De hoogste vloed (1570)?


In de waterschapkringen waarin ik mij een groot deel van mijn leven heeft bevonden heerst het denken dat 1953 de norm heeft gesteld als het gaat over de hoogste waterstanden die in de Nederlanden waternoden hebben veroorzaakt.
Ik zelf denk dat zonder 1953 en haar gevolgen te willen bagatelliseren 1570 erger/hoger was.

De Allerheiligenvloed van 1570 bracht in Scheveningen (in een oud kerkje) het water hoger (circa 25 centimeter) dan in 1953. Ook in mijn eigen Bergen op Zoom was het super hoge water en de krachtige stormwind opgevallen gezien een vermelding in de notulen van de Domeinraad op 1 november 1570. “aenmerckende dat die groote stromen van winde ghisteren begonst een waarschuwing voor ‘seer uytnemende hooghe vloet’ gezonden aan de watermolen en aan de dijkgraven.”

Ook de getuigenis van een Antwerpse ooggetuige is zelfs heden ten dage beangstigend:

“Wy mogen te recht met Jeremiam spreken
De doot is tot onseren vensteren ingespronghen
Hutten, huysen, sloten sach men d’water breken
Nau sluys oft zyl die ’t wel heeft bedwongen.

Den noerdtwesten wint heeft ’s nachts doergedrongen,
Dat hy duysenten op ’t bedde verrascht heeft metter doot.

Is ’t wel uyt te spreken met eenighe tonghen,
Hoe deerlycken de levende naeckt en bloot, ‘
Riepen: ‘Redde, redde, help, help in waters noot
Och dit gescreye dueree desen duysteren nacht.

Daer saten de huysen op het hooge sandt,
Den huysraet dreef om haer, ’t volck was gebleven.

Hoybergen, stroyscelven men vondt gedreven
Aen moerten, geestlanden en hooge heyden:
Hier saten de naeckte liedekens beneven,
Die de handen wrongen en haer verlies bescreyden.

Dat woert, dat ons den propheet te voeren spelde
Wy levende met ons ooghen sagen,
Namelyck dat de doode lichaemen op den velde
Als verstroyt mes op den velde verdroncken lagen.

Hoe ellendich hingen sy aen heggen en haghen,
Met cuskens, lakens en bedden doer nadt,
Hier lagen raderen, daer ploech en waghen,
Hier een tonne bier, daer ene botervadt.

Wat lagen daer kisten, daer uyt was den scat
Met scoone cleederen, die d’water sceynde.

Runderen, peerden, coeyen uyt weyden en stallen,
Ossen en vette swynen met hoopen
Sach men ligghen aen de hoochten der wallen.

Het was oock aen te sien seer deerlyck
Als sommige vroukens lagen aen den strande,
Die om haer kints levens waeren so begeerlyck
Dat sy haer lyf lieten daervoer te pande;
Met het aensicht lagen sy gedruckt in den sande
In haer bestorven handen het doode kint lach.

Andere sach men oock sitten op den dyck
Met de doode kinderkens op den scoot,
sy wieschen deselfde van modder en slyck:
Het clagen en weenen was daer groot.”

Ter nagedachtenis aan deze ramp werd te Scheveningen een bord geschilderd met de tekst:

In Tiaar Van Tseventich Ende Vyftien Hondert,
Ghebevrdet Hier Tschevelinge Op Alder Heyligen Dach,
Tzee Water Liep In Dese Kerck Elcx Ver Wondert,
Drie Voet ende 2 Duym Hooch Alsmen Doen Sach,
Oock Mede Anden Hoogen Outaar, Hoort Dit Gewach,
Ende Inde Sacristy en Kercken Comptoor, Mit List,
Omme Werpende Met Des Waters Geslach,
Eenen Grooten Swaeren Ysseren Kist;
Men Heefter Wel Hondert en 28 Huysen Gemist,
Ende Weynich Synder Ongeschent Gebleven; Die Schepen Waren Doort Dorp Gedreeven,
Doende Groote Scade; Elck Maect Daerop Mentie,
Drie menschen verdroncken, Gelaten Het Leven,
Dus Hier Grooten Druck Beneven;
Waer Om Het geschiede Laet Ick Godt Die sententie.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Reacties zijn gesloten.