De Limburgse over stroming kerstmis 1993


Omstreeks een vijfde van de provincie was ondergelopen! Veel huizen stonden in het water! Circa 8000 mensen werden geëvacueerd! De schade bedroeg ruim 250 miljoen gulden! Formeel is was geen overstroming. Maar wateroverlast. Omdat er geen primaire dijken waren doorgebroken maar slechts wat secundaire dijken waren overstroomd.

Er is veel gebouwd op plekken die niet beschermd zijn. Zoals woningen, bedrijfspanden, industrieën, zelfs een rioolwaterzuiveringsinstallatie en een ziekenhuis. En een woonwijk zoals Den Ekkert bij Herten, dat circa 2 meter onder de norm ligt en dus blank stond.

Allemaal het gevoel van ‘zorgeloosheid’ of onkunde van de gekozen bestuurders. De Limburgers wilden gewoon geld en hun schade vergoed! Ze waren de waterproblemen zat.

Als gevolg van de wateroverlast 1993 publiceerde de Commissie Boertien 1994 “Onderzoek watersnood Maas”. Inclusief het voorstel de Maas over een lengte van 180 kilometer te verbreden, te verdiepen en 60 kilometer te bedijken en kades te bouwen.

Het is goed ons te allertijden bewust te zijn van wat ons bedreigd en het belang van veilige dijken.

Van klein naar (te) groot.


Rond 1850 waren er circa 5000 waterschappen, Rond 1950 nog circa 2500. In 1981 nog 283. In 2003 minder dan 50 en nu 21.

In de jaren zeventig verscheen het Diepdelvers-rapport daarin verwerkte de Studiecommissie Waterschappen de Nederlandse bestuursgeschiedenis. Het rapport droeg de titel “Het waterschap en zijn toekomst” (1974). Dit rapport was de aanzet tot een grote bestuurlijke reorganisatie waarbij het aantal waterschappen drastisch werd geminimaliseerd en hun taken aangepast.

Het aantal waterschappen verminderde in korte tijd enorm. In Zuid-Holland verdwenen in die jaren 429 waterschappen, in Friesland 137, en in Noord-Holland en Utrecht in iedere provincie 110.

Ook de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO) uit 1970, betekende een hele verandering plotseling kwam er een taak bij en ontstonden er zuiveringsschappen die vele inliggende (kwantiteit) waterschappen kenden. Ook kenden we al vele jaren overkoepelende waterschappen voor het dijk beheer. Zoals Hoogheemraadschap De Brabantse Bandijk (het bijgevoegde plaatje was het wapen).

Het waterschap Brabantse Delta kent ook een meer dan 230 rechtsvoorgangers. Bekijk ze eens!

Zelf denk ik dat de opschaling qua kwantiteitsbeleid te ver is doorgeslagen en lokale kennis verloren is gegaan. Terwijl voor een effectieve aanpak van de (toekomstige) verdrogingsproblematiek juist die lokale kennis heel belangrijk zou kunnen zijn bij het op detailniveau vasthouden van water.

Januari/februari 1726


Het eerst brak de Noorderlekdijk Benedendams ten westen van Schoonhoven. De Krimpeneerwaard stroomt ook vol. Dan bezwijkt de dijk bij Willige Langerak.

Daar ging de Lopikerwaard. Daarna stroomde de Tielerwaard vol, dan het Land van Maas en Waal, de Betuwe en dan de brak Lingedijk bij Kedichem en is de Alblasserwaard verloren. Vervolgens gingen de keringen bij Woerden en Linschoten eraan. En steeg het water verder in de Hollandse IJssel en het Sticht naar de Vecht en de Amstel. Een enorm gebied ging onder water.

Het is goed ons te allertijden bewust te zijn van wat ons bedreigd en het belang van veilige dijken.

Waterschappen en de waterkwaliteit.


Voor waterschapbestuurders van nu is de kwaliteitszorg, binnen het waterbeheer, een vanzelfsprekende zaak maar dat was niet altijd zo.

De eerste stappen tot die zorg werden gezet naar aanleiding van een advies van de Vergadering van Geneeskundige Inspecteurs in 1873. Het toenmalige kabinet-Heemskerk (1874-1877) ging ermee aan de slag hetgeen in 1875 leidde tot de Hinderwet. Feitelijk de eerste Nederlandse wet met als doel iet aan ‘hinder’ door verontreinigingen te doen. Feitelijk was de wet een vergunningenstelsel opgenomen voor de oprichting van inrichtingen die schade, gevaar of hinder konden opleveren. De wet was ook bedoeld om waterverontreiniging door de industrie tegen te gaan.

In de praktijk werkte de wet op dat punt niet of nauwelijks. In 1903 volgde een ‘ontwerp van Wet Houdende Voorzieningen tegen hinderlijke of schadelijke waterverontreiniging. De Kern van die wet was, dat Gedeputeerde Staten wettelijke bepalingen moesten gaan voorschrijven voor de lozing van afvalwater, vooral als dat aantoonbaar schadelijke gevolgen had voor de volksgezondheid. Nog voor de behandeling in de Kamer trok de minister het voorstel terug. Er tekende zich een Kamermeerderheid af die tegen de wet zou stemmen. Het wachten was op een nieuwe Hinderwet (1896) _

In 1909 werd de Nederlandse Vereniging tegen Water-, Bodem en luchtverontreiniging opgericht. De weg was lang! In 1919 kwamen zij met een initiatiefvoorstel voor een Wet tegen Waterverontreiniging. Ver dan een presentatie kwam het niet. Uit gezien werd naar een herziening van Hinderwet en de uit 1913 stammende Riolenwet.

In 1919 werd het Rijksinstituut voor Zuivering van Afvalwater opgericht. Langzaam ontstond de gedachte dat er aan de circa 30 kilo ontlasting en 400 liter urine per persoon echt iets gedaan zou moeten worden. Gemeenten en provincies begonnen ‘iets’ aan dat probleem te doen. Hier en daar werden weinig effectieve bezinkinstallaties gebouwd. In 1914 werd de ‘actief-slibmethode’ ontwikkeld.

Maar de weg naar de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater (1970) was nog lang. Op het moment van inwerkingtreding kende Nederland slechts elf rioolwaterzuiveringsinstallaties volgens de actief-slibmethode. Er waren nog zelfs veel gebieden niet aangesloten op een rioolnet.

In 1953 had Dr. Ir. Aale Pasveer (1909-2001) wel zijn vinding (de Pasveersloot) gepresenteerd die in de jaren vijftig en zestig langzamerhand het land veroverde. Er werd een begin gemaakt. Na 1970 werd de zuiveringstaak geleidelijk door de waterschappen overgenomen van gemeente en provincies en werd eens start gemaakt met de zuiveringsschappen, waar het Hoogheemraadschap West-Brabant er één van was.

Januari 1926


Na de hoogwaters van 1920 wist het polderbestuur (de dijkstoel) dat de Maasdijk bij Nederasselt te zwak was en verbetering behoefde. Maar het polderbestuur, veelal zuinige grondeigenaars, wentelde het hoogwaterprobleem of op de Beerse Overlaat. Ooit kon dat makkelijk omdat deze in de tijd van de generaliteitlanden onder druk van Gelderland was aangelegd op Brabants (veroverd)grondgebied.

Maar in 1921 besloot de Tweede Kamer tot sluiting van deze overlaat. Gevolg in januari 1926 liepen grote delen van het Rijk van Nijmegen onder. Gevolg circa 3000 verwoeste huizen en circa 10 miljoen gulden schade. Die voor de helft voor rekening van de bewoners kwam. En veel geëvacueerde bewoners en vee. Dat leidde toe een stevige discussies over wie wat zou moeten betalen en aan wie!

Veel Betuwse boeren wilden een vergoeding voor het tijdelijk stallen en voeren van het geëvacueerde vee. De Brabantse boeren vroegen niets!

Natuurlijk was daar de schuldvraag. Het polderbestuur was nalatig geweest! Waarom had de provincie richting het polderbestuur geen actie ondernomen? En waarom was het stil gebleven in Den Haag?

Ook nu is een groot deel van de politiek tevreden als pas in 2050 de dijken voldoen aan de normen van nu! In dit terwijl we weten dat een deel van onze dijken verbeteringen behoeft!

Zeespiegelstijging en meer.


Wat keer op keer op ruime schaal de media haalt is de voorspelde zeespiegelstijging en de gevolgen voor ons ‘lage’ landje.

Door het afsmelten van de poolkappen en gletsjers is de zeespiegel de aflopen ruim 17.000 jaar circa 120 meter gestegen. Dat is gemiddeld ruim 70 centimeter per eeuw. Of anders gezegd circa 35 tot 40 miljoen kubieke kilometer ijs is omgezet in water. Met volgens de laatste schattingen nog ruim 20 miljoen kubieke kilometer te gaan. Er is dus nog een forse stijging mogelijk. Hoe zouden de delta’s van de wereld er dan uitzien? En die van Nederland in het bijzonder?

De afgelopen paar eeuwen hebben wij onze polders, met vaak een venige ondergrond, door al het pompen soms met ruim een meter per eeuw omlaag gepomp. Een bodemdaling door ons eigen menselijke handelen! Bovendien daalt het westelijke deel van ons ‘lage’ landje met enkel centimeters per eeuw door een tektonische daling van de ondergrond.

We hebben van onze delta/estuaria, door menselijk ingrijpen een niet meer natuurlijk werkend systeem gemaakt. Wat we tot op de dag van vandaag verder verslechtert, mede door ons menselijk handelen, bijvoorbeeld door de grondwaterverlagingen. Het natuurlijke productie- en reinigingsvermogen van onze binnenwateren en estuaria zijn grotendeels verloren gegaan.

De menselijke ingrepen waren steeds gericht op de korte termijn, voor ons mensen, nuttige gevolgen vaak zonder te beseffen wat de gevolgen zouden kunnen zijn voor de langere termijn. En vooral een menselijke kosten/baten analyse die geen of weinig rekening houdt met de totale ecologische behoefte. Waarbij rekening wordt gehouden met een berekenbare marktwaarde maar niet met de goederen en diensten die geen direct aanwijsbare marktwaarde hebben zoals de leef kwaliteit van al wat leeft.

Soms doet iemand een poging de werkelijke kosten/verliezen in beeld te brengen zoals in 1997, Robert Costanza die in samenwerking met ecologische wetenschappers als John Cumberland, Herman Daly, Robert Goodland and Richard Norgaard, met de rapportage “An Introduction to Ecological Economics”. Lees aanbeveling in dit kader is het artikel uit 1997, van Costanza et al. “The value of the world’s ecosystem services and natural capital” in Nature.

Mijn conclusie is: dat de realiteit van veel ecosysteemdiensten niet vervangbaar zijn. Zodat het verlies aan menselijke welvaart en welzijn immens is en onvervangbaar. Wij zouden veel omzichtiger dienen om te gaan met onze ecosystemen/natuur en ze in de besluitvorming de plaats moeten geven die ze toekomt.

De Kaderrichtlijn Water (KRW)


De KRW (2000) ziet toe op bescherming en verbetering van de watersystemen in Europa. De KRW is niet de enige Richtlijn in het kader van Europees waterrecht. Er waren voorgangers die deels bij de totstandkoming van de KRW vervielen (de Drinkwaterrichtlijn, de Gevaarlijke stoffenrichtlijn, de Schelpdierwaterrichtlijn en de Viswaterrichtlijn) welke alle ook kwaliteitseisen bevatten. Er waren ook richtlijnen de bleven zoals: de Drinkwaterrichtlijn (1998), de Nitraatrichtlijn (1991), de Richtlijn stedelijk afvalwater (1991) en de Zwemwaterrichtlijn (vernieuwd in 2006). Zowel de Drinkwaterrichtlijn als de Zwemwaterrichtlijn bevatten kwaliteitseisen die niet alleen beogen het milieu te beschermen maar ook doelstellingen hebben te verbetering van de volksgezondheid.

Na de komst van de KRW zijn aan waterrichtlijnen nog o.a. toegevoegd: de Grondwaterrichtlijn (2006) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS 2005). Samen met de IPPC-richtlijn, de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Mer-richtlijn en de Strategische Mer-richtlijn zijn deze richtlijnen cruciaal en alles bepalend voor de bescherming van water in Europa!

Prof.mr. Marleen van Rijswick komt in haar bijdrage aan “Europa, Je beste kennis” (2007) tot de conclusie dat er een verplichting is de gestelde doelen te bereiken! Maar dat deze verplichting niet alleen op de lidstaat berust of op één bepaalde (decentrale) overheid zoals de waterbeheerder, maar op alle overheden gezamenlijk!

Zowel de oude richtlijnen als de KRW gaat uit van een programmatische aanpak, waarbij de kwaliteitseisen worden gekoppeld aan plannen en/of maatregelenprogramma’s waarbij regionale flexibiliteit mogelijk zou moeten zijn. Waarbij alle overheden zich bewust dienen te zijn van hun rol bij het waterbeheer en de kwaliteitsdoestelling van o.a. de KRW en deze mee laten wegen in beleid en besluitvorming op ALLE relevante beleidsterreinen!

Mijn ruim 40 jaar bestuurlijke ervaring bij overheden leert mij dat vele bestuurders niet beseffen dat ook de overheid die zij bestuurlijk dienen een essentiële rol heeft te vervullen om de KRW-doelstellingen bereikbaar te maken.

Het boekje “Europa, Je beste kennis” (2007) met 140 pagina’s Europese kennis is te koop voor 3 euro.

De Nieuwe Waterweg (geopend in 1872) moet nu echt dicht.


Zout/verzilting is een steeds groter wordend probleem voor de landbouw in steeds grotere delen van Nederland. Tot 1893 kon men voor het Westland via de Oranjesluis te ‘s-Gravenzande, (5 kilometer van zee) nog goed waterinlaten. Tot 1921 kon dat nog via een inlaat bij Maassluis (13 kilometer van Hoek van Holland). Rond 1934 bleek in inlaat bij Vijfhuizen (23 kilometer van Hoek van Holland) niet meer bruikbaar. Begin jaren zestig was de inlaat van de Parkhavensluis (28 kilometer van Hoek van Holland) niet meer bruikbaar. En het gaat tot op de dag van vandaag door!


Johan van Veen heeft dit al uitgebreid onderzocht en rapporteerde hierover in 1941: “de toeneming van het zoutgehalte op de Benedenrivieren”. Het originele Delta Plan voorzag in tal van maatregelen de sluipende verzilting aan te pakken. De vele wijzigingen ondergroeven deze doelstellingen. Het wordt tijd te onderzoeken wat nu echt nodig is om de verzilting van onze bodem en oppervlaktewater te stoppen. Te beginnen met de circa 800 kubieke meter zoet water die nu, iedere seconde, Nederland verlaat via de Nieuwe Waterweg.


Wat iedere politicus/bestuurder in Nederland op rijks of waterschapniveau zou moeten lezen is “De toekomstige drinkwatervoorziening van Nederland” een rapport van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening uit 1965! Het resultaat zou zijn; schaamte dat vele regeringen en overheden, vaak van wege zuiniggedrag en onkunde, gefaald hebben en het falen tot op de dag van vandaag doorgaat. Voor mij is het boekwerk een soort van bijbel een heiligboek dat ik nooit zou verkopen. Uitlenen aan een bestuurder of politicus die echt kennis op wil doen over een onderwerp dat alle aandacht verdient kan natuurlijk wel. Mits hij of zij betrouwbaar is!

Zouden ze er nog zijn: betrouwbare politici die ook nog bereid zijn de burger uit te leggen dat goed waterbeheer echt geld kost en niet gratis is?! Vast wel! Maar de kiezer heeft aan hem of haar vermoedelijk geen boodschap!

Dijkonderhoud


Uit een charter van Hertog Philips van Bourgondië d.d. 6 juli 1466 weten we dat de toestand van een aantal dijken, waaronder de West-Friese Zeedijk en een dijk nabij Petten, zorgen baarde en onderhoud vergde.

De West-Friese Zeedijk werd o.a. onderhouden met behulp van zeewier/zeegras uit de Zuiderzee. Als bindmiddel in de kleikern van de dijk. De Zuiderzee verslechterde door verzoeting als biotoop voor zeewier/zeegras. Daarom ging men over tot het gebruik van riet dat door de verzoeting van de Zuiderzee steeds meer beschikbaar kwam. Zo veranderde het materiaal gebruik. Voor de dijkaanleg en het onderhoud gebruikte men vooral de lokaal beschikbare materialen. De veranderde natuurlijke omgeving veranderde het dijkonderhoud en de daarbij gebruikte materialen.

Dijkonderhoud verdient ook nu alle aandacht van bestuurlijk Nederland.

Ons water


Water schenkt ons het leven. Het is onlosmakelijk verbonden met de lichamen van planten, dieren, mensen en ecosystemen. Vroeger werd het vooral gezien als grondstof of medium voor menselijk gebruik/misbruik. Zout water wordt nog vaak gezien als verontreinigd met zout. De jarenlange gratis lozingen van sterk verontreinigd afvalwater heeft ons en het bedrijfsleven rijk gemaakt, vaak zelfs ‘stinkend rijk’! Langzaam is het besef door gebroken dat ‘ons water’ ook deel uitmaakt van zoete-, brakke- en zoute ecosystemen. En wordt langzamerhand de samenhang erkend van de sociale, ecologische en economische processen.

Gaan we de omgang met ‘ons water’ nu verder ecologiseren? Of vallen we terug in een achterhoedegevecht om economische redenen en om toch vooral ‘stinkend rijk’ te blijven en wordt de rijkdom die de natuur ons kan geven ontkent?

Stop met het bewust lozen van afvalwater en natuur vreemde stoffen! Stop het lozen, met mooie praatjes en plaatjes! Doe recht aan de echte schoonheid van het leven en besef dat ook wij in het water en met het water leven. Het oog van de wereld kijkt naar ons.