezien een zekere samenhang stel ik gezamenlijke beantwoording met deze brief op prijs.

Met vriendelijke groet,

L.H. van der Kallen

 


KRW MAAS – 0007

 


 

Bergen op Zoom, 13 juli 2005

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Rivierenland

per e-mail

Geacht Bestuur,

Recent is verschenen de karakterisering Nederlands Maasstroomgebied. Dit stuk leidt voor ondergetekende tot een aantal vragen/bemerkingen, te weten:

Verschillende methoden/normen

Pagina 67 – hoofdrapport

“De begrenzing (grondwaterlichamen) is in Duitsland en België anders aangepakt dan in Nederland. Hierover wordt bilateraal overleg gevoerd.”

“In Duitsland is een andere begrenzingsmethodiek gehanteerd.”

Pagina 69 – hoofdrapport

“Ook over de begrenzing van grondwaterlichamen ten westen van Maastricht (daar is de aansluiting tussen Nederlandse, drie Vlaamse en een Waals grondwaterlichaam onduidelijk) is afstemming noodzakelijk.”

Pagina 137 – hoofdrapport

“Nederland en België gaan verschillend te werk bij het opnemen van grondwaterlichamen voor menselijke consumptie in het register. In Nederland zijn alle grondwaterbeschermingsgebieden (per definitie) opgenomen in het register. In België is slechts een deel van de gebieden die in het nationale beleid beschermd worden, in het register opgenomen. Dit geeft verschillen aan de grens.”

De feitelijke verschillen (o.a. pag. 174 – hoofdrapport)

NederlandVlaanderenNordrhein-Westfalen
Waterlichamen55 typen9 typen23 typen
Grondwater-lichamengrotere, geen onderscheid in lagenkleinere, alleen voor onttrekkingen menselijke consumptiekleiner dan Nederland, groter dan Nordrhein-Westfalen, deels verticaalkleine lichamenonderscheid
prioritairestoffentoetsen aan EC-voorstellen Fraunhofer Instituuttoetsen aan nationale normen en Fraunhofer normen als vastgesteldtoetsen aan nationale normen

Verder zijn er verschillen op: politieke aandachtspunten, het implementatieproces, het ambitieniveau, de risicoanalyse en de publieke participatie.

Wat gebeurt er of is er gebeurd

Pagina 13 – samenvatting

“Duitsland en België hebben grondwaterlichamen op een andere manier ingedeeld. In België is het grondwaterlichaam Zand in de verticaal onderverdeeld. In Duitsland zijn veel kleinere grondwaterlichamen onderscheiden. In een procedure van wederzijdse afstemming met de buurlanden is aan de Duitse grens een aantal (kleine) grensoverschrijdende grondwaterlichamen aangewezen, terwijl aan de Belgische grens rekening is gehouden met de verticale verdeling.”

Het is in de ogen van de tekstschrijvers geen groot probleem. Maar in de ogen van de ambtenaren en bestuurders die ik sprak, is er in ieder geval wel een probleem met de typologie-indelingen.
Nederland is voor de realisering van de doelen in 2015 en/of later, gezien de herkomst van het grootste deel van de vervuiling, grotendeels afhankelijk van de aanpak van de problemen bovenstrooms.

Op pagina 20 van de samenvatting en op pagina 113 van het hoofdrapport is te lezen dat één de uitgangspunten van de risicoanalyse is: “voor een realistische inschatting is aangenomen dat de belasting vanuit het buitenland niet merkbaar zal verminderen in de periode tot 2015.”

Het gebruik van andere typologieën, methoden en normen kan er toe leiden dat men ideale excuses en vertragingstactieken kan ontwikkelen om vooral niet of niet volledig te komen tot een effectieve aanpak van de problemen. Wij (Nederland) blijven dan als afvoerputje mooi zitten met de vuiligheid in onze wateren!

Pagina 9 – hoofdrapport

“De internationale coördinatie van een rapportage door de Internationale Maas Commissie richt zich op de grotere onderwerpen die relevant zijn voor het gehele internationale stroomgebied. Daarom is er aanvullend de noodzaak van bilaterale afstemming met direkt aangrenzende buurlanden. Het maasstroomgebied grenst aan de zuidkant aan Vlaanderen, in het uiterste zuidoosten aan Wallonië en in het oosten aan Nordrhein-Westfalen. Met uitzondering van Wallonië, heeft met deze partijen bilateraal overleg plaatsgevonden over de gehanteerde methoden.”

Pagina 67 – hoofdrapport

“De begrenzing van het diepgelegen grondwaterlichaam voor menselijke consumptie is al aangepast aan de Belgische indeling.”

Pagina 41 – hoofdrapport

“Het wordt niet als een groot probleem ervaren dat er verschillen in de typologie zijn.”

VRAGEN

  • Worden voornoemde verschillen bestuurlijk of ambtelijk als een probleem ervaren?
  • Hoe vindt de afstemming van methoden/normen/typenindeling met onze oosterburen plaats?
  • “Voor een realistische inschatting is aangenomen dat de belasting vanuit het buitenland niet merkbaar zal verminderen in de periode tot 2015”. Doen zij niets?

Pagina 28 – samenvatting:

“Vanwege de benedenstroomse ligging is het bereiken van een goede ecologische toestand in de Nederlandse Maaswateren mede afhankelijk van de inspanningen die de bovenstrooms gelegen landen leveren om lozingen te verminderen en de waterkwaliteit te verbeteren.

Inzicht in die effectiviteit van maatregelen in Nederland en in de bovenstroomse landen is een nadrukkelijk punt van aandacht”.

Pagina 51 – hoofdrapport

“Uit de brede screenings blijkt ook dat het aantal meetlocaties waar diuron de MTR overschreed, in 2003 met ongeveer 60 % afgenomen was ten opzichte van 2000. Sinds 1999 is er in Nederland een verbod op het gebruik van dit middel. In enkele gebieden is het goed mogelijk dat het middel uit België afkomstig is, waar gebruik toegestaan is.”

Pagina 87 – hoofdrapport

“Diuron is veel gebruikt op verharde terreinen, maar is in Nederland inmiddels verboden.”

VRAAG

  • Een deel van de probleemstoffen in onze wateren komen uit het buitenland. Op welke wijze worden de verschillen in wetgeving benaderd? Welke concrete stappen en door wie worden gezet om bijvoorbeeld de wetgeving rond het gebruik/verbod van Diuron te harmoniseren?

Pagina 33 – hoofdrapport

“Ook gemeenten hebben een taak in het waterbeheer. Zij zijn verantwoordelijk voor de detailontwatering in bebouwd gebied, de opvang en afvoer van regenwater en de inzameling van communaal afvalwater. Daarnaast spelen gemeenten een belangrijke rol in de lokale ruimtelijke ordening en de uitvoering van het milieubeleid”.

VRAAG

  • Op welke wijze betrekt het waterschap de inliggende gemeenten bij de uitwerking/realisering van de doelen en opgaven die de KRW stelt?

Pagina 39 – hoofdrapport

“Beschermde gebieden kunnen andere doelstellingen krijgen en de doelstellingen dienen in 2015 gehaald te zijn; uitstel met tweemaal zes jaar is voor deze gebieden niet mogelijk”.

“Tot de beschermde gebieden behoren onder andere de Europese Vogel- of Habitatrichtlijngebieden. Van die wateren die binnen deze gebieden liggen, is in Nederland besloten dat zij aparte waterlichamen vormen”.

VRAAG

  • Wat is het praktische nut of realiteitswaarde van deze aparte waterlichamen, indien zij hydrologisch één geheel vormen met een ander lichaam?

Pagina 47 – hoofdrapport

“De KRW eist formeel dat over de referenties van alle watertypen wordt gerapporteerd. Het is praktisch gezien niet mogelijk om nu al invulling te geven aan het MEP van sterk veranderde en kunstmatige wateren. De toekenning van de status sterk veranderd en het MEP zullen in de periode 2004 tot 2009 nauwgezet onderbouwd worden. Pas dan vindt de afweging plaats of hydromorfologische aanpassingen vanwege economische of maatschappelijke belangen omkeerbaar zijn of niet”.

VRAAG

  • Bij het voorgaande lijkt het er op dat de tijd tot 2009 qua het nemen van maatregelen verloren gaat. Er is toch op voorhand voor veel wateren wel een inschatting te maken? Bij het stellen van bijvoorbeeld prioriteiten kan hierdoor rekening gehouden worden met de te formuleren doelstellingen en de te behalen kwaliteitsverbeteringen

Pagina 55 – hoofdrapport

“In bijna alle rijkswateren, inclusief de kustzone, overschrijden PCB’s meer dan vijf keer de norm (gemeten in zwevend stof). In figuur 3.9 is te zien dat dit nog geen vijf procent van het aantal waterlichamen betreft. PCB’s worden nauwelijks in regionale wateren gemeten”.

PCB’s zijn grotendeels afkomstig uit afvalverbranding en komen via atmosferische depositie in de waterbodem (zie pagina 86).

VRAAG

  • Hoe worden deze vervuilers aangesproken en de kosten verhaald?

Pagina 65 – hoofdrapport

“Delen van de diepe pakketten zijn door de provincies Noord-Brabant en Limburg aangemerkt als strategische voorraad, gereserveerd voor winningen ten behoeve van menselijke consumptie”.

VRAAG

  • Betekent dit dat winningen uit die pakketten en gebieden niet meer voor andere doeleinden gebruikt mogen worden? Hoe worden deze watervoorraden feitelijk beschermd?

Pagina 69 – hoofdrapport

“Omdat de diepgelegen grondwaterlichamen voor menselijke consumptie onder een dikke scheidende laag liggen, is verondersteld dat er een verwaarloosbare interactie is met ecosystemen”.

Pagina 73 – hoofdrapport

“Hoewel van de diepgelegen grondwaterlichamen voor menselijke consumptie verondersteld is dat er geen relatie met ecosystemen aan het maaiveld is, is een aandachtspunt dat dit geldt bij de huidige onttrekkingshoeveelheden. Het betekent niet dat er onbeperkt onttrokken kan worden zonder dat er effecten zullen optreden”.

“Net als voor oppervlaktewater, geldt voor de terrestrische ecosystemen ook, dat er geen relatie wordt verondersteld met de diepgelegen grondwaterlichamen voor menselijke consumptie”.

VRAGEN

  • Is er voor deze veronderstellingen enige proefondervindelijke onderbouwing voor handen?

Pagina 79 – hoofdrapport

Ten aanzien van bestrijdingsmiddelen blijkt dat er niet of nauwelijks gemeten wordt in de landelijke meetnetten.

VRAAG

  • Wat wordt de inspanning van het waterschap op dit punt? Op welke termijn komt er duidelijkheid omtrent het voorkomen van welke bestrijdingsmiddelen in welke concentraties in onze wateren?

Pagina 81 – hoofdrapport

“Wegens een tekort aan informatie, is ten aanzien van bestrijdingsmiddelen geconstateerd dat bijna 90 % van de grondwaterlichamen voor menselijke consumptie mogelijk slecht van kwaliteit is”.

“Op grondwaterlichaam Kalksteen na, die door hoge nitraatwaardes een slechte toestand heeft, en de diepgelegen grondwaterlichamen voor menselijke consumptie, die zowel een goede kwalitatieve als kwantitatieve toestand kennen, hebben mogelijk alle grondwaterlichamen een slechte kwaliteit”.

Hoewel het waterschap op het gebied van grondwater niet de primaire verantwoordelijkheid heeft, meen ik, gezien de relatie met de verontreinigende stoffen die mogelijk komen vanuit het oppervlaktewater, de vragen over grondwater toch te moeten stellen in de hoop en het vertrouwen dat de antwoorden door het waterschap mede te verkrijgen zouden moeten zijn bij de provincie.

VRAAG

  • De cijfers zijn zeer verontrustend. Wie is verantwoordelijk voor welke te nemen beschermingsmaatregelen en het verkrijgen van de noodzakelijke meetgegevens?

Pagina 83 – hoofdrapport

VRAAG

  • Is het juist dat waar in de tweede alinea “industriële winningen” staat bedoeld is “industriële lozingen?

Pagina 85 – hoofdrapport

“Ook riooloverstorten worden tot de diffuse bronnen gerekend”.

VRAAG

  • Waarom wordt een welbekende puntbron tot de diffuse bronnen gerekend?

Pagina 89 – hoofdrapport

“De grootste bron van uitgespoeld nikkel is de oxidatie van pyriet en mobilisatie van nikkel door verzuring”.

Pagina 97 – hoofdrapport

“Een ander punt van aandacht is de uitloging van van nature aanwezige zware metalen, zoals nikkel. Het vrijkomen van deze stoffen kan overigens wel door actueel menselijk handelen, zoals peilbeheer, worden veroorzaakt. Deze vormen van belasting vereisen een andere benadering dan het aanpakken van huidige belastende activiteiten”.

VRAGEN

  • Hier wordt peilbeheer nadrukkelijk als mogelijke oorzaak genoemd! Is de aanpak van deze belastende stoffen mogelijk via de keur en/of peilbeheer?
  • Uit figuur 4.10 blijkt dat bij cadmium, nikkel, koper en fosfor de RWZI’s een voorname bron zijn! Hoe is aanpak mogelijk?

Pagina 95 – hoofdrapport

“Op landelijk niveau en op het niveau van stroomgebieden zijn emissie-analyses uitgevoerd (RIZA 2003). De modelberekeningen laten zien dat nutriënten en zware metalen (met name koper) in de Maas sterk afnemen als gevolg van bovenstroomse emissiereductie (waarbij op de grenzen aan de norm wordt voldaan)”.

Uit figuur en tabel 4.6 blijkt dat er nog al veel stoffen voor meer dan 90 % van de totale belasting in het stroomgebied uit het buitenland komt. Voorbeelden zijn: benzo(k)fluorantheen, koper en PCB’s

Pagina 113 – hoofdrapport

“Voor een realistische inschatting is aangenomen dat de belasting vanuit het buitenland niet merkbaar zal verminderen in de periode tot 2015”.

VRAAG

  • Als enerzijds een gegeven is dat het buitenland de verantwoordelijke is voor grote delen van de vuillast en uit onderzoek van het RIZA blijkt dat reductie kan, waarom gaat men er dan van uit dat reductie van de belasting vanuit het buitenland in de periode tot 2015 niet realistisch zou zijn?

Pagina 103 – hoofdrapport

“Geconcludeerd mag worden dat KWO’s nog geen bedreiging vormen voor het grondwater in het stroomgebied. Bij een verwachte groei is het echter van belang de richtlijnen voor deze systemen verder uit te werken”.

VRAAG

  • Wiens taak is het eventueel uitwerken van richtlijnen voor KWO?

Pagina 105 – hoofdrapport

“NITG-TNO (1991) heeft onderzoek gedaan naar het effect van de bruinkoolwinning op het grondwater in Nederland, met name in de Centrale Slenk. Daaruit blijkt dat de grondwaterstanden in diepe aquifers onder Nederland, die in direct contact staan met de lagen waaruit bruinkool wordt gewonnen, enkele meters zijn gedaald. Deze daling gaat nog altijd door”.

“De dalingen in de stijghoogte onder de Boomse klei zijn fors, en de mogelijke doorwerking naar het maaiveld (bijvoorbeeld verticaal langs breukvlakken) moet een onderwerp voor verder onderzoek zijn”.

“Duidelijk is dat de bruinkoolwinning een enorme grondwateronttrekking is voor de regio, en ook grensoverschrijdende effecten heeft op het grondwater”.

VRAAG

  • Welke instanties zijn bevoegd om enerzijds nader onderzoek te doen/gelasten naar de effecten van de bruinkoolwinning en welke mogelijkheden/verplichtingen biedt de KRW in deze?

Pagina 106 – hoofdrapport

“Een voorlopige inschatting doet vermoeden dat negatieve effecten van economische groei, de positieve effecten van het waterkwaliteitsbeleid en technologische ontwikkelingen te niet zullen doen”.

Pagina 113 – hoofdrapport

“De toename van economische activiteiten leidt tot meer emissies. Deze toename wordt gecompenseerd door de effecten van het huidige waterbeleid. De verwachting is dat voortzetting van het huidige beleid zal leiden tot geringe afname van de belasting van het oppervlaktewater in het stroomgebied Maas met nutriënten, zware metalen en de meeste organische microverontreinigingen”.

VRAAG

  • De citaten op pagina 106 en 113 lijken in tegenspraak! Welk citaat is juist?

Pagina 107 – hoofdrapport

“De mate waarin de natuurlijke situatie door hydromorfologische ingrepen is aangepast, en de mogelijke omkeerbaarheid daarvan, bepaalt of een waterlichaam de status ‘sterk veranderd’ krijgt. Alleen als de aanpassing als onomkeerbaar wordt ingeschat, vanwege economische of maatschappelijke belangen, is een waterlichaam sterk veranderd”.

VRAGEN

  • Dit lijkt op een opgeven van waterlichamen met de status ‘sterk veranderd’! Wat zijn de economische kwantificeerbare criteria op basis waarvan men tot de voorlopige conclusie komt van onomkeerbaar?
  • Kloppen de kleuren van zink in tabel 5.3?

Pagina 129 – hoofdrapport

“Door de relatie tussen watergebruiken en kosten in beeld te brengen is het mogelijk ‘prijsprikkels’ in te voeren”.

VRAAG

  • Als enerzijds de terugwinning van de kosten voor waterdiensten dient plaats te vinden en er een prijsprikkel dient te zijn om de watervoorraden efficiënt te benutten, wat betekent dit anderzijds dan voor het terugwinpercentage (100%+)?

Pagina 129 – hoofdrapport

“De waterdiensten zijn ingedeeld in de volgende categorieën; drinkwatervoorziening, riolering, afvalwaterzuivering, grondwaterbeheer en het beheer van regionale watersystemen”.

Pagina 3 – samenvatting

“Lidstaten hebben ervoor te zorgen dat watergebruikers de kosten voor hun rekening nemen”.

Pagina 8 – samenvatting

“De kaderrichtlijn Water heeft het principe ‘de vervuiler betaalt’ uitgebreid naar het meer algemene ‘de gebruiker betaalt'”

VRAGEN

  • Hoe zit het met het bevaarbaar houden van de vaarwegen en de door de scheepvaart veroorzaakte verontreiniging? Is dat geen waterdienst, waarop terugwinning van de kosten moet plaatsvinden?
  • In tabel 6.7 lijkt de landbouw te ontbreken in de kolommen voor ‘zelfgewonnen oppervlaktewater’ en ‘zelfgewonnen grondwater’! Waarom ontbreekt hier het watergebruik van de landbouw?

Pagina 139 – hoofdrapport

“Het stroomgebied Maas telt 136 zwemwaterlocaties (kaart 19b). De zwemwateren zijn niet als aparte waterlichamen begrensd”.

VRAAG

  • Betekent dit dat het gehele betrokken waterlichaam onder de richtlijn 76/160/EEG valt?

Pagina 139 – hoofdrapport (pagina 30 – samenvatting)

“Nutriëntgevoelige gebieden, die op grond van de nitraatrichtlijn (91/676/EEG) als bedreigde zone, of op grond van de Stedelijk Afvalwaterrichtlijn (91/271/EEG) als kwetsbare gebieden zijn aangewezen, moeten in het Register van beschermde gebieden worden opgenomen. Nederland is echter van deze verplichting ontheven, omdat de regering aan de Europese Commissie heeft toegezegd maatregelen te zullen treffen die op grond van beide richtlijnen zijn vereist”.

VRAAG

  • Waaruit bestaan die toegezegde maatregelen?

Pagina 141 – hoofdrapport

“De KRW geeft niet duidelijk aan of ook deze natuurgebieden (EHS en natuurmonumenten) in het register moeten worden opgenomen. Bovendien is niet duidelijk wat het opnemen voor gevolgen heeft. Daarom is besloten deze gebieden (nog) niet in het register op te nemen”.

VRAAG

  • Wat is de planning van opneming van deze gebieden in het register?

Een groot deel van deze vragen zijn ook gesteld aan het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Brabantse Delta. Mogelijk is afstemming bij de beantwoording zinvol.

Hopende op een spoedige beantwoording,

met vriendelijke groet,

L.H. van der Kallen

 


PARLEMENTARIËRS INZ. KRW – A005

 


 

Bergen op Zoom, 9 juni 2005

 

Aan Parlementsleden

 

Geachte Parlementsleden,

Ondergetekende is bestuurlijk betrokken bij vier waterschappen (Zeeuwse Eilanden, Brabantse Delta, Rivierenland en Rijn en IJssel).

Op dit moment staat de Kaderrichtlijn Water bestuurlijk in de belangstelling.

Nederland maakt deel uit van vier grote Europese stroomgebieden (Schelde, Maas, Rijn en Eems). Tot op heden heb ik de Karakteriseringen van de Nederlandse stroomgebieden van Schelde en Maas gelezen en een poging gedaan me te verdiepen in de stukken en informatie over de betrokken stroomgebieden en België en Duitsland. Daar wordt je niet vrolijk van!

Door de verschillende systematieken, methoden en normen is vergelijken/afstemmen lastig. Toch is het Nederlandse belang in deze erg groot.

Middels citaten en verwijzingen naar teksten uit de Karakterisering van het Nederlandse Maasstroomgebied zal ik één en ander trachten te verduidelijken c.q. het belang van vergaande afstemming c.q. gelijkschakeling aan te tonen.

Omgang met verontreinigende stoffen
Op pagina 28 van de samenvatting laat figuur 18 zien dat bij de acht probleemstoffen in onze wateren veruit het grootste deel afkomstig is uit het buitenland:

zink ca. 80 %

fosfor ca. 70 %

stikstof ca. 70 %

koper meer dan 80 %

nikkel ca. 70 %

cadmium meer dan 90 %

benzo(k)fluorantheen ca. 95 %

PCB’s nagenoeg 100 %

Pagina 28 – samenvatting:

“Vanwege de benedenstroomse ligging is het bereiken van een goede ecologische toestand in de Nederlandse Maaswateren mede afhankelijk van de inspanningen die de bovenstrooms gelegen landen leveren om lozingen te verminderen en de waterkwaliteit te verbeteren.

Inzicht in die effectiviteit van maatregelen in Nederland en in de bovenstroomse landen is een nadrukkelijk punt van aandacht”.

Pagina 51 – hoofdrapport

“Uit de brede screenings blijkt ook dat het aantal meetlocaties waar diuron de MTR overschreed, in 2003 met ongeveer 60 % afgenomen was ten opzichte van 2000. Sinds 1999 is er in Nederland een verbod op het gebruik van dit middel. In enkele gebieden is het goed mogelijk dat het middel uit België afkomstig is, waar gebruik toegestaan is.”

Pagina 87 – hoofdrapport

“Diuron is veel gebruikt op verharde terreinen, maar is in Nederland inmiddels verboden.”

Verschillende methoden/normen
Pagina 67 – hoofdrapport

“De begrenzing (grondwaterlichamen) is in Duitsland en België anders aangepakt dan in Nederland. Hierover wordt bilateraal overleg gevoerd.”

“In Duitsland is een andere begrenzingsmethodiek gehanteerd.”

Pagina 69 – hoofdrapport

“Ook over de begrenzing van grondwaterlichamen ten westen van Maastricht (daar is de aansluiting tussen Nederlandse, drie Vlaamse en een Waals grondwaterlichaam onduidelijk) is afstemming noodzakelijk.”

Pagina 137 – hoofdrapport

“Nederland en België gaan verschillend te werk bij het opnemen van grondwaterlichamen voor menselijke consumptie in het register. In Nederland zijn alle grondwaterbeschermingsgebieden (per definitie) opgenomen in het register. In België is slechts een deel van de gebieden die in het nationale beleid beschermd worden, in het register opgenomen. Dit geeft verschillen aan de grens.”

De feitelijke verschillen (o.a. pag. 174 – hoofdrapport)

NederlandVlaanderenNordrhein-Westfalen
Waterlichamen55 typen9 typen23 typen
Grondwater-lichamengrotere, geen onderscheid in lagenkleinere, alleen voor onttrekkingen menselijke consumptiekleiner dan Nederland, groter dan Nordrhein-Westfalen, deels verticaalkleine lichamenonderscheid
prioritairestoffentoetsen aan EC-voorstellen Fraunhofer Instituuttoetsen aan nationale normen en Fraunhofer normen als vastgesteldtoetsen aan nationale normen

Verder zijn er verschillen op: politieke aandachtspunten, het implementatieproces, het ambitieniveau, de risicoanalyse en de publieke participatie.

Wat gebeurt er of is er gebeurd
Pagina 13 – samenvatting

“Duitsland en België hebben grondwaterlichamen op een andere manier ingedeeld. In België is het grondwaterlichaam Zand in de verticaal onderverdeeld. In Duitsland zijn veel kleinere grondwaterlichamen onderscheiden. In een procedure van wederzijdse afstemming met de buurlanden is aan de Duitse grens een aantal (kleine) grensoverschrijdende grondwaterlichamen aangewezen, terwijl aan de Belgische grens rekening is gehouden met de verticale verdeling.”

Het is in de ogen van de tekstschrijvers geen groot probleem. Maar in de ogen van de ambtenaren en bestuurders die ik sprak, is er in ieder geval wel een probleem met de typologie-indelingen.

Nederland is voor de realisering van de doelen in 2015 en/of later, gezien de herkomst van het grootste deel van de vervuiling, grotendeels afhankelijk van de aanpak van de problemen bovenstrooms.

Op pagina 20 van de samenvatting en op pagina 113 van het hoofdrapport is te lezen dat één de uitgangspunten van de risicoanalyse is: “voor een realistische inschatting is aangenomen dat de belasting vanuit het buitenland niet merkbaar zal verminderen in de periode tot 2015.”

Het gebruik van andere typologieën, methoden en normen kan er toe leiden dat men ideale excuses en vertragingstactieken kan ontwikkelen om vooral niet of niet volledig te komen tot een effectieve aanpak van de problemen. Wij (Nederland) blijven dan als afvoerputje mooi zitten met de vuiligheid in onze wateren!

Pagina 9 – hoofdrapport

“De internationale coördinatie van een rapportage door de Internationale Maas Commissie richt zich op de grotere onderwerpen die relevant zijn voor het gehele internationale stroomgebied. Daarom is er aanvullend de noodzaak van bilaterale afstemming met direkt aangrenzende buurlanden. Het maasstroomgebied grenst aan de zuidkant aan Vlaanderen, in het uiterste zuidoosten aan Wallonië en in het oosten aan Nordrhein-Westfalen. Met uitzondering van Wallonië, heeft met deze partijen bilateraal overleg plaatsgevonden over de gehanteerde methoden.”

Pagina 67 – hoofdrapport

“De begrenzing van het diepgelegen grondwaterlichaam voor menselijke consumptie is al aangepast aan de Belgische indeling.”

Constateringen – conclusies

Pagina 41 – hoofdrapport

“Het wordt niet als een groot probleem ervaren dat er verschillen in de typologie zijn.”

VERZOEK

Ondergetekende verzoekt U parlementsleden alles te doen wat in Uw vermogen ligt om te komen tot een Europese invulling van de Kaderrichtlijn Water, zodat typologieën, normen en methoden afgestemd worden c.q. gelijk zijn.

Dan ontstaat de situatie dat dit kostbare, maar noodzakelijke proces om te komen tot gezonder water voor mens, dier en plant tot een succesvol einde wordt gebracht.

Maar wat bijna nog belangrijker is: het proces wordt transparant en afrekenbaar.

Als bestuurder en als burger zou ik dit graag zien.

Uw handelen afwachtend,

hoogachtend,

L.H. van der Kallen

 


KAMERS VAN KOOPHANDEL INZ. KRW – A003

 


 

Bergen op Zoom, 2 maart 2005

 

Aan de Besturen van Kamers

van Koophandel van

Zeeland, West- en Midden Brabant,

Rotterdam, Rivierenland

en Centraal Gelderland

 

Geachte Besturen,

Bij vier waterschappen ben ik bestuurlijk actief, waarvan drie ten behoeve van de categorie bedrijfsgebouwd, o.a. in het werkgebied van Uw Kamer.

Op dit moment is waterschappelijk Nederland bezig met (de voorbereiding van) de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW).

De KRW blijkt steeds meer een doos van Pandora. Tot nu toe is de ervaring dat het (regionale) bedrijfsleven zich onvoldoende bewust is van de ernstige (financiële) bedreigingen die de KRW in zich draagt.

Ook is de inbreng van het bedrijfsleven tot op heden minimaal in het (deels landelijke) overlegcircuit inzake de implementatie (het bedrijfsleven is niet vertegenwoordigd),

terwijl op zeer korte termijn een deel van de Nederlandse wetgeving tot stand aan het komen is.

Om enige aanzet te geven omtrent de ernst van de situatie een paar feiten:

– Uit de ambitienota van het Kabinet blijkt dat zij rekening houdt met een verdubbeling (in euro’s van nu) van de zuiveringslasten (waterkwaliteitsheffing) tot 2015.

– Het CPB heeft in een quick scan aangegeven zelfs niet in ruwe termen iets te kunnen zeggen over de kosten van de KRW.

– Uit de in omloop zijnde stukken blijkt tot op heden dat er geen economische effect analyse wordt/is gemaakt.

Een economische effect analyse is buitengewoon belangrijk omdat de economische effecten de enige legale route is om te komen tot fasering van de maatregelen (derogatie).

Wat ronduit verontrustend is, is het gegeven dat het bedrijfsleven ontbreekt in het landelijk bestuurlijk overleg (LBOW), waarin betrokken zijn V&W, UvW, IPO en VNG.

Binnen de waterschappen gaat men er van uit dat de meeste verplichtingen, voortkomend uit de KRW, inspanningsverplichtingen zijn. Ondergetekende vreest dat men zich daarin vergist.

Nederland kent ten aanzien van (mede)overheden een gedoogcultuur. Europa kent een naar- de-letter-van-de-Wet handhavingscultuur. Nederland is recent reeds door de EC gedaagd voor het Europese Hof van Justitie wegens het niet (tijdig) omzetten van de KRW in wetgeving.

Gezien de aard van de KRW en de scherpe eisen zou het kunnen zijn dat de overheden wederom kiezen voor de voor hen makkelijkste weg: eisen stellen aan de puntemissies in plaats van bijvoorbeeld de diffuse bronnen. Kortom, zowel uit kostenoogpunt en bedrijfsvoeringmogelijkheden is vooral het industriële vestigingsklimaat hier bedreigd.

Kamers en benoemende organisaties zouden alles in het werk moeten stellen om bij het overleg over de implementatie van de KRW, zowel op landelijk als regionaal niveau, betrokken te worden. Hier zal, buiten oog voor de financiële zaken, ook een technische inbreng van belang zijn. Nu reeds is het belangrijk dat de Kamers in een stroomgebied (Schelde, Maas, Rijn, Eems) gezamenlijk optrekken. Dit betekent voor de Kamers in mijn waterschappelijk werkgebied:

– Zeeland en West-Brabant in het stroomgebied van de Schelde

– o.a. West en Midden-Brabant en Rotterdam in het stroomgebied van de Maas

– o.a. Rotterdam, Rivierenland en Centraal Gelderland in het stroomgebied van de Rijn

Samenwerking om te komen tot deelname in de stroomgebiedoverleggen is noodzakelijk, zodat vooral de economische effect rapportage in de stroomgebiedsplannen worden betrokken en mede overwogen.

Gaarne tot nadere informatie bereid,

hoogachtend,

L.H. van der Kallen

o.a. lid AV Waterschap Zeeuwse Eilanden

lid AV Waterschap Rivierenland

lid AV Waterschap Brabantse Delta