Het Zee-onzijdigheid verdrag van 1907


Het Zee-onzijdigheid verdrag van 1907, beter bekend als de Dertiende Haagse Conventie, is een internationaal verdrag dat de rechten en plichten vastlegt van neutrale staten en oorlogvoerende partijen tijdens maritieme conflicten. Het werd afgesloten tijdens de Tweede Haagse Vredesconferentie en trad in werking in 1910.

Zouden de USA, Iran, Israël en Oman weten van het bestaan van de Dertiende Haagse Conventie van 1907? Het is een van de belangrijkste pijlers van het moderne humanitair oorlogsrecht. Het verdrag is op 18 oktober 1907 in Den Haag ondertekend door de gevolmachtigden van maar liefst 44 deelnemende landen en rijken tijdens de Tweede Haagse Vredesconferentie.

Belangrijke handtekeningen die toen zijn geplaatst, waren afkomstig van grote mogendheden, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, de Verenigde Staten, Frankrijk, Rusland en Nederland (toen nog ‘groot’ vanwege de kolonie Nederlands-Indië).

Kunnen we Trump, Netanyahu en de regeringsleiders van Iran en Oman niet even een kopietje sturen? Of zaten hun geesten alvast afgedaald uit het ‘hiervoormaals’ al op de het balkon tijdens de Dertiende Haagse Conventie?

The Convention on the Neutrality of the Sea of 1907, better known as the Thirteenth Hague Convention, is an international treaty that establishes the rights and obligations of neutral states and belligerent parties during maritime conflicts. It was concluded during the Second Hague Peace Conference and entered into force in 1910.

Would the USA, Iran, Israel, and Oman know of the existence of the Thirteenth Hague Convention of 1907? It is one of the most important pillars of modern humanitarian international law. The treaty was signed in The Hague on October 18, 1907, by the plenipotentiaries of no fewer than 44 participating countries and empires during the Second Hague Peace Conference. Important signatures placed at the time came from major powers, including the United Kingdom, Germany, the United States, France, Russia, and the Netherlands (then still ‘great’ due to the colony of the Dutch East Indies).

Can’t we just send a copy to Trump, Netanyahu, and the government leaders of Iran and Oman? Or were spirits already sitting on the balcony during the Thirteenth Hague Convention, having already descended from the ‘pre-existence’?

De Limburgse over stroming kerstmis 1993


Omstreeks een vijfde van de provincie was ondergelopen! Veel huizen stonden in het water! Circa 8000 mensen werden geëvacueerd! De schade bedroeg ruim 250 miljoen gulden! Formeel is was geen overstroming. Maar wateroverlast. Omdat er geen primaire dijken waren doorgebroken maar slechts wat secundaire dijken waren overstroomd.

Er is veel gebouwd op plekken die niet beschermd zijn. Zoals woningen, bedrijfspanden, industrieën, zelfs een rioolwaterzuiveringsinstallatie en een ziekenhuis. En een woonwijk zoals Den Ekkert bij Herten, dat circa 2 meter onder de norm ligt en dus blank stond.

Allemaal het gevoel van ‘zorgeloosheid’ of onkunde van de gekozen bestuurders. De Limburgers wilden gewoon geld en hun schade vergoed! Ze waren de waterproblemen zat.

Als gevolg van de wateroverlast 1993 publiceerde de Commissie Boertien 1994 “Onderzoek watersnood Maas”. Inclusief het voorstel de Maas over een lengte van 180 kilometer te verbreden, te verdiepen en 60 kilometer te bedijken en kades te bouwen.

Het is goed ons te allertijden bewust te zijn van wat ons bedreigd en het belang van veilige dijken.

Waterparadox 2


In het artikel “Waterparadox” was een aanbeveling van mij de waterschappen als aparte werkeenheden onder te brengen bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Met als hoofdargument dat huidige debatten in de waterschapbesturen steeds meer over geld lijken te gaan dan over de waterbelangen; veilige dijken en de zoetwatervoorzieningen voor boeren, burgers en bedrijven.

Sinds Thorbecke is er een sluipend proces aan de gang waar bij de zelfstandigheid van de waterschappen als functioneel bestuur systematisch is ondermijnd en het beleid is omgebogen naar dienstbaarheid aan de hogere overheden.

Ik probeer keer op keer te doorgronden waarom zaken gaan zoals ze gaan. Ik voelde mij in hart en nieren een waterschapbestuurder die zijn hele bestuurlijke leven in dienst heeft gesteld van des burgers waterbelangen. Om te begrijpen hoe zaken lopen is kennis van de geschiedenis, naar mijn gevoelen, onontbeerlijk. In dat kader heb ik mij recent geworsteld door het boek “Zelfbestuur of afhankelijke Decentralisatie”, in 1935 geschreven/samengevat door Dr. L. J. M. Beel (na 1945 minister van binnenlandse zaken en twee keer minsterpresident).

Het boek is een onderzoek naar het rechtskarakter der medewerking van provinciale-, gemeente- en waterschapbesturen tot uitvoering van regelingen van het hoger gezag en heeft het karakter van een proefschrift.

Geschreven in een tijd dat de drie-kringen-theorie of leer opgeld deed in de discussie over de verdeling van taken tussen de overheden. Volgens deze leer behartigt elke bestuurslaag zijn eigen typische taken en behoren overheden de autonomie van elkaars kring te respecteren.

Feitelijk behandelt het onderzoek wat er sinds de staatsregeling 1801, via de Grondwet 1814, Grondwet 1848 en de herziening van 1887 in dit kader is veranderd.

Feitelijk begon in 1801 met de staatsregeling de aantasting van het zelfbestuur van de waterschappen, gemeenten en de provincies. De staatsregeling was een begin van de Haagse bemoeizucht. Stap voorstap werden lagere overheden dienstbaar gemaakt aan de Landelijke overheid.

De waterschappen waren bij hun oprichting aanvankelijk puur zelfbestuur. Zeker met de herziening van 1887 maakte de zelfbestuur gedachte plaats voor een ook bij de Grondwet afhankelijke decentralisatie. Feitelijk werd een gedeeltelijke annexatie een volledige annexatie waarbij de samenwerking van een hogere en lagere overheid werd omgezet een gezagsverhouding waarbij de hogere overheid een gebiedende overheid werd. Wat feitelijk langzaam groeide verkreeg in 1887 een wettelijke basis.

Na het einde van Blija Buitendijks is in feite het laatste restant van de zelfsturende overheid in 2018 opgeruimd. Tijd om de relicten op te ruimen en de waterschappen als aparte werkeenheden onder te brengen bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Waterparadox


In bestuurlijke zin zijn waterschappen enorm veranderd. Toen in 1970 de waterschappen de zuivering/waterkwaliteitstaak erbij kregen waren waterschappen feitelijk ‘boerenrepublieken’ die op weinig aandacht van anderen dan boeren konden rekenen. Met de komst van de organieke Waterschapswet in 1992 (meer dan 140 jaar na gemeente en provincie wetten van Thorbecke) ontstond langzaam maar zeker het besef, bij de andere overheden, van de rol van waterschappen bij het (regionale) waterbeheer. Ook ontstond het groeiende besef van het begrip dat ‘water en bodem’ sturend zouden moeten zijn bij de ruimtelijke ordening, daardoor kwam steeds sterker de gedachte op dat waterbeheer niet bij functionele democratie hoort maar zou moeten vallen onder de algemene democratie.

Stap voor stap is na 1992 de weg ingezet naar opheffing van de waterschappen. Eerst zijn de vele bestuurlijke verschillen in waterschappen verdwenen. Vanaf de tijd van Thorbecke werden de organieke verschillen grotendeels weg gefuseerd. In 1992 waren er nog een paar verschillende over (kwantiteit waterschappen, all-in waterschappen, zuiveringschappen en als rariteit Blija Buitendijks in Friesland. Nu is er nog maar één soort waterschap, all-in waterschappen.

Tot 2008 waren de verkiezingen van de waterschappen een gebaseerd op een personenstelsel. Geen partijen stonden op een stembiljetten maar individuele personen. In 2008 werden de eerste waterschapverkiezingen gehouden op basis van het lijstenstelsel en deden politieke partijen hun intrede. Niet meer de kwaliteiten van de individuele kandidaten waren bepalend voor de keuze van de kiezer maar het programma van de partijen! De waterschappens verkiezingen gingen al snel parallel lopen met de Statenverkiezingen. Nog een stap richting de algemene democratie. De algemene belangen werden bij de keuze van de kiezer belangrijker dan de waterbelangen. Voor zover de kiezer zich die al realiseerde!

De uitholling is stapsgewijs verdergegaan in het terugdringen van ‘het belang, betaling, zeggenschap’ o.a. met het verdwijnen van de categorie “bedrijfsgebouwd”. Langzaam komt de eindfase inzicht. De opheffing van de waterschappen als aparte overheid.

Vanaf 1993 zit ik, toen als verdwaalde stedeling, in waterschapsbesturen. Ik heb het zien veranderen en niet ten goede. De boerenrepublieken van toen waren meer gericht op het algemene waterbelang dan de waterschappen van nu. De goed opgeleide boeren bestuurders van toen beseffen bijna allemaal dat ze de bestuursfunctie niet alleen beklede voor het ‘boerenbelang’. De boeren van nu in de categorie ongebouwd of in de fractie van de BBB en de boeren in andere fracties gaan nu bijna uitsluitend voor de boerenbelangen. Ze zijn echte belangenbehartigers! Het is nu formeel aan de categorie ingezetenen (de partijen) om het echte algemene belang te vertegenwoordigers.

Maar wat mij echt pijn doet is de enorme achteruitgang in de kwaliteit van de bestuurders (de gekozenen). Het zijn politici, vaak zonder specifieke kennis van zaken. Soms zijn jaren nodig om heb enige basiskennis van de taken van waterschappen bij te brengen. De deskundigheid en de passie zijn grotendeels verdwenen.

Vele jaren was ik ervan overtuigd dat het voortbestaan van waterschappen noodzakelijk was voor goede waterstaatszorg. Nu denk ik anders. Nu gaan de discussies in de vergaderingen vooral over geld en tarieven in plaats over wat nodig is.

In mijn hoofd klinkt dan ook keer op keer de woorden van Dr. Ir. C. Lely: “Het geldt hier niet het opmaken van een winst- en verliesrekening, het is hier een kwestie van noodzakelijkheid, van overwegend landsbelang…”

Nu pleit ik er voor de waterschappen als aparte werkeenheden onder te brengen bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Hoe verder weg van de politiek hoe beter. De waterschappolitiek lijkt steeds meer over geld te gaan in plaats van de echte waterbelangen; veilige dijken en de zoetwatervoorzieningen voor boeren, burgers en bedrijven.

De bestuurlijke waterparadox is dat sinds de invoering van de Waterschapswet in 1992, ook toen werd de kreet “water en bodem sturend” al gebruikt, de waterschappen van een functionele democratie steeds meer richting een algemeen democratie zijn afgedreven en de formele tijdbesteding van de Dagelijks Bestuurders/Heemraden is toegenomen van gemiddeld 20 % naar 80 %. Hun salaris is exclusief de inflatiestijgingen verviervoudigd! En de eens op basis van hun persoonlijke kwaliteiten verkozenen zijn nu, zonder specifieke kennis van het waterbeheer, op partij basis gekozenen geworden.

Trots zijn op onze geschiedenis 1

Als waterschapbestuurder met waterschapbestuurservaring van Domburg tot Winterswijk van 1993 tot heden heb ik ervaring met veel water gerelateerde zaken. Waarvan wij Nederlanders ons niet altijd bewust zijn van hoe uitzonderlijk ze soms zijn.

Tot dat een ander ons erop wijst! Wist u dat de American Society of Civil Engineers onze Deltawerken tot één van de zeven moderne wereld wonderen heeft verklaard?

https://7wonders.org/europe/netherlands/rotterdam/delta-works/

Molens die gebruikt werden bij het waterbeheer.


1 Standerdmolen (vooral koren- en oliemolen)

2 Wipmolen (scheprad poldermolen)

3 Paltrok (het molenhuis is draaibaar door spil en rolring)

4 Bovenkruier (alleen de kop is draaibaar ook gebruik als industriemolen)

5 Tjasker (windwatermolentje, werd met de hand op de wind gezet).

Dijkonderhoud


Uit een charter van Hertog Philips van Bourgondië d.d. 6 juli 1466 weten we dat de toestand van een aantal dijken, waaronder de West-Friese Zeedijk en een dijk nabij Petten, zorgen baarde en onderhoud vergde.

De West-Friese Zeedijk werd o.a. onderhouden met behulp van zeewier/zeegras uit de Zuiderzee. Als bindmiddel in de kleikern van de dijk. De Zuiderzee verslechterde door verzoeting als biotoop voor zeewier/zeegras. Daarom ging men over tot het gebruik van riet dat door de verzoeting van de Zuiderzee steeds meer beschikbaar kwam. Zo veranderde het materiaal gebruik. Voor de dijkaanleg en het onderhoud gebruikte men vooral de lokaal beschikbare materialen. De veranderde natuurlijke omgeving veranderde het dijkonderhoud en de daarbij gebruikte materialen.

Dijkonderhoud verdient ook nu alle aandacht van bestuurlijk Nederland.

De Nieuwe Waterweg (geopend in 1872) moet nu echt dicht.


Zout/verzilting is een steeds groter wordend probleem voor de landbouw in steeds grotere delen van Nederland. Tot 1893 kon men voor het Westland via de Oranjesluis te ‘s-Gravenzande, (5 kilometer van zee) nog goed waterinlaten. Tot 1921 kon dat nog via een inlaat bij Maassluis (13 kilometer van Hoek van Holland). Rond 1934 bleek in inlaat bij Vijfhuizen (23 kilometer van Hoek van Holland) niet meer bruikbaar. Begin jaren zestig was de inlaat van de Parkhavensluis (28 kilometer van Hoek van Holland) niet meer bruikbaar. En het gaat tot op de dag van vandaag door!


Johan van Veen heeft dit al uitgebreid onderzocht en rapporteerde hierover in 1941: “de toeneming van het zoutgehalte op de Benedenrivieren”. Het originele Delta Plan voorzag in tal van maatregelen de sluipende verzilting aan te pakken. De vele wijzigingen ondergroeven deze doelstellingen. Het wordt tijd te onderzoeken wat nu echt nodig is om de verzilting van onze bodem en oppervlaktewater te stoppen. Te beginnen met de circa 800 kubieke meter zoet water die nu, iedere seconde, Nederland verlaat via de Nieuwe Waterweg.


Wat iedere politicus/bestuurder in Nederland op rijks of waterschapniveau zou moeten lezen is “De toekomstige drinkwatervoorziening van Nederland” een rapport van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening uit 1965! Het resultaat zou zijn; schaamte dat vele regeringen en overheden, vaak van wege zuiniggedrag en onkunde, gefaald hebben en het falen tot op de dag van vandaag doorgaat. Voor mij is het boekwerk een soort van bijbel een heiligboek dat ik nooit zou verkopen. Uitlenen aan een bestuurder of politicus die echt kennis op wil doen over een onderwerp dat alle aandacht verdient kan natuurlijk wel. Mits hij of zij betrouwbaar is!

Zouden ze er nog zijn: betrouwbare politici die ook nog bereid zijn de burger uit te leggen dat goed waterbeheer echt geld kost en niet gratis is?! Vast wel! Maar de kiezer heeft aan hem of haar vermoedelijk geen boodschap!

De Kaderrichtlijn Water (KRW)


De KRW (2000) ziet toe op bescherming en verbetering van de watersystemen in Europa. De KRW is niet de enige Richtlijn in het kader van Europees waterrecht. Er waren voorgangers die deels bij de totstandkoming van de KRW vervielen (de Drinkwaterrichtlijn, de Gevaarlijke stoffenrichtlijn, de Schelpdierwaterrichtlijn en de Viswaterrichtlijn) welke alle ook kwaliteitseisen bevatten. Er waren ook richtlijnen de bleven zoals: de Drinkwaterrichtlijn (1998), de Nitraatrichtlijn (1991), de Richtlijn stedelijk afvalwater (1991) en de Zwemwaterrichtlijn (vernieuwd in 2006). Zowel de Drinkwaterrichtlijn als de Zwemwaterrichtlijn bevatten kwaliteitseisen die niet alleen beogen het milieu te beschermen maar ook doelstellingen hebben te verbetering van de volksgezondheid.

Na de komst van de KRW zijn aan waterrichtlijnen nog o.a. toegevoegd: de Grondwaterrichtlijn (2006) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS 2005). Samen met de IPPC-richtlijn, de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Mer-richtlijn en de Strategische Mer-richtlijn zijn deze richtlijnen cruciaal en alles bepalend voor de bescherming van water in Europa!

Prof.mr. Marleen van Rijswick komt in haar bijdrage aan “Europa, Je beste kennis” (2007) tot de conclusie dat er een verplichting is de gestelde doelen te bereiken! Maar dat deze verplichting niet alleen op de lidstaat berust of op één bepaalde (decentrale) overheid zoals de waterbeheerder, maar op alle overheden gezamenlijk!

Zowel de oude richtlijnen als de KRW gaat uit van een programmatische aanpak, waarbij de kwaliteitseisen worden gekoppeld aan plannen en/of maatregelenprogramma’s waarbij regionale flexibiliteit mogelijk zou moeten zijn. Waarbij alle overheden zich bewust dienen te zijn van hun rol bij het waterbeheer en de kwaliteitsdoestelling van o.a. de KRW en deze mee laten wegen in beleid en besluitvorming op ALLE relevante beleidsterreinen!

Mijn ruim 40 jaar bestuurlijke ervaring bij overheden leert mij dat vele bestuurders niet beseffen dat ook de overheid die zij bestuurlijk dienen een essentiële rol heeft te vervullen om de KRW-doelstellingen bereikbaar te maken.

Het boekje “Europa, Je beste kennis” (2007) met 140 pagina’s Europese kennis is te koop voor 3 euro.

Zeespiegelstijging en meer.


Wat keer op keer op ruime schaal de media haalt is de voorspelde zeespiegelstijging en de gevolgen voor ons ‘lage’ landje.

Door het afsmelten van de poolkappen en gletsjers is de zeespiegel de aflopen ruim 17.000 jaar circa 120 meter gestegen. Dat is gemiddeld ruim 70 centimeter per eeuw. Of anders gezegd circa 35 tot 40 miljoen kubieke kilometer ijs is omgezet in water. Met volgens de laatste schattingen nog ruim 20 miljoen kubieke kilometer te gaan. Er is dus nog een forse stijging mogelijk. Hoe zouden de delta’s van de wereld er dan uitzien? En die van Nederland in het bijzonder?

De afgelopen paar eeuwen hebben wij onze polders, met vaak een venige ondergrond, door al het pompen soms met ruim een meter per eeuw omlaag gepomp. Een bodemdaling door ons eigen menselijke handelen! Bovendien daalt het westelijke deel van ons ‘lage’ landje met enkel centimeters per eeuw door een tektonische daling van de ondergrond.

We hebben van onze delta/estuaria, door menselijk ingrijpen een niet meer natuurlijk werkend systeem gemaakt. Wat we tot op de dag van vandaag verder verslechtert, mede door ons menselijk handelen, bijvoorbeeld door de grondwaterverlagingen. Het natuurlijke productie- en reinigingsvermogen van onze binnenwateren en estuaria zijn grotendeels verloren gegaan.

De menselijke ingrepen waren steeds gericht op de korte termijn, voor ons mensen, nuttige gevolgen vaak zonder te beseffen wat de gevolgen zouden kunnen zijn voor de langere termijn. En vooral een menselijke kosten/baten analyse die geen of weinig rekening houdt met de totale ecologische behoefte. Waarbij rekening wordt gehouden met een berekenbare marktwaarde maar niet met de goederen en diensten die geen direct aanwijsbare marktwaarde hebben zoals de leef kwaliteit van al wat leeft.

Soms doet iemand een poging de werkelijke kosten/verliezen in beeld te brengen zoals in 1997, Robert Costanza die in samenwerking met ecologische wetenschappers als John Cumberland, Herman Daly, Robert Goodland and Richard Norgaard, met de rapportage “An Introduction to Ecological Economics”. Lees aanbeveling in dit kader is het artikel uit 1997, van Costanza et al. “The value of the world’s ecosystem services and natural capital” in Nature.

Mijn conclusie is: dat de realiteit van veel ecosysteemdiensten niet vervangbaar zijn. Zodat het verlies aan menselijke welvaart en welzijn immens is en onvervangbaar. Wij zouden veel omzichtiger dienen om te gaan met onze ecosystemen/natuur en ze in de besluitvorming de plaats moeten geven die ze toekomt.