We maken ons in de waterschapwereld vaak druk over de bestrijding van exoten zoals de beverrat (Myocastor coypus), muskusrat (Ondatra zibethicus), Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus clarkii), De Japanse duizendknoop (Reynoutria japonica) enzovoort.
Lang geleden was het konijn (Oryctolagus cuniculus) ook een exoot, die de waterveiligheid bedreigde. In 1398 kwamen massaal ernstige klachten bij de toenmalige landheer de hertog van Bourgondië. In 1403 waren konijnenholen de oorzaak van een dijkbreuk in de zeedijk bij Knokke. In 1411 dreigde de abdij Ter Duinen te Koksijde in te storten wegens ondergravingen.
Het konijn is een laatkomer in ons deel van Europa. In de Romeinse tijd kwam het konijn vooral voor en zuid Europa (Spanje, en ook de Provence) waar het konijn als een delicatesse.
De verspreiding over ons deel van Europa via Frankrijk is niet van voor de 12e eeuw. De eerste vermelding die ik kon vinden is van 1149 toen de abt van Sodignac (Midden-Frankrijk) er een paar stuurde aan de abt van Corvey aan de Weser. En in 1255 leverde de baljuw van Veurne en enkele tientallen aan het grafelijk hof te Rijssel.
In de droge delen van West-Nederland heeft het knaagdier zich pas in de 13e en 14e eeuw verspreid. Aanvankelijk werd het konijn zelfs beschouwd als beschermingswaardig. In de winter werden konijnen, oplast van de adel, zelfs bij vervoerd.
In de 14e eeuw begon het bewust zijn te ontstaan van de bedreiging die het beestje was voor boeren en (zee)weringen. Lees eens de Enqueste (1494) en de Informacie (1514).
Eens een exoot die om het vlees en de vacht gekoesterd werden. Later een bedreiging en weer later een soort van huisdier. Eerst door armelui voor de kerstmaaltijd later als soort van knuffel. Hoe zal het de beverrat en muskusrat vergaan? Of hebben ze hun naam tegen?
Soms ben ik verbaast over zoveel ondeskundigheid van sommige door de media geraadpleegde ‘deskundigen’. Neem de kop in BNdeStem van 19 juni 2024; “Deze hoeveelheden zijn in alle opzichten uniek”, “Zelfs deskundigen zijn verbaasd over aanhoudende regen”.
Ik vraag mij af of die deskundigen ook als ze meteorologen of hydrologen zijn ooit hun ‘deskundigheid’ hebben verdiept? Zouden ze ooit kennis hebben genomen van de zevendelige serie van J. Buisman, “Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen” tot stand gekomen onder redactie van A.F.V. van Engelen, KNMI? Inclusief het boek “Extreem Weer!” Zeker als je de winter/voorjaars neerslag UNIEK gaat noemen.
Afgaande op de vele misoogsten waren de jaren 1116 tot 1119 zeer nat. Harde cijfers ontbreken echter uit die tijd. Maar een periode van heel veel regen duurt soms jaren. Zo begon in 1312 een regenperiode die met onderbrekingen tot 1316 aanhield. Doe overmatige regenval leidde tot misoogsten, en tot ernstige hongernoden. Als oorzaak werd toen al de achteruitgang van natuurwaarden geduid. Waarvan het waarneembare vooral de ontbossing was. Komt het u ook bekent voor?
Van ene Lodewijk, pastoor te Velthem bij Leuven is de tekst gevonden:
“Int ander iaer (1315) So was die winter herde quaet, Van groten regene, dat verstaet, So dat men niet gesayen conde.”
Van Jan van Boendale (ca. 1280 – ca. 1351), schepenklerk in het Hertogdom Brabant te Antwerpen schreef over drie plagen, regen, duurte en sterfte door honger.
“Wat dat ghecarm ende dat gheween, Dat men hoerde van den armen, Mochte enen steene ontfermen, Daer si achter straten laghen, Met iammere ende met groten claghen, Ende swollen van honghere groot, Ende bleven van armoeden doot.”
Als voorbeeld van extreem weer; juli 1342 kenmerkte zich door een stagnerend zomers lagedrukgebied boven Midden en West-Europa. Met dagenlange wolkbreuken en vele zomer hoogwaters op de rivieren.
Plotseling is de recente Volkskrant kop; “Weer lagere voedselproductie door nat voorjaar” van een dimensie die mensen aan het denken zou moeten zetten. In de 13e en 14e eeuw was er nog geen EU die milieueisen stelde. Maar lerende van toen zou je op een andere manier naar die EU milieu/natuur eisen kunnen kijken. De kans is groot dat we al dat onheil over onszelf als mensheid afroepen en grotendeels al veroorzaakt hebben? Het wordt tijd dat de zogenaamde deskundige niet alleen via Google hun ‘kennis’ vergaren. Maar weer eens uit ook boeken kennis nemen van ‘oude’ wijsheden!
In West-Europa komen soms zeer strenge winters voor. In een tijd dat thermometers er nog niet waren, waren er wel andere indicaties om vast te stellen wat uitzonderlijk was.
In 1573, 1684, 1695, 1830 en 1963 waren er ijsprocessies van het Zwitserse Münsterlingen naar het Beierse Hagnau over het Bodenmeer/Bodensee. Alleen toen was dat meer volledig bevroren en begaanbaar!
Leggen we die reeks naast die van de winters in Nederland met veel meldingen van doodgevroren mensen; 1408, 1435, 1511, 1565, 1684, 1740, 1789 en 1830 dan zijn er een aantal overeenkomsten.
In de winter is overleven afhankelijk van bescherming tegen kou en honger. Een lange strenge winter bekende ook dat het vervoer over water onmogelijk werd en de voorraad brandstoffen (veelal hout en turf) bepalend waren of je het overleefde.
Een woningwet bestond er voor 1901 niet. En de huizen van de armen waren vaak tochtig, zonloos en in zo’n winter ijzig koud. De brandstofprijzen en de voedselprijzen liepen op. Meel werd schaars als het graan niet kon worden aangevoerd of gemalen door de watermolens. Men stierf van kou en honger.
De kern van dit stukje is dat winters en het klimaat heel variabel zijn. De winter van 1963 was in, Nederland en in grote delen van West-Europa, de strengste na 1830. Meer dan 130 jaar verstreek voordat er weer een winter kwam zoals in 1830.
Ik ben geen klimaatontkenner. Maar het is goed te realiseren dat variaties in het klimaat ook zonder een aantoonbare klimaatverandering al heel erg groot zijn. En dat na de ontwikkeling van de kwikthermometer door glasblazer en instrumentbouwer Daniël Gabriël Fahrenheit we meer exacter kunnen meten.
Maar de geschiedenis van het weer is ook te reconstrueren op basis van andere vormen van geschiedschrijving.
Het klimaat veranderd. Ik ben geen klimaat ontkenner. Maar de variaties in het weer zijn van alle tijden. Ik zou willen dat al die ‘extreem/record weer’ melders eens zouden beginnen met te kijken wat het weer de afgelopen 1000 jaar aan variaties en extremen bood.
De achtdelige serie; “Duizend jaar, weer, wind en water” van Jan Buisman, aangevuld met “Extreem weer” van dezelfde schrijver zijn daarvoor een goede leesstart. Ophouden met papagaaien van AI-onzin maar ‘even’ kennisnemen van feiten. Niet vervallen in ‘toen waren er nog geen metingen’ want er zijn meer dan genoeg redelijk betrouwbare annalen om te weten wat er qua weer zoal gebeurde in die duizend jaar.
Zo waren de zomers van 870, 872 en 874 uitzonderlijk warm en de winters van 872, 874, 880 en 881 uitzonderlijk koud. Maar ook uitzonderlijke periodes van droogte passeren, zoals 981, 988, 993 en 994 die gepaard gingen met zeer warm weer.
Soms is kennis beschikbaar die indirect iets vertellen over uitzonderlijke weersomstandigheden.
Zoals over de zachte winter van 1116/1117 waarover Reimbaud van Sint-Lambert, kanunnik te Luik, verhaalt:
“Op de dag van de Geboorte des Heeren (25 december) At de hertog aardbeien in Leuven En enige personen aten terzelfder tijd bonen Maar dan wel verse als in juni.”
Eeuwenlang bleef het noorden van ons land van waternoden bespaard. En dan ineens zijn daar de stormen van 1163, 1164, 1170 en 1173. Met vele vloeden. De overstromingen van december 1163 waren de eerste in het noorden sinds 838.
Extreem weer en grote variaties in het weer zijn van alle tijden! Dat laat onverlet dat we ons moeten aanpassen aan het voorspelbare. En niet steeds moeten doen of bijvoorbeeld de droogtes van nu uitzonderlijk zijn. In denken van gewone mensen met een beperkt geheugen misschien wel. Ze nemen geen kennis van de geschiedenis. Van specialisten en journalisten verwacht ik dat ze de kennis van de onderwerpen waarover ze schrijven wel kennen of verwerven. En van politici en bestuurders verwacht ik ook kennis over de onderwerpen waarover ze voor ons beslissen. En soms grote bedragen uitgeven van ons belastinggeld. Of juist onverantwoorde risico’s nemen door noodzakelijke investeringen vooruit te schuiven.
Niet op ‘one liners’ maar op feiten behoort ons waterbeleid en klimaatvisies gebaseerd te zijn!
De afbeelding is een foto van een schilderij van Joop Mijsbergen de van de bocht/curve van Bath
Verdragen en Vaarwegen
De internationale handel en daarmee de eisen aan transport en logistiek zijn in een steeds snellere verandering. Een verandering die als het om het transport over water gaat al jaren aan de gang is. Schepen zijn de afgelopen tientallen jaren steeds groter geworden met steeds meer diepgang.
Dat stelt steeds anderen eisen aan de vaarwegen. En roept de vraag op of oude verdragsafspraken nog wel uitvoerbaar zijn. De denken valt aan de Akte van Mannheim (1868) waarin o.a. het beginsel van het behoud, het onderhoud en de verbetering van waterwegen als de Rijn is vastgelegd. Maar ook het Scheldetractaat. Een verdrag tussen België en Nederland van 20 mei 1843. In dit verdrag wordt een vrije doorvaart geregeld vanuit de zee naar Antwerpen, Gent en omgekeerd.
Zijn die verdragen nog houdbaar. Als onze dijken bedreigd worden door steeds verdere verdiepingen van het voorliggende water. Welke lengte van schepen kan de Bocht van Bath aan? Als schepen binnen een twee kilometer een bocht van 90 graden moeten maken. En een fors aantal schepen in de loop der jaren op het wad zijn gelopen.
Het wordt tijd dat verdragen aangepast worden aan wat nu mogelijk is!
In februari 1958, dus 65 jaar geleden, publiceerde de provincie Noord-Brabant het “welvaartsplan voor West-Brabant”. Met daarin een plan voor de aanpak van de waterinfrastructuur. Met tal van verbeteringen aan de waterwegen in het werkgebied van wat nu het waterschap Brabantse Delta is. Zie de foto. Vaarwegen werden verbreed om schepen tot 1350 ton mogelijk te maken. Onder andere het Markkanaal werd verbreed (1976) en het Mark-Vlietkanaal werd aangelegd (1983). De voor fase 3 geplande kanaal, van de haven van Bergen op Zoom naar de haven van Roosendaal, is er echter nooit gekomen. De plannen waren afgestemd met het departement van Verkeer en Waterstaat.
Nu de nieuwgekozen fracties in de provincie en het waterschap gaan onderhandelen over nieuwe bestuursakkoorden is het tijd voor een heroverweging van het vaarwegbeheer, wat het waterschap Brabantse Delta nu uitvoert namens de provincie. Na de uitvoering van het, 65 geleden vastgestelde, “welvaartsplan” alleen onderhoud plegen, is niet langer houdbaar. Het vervoer over water verlangt nu echt een andere aanpak. West-Brabant kan niet langer achtergesteld worden terwijl Oost-Brabant samen met Rijkswaterstaat het vervoer over water, de afgelopen 50 jaar, wel verder heeft kunnen ontwikkelen en aanpassen aan de eisen van deze tijd.
Ons Water heeft de heroverweging van het vaarwegbeheer onder de aandacht gebracht van de verkenner die bij het waterschap Brabantse Delta aan de slag is. Helaas vonden we het (nog) niet terug in zijn rapportage.
Soms ben ik verbaast over zoveel ondeskundigheid van sommige door de media geraadpleegde ‘deskundigen’. Neem de kop in BNdeStem van 19 juni 2024; “Deze hoeveelheden zijn in alle opzichten uniek”, “Zelfs deskundigen zijn verbaasd over aanhoudende regen”.
Ik vraag mij af of die deskundigen ook als ze meteorologen of hydrologen zijn ooit hun ‘deskundigheid’ hebben verdiept? Zouden ze ooit kennis hebben genomen van de zevendelige serie van J. Buisman, “Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen” tot stand gekomen onder redactie van A.F.V. van Engelen, KNMI? Inclusief het boek “Extreem Weer!” Ook van de hand van Jan Buisman! Bij elkaar een dikke 6500 pagina’s. Het lezen waard! Zeker als je de huidige neerslag UNIEK gaat noemen.
Ik geef toe, sinds de metingen zijn gestart is de huidige neerslag veel te noemen. Maar UNIEK? Volgens van Dale ‘geen tweede exemplaar of zoals nooit meer terugkomt’. Ik denk het niet.
Afgaande op de vele misoogsten waren de jaren 1116 tot 1119 zeer nat. Harde cijfers ontbreken uit die tijd. Maar kijken we naar de waterstaatkundige maatregelen in de periode daarna is wel duidelijk dat het veel was. De Kromme Rijn werd rond 1122 afgedamd en het kunstmatige deel van de Oude Gracht in Utrecht is ook uit circa 1122. Ook kan je aan de dakvorm en stedelijke bouwvoorschriften uit die tijd zien, dat men met grote hoeveelheden sneeuw en regen rekening ging houden. De daken werden in die periode steiler tot 50/60 graden toe. Ook ging men gevels licht naar voren laten steken om rot door afdruipend regenwater tegen te gaan.
Kortom even nadenken voor dat we iets UNIEK gaan noemen. En geachte deskundigen neem ook literatuur en kennis tot u die nog niet uitgebreid tot u komen bij even googelen.
Het water is zo licht van kleuren,
zo schaduwloos drijft het voorbij;
het heeft geen tranen om te treuren,
geen bron om zich van los te scheuren,
het is zo onbewust, zo vrij.
Het water en de wilgen geuren
als najaarsdagen, als een pij,
onmerkbaar haast, nauw te bespeuren,
er moet een wonder gaan gebeuren,
eer het voor ons waarneembaar zij.
Zo zonder afscheid, zonder pijn,
Rwillen wij als het water zijn,
om zonder droefenis te treuren.
De afgelopen maanden was de ‘droogte’ weer veel in het nieuws. Dat is terecht maar tegelijkertijd zit er in dat nieuws, keer op keer veel foute en onvolledige informatie. Wat ik jammer vind is dat al jaren 1976 wordt genoemd als het recordjaar. Dat is een fout die al jaren wordt gemaakt en alle media papegaaien elkaar na. 1976 is hooguit een naoorlogs recordjaar. Wat ik ook doe, een mail richting die media en de scribenten van de berichten, de fout blijft. 1921 kende ruim 27 % minder neerslag dan 1976. Wat ik het ergste vind is dat zelfs overheden zoals het waterschap waar ik in het Algemeen Bestuur mag zitten, het Waterschap Brabantse Delta, meezingt in het koor met foute informatie.
Over de droogte van 1920-1921 heeft Ad Vermaas in 1996 in de Weerspiegel (het blad van de Vereniging voor Weerkunde en Klimatologie) een buitengewoon goed leesbaar stuk geschreven, dat nog steeds actueel is.
Als je een integraal idee wil hebben van de gevolgen van droogte en een idee moet hebben welke variaties het klimaat kent dan is het van belang de data op orde te hebben. Het is duidelijk dat het klimaat veranderd. De dertigjaargemiddelden van temperatuur en neerslag variaties spreken boekdelen. Maar bij het veranderen van het klimaat zijn droogte effecten op de landbouw niet het enige waarmee we rekening zouden moeten houden bij het uitdenken, formuleren en vaststellen van nieuwbeleid. 1920/1921 kende een extreme droogteperiode van ZESTIEN MAANDEN. Met in die periode een gemiddelde neerslag van nog geen 50 % van de gewoonlijke neerslag. Met enorme gevolgen. Niet alleen voor de landbouw en de drinkwatervoorziening maar door extreem lage rivierstanden ook voor de scheepvaart op onze rivieren.
Ook in Nederland worden de schaderisico’s voor vastgoed (bodemdaling), verzilting, landbouw, natuur, arbeidsprestaties en transport steeds duidelijker. In onze delta blijkt de kans op extreem laagwater op onze rivieren – onze transportassen – snel toe te nemen en dit met enorme gevolgen. De Rijn was vroeger een echte smeltrivier waar regenwater zeker in de zomer een ondergeschikte rol speelde. Met het smelten van de gletsjers wordt in de zomer voor de bevaarbaarheid van de Rijn het regenwater steeds belangrijker.
De afgelopen jaren was de Rijn steeds vaker beperkt bevaarbaar met alle gevolgen voor het goederentransport over het Rijn-Waal systeem. In de droge zomer van 2018 leden Duitse industriële bedrijven zoals Thyssen-Krupp en BASF, die voor hun grondstoffen en halffabricaten in hoge mate van vervoer over water afhankelijk zijn, grote schades. Voor de Europese en Nederlandse economie zou dit moeten betekenen dat we gaan nadenken over de toekomst van het vervoer over water en met name hoe de bevaarbaarheid van het Rijn-Waal systeem ook in de zomer kan worden geborgd. Als kanalisatie en stuwing van ons riviersysteem een reële optie wordt voor de toekomst moeten onze bestuurders wel in de juiste mindset komen. Dat wil allereerst zeggen: de juiste informatie krijgen.
Leverden de lage waterstanden van 2018 forse problemen op voor de scheepvaart. De waterstanden in 1949 en 1921 waren nog veel lager!!!!
In 1920/1921 lag de Duitse industrie in het Ruhrgebied op zijn gat. De Duitse economie maakte een crises door en de geallieerde (Frankrijk en Engeland) hadden in het kader van ‘herstelbetalingen’ het Ruhrgebied grotendeels ontdaan van zijn industrieel vermogen.
Op in 1949 was het transport over water naar het Ruhrgebied niet wat het nu is. Het platgebombardeerde Ruhrgebied had zich nog niet hersteld van de vernietiging van het industriële vermogen en was het transport over water een schim van wat het nu is.
Als de lage waterstanden van 1921 of 1949 zich nu zouden voordoen. Komt het transport over water vanaf Rotterdam over de Rijn in hele grote problemen en daarmee kan de economische motor van Rotterdam en haar achterland vrijwel stil komen te vallen. De Betuwelijn is dan niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat!
De Maas was altijd al een echte regenrivier. Daarom is al meer dan honderd jaar geleden die problematiek opgepakt om de scheepvaart en de continuïteit van het goederentransport op de Maas te borgen door kanalisatie. Het wordt tijd dat er echt over de mogelijke gevolgen van de ‘droogte’ op het transport over water wordt nagedacht. Waarbij kanalisering van de Rijn en de mogelijkheid van afsluiten van de Nieuwe Waterweg middels sluizen bij de scenario’s betrokken zouden moeten worden.
Soms moet je boeken en teksten gepubliceerd buiten ons kleine kikkerlandje (België) lezen om dichter bij de waarheid van je zelf als ras polderraar te komen.
Van Marjolrein ’t Hart: “Het ‘poldermodel’ als verklaring voor de op consensus gerichte Nederlandse identiteit is te veel gebaseerd op een anekdotisch besef van de geschiedenis. Deze bijdrage betoogt dat de veronderstelde continuïteit van een overlegcultuur voorbijgaat aan de vele momenten waarbij niet overleg maar conflict de loop van de Nederlandse geschiedenis bepaalde. Bij besluitvorming in het verleden werd slechts rekening gehouden met specifieke gildeleden, met boeren die minstens 50 morgen land bezaten, of met de mannelijke leden van rijke regentenfamilies. En ook voor hen was recht op zeggenschap geen Nederlands Automatisme: dat moest altijd weer bevochten worden.”
Van G. van der List: “Bovenal is Nederland één groot onderhandelingshuishouden gebleven. Hierin vergaderen de betweterige bewoners, uiteraard op beschaafde toon en met respect voor elkaars standpunten, eindeloos om de lieve vrede te bewaren. Samen komen we er wel uit, denken de Nederlanders. En dat blijkt nog vaak te kloppen ook.”
Van Jona Lendering: “Het streven naar consensus is Nederlanders zó dierbaar dat ze er nooit afscheid van zullen nemen. Het einde van de overlegcultuur zou per slot van rekening niets anders zijn dan het einde van de Nederlandse nationale identiteit.”
Van Herman Pleij: “De gebruikelijke hiërarchische verhoudingen krijgen geen vat op de polder, klei en turf (…). Dat plaatst de middeleeuwse ontginners en exploitanten (…) van meet af aan in een toch wel merkwaardige positie van gelijkheid en ongedwongen samenwerking.”
Van Jona Lendering: “Vanuit het traditionele, feodale standpunt bezien was de (Nederlandse) graaf eigenlijk maar een zwakkeling met zijn erkenning van de waterschappen. Een beetje landsheer overlegde (in de middeleeuwen) niet met zijn onderdanen, maar commandeerde hun wat ze te doen hadden. Het idee om op voet van gelijkheid van gedachten te wisselen met ongeletterden stuitte menig Europese landsheer tegen de borst. Zoiets werd overgelaten aan de lokale edelen. Maar de graaf van Holland passeerde de aristocraten”.
Van Jona Lendering: “de boeren die in de veertiende en vijftiende eeuw naar de stad kwamen, brachten de overlegtraditie van de waterschappen met zich mee en het gevolg was dat de steden partij werden in het stelle bondgenootschap dat de graaf en zijn onderdanen tegen de adel hadden gesloten.”
Helaas is het poldermodel stervende. De dualisering sinds het begin van deze eeuw ingevoerd bij de provincies en de gemeenten is de doodsoorzaak van een model dat eeuwen de Nederlandse bestuurlijke verhoudingen (mede) bepaalde. Nu is het zelfs in de waterschappen aan het afsterven. Ook daar worden de verhoudingen stap voor stap dualistisch. Het monisme zal uiteindelijk ook in ons landje uitsterven. Hopelijk zal dat er niet toe leiden dat Amersfoort eens aan zee zal liggen.
De citaten zijn afkomstig uit het nummer ‘Nieuwe tijdingen’ verschenen in 2020: ‘Vroegmoderne geschiedenis in actuele debatten’, onder redactie van Jasper van der Steen en Hans Cools, een publicatie van de Universitaire Pers Leuven.