Bedijkingen door de eeuwen heen


In de middeleeuwen waren bedijkingen overwegend defensief. Men damde riviertjes zoals de Amstel, de Rekere, de Rotte en de Ee af. Inpolderingen waren zeldzaam en kleinschalig. Inpolderingen zoals die van de Middelzee in Friesland namen soms, mede door dichtslibbing, wel vier eeuwen in beslag.

Na 1500 kwam daar verandering in. Zo werd de monding van de oorspronkelijke Middelzee afgedamd met de Bildtpolders, inclusief de oprichting van drie dorpen, genoemd naar de stichters: Kijfhoek, Altoenae en Wijngaarden (1508). Deze kregen al snel de namen van patroonheiligen: Onze Lieve Vrouweparochie (Vrouwenparochie), Sint-Annaparochie en Sint-Jacobiparochie. Circa honderd jaar later kwam het Nieuwe Bildt tot stand en werd de dijk uit 1505 een slaperdijk.

In 1598 werd in Zeeland het in 1530/32 door de zee verzwolgen Noord-Beveland herwonnen en in 1597 werd het Zijpe, ten noorden van Alkmaar, bedijkt.

In de zestiende eeuw werd echt een start gemaakt met het (her)winnen van land op de zee. Nu zitten we weer in een defensieve fase. De vraag is of dat, in de verdediging tegen de ‘waterwolf’, de juiste tactiek is?

Zeespiegelstijging


De laatste decennia kom je de term ‘zeespiegelstijging’ vaak tegen in de media, vaak in relatie tot de klimaatverandering. De discussie lijkt nieuw. Maar is dat wel zo?

In 1754/55 verschijnt van de hand van Johannes Lulofs het boekwerk Aanmerkingen over het Rijzen der zee en het Zinken der Landen aan de Nederlandse kusten. Hij werd in 1754 benoemd tot de eerste inspecteur-generaal van de Nederlandse rivieren en probeerde de goegemeente het nodige over waterbeheer bij te brengen, onder andere met het boekwerk Grond-beginselen der wynroey- en peil-kunde, ten dienste der landgenooten.

In de functie van inspecteur-generaal van de Nederlandse kusten stortte hij zich, met de kennis van toen, in het debat. Zie onderstaand citaat:

“De bewyzen, die ik boven uit de vergelykinge van oude en nieuwere waterpassingen heb bygebragt; als mede de redeneeringen, die ik heb voorgesteld, toonen op een onwederspreekelyke wyze aan, dat ‘er zedert veele jaren, ja zedert eenige eeuwen zulke groote veranderingen niet kunnen zyn voorgevallen, in de hoogte de Zee, als deeze Schryver zig verbeeldt.”

Een idee uit 1791.


In mei 1797 publiceert de Letterbode een ‘Berigt wegens de beveiliging der Zeestranden van Delfland tot de Hondsbossche, door middel van Rys- en Steenen-Hoofden’. Steeds gingen er zeeduinen verloren en werd het strand steeds lager en smaller.

Nadat van alles was geprobeerd, ging Delfland na een storm in 1791 over tot het aanleggen van acht stenen hoofden. Het was een idee en ontwerp van Inspecteur-Generaal Christiaan Brunings. Men merkte alras dat het strand hoger en breder werd. In 1796 volgde men hetzelfde principe bij de Hondsbossche Zeewering.

In 1797 moest men constateren dat de hoofden de stormen goed hadden doorstaan en dat het idee navolging verdiende. Ook toen vernieuwden, ontwikkelden en innoveerden de Nederlandse werkers en dijkenbouwers voor een veiliger Nederland.

Groningen en veilig


Als bewoner van het mooie Groningse land denken we anno 2025 dat we altijd veilig zijn. Als Nederlanders denken we bij watersnood vooral aan 1953. Maar die ramp voltrok zich ver van een Gronings bed, vooral in Zeeland, West-Brabant en Zuid-Holland.

Daarom dit stukje, om het geheugen van de Groningers en alle Nederlanders eens op te frissen. De Sint-Maartensvloed van november 1686 benam meer Groningers het leven dan de watersnoodramp van 1953 bewoners van Zuidwest-Nederland.

De zee viel het Groningse land vanuit alle denkbare richtingen aan. Kijk maar eens naar de doorbraken op het bijgevoegde kaartje en naar de officiële verliescijfers in de bijgevoegde tabel.

Het is goed ons te allen tijde bewust te zijn van wat ons bedreigt en van het belang van veilige dijken.

1825 was een rampjaar voor Friesland.


Vanuit wat nu de Waddenzee heet en vanuit de Zuiderzee werd een groot deel van Friesland door een zware storm onder water gezet (blauw op de bijgevoegde kaart).

Deze overstroming leidde in de zomer van 1826 tot een malaria-uitbraak. Het brakke water dat achterbleef op het land bleek een ideale broedplaats voor de muggen die malaria verspreiden.

Het is goed ons te allen tijde bewust te zijn van wat ons bedreigt en van het belang van veilige dijken.

Er is meer dan de eigen achtertuin.


In de recente commissie Waterveiligheid en Vaarwegen van het waterschap Brabantse Delta stond de handreiking Vaarwegen West-Brabant op de agenda. Vaarwegen hebben bij mij, als waterschapsbestuurder, een hoge prioriteit. Waarom? Omdat de vaarwegen in Noord-Brabant, en die in West-Brabant zeker, qua functionaliteit niet up-to-date zijn!

Het maken van plannen tot vernieuwing en aanpassing is na de jaren vijftig van de vorige eeuw opgehouden. In de jaren tachtig was de laatste aanpassing, de aanleg van het Mark-Vlietkanaal, gereedgekomen. Sinds die tijd zijn de vrachtschepen groter en breder geworden. Juist nu hebben we meer behoefte aan vrachtvervoer over water, omdat het per eenheid goedkoper is en met minder brandstof kan. Juist nu is er ook behoefte om gevaarlijke stoffen niet, of veel minder, over het spoor door steden en dorpen te vervoeren.

Kortom, de toekomst verlangt een andere blik en zelfs een visie op de toekomst van de vaarwegen.

De handreiking Vaarwegen West-Brabant is niet meer dan een onderzoekje naar de huidige vaarwegen die in beheer zijn van de provincie en het waterschap. Zelfs die van de gemeenten zijn niet meegenomen. Dat blijkt ook uit de ‘meegegeven’ kaders en ‘lijstjes’ die de onderzoekers uitwerken.

Niets bekijken van het geheel aan wateren. Niet nadenken over mogelijk nieuwe verbindingen. De grenzen zijn hard. Geen groter bereik dan Noord-Brabant. Geen onderzoek naar verbindingen van en naar onze zuiderburen in België.

Voor mij, als fractievoorzitter van Ons Water, reden om de portefeuillehouder een boekje cadeau te doen. In 1952 uitgegeven door het Nederlands Comité Waterwegen: Het Nederlands-Belgische waterwegenvraagstuk.

In die tijd was er in Nederland aandacht voor de (weder)opbouw van onze infrastructuur. Nu zouden we aandacht moeten hebben voor de omschakeling naar meer duurzaam transport, wat de toekomst van ons eist.

Maar politici zijn afgeleerd te kijken naar de lange termijn. Alleen hun (her)verkiezing schijnt van belang te zijn. En de kiezer heeft afgeleerd om verder te kijken dan de inhoud van zijn portemonnee vandaag en misschien nog die van morgen! Termijnen van decennia ver lijken er niet meer toe te doen.

De inhoud van het boekje is verouderd, maar het besef dat we, als het over waterwegen gaat, ruimer moeten denken dan onze ‘achtertuin’, straalt de titel nog wel uit. Hopelijk komt dat besef ooit weer op bij de dames en heren politici.

Na ons de zond(e)vloed?


We kunnen mondiaal het tij keren. Dat is gebleken toen we mondiaal maatregelen namen tegen de uitstoot en het gebruik van CFK’s (chloorfluorkoolwaterstoffen) in onder andere spuitbussen. Het ozongat herstelde zich! Het Montrealprotocol (1987) werkte!

De mondiale aanpak van de zure regen begint te werken. We pakten de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden en ammoniak aan. De Europese richtlijnen voor een betere luchtkwaliteit lijken ook tot schonere lucht te leiden. De lucht is vaker echt blauw, hoewel de zeventiende-eeuwse blauwe luchten van de schilder Johannes Vermeer er nog niet echt zijn. Maar misschien waren die blauwe luchten wel zijn verzinsels.

De rivieren die in de jaren zestig sterk vervuild waren, zijn schoner geworden. En keerde de zalm er terug. Maar ook de ooit ‘schön und blau’ genoemde Donau uit de dagen van Johann Strauss is er nog niet. Of misschien bestond die ook alleen in zijn gedachten.

Kom, laten we gezamenlijk ook in 2026 aan het werk blijven om de wereld te herstellen en te verbeteren! Ook de klimaatverandering is aan te pakken als we echt met zijn allen mondiaal de schouders eronder zetten!!!!!!

Extreme regenval


Naar aanleiding van het artikel “Moeten er zandzakken voor de deur in West-Brabant?” in BN DeStem van 8 november 2025 van Sjoerd Marcelissen.

Op 15 juni 1737 viel er in Utrecht in één uur 3 duim regen. Nu zouden we zeggen: ruim 75 mm. Volgens de KNMI-modellen is de kans daarop tegenwoordig eens in de honderd jaar.

Extremen zijn van alle tijden. Wel is het zo dat het klimaat geleidelijk verandert en de kans op een extreme bui toeneemt. En ja, dat kan in zo’n geval wateroverlast geven. Het bijgaande plaatje laat zien dat ook de gemiddelde jaarlijkse neerslag geleidelijk toeneemt.

Het is goed daarmee rekening te houden bij gemeentelijke uitbreidingsplannen en ‘water en bodem’ sturend te laten zijn. Dat is nu te vaak niet het geval en dat leidt ertoe dat burgers bij een extreme bui meer wateroverlast kunnen ervaren.

Een goed advies is: als je een huis wilt kopen of huren, kijk dan naar de relatieve hoogteligging ten opzichte van de omgeving. Want water stroomt, als het niet meer past in de riolering, naar het laagste punt in de omgeving.

De ramp van januari 1809


1809 was een rampjaar voor vrijwel het hele gebied van wat nu Waterschap Rivierenland heet (zie bijgevoegde afbeelding).

Het aantal slachtoffers varieert, afhankelijk van de geraadpleegde bronnen, van 260 tot 275. De schade was enorm en bracht circa 100.000 mensen tot dakloosheid. De meeste doden waren te betreuren in de Betuwe (circa 120), vooral in Beusichem, Zoelmond, Buurmalsen en Tricht, Zoelen (19), Rhenoy (16), Erichem (15) en Maurik (12).

In de Tielerwaard vielen circa 107 slachtoffers, van wie 23 in Neerijnen, 17 in Geldermalsen, 17 in Leuven onder Vuren, 12 in Meteren, 11 in Wadenoijen en enkele in Drumpt. In Heukelum (Vijfheerenlanden) vielen 17 doden. Ook grootvee werd vaak slachtoffer: naar schatting tussen de 2.000 en 3.000 dieren.

Het is goed ons te allen tijde bewust te zijn van wat ons bedreigt en van het belang van veilige dijken.

1675 was een rampjaar voor West-Friesland.


Vanuit wat nu het IJsselmeer heet en toen de Zuiderzee was, werd een groot deel van West-Friesland door een zware storm onder water gezet. De fatale dijkdoorbraak was bij Scharwoude, waarna het water op 4 en 5 november vrijwel het gehele Omringdijkgebied blank zette. Ook delen van Waterland en Amsterdam kwamen onder water te staan, waarbij veel pakhuizen vol met koloniale waren onderliepen.

Het is goed ons te allen tijde bewust te zijn van wat ons bedreigt en van het belang van veilige dijken.