WATER IN BEELD – 0041

 


 

Bergen op Zoom, 29 september 2008

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Recent hebben de leden van het Algemeen Bestuur de voortgangsrapportage over het waterbeheer in Nederland 2008 “Water in Beeld” mogen ontvangen. Naar aanleiding van dit stuk heeft ondergetekende enkele vragen.

Op pagina 21, paragraaf 3.1.2 onder het kopje Ruimte voor de Rivier is het volgende citaat te vinden: “Ook voor de maatregel ‘berging Volkerak Zoommeer’ is nog in 2007 een overeenkomst gesloten.”

– Met wie heeft, naar ondergetekende veronderstelt, de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat een overeenkomst gesloten en is deze overeenkomst voor de leden van het Algemeen Bestuur beschikbaar?

 

Op pagina 24, paragraaf 3.1.10 onder het kopje “Regionale waterkeringen” is het volgende citaat te vinden: “Naast Utrecht hebben nu alleen Noord-Brabant en Limburg nog geen normen voor deze keringen vastgesteld.”

– In de Vierde nota waterhuishouding stond als actiepunt dat in 2006 door alle provincies in overleg met de waterschappen normen moesten zijn vastgesteld voor de regionale waterkeringen. Hoe is het mogelijk dat deze normen in Noord-Brabant niet binnen de gestelde termijn 2006 en zelfs niet in 2007 zijn vastgesteld?

– Is er over deze zaak overleg geweest met de provincie Noord-Brabant en wat was daarvan de inhoud?

– Zijn deze normen tot op heden wel vastgesteld?

– Zo niet. Is er een termijn vastgelegd voor de vaststelling?

– Heeft het waterschap stappen ondernomen om de vaststelling te bespoedigen?

– Zo ja. Welke?

– Zo nee. Waarom niet?

– Op basis van welke criteria, wordt/is bij gebrek aan vastgestelde normen bij de regionale waterkeringen getoetst of zij die veiligheid garanderen die vereist is?

Op pagina 30, paragraaf 4.1.3 onder het kopje “klimaatscenario’s in het waterbeheer” is het volgende citaat te vinden: “Op dit moment zijn er regelmatig watertekorten. Door klimaatverandering nemen die watertekorten de komende eeuw bovendien toe. Uit de analyse in het rapport ‘Investeringsruimte voor toekomstige droogte’ blijkt dat de toename in twee van de vier klimaatscenario’s aanzienlijk forser uitvalt dan in de WB21–scenario’s was aangenomen. De onzekerheid is nog te groot om nu al dure maatregelen te nemen om watertekorten tegen te gaan. De watertekorten lopen echter in twee van de vier scenario’s zodanig op, dat het verstandig is nu alvast te gaan verkennen welke maatregelen kunnen worden genomen als blijkt dat de drogere klimaatscenario’s doorzetten.”

– Is het Dagelijks Bestuur met ondergetekende van mening dat deze veranderende inzichten, inhoudende verslechterende vooruitzichten ten aanzien van de beschikbaarheid van voldoende zoet water, betrokken zouden moeten worden bij de afwegingen, te maken bij de besluitvorming (zoet/zout), over de toekomst van het Krammer/Volkerak/Zoommeer systeem?

In paragraaf 4.2.3 op de pagina’s 31 en 32 wordt geschreven over de waterakkoorden. Voor elf watersystemen heeft de landsregering waterakkoorden tussen de waterschappen en het Rijk verplicht. De paragraaf bevat een aantal teksten die vragen oproepen. O.a. : “Over de kwaliteit van alle waterakkoorden constateert de Inspectie Verkeer en Waterstaat dat heldere afspraken over de waterkwaliteit en over waterkwantiteit – tegen de achtergrond van de trits vasthouden-bergen-afvoeren – niet aan de orde komen.”

– Heeft het waterschap Brabantse Delta één of meerdere waterakkoorden gesloten met het Rijk?

– Zo ja. Welk watersysteem of welke watersystemen betreft het en zijn de akkoorden beschikbaar voor het Algemeen Bestuur en herkent het Dagelijks Bestuur zich in de in “Water in Beeld” vermelde tekst, die feitelijk stelt dat in de akkoorden geen heldere afspraken staan over de waterkwaliteit en waterkwantiteit?

In paragraaf 5.1.1.3 op pagina 42 is de volgende tekst te vinden: “Vooralsnog bestaat er weinig aandacht van gemeenten en waterschappen om naast hemelwater andersoortig verdund rioolvreemd water terug te dringen.”

– Lopen er binnen het werkgebied van het waterschap Brabantse Delta projecten of contacten met gemeenten om ‘andersoortig’ verdund rioolvreemd water terug te dringen?

– Zo ja, kan het Algemeen Bestuur daar een overzicht van ontvangen?

In afwachting van uw beantwoording,

Hoogachtend,

Namens Ons Water

L.H. van der Kallen

 


DELTA COMMISSIE – 0039

 


 

Bergen op Zoom, 15 september 2008

 

Aan de leden van het Algemeen Bestuur

van het Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

Geachte Collega’s,

De inkt van het op 25 juni j.l. ondertekende geactualiseerde “Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel” is bij wijze van spreken nog niet droog of de uit het originele stuk van 2 juli 2003 herbevestigde uitgangspunten lijken alweer door het Rijk overboord te worden gezet.

Voor mij was de presentatie van een representant van Rijkswaterstaat, die betrokken is bij het project/planstudie “waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer”, een ogenopener, die bij mij de waakzaamheid ten aanzien van de plannen van de zogenaamde hogere overheden op oorlogsterkte bracht. Om scherp te stellen: bij verzilting van het Volkerak-Zoommeer-systeem geen zekerheid inzake de levering van voldoende zoet water via o.a. de Roode Vaart en geen zekerheid dat het Rijk daarvan de kosten op zich neemt.

Wat zei het NBW daarover? Niet afwentelen! En in de bijlage op pagina 19 van “Het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel” is te lezen: “Het Rijk financiert de noodzakelijke maatregelen in het waterhuishoudkundige hoofdsysteem. De waterschappen financieren in beginsel de noodzakelijke maatregelen voor de regionale watersystemen. Indien de taakstelling voor het regionale systeem groter wordt als gevolg van maatregelen die het Rijk (in het hoofdsysteem) uitvoert, dan zal het Rijk de extra kosten voor het regionale systeem vergoeden”. Hier lijkt voor Ons Water geen woord Chinees bij! Indien de Rijksoverheid betrouwbaar is, kan er dus geen twijfel zijn wie, als het Volkerak/Zoommeer-systeem zout zou worden, voor de kosten opdraait voor de alternatieve zoetwatervoorziening. Of denkt het Rijk er mee weg te komen middels artikel 21 van het NBW-actueel: “Dit NBW is niet in rechte afdwingbaar”.

Voor ondergetekende rijst dan de vraag dat – indien het Rijk de handtekening van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, mevrouw Huizinga-Heringa, niet meer serieus neemt – het opzeggen van dit NBW-actueel voor het waterschap Brabantse Delta een optie zou moeten zijn.

In de recent verschenen Bevindingen van de Deltacommissie: “Samen werken met water” wordt, als het gaat over alternatieve zoetwateraanvoer, de opmerking gemaakt (o.a. bij aanbeveling 8 die gaat over de Zuidwestelijke delta; Krammer-Volkerak Zoommeer): “Dit water mag voor de afnemers wel een reële prijs hebben.”

Dit is voor Ons Water één van de opvallende aanbevelingen in de ‘bevindingen’ van de Deltacommissie. Maar er zijn er meer die verbazingwekkend zijn.

In artikel 2 van de regeling tot instelling van de commissie duurzame kustontwikkeling d.d. 7 september 2007 (de Deltacommissie) is aangegeven waarover de Deltacommissie geacht wordt te adviseren:

a. de te verwachten zeespiegelstijging, de wisselwerking tussen die stijging en de afvoer van de grote Nederlandse rivieren en andere klimatologische en maatschappelijke ontwikkelingen tot 2100-2200, die van belang zijn voor de Nederlandse kust;

b. de gevolgen van deze ontwikkelingen voor de Nederlandse kust;

c. mogelijke strategieën voor een samenhangende aanpak die leidt tot duurzame ontwikkeling van de Nederlandse kust, op basis van a) en b) en

d. daarbij voor deze strategieën aan te geven wat, naast de veiligheid voor het achterland, de maatschappelijke meerwaarde is voor de korte en lange termijn.

De Deltacommissie heeft artikel 2 op pagina 87 van haar ‘bevindingen’ als volgt vertaald:

“De Deltacommissie is door de regering gevraagd te adviseren hoe Nederland zo ingericht kan worden dat ons land ook op de zeer lange termijn veilig is tegen overstromingen en een aantrekkelijke plaats kan blijven om te leven. De commissie is daarbij gevraagd een bredere afweging te maken dan één die louter kijkt naar de gevolgen voor de veiligheid. Zij is ook gevraagd te onderzoeken waar synergie mogelijk is met andere maatschappelijke functies als wonen en werken, landbouw, natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en energie. De commissie ziet een zee van kansen om verschillende functies en belangen te combineren met de noodzakelijke aanpak van de waterveiligheid”. De kust is dus heel (laag) Nederland geworden.

Op pagina 88 van de ‘bevindingen’ stelt de Deltacommissie: “Waterveiligheid is voor heel Nederland van belang. Een veilige delta is een collectief maatschappelijk belang waarvoor de overheid verantwoordelijkheid neemt en blijft nemen. Vanuit dat collectief maatschappelijk belang wordt het solidariteitsbeginsel gehanteerd: iedereen draagt financieel bij aan de waterveiligheid want iedereen heeft nu en in de toekomst belang bij een veilig Nederland.”

In dit kader is het van belang wat de Deltacommissie zelf als definitie hanteert als het om ‘waterveiligheid’ gaat. Het antwoord op deze vraag is te vinden op pagina 9 van de ‘bevindingen’: “In het advies speelt ‘waterveiligheid’ een cruciale rol. Hierbij gaat het om de bescherming tegen overstromingen en het veiligstellen van de zoetwatervoorziening.”

Het voorgaande is van belang om tot een beoordeling te komen van de aanbevelingen van de Deltacommissie in relatie met o.a. wie wat dient te betalen.

Bij de ‘bevindingen’ lijkt de Randstad het gebied te zijn waarover het gaat en niet zoals de Deltacommissie het zelf stelt: Nederland.

Als er over de zoetwater behoefte van West-Nederland (de Randstad) gesproken wordt dan wordt er niet verwezen naar: ”Dit water mag voor de afnemers wel een reële prijs hebben.”

Dan valt de zoetwatervoorziening onder de definitie van ‘waterveiligheid’ (pagina 9)!

De ‘zorg’ voor West-Nederland gaat ver en ten koste van anderen. De peilverhoging van maximaal 1,5 meter op het IJsselmeer is ten behoeve van de zoetwatervoorziening van West-Nederland. Maar het peil van het Markermeer blijft ongewijzigd, dit om de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam en Almere veilig te stellen. De door peilverhoging optredende onmogelijkheden van de stedelijke ontwikkeling van Kampen en plaatsen aan het IJsselmeer doen er klaarblijkelijk niet toe.

Keer op keer wordt duidelijk gemaakt: “De extreme afvoeren van de Rijn en Maas moeten dan via de Zuidwestelijke delta worden afgevoerd”. Dat klinkt in eerste instantie logisch. Maar als je er even over nadenkt, komt al gauw de gedachte op: waarom niet ook via de Haringvlietsluizen? Het antwoord is o.a. te vinden op pagina 66 de zoetwateraanvoer via het Spui van Voorne-Putten en de Hoeksewaard. Maar wat nog meer verbaast is de wens om bij hoge rivierafvoeren het hele Rijnmondgebied af te kunnen sluiten (variant ‘afsluitbaar open’), met als voordelen: ‘nieuwe perspectieven voor hoogwaardige gebiedsontwikkeling en mogelijkheden voor stadsfrontontwikkelingen met aantrekkelijke woonmilieus en natuur in de buitendijkse gebieden’. Wat een dergelijke variant betekent voor de gebiedsontwikkelings-mogelijkheden voor de Zuidelijke delta wordt niet in beeld gebracht. Noch de dan optredende afvoerproblemen in het werkgebied van de Brabantse Delta. Nu wordt ons die zogenoemde 2 meter in het kader van Ruimte voor de Rivier verkocht als een kans van eens in de 1400 jaar. Als het scenario van 130 centimeter uit zou komen, gaat de Randstad tot 7 maal per jaar ‘op slot’. Dan ziet die kansberekening van éénmaal per 1400 jaar er heel anders uit.

Helder blijkt de keuze voor West-Nederland als er te weinig zoet water is. Het water is dan nodig om de zoetwaterinlaatpunten voor de Randstad veilig te stellen. Als er echter te veel is, komt het onze richting uit.

Dat (toekomstige) tekorten aan zoetwater vaker op zullen gaan treden, erkent de Deltacommissie: “In het ‘extreemste’ KNMI-scenario kan er rond de volgende eeuwwisseling in een gemiddeld jaar een watertekort ontstaan vergelijkbaar met het tekort in het droogste jaar tot op heden, 1976.” Het KNMI-scenario uit 2006 geeft een vermindering van de gemiddelde Rijnafvoer in de zomer van 1700 m3/s naar 700 m3/s in 2100 aan. Juist met dat vooruitzicht is een zorgvuldig omgaan met het nu beschikbare zoete water van eminent belang. Een eerlijke waterverdeling, vastgelegd in waterakkoorden, is dan ook naar de mening van Ons Water geboden.

Ook de Nota van Antwoord van inspraak op de aanvullende startnotitie waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer bevat een interessante bemerking als het gaat over de risico’s van verzilting. Op pagina 4 is te vinden: “De achterwaartse verzilting van november 2005 toont aan dat onder de huidige omstandigheden, dus nog zonder een zout Volkerak-Zoommeer, problemen ontstaan ten aanzien van de beschikbaarheid van oppervlaktewater ten behoeve van landbouw-, drink- en proceswater. Naar verwachting zal deze achterwaartse verzilting ten gevolge van de klimaatverandering in de toekomst vaker kunnen optreden.” Een bevestiging dat de inlaat van (voldoende) zoetwater via de Roode Vaart niet bedrijfszeker is.

Tot slot enkele stellingen van de Deltacommissie:

– “De kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag of de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan profiteren.” (o.a. pagina 51)

Voor Ons Water is het omgekeerde dan ook geldig: De kosten als gevolg van bovenlokale- of rijksbesluiten moeten niet op een andere bestuurslaag worden afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan profiteren, ook als dat in een ander deel van Nederland is.

– “ook voor het Krammer-Volkerak Zoommeer zijn op de lange termijn alle beslissingen omkeerbaar.” (pagina 95)

Hoezo zout een duurzame oplossing!!!!!

Ons Water verzoekt alle categorieën bovenstaande bemerkingen van Ons Water te betrekken bij de fractievergaderingen zowel ten aanzien van het debat over het Rapport van de Deltacommissie als bij de behandeling van de standpuntbepaling van het waterschap inzake de Planstudie Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer.

Hier past duidelijke stellingnames:

– Geen afwenteling van problemen of kosten op ons gebied, onze inwoners, gemeenten of bedrijven.

– Als er voor andere gebieden kansen worden geschapen (zoals de variant ‘afsluitbaar open’), dan kan noch mag dat ten koste gaan van de kansen en ontwikkelingen in ons werkgebied.

– Nederland is meer dan de Randstad. De tijd van wingewesten ligt al meer dan 200 jaar achter ons.

– Als de zoetwatervoorziening voor de Randstad valt onder het begrip ‘waterveiligheid’, dan geldt dat ook voor de andere gebieden in Nederland.

– Als er gekeken wordt naar synergie van eventuele maatregelen dient er niet alleen naar synergieën voor de Randstad gekeken te worden, maar ook naar die voor andere gebieden.

– Als de kosten voor lokale besluiten niet afgewenteld mogen worden op andere bestuurslagen, dan ook niet de kosten veroorzaakt door bovenlokale of rijksbeslissingen.

– Er dient een pondspondsgewijze verdeling te komen van zoetwater in geval van schaarste en dit dient vastgelegd te worden in waterakkoorden, die dienen in rechten afdwingbaar te zijn. Dus geen vrijblijvende overeenkomsten zoals het Nationaal Bestuursakkoord Water dat met artikel 21 van dat ‘akkoord’ als puntje bij paaltje komt van nul en generlei waarde is.

In afwachting van het debat op 1 oktober.

Met vriendelijke groet,

namens Ons Water

Louis van der Kallen

 


BEGROTINGSVERGELIJKING 2005 – 0010

 


 

Bergen op Zoom, 1 augustus 2005

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Zeeuwse Eilanden

per e-mail

 

Geacht Bestuur,

Recent is verschenen de begrotingsvergelijking 2005 “beleidsambities en lastendruk vergeleken” van de Vereniging van Directeuren van Waterschappen.

Het doet mij deugd dat ons waterschap er niet slecht uitkomt. Er blijven echter altijd een aantal verbeteringen mogelijk c.q. vragen te beantwoorden.

Pagina 20, tabel 7/pagina 27 tabel 13

Bij vrijwel alle beleidsthema’s scoort WZE boven gemiddeld, op het thema grondwater-problematiek na, waar wij tot de achterhoede horen.

Uit tabel 13 blijkt dat er geen sprake is van een actieve samenwerking met gemeenten bij het stedelijk grondwater.

VRAGEN

1. Er is wel degelijk sprake van een stedelijk grondwaterprobleem. Wat zijn de motieven om af te zien van een actieve rol bij de aanpak van de grondwaterproblematiek?

2. De meeste andere waterschappen zien de samenhang tussen oppervlakte water en de grondwaterproblematiek en dringen bij de provincies aan op een waterschappelijke rol in deze. Waarom heeft WZE op dit punt niet aangedrongen op de overdracht van provinciale bevoegdheden?

3. Uit tabel 10 blijkt dat ten aanzien van watertekort er per eind 2005 geen calamiteitencommissie zal zijn bij WZE. Tevens blijkt uit deze tabel dat het “percentage landelijk gebied waarvan GGOR opgesteld” nul bedraagt. Binnen het kader van het Nationaal Bestuursaccoord Water (NBW) is dit alles wel geboden. Waarom blijft WZE hier achter?

Pagina 28, tabel 14

Hier is een compliment op zijn plaats. WZE is koploper ten aanzien van het percentage gemeenten waarmee optimalisatiestudies afvalwaterketen (OAS-studies) zijn uitgevoerd.

Een minpunt hier lijkt het feit dat men op ‘plannen anders dan bestemmingsplannen’slechts op ad-hoc-basis een watertoets loslaat.

VRAAG

4. Wat zijn de criteria voor ad-hoc?

Pagina 30, grafiek 1

In de kosten van planvorming als percentage van de totale kosten voor waterkering, waterkwaliteit, waterkwantiteit, wegenbeheer en vaarwegenbeheer is WZE een negatieve uitschieter met meer dan 14 % bij een mediaan van ca. 4 %.

VERZOEK

Het komt mij voor dat een grondige analyse hier op zijn plaats is. Ondergetekende verzoekt Uw DB een dergelijke analyse uit te voeren en terug te koppelen naar de commissie financiën.

Pagina 32

Uit tabel 15 blijkt dat het percentage primaire keringen dat eind 2005 voldoet aan de veiligheidseisen slechts 60 % is.

VRAAG

5. Is dit juist? Wat mankeert er aan? Welke keringen betreft het en welke acties lopen er om hier verbetering te bekomen?

Pagina 38

Uit tabel 18 blijkt dat wij als enig waterschap ruim gaan voldoen aan de realisatie eisen van natte ecologische verbindingszones! Een groen compliment waard!

Pagina 40

Uit tabel 19 blijkt dat slechts voor 15 % van het WZE areaal een conserverend peilbeheer gevoerd is.

VERZOEK

Kan in deze het beleid eens worden toegelicht?

Pagina 41

Wederom een compliment. Als één van de weinige waterschappen scoren wij 100 % als het gaat om het aantal gemeenten met een stedelijk baggerplan in het kader van het tienjarenscenario. Een optimaal resultaat om subsidies binnen te halen.

Pagina 45/46

Met groene vreugde gelezen onder het kopje ‘percentage fosfaatverwijdering middels biologische wijze’: “Uitschieters naar boven liggen rond de 90 % of nog hoger, waarbij Zeeuwse Eilanden de kroon spant met 100 %. Dit betekent dat er geen chemicaliën behoeven te worden ingezet voor het defosfateringsproces, hetgeen een milieuvoordeel oplevert”.

Je zou bijna denken dat al die groene complimenten komen omdat we een actieve groene fractie hebben.

Naar aanleiding van het hoofdstuk ‘vergunningverlening en handhaving keur’

VRAAG

6. Hoe staat het met de digitalisering van het proces van een keurvergunningsaanvraag en verlening? Bijvoorbeeld aanvraagformulier en indiening via internet.

Een drietal waterschappen hebben in de keur voorschriften opgenomen voor natuurlijkvriendelijk onderhoud. Mogelijk ook iets voor WZE om bij de eerstvolgende keuraanpassing mee te nemen.

Pagina 58

Tabel 26 laat zien dat WZE het slechtste scoort op het gebied van het percentage lozingen voorzien van een adequate vergunning en ook het gebruik van beoordelingsmethodieken bij een vergunningsaanvraag is bij ons erg laag.

VRAAG

7. Zijn de vermelde cijfers juist? Zo ja, wat zijn dan de inspanningen c.q. planning om aan deze onwenselijke situatie een eind te maken?

Pagina 60

“Rivierenland, Rijnland en Zeeuwse Eilanden gebruiken blijkbaar in alle gevallen het vergunningsinstrument (want er wordt ook niet passief gedoogd)”.

VRAAG

8. Het vorenstaande lijkt in strijd met de ’51 % adequate vergunningen’ in tabel 26. Is het gestelde in het citaat van pagina 60 juist?

Pagina 66

Grafiek 10 laat zien dat de kosten per aanslagregel bij WZE veruit de hoogste zijn van alle waterschappen, ruim € 12, terwijl de mediaan ruim € 5 is.

VERZOEK

Dit vereist een analyse naar de opbouw van deze invorderingskosten en naar de mogelijkheden tot bezuinigingen. Ondergetekende verzoekt Uw DB deze acties te ondernemen en daarvan verslag uit te brengen aan de commissie financiën.

Pagina 68, 72 en 74

Tabel 28 (beleidsaspecten bestuur) en tabel 32 (beleidsaspecten externe communicatie) laten zien dat die aspecten uitstekend geregeld zijn en ook nog, zo blijkt uit grafiek 11, tegen de laagste kosten! Wederom een compliment waard.

Pagina 75/83, hoofdstuk 16

‘De ontwikkeling kosten en belastingopbrengsten 2005-2009’ roepen een aantal vragen op.

taakontwikkeling kostenontwikkeling opbrengsten
waterkering– 8 %– 1 %
waterkwantiteit+ 18 %+ 22 %
waterkwaliteit+ 12 %+ 15 %
wegenbeheer– 12 %– 6 %

Uit vorenstaande kosten- en opbrengstontwikkelingen over de periode 2005-2006 mag geconcludeerd worden dat er ruimte zit in de tariefsprognoses en dat deze mogelijk neerwaarts bijgesteld kunnen worden!

De voorziene kostenontwikkeling voor de waterkeringstaak lijkt in tegenspraak met de constatering uit tabel 15 (pagina 32) dat het aantal primaire keringen dat aan de veiligheidseisen voldoet slechts 60 % is.

Uw reacties tegemoet ziende,

met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen