Mare liberum (De zee is gratis)


Was ooit de gedachte zoals deze werd verwoord door Hugo de Groot (1583 -1645). De door hem geformuleerde vrijheden waren gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  • Geen enkele staat of persoon kan zich de zee toe-eigenen;
  • De hulpbronnen van de zee zijn onuitputtelijk;
  • Gebruik van de zee door één staat, staat gebruik door een andere niet in de weg;
  • Het aantal gebruiksvormen is relatief beperkt en de ruimte en de mogelijkheden zijn zo enorm, dat conflicterend gebruik of schade aan het zeemilieu zijn daarom niet denkbaar.

Was het allemaal maar waar mijnheer de Groot. Helaas zijn de tijden en de werkelijkheden anders.


De eerste echte vastlegging was ten tijde van de Codificatie Conferentie Internationaal Recht van de Volkenbond te Den Haag in 1930. De inkt was van de handtekeningen nog nauwelijks droog of het wassende tij van het nationalisme met een estafette van territoriale eisen spoelde over de oceanen. De ‘visserij’ belangen veroorzaakte een golf van uitbreidingen. Zoals bij IJsland waar de visserijgrens al snel van 3 mijl naar 50 mijl ging.

Tijdens de Derde VN-Zeerecht conferentie (1973-1982) kwam er een soort van allesomvattende regeling uit. Door sommigen aangeduid als ‘de wereld-grondwet der oceanen’. Met maar liefs 320 artikelen en met negen uitgebreide bijlagen.

Waarvan één artikel, artikel 137, in mijn beleving, nog steeds bepalend is of zou dat rond de Straat van Hormuz moeten zijn. Artikel 137 geeft aan dat geen enkel deel van de Area of hulpbronnen geclaimd of toegeëigend kan worden door staten, ondernemingen of individuen. Gebruik staat vrij in eigendom nemen niet! ‘All rights in te resources of the Area are vested in mankind as a whole’.

Iran, meneer Trump, lees dit eens of laat het eens voorlezen! Gebaseerd op de gedachten van een echt groot man, ene Hugo de Groot. Uitgewerkt in bijna 10 jaar (1973 -1982) tot iets wat echt goed kan zijn voor de mensheid, dus inclusief ‘grote’ naties als Iran of de USA. Of zijn die naties in werkelijkheid slechts pubers op een schoolplein?

Mare liberum (The sea is free)

This was once the idea as expressed by Hugo Grotius (1583–1645). The freedoms formulated by him were based on the following principles:

– No state or person can appropriate the sea;

– The resources of the sea are inexhaustible;

– Use of the sea by one state does not preclude use by another;

– The number of forms of use is relatively limited, and the space and possibilities are so enormous that conflicting use or damage to the marine environment are therefore inconceivable.

If only it were all true, Mr. Grotius. Unfortunately, times and realities are different.The first true codification occurred during the League of Nations’ Codification Conference on International Law in The Hague in 1930. The ink on the signatures had barely dried when the rising tide of nationalism, with a relay of territorial demands, swept across the oceans. The ‘fishing’ interests caused a wave of expansions. Like at Iceland, where the fishing boundary quickly went from 3 miles to 50 miles.

During the Third UN Conference on the Law of the Sea (1973-1982), a sort of all-encompassing regulation emerged. Referred to by some as ‘the world constitution of the oceans’. With no fewer than 320 articles and nine extensive appendices.

Of which one article, Article 137, is, in my view, still decisive, or should be, regarding the Strait of Hormuz. Article 137 states that no part of the Area or resources can be claimed or appropriated by states, corporations, or individuals. Use is free; taking ownership is not! ‘All rights in the resources of the Area are vested in mankind as a whole’.

Based on the thoughts of a truly great man, one Hugo Grotius. Developed over nearly 10 years (1973–1982) into something that could truly be good for humanity, thus including ‘major’ nations.

Waterschap Oudste overheid? Deel een.


Waterschap Oudste overheid? Ik denk het NIET. In de Grondwet van 1848 kwam voor het eerst de term ‘waterschap’ voor. Die wet bevatte slechts enkele artikelen over de waterstaat (190-193). In Grondwetten daarvoor kende we vele benamingen. Artikel 192 bepaalde, dat de Provinciale Staten bevoegd waren onder goedkeuring van de Koning in de bestaande inrichtingen en reglementen der waterschappen, veranderingen te maken en nieuwe vast te stellen. De grondwetgever beoogde met deze bepaling buiten kijf te stellen, dat de Staten bevoegd waren nieuwe waterschappen op te richten en bestaande op te heffen.

Deze bevoegdheid werd in de jaren 1842/43 bestreden door de Gelderse mr. A.G. Brouwer. Die stelde dat waterschappen verenigingen van particuliere belanghebbenden waren. Pas met de Grondwetsherziening van 1887 werd deze discussie beslecht. Toen werd deze bevoegdheid nadrukkelijk aan Provinciale Staten toegekend (artikel 190).

De kern vraag is wat is een waterschap?

Voor mij is een (lagere) overheid als een waterschap een organisatie die ondergeschikt is aan de ‘landheer’. Een waterschap kent een aantal kenmerkende taken c.q. uitvoeringsvormen. We ontdekken die in de oude stukken pas als de ‘waterschappen’ aan dijkbouw/beheer gaan doen. Maar ik denk dat de ontwateringstaak en ontginningstaak al vele honderden jaren eerder werd opgepakt door boeren en gemeenschappen.

Met name de onderlinge discussies tussen landbouwgemeenschappen en dorpen over de waterafvoer leidde al vroeg tot onderlinge regelingen, zoals het graven van weteringen. Ook in ‘landsheerloze’ gebieden zoals de Groninger Ommelanden weren deze vaak gestart door geërfdengemeenschappen.

In stukken is te vinden dat tot inwerkingtreding van het Gelderse rivierpolderreglement van 1837 er nog particuliere dijkstoelen functioneerden. Met de landheer bij onenigheid te vragen om bemiddeling.

Wat is in een naam? Voor mij is het zeker dat de eerste samenwerkingsvormen in het waterbeheer ontstonden omdat boeren tot de conclusie kwamen dat het waterbeheer beter kon. In besef dat je de buren niet moest benadelen. Dat “laat Gods water over Gods akker lopen” alleen maar meer ruzie bracht en geen voor beide meer opbrengst. En zo gingen gewone burgers ook zonder landheer samenwerken en dat kon ook zonder een overheid te worden.

En dat maakt voor mij dat de waterschappen niet per definitie de oudste overheid zijn. Maar dat de eerste samenwerkingsvormen ontstonden ruim voor dat de landheren zich als overheid, gingen gedragen. Het doet pijn maar de diverse vormen van landheerschappen, de graven, hertogen, ridders waren de eerste overheden!

Waterbeheersing is zou oud als de eerste boeren en geloof mij dat waren geen overheden. Maar gewoon mensen die het nut van samenwerken zagen.

Van privaatrechtelijke verenigingen werden de watergemeenschappen sluipenderwijs publiekrechtelijke lichamen. En nu, sluipenderwijs, van monistisch langzaam duaal worden.

Waterschap Oudste overheid? Deel twee.


Deel één leverde veel commentaar op. Vooral van mensen die nu actief zijn in de waterschappen en zich veelal niet verdiept hebben in de geschiedenis en aannemen dat wat nu de werkelijkheid is dat ook vroeger zo was.

Net als nu, gaf nieuwe regelgeving vroeger veel stof tot nadenken. Zo ook de totstandkoming van het Gelders Rivierpolderreglement 1837. Dat kende een hectische voorgeschiedenis. De voorloper werd op 7 oktober 1825 vastgesteld (tot de Gouverneur zijn stem uitbracht waren er 29 stemmen voor en 30 tegen in de Gelderse Staten (zijn stem was doorslaggevend). Toen keurde de koning een door hem gewijzigd voorstel goed en stonden te Staten op hun ‘achterste poten’. Dat leidde uiteindelijk tot een brief van het Gelderse Statenlid W.A. baron Schimmelpenninck van de Oye aan Thorbecke. Het gekrakeel leidde tot een nieuwe behandeling (waar ook zijne majesteit zich bij neerlegde) en in 1835 tot de instelling van een commissie van negen statenleden. Waaronder H.W. baron van Aylva van Pallandt van Waardenburg en Neerijnen. Deze commissie kwam in november 1835 met een nieuw ontwerp naar de Staten. 15 jaar felle discussies liepen ten einde.

De commissie leden waren grotendeels volgers van de latere bezwaar makende Gelderse mr. A.G. Brouwer (zie ook deel één). Zij stelden: “de polder-inrigtingen behooren tot eigendommelijke volksinstellingen, ontsproten uit het besef van zelfbehoud, van eigen veiligheid; zij beschouwden en daaruit ontsproten inrigtingen als heilige, onschendbare overeenkomsten, boven de algemeene wetten verheven.” In hun ogen waren ‘waterschappen in wezen contracten tussen grondeigenaren die tot een regeling waren gekomenen tot een verantwoording hunner eigen huishoudelijke behoeften en uitgaven’ (te vinden in het rapport van de commissie van de negen).

Brouwers standpunt was; “dat waterschappen zedelijke lichamen in de zin van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1690) van 1838 waren, en ook vóór 1838 nooit iets anders waren geweest dan privaatrechtelijk corporaties, die weliswaar ‘magt’, overheidsbevoegdheden, hadden, maar wier rechten, private rechten, niet door de provinciale overheid beknot konden worden”, “ze waren ontstaan uit overeenkomsten tussen grondeigenaren.” De Staten konden, naar zijn inzicht; ”administratieve voorschriften geven en politiebepalingen uitvaardigen, maar zij konden het poldercontract zelf niet aantasten.”

Uiteindelijk kwam aan de discussie een einde met de Grondwetsherziening van 1887 (artikel 190).

Nu zijn waterschappen een onderdeel van ‘overheid’ Maar dat is zeker niet altijd en overal, in wat nu Nederland, is zo geweest!

Waterschap Oudste overheid? Deel drie.


Het overlijden van stadhouder Willem III begin 1702 leidde in veel steden in de Republiek, na een begin in Nijmegen, tot onrusten (de plooierijen) en een strijd om de politieke macht tussen twee groepen regenten (stadsbestuurders): de Oude en de Nieuwe Plooi.

Dit mede gericht op het intrekken van het stadhouderlijk regeringsreglement uit 1674. Door die maatregel werden bestuurders vooral gekozen op basis van hun eventuele financiële inbreng (in de vorm van geldleningen aan de door hen bestuurde instellingen). Als voorbeeld de jaarrekening Veen en Veldendijk (Bunschoter Heemraadschap) waaruit blijkt dat de inleg van bestuurders opliep tot 46 % van de schuld van het Heemraadschap. Dit leidde ook dat bestuurders vanwege hun financiële verbondenheid langer in hun ambt bleven.

Vanaf 1620 vond er een protestantisering plaats (de consolidatie van de contraremonstranten) in het lokale en gewestelijke bestuur waarbij vooral Remonstranten en Katholieken werden uitgesloten van het bestuur van lokale en gewestelijke overheden.

Wat in die periode opvalt is dat vooral katholieke families wel bestuursfuncties verkregen in waterschap kringen. In het Bunschoter Heemraadschap overheerste de familie Van Camerbeeck en aanverwanten zoals de familie de Wijs. Van 1666 tot 1760 vindt de familie Van Camerbeeck haar plek de bestuurlijke en ambtelijke rangen. De familie de Wijs zelfs tot 1828. Beide families waren verzwagerd en katholiek.

Veel leden van beide families vervulden tegelijkertijd meerdere waterschapfuncties, vaak bij meerder waterschapen, vaak ook gecombineerd met functies in de burgermaatschappij als notaris.

Katholieken waren na de Synode van Dordt (1618-1619) niet meer welkom in de stedelijke en gewestelijke besturen maar wel bij in de waterschaporganisaties als heemraadschappen en polderbesturen, kennelijk werden deze niet gezien als een openbaarbestuursorgaan!!!!

Waterschap Oudste overheid? Deel vier.


De discussie of een polder of waterschap een openbaar/overheidslichaam was bleef actueel en werd keer op keer uit een ‘vergeten’ of ‘gesloten’ lade opgedoken.

Als voorbeeld een lid van het Comité Revolutionair in 1796 zo is te lezen in een resolutie van 22 juli 1796 (inventaris nummer 11. Te vinden in het Gemeente Archief Kampen dossier Archief van de Gecommitteerden van steden en vroeden van Mastenbroek): ‘Mastenbroek is een polder onder privaat bestuur, waar de provincie wel is waar inspraak kon verkrijgen mits de ingelanden met een stem naar rato van hun grondbezit daar toestemming voor zouden geven’.

Hoe openbaar het polderbestuur van Mastenbroek was blijk wel uit de financiële belangen van de bestuurders. Heyman Vriese vertegenwoordigde daarin Kampen (1660-1671), hij leende de polder 4000 gulden. Claes Cotges bestuurder namens Hasselt (1660-1687) waar hij burgemeester was, leende de polder 1000 gulden. De schout van de polder Bernard Holt leende de polder 3500 gulden en de stadssecretaris van Kampen met de familienaam Holt leende de polder 3000 gulden. Een met de familie Holt verzwagerde familie Crans ene Roelof leende met de functie van Stadskameraar (met 10,5 morgen land in de polder) leende de polder 4000 gulden (bron Archief van polder Mastenbroek, 1364-1807. Dit slechts een opsomming van de lenende bestuurders. Ook andere families (Golts, Waterham en Keiser) die via het Stadsbestuur van Kampen bij de polder betrokken waren leende aan de polder veel geld.

De polder Mastenbroek was feitelijk een investeringsvehikel! Een private onderneming!

Zelfs een aannemingsbedrijf was bij het bestuur betrokken zoals dat van Jan en Rijk ten Apel (1647-1687) en deden gewoon de advisering en de technische uitvoering van het waterbeheer!

De behoeft aan geld en de beschikbaarheid bepaalde in hoge mate samen met het grondbezit in de polder Mastenbroek wie betrokken was bij het bestuur. Zij beheerden feitelijk hun eigen geld.

Toen de Ridderschap inzage probeerde te krijgen in des polders-financiën (1767) moest er een deductie van de stadhouder aan te pas komen om enige openheid te bekomen. In die tijd werd langzaam maar zeker het private bestuursprincipe door burgers met minder bezittingen en door bestuurders met verlichtingsideeën bekritiseerd. Na de zware overstromingsramp van 1776 waar het dijkleger werd opgeroepen tot de bijstandsplicht en de vele protesten werd langzaam maar zeker de participatie van het ‘gewone’ volk (de kleine grondeigenaren) en door de revolutie afgedwongen.

Langzaam kregen de private waterschappen meer het karakter van een overheid.

Waterschap Oudste overheid? Deel vijf.


De komst van de landelijke waterstaat, in de tweede helft van de achttiende eeuw, was het start punt van de geleidelijke ondergang van de Republiek. De vorming van de eenheidsstaat der Nederlanden in 1796, was het einde van de soevereine gewesten en alsdan een belangrijke verandering van de positie van de waterschappen.

De toepassing van de beginselen van gelijkheid en vrijheid op de van standsbeginselen doortrokken organisaties bepekte zich op voorhand tot uiterlijkheden. Meer tot veranderingen in personen dan tot herziening van het stelsel. Deze persoonlijke wisselingen veranderde de bovenlaag in de hiërarchie van de waterschappen. In de dorpen en landelijke gemeenschappen ontbraken de ijverige ‘gildeachtige’ patriottische landeigenaren, die de basis vormde waaruit de waterschapbesturen volgens de patriottische beginselen van die tij gevormd hadden moeten worden. Bij sommige overkoepelende waterschappen werden hervormingen wel beproefd, maar het bleef bij wat papieren exercities! De waterschappen waren bestuurlijk weerbarstig, de Franse bestuurspraktijk paste hier niet op. Ook viel de enkele wel met een patriottische geest bezielde bestuurders als snel terug op de gedragslijnen van het de meer aristocratische voorgangers.

Ik zou zeggen: de zegenrijke invloed van krachtige werkende tradities. Deze persoonsfactoren leidde uiteindelijk tot het behoud van de positie van de waterschappen in de nieuwgevormde éénheidstaat!

Wat zeker ook meespeelde was de rol en persoonlijkheid van Christiaan Brunings, de eerste directeur-generaal van Rijkswaterstaat. Hij was toen reeds lange tijd opziener van het Hoogheemraadschap Rijnland en daarmee blijvend verbonden door zijn ambtswoning op Zwanenburg. Zonder Rijnland en Zwanenburg zou hij niet zijn wie hij was! Voor hem was het logisch dat zijn positie bij Rijkswaterstaat niet zou leidden tot veranderingen in de positie van de waterschappen. Na zijn vertrek volgde zijn leerling F.W. Conrad hem in beide functies op.

Koning Lodewijk begon wel met een hervorming van de waterstaat. Er kwamen echte algemene waterstaatwetten. Er kwam een soort van bovenbouw van ringcommissies over de waterschappen. Deze ondervonden veel verzet van de waterschappen en werden snel na de omwenteling in 1818 opgeheven. De waterschapstructuren bleven ook, middels een organiek decreet, ook in stand na de inlijving bij Frankrijk (1810). Wel werden de bevoegdheden der waterschappen beknot. Maar dat werd door Koning Willem I teruggedraaid. Het werden weer conservatieve iet wat saaie bestuursorganen. In de ogen van Koning Willem I leende deze zich ook slecht voor politieke romantisering, het waterbeheer was dan ook een zakelijke aangelegenheid met een beperkte kring van opgaven, tot waarvan vervulling weinig fantasie en veel technische kennis vereist.

Wir haben es nicht gewußt








Het wordt tijd dat ook Nederlandse politici voor hun falen aangeklaagd kunnen worden. Zeker als het falen betrekking heeft over de zorg voor zoiets als water een levensvoorwaarde. Voldoende goed en betrouwbaar drinkwater en water voor de landbouw en vaarwegen. De primaire basis van ons bestaan. Waarom werd de inhoud van onderstaande publicaties grotendeels genegeerd? Het antwoord is: Korte termijn denken en GELD. De angst de burger uit te moeten leggen dat, denken aan de toekomst en aan de zorg voor het nageslacht, helaas geld kost.

Boeken als “De toekomstige drinkwatervoorziening van Nederland” een rapport van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965. Maar ook het boekje van Ir P. Stoter “zoet water voor de Delta een groeiend probleem” uit 1973. Maar zeker ook “Waterbeleid voor de 21e eeuw van de commissie Tielrooy (2001). Maar ook de nota “De waterhuishouding van Nederland samengesteld door Rijkswaterstaat in 1968 had politiek tot beleid moeten leiden!

Het grotendeels negeren van al dit deze adviezen zijn in mijn ogen een falen op basis van wanbeleid. Ze (de politici) zouden beter moeten weten! Hef hun onschendbaarheid maar op!

Is mijn frustratie nieuw en gebaseerd op de huidige droogte? NEE. Al in 2018 schreef ik er over.

https://onswater.com/2018/08/over-water-148-ze-wisten-het-en-deden-niets/

Ze wisten het en deden niets!! Voor mij een vervolgbaar falen. Ik wil ‘Wir haben es nicht gewußt’ in het Nederlands niet horen! Want ze hadden het kunnen weten als ze de stukken van wetenschappers en betrokken ingenieurs maar serieuzer hadden genomen dan de korte termijn verkiezingsresultaten.

Besturen zou moeten zijn, verantwoordelijkheid nemen en dragen!

‘Wir haben es nicht gewußt’ deel 2








Op mijn eerdere artikel met deze titel heb ik veel commentaar gekregen. Ik vind oprecht dat het tijd wordt dat ook Nederlandse politici voor hun falen aangeklaagd kunnen worden. Zeker als het falen betrekking heeft over de zorg voor zoiets als water, een levensvoorwaarde.

We leven in “De Sorry-democratie” (1998), de titel van een boekwerk van Ed van Thijn c.a.

Boeken als “De toekomstige drinkwatervoorziening van Nederland” een rapport van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965. Maar ook het boekje van Ir P. Stoter “zoet water voor de Delta een groeiend probleem” uit 1973. En het “Waterbeleid voor de 21e eeuw van de commissie Tielrooy (2001). Maar ook de nota “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat in 1968 hadden tot beleid moeten leiden!

Voor mij is de focus op geld en lage belastingen, en daardoor geen beleid, een systematisch ondermijning van Neerlands toekomst. Kijk naar de bouwers van ons land. Zonder Lely’s werk als ingenieur en minister had ons heden er anders uitgezien. Bestuurders als hij kozen niet voor de korte termijn.

Besef eens wat slecht beleid feitelijk in de loop der jaren kost. Waarbij het niet alleen over het waterbeheer gaat. Zoals de economische kosten van te zuinige brugaanleg (de Merwedebrug). Ze konden het wel want de brugdelen van de oude Moerdijkbrug doen 90 jaar na hun bouw nog steeds dienst. 6 delen bij Geertruidenberg over de Maas en ook een aantal delen bij Spijkenisse!

Ik ben geen klimaat ontkenner want de 30 jaargemiddelden van de afgelopen 100 jaar zijn duidelijk. Tegelijkertijd zijn de huidige ‘klimmaatextremen’ geen klimaat extremen maar variaties in het klimaat, lees eens de “Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen” 8 delen van de hand van J. Buisman. Besef eens dat de droogte van nu voor ons bijzonder lijkt maar de droogteperiode van 1920/21 duurde 16 maanden!!!! De droogte van nu en de economische gevolgen zijn groot. MEN HAD HET KUNNEN WETEN! Dit soort droge periodes zijn van alle tijden en de kansen daarop worden door de klimaatveranderingen nog groter.

Het grotendeels negeren van al de voornoemde ambtelijke adviezen zijn in mijn ogen een falen op basis van wanbeleid. Ze (de politici) zouden beter moeten weten! Sorry zeggen is niet voldoende, vertrekken ook niet. Het wordt tijd, zeker gezien de economische schades, dat de rechter hier eens naar gaat kijken. Als is het maar om de koninklijke onderscheidingen eens in te gaan vorderen. Want de bestuurders die niet vooruitkijken maar vooral oog bleken te hebben gehad voor hun electoraat hebben gefaald terwijl ze beter hadden kunnen weten. Is dat een ambtsmisdrijf? Voor mij wel! Maar over misdrijven gaan, in een rechtstaat, rechters. Maar bestuurders zijn feitelijk, na hun afscheid wel of niet op eigen initiatief, onschendbaar.

De Maas als grens een soort van Straat van Hormuz.


In het Congres van Wenen (1815) werd de basis gelegd voor de vrije scheepvaart op de Europese Rivieren. In augustus 1816 startte de Centrale Commissie en kwam in maart 1831 met het Rijnvaartverdrag de Acte van Mainz wat in oktober 1868 resulteerde in de Acte van Mannheim.

Maar deze acte had meer voorlopers/voorbeelden zoals de overeenkomsten van 1675 en 1820 over de Sambre en de overeenkomsten van 1779, 1785 en 1820 over de Semoy, en van later de Ems-akte van 1843.

Maar er waren ook grote interpretatie verschillen. Zo beschouwde Nederland in die tijd de Rijn ten westen van Krimpen en Gorinchem (stonden onder invloed van eb en vloed) niet meer als de Rijn maar als territoriaal zeegebied. De herkomst van het water was ook niet meer te duiden (Maas of Rijn?). En eiste voor de doorvaart over dat ‘territoriale zeewater ’betaling!

In 1842 werd dat allemaal geregel in het Scheepvaartstatuut van de Maas en het Maasreglement als uitvoering van het verdrag van Londen (1839). En later uitgewerkt in het verdrag van 1885.

Wat kunnen we leren van deze geschiedenis om tot opening van de Straat van Hormuz te komen?

Eén ding is duidelijk verdragen kennen heel lange onderhandelingstermijnen!

Mijn advies lees eens “Het Internationaal statuut van de Maas”! Een academisch proefschrift van Jan Barents (1940) van ruim 150 pagina’s en leer! Bij mij te koop voor 8 euro.

The Meuse as a border, a kind of Strait of Hormuz.

At the Congress of Vienna (1815), the foundation was laid for free navigation on European rivers. In August 1816, the Central Commission was established, and in March 1831 came the Rhine Navigation Treaty, the Act of Mainz, which resulted in the Act of Mannheim in October 1868.

However, this act had more predecessors/examples, such as the agreements of 1675 and 1820 regarding the Sambre and the agreements of 1779, 1785, and 1820 regarding the Semoy, and later the Ems Act of 1843.

But there were also major differences in interpretation. For instance, at that time, the Netherlands no longer considered the Rhine west of Krimpen and Gorinchem (which were subject to tides) as the Rhine, but as a territorial sea area. The origin of the water could also no longer be determined (Meuse or Rhine?). And demanded payment for passage over that ‘territorial seawater’!

In 1842, all of this was regulated in the Shipping Statute of the Meuse and the Meuse Regulations as an implementation of the Treaty of London (1839). And later elaborated in the treaty of 1885.

What can we learn from this history to achieve the opening of the Strait of Hormuz?

One thing is clear: treaties involve very long negotiation periods!

My advice: read “The International Statute of the Meuse”! An academic dissertation by Jan Barents (1940) of over 150 pages, and learn! Available from me for 8 euros.

Droogte


Dagelijks is een groot deel van het NOS journaal en de gedrukte media gewijd aan de droogte en de verzilting. Ik erger mij er dan aan dat de korte termijnproblemen niet worden vertaald naar lange termijn oorzaken en oplossingen.

Nu worden we geconfronteerd met een droogte die zijn weerga in de recente geschiedenis niet kent. 1976 werd steeds beschouwd als een incident. We laten droogteperiode van 1920/1921 die 16 maanden duurde maar even buiten beschouwing. De deskundigen voorspellen nu een meer dan hete toekomst. De zomer van 2018 kan wel eens de standaard worden. Was dit te voorzien? JA!!!!

In 1965 “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland”, samengesteld door Rijkswaterstaat 1968, werden met een vooruit ziende blik een aantal (toen toekomstige) problemen in beeld gebracht. Verzilting stond toen al hoog op de agenda van Rijkswaterstaat. Niet vanwege de klimaatverandering en de zeespiegelstijging, want die waren toen politiek nog niet aan de orde. Natuurlijk spelen de klimaatverandering en de zeespiegelstijging een rol bij de droogte en de verzilting. Maar als de grootste oorzaak toen werd een andere schuldige aangewezen: de veranderingen rond de Nieuwe Waterweg!

Vanaf eind vijftiger jaren van de vorige eeuw tot 1968 zijn er belangrijke ontwikkelingen geweest die de zoetwatervraag, om de verzilting via de Nieuwe Waterweg tegen te gaan, hebben doen toenemen van circa 300 m3/s naar circa 700/800 m3/s. De uitbreiding van het havenareaal (Europoort, Botlekhavens, Eemhaven) en de verdieping van de vaarweg naar deze havens, alsmede de verdieping van de oliegeul vanuit zee naar de monding van de Nieuwe Waterweg hebben het vloedvolume toen enorm doen toenemen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de rivier zich aangepast heeft aan het toegenomen getijvolume op het traject van de rivier tussen de mond en de betreffende havens. Hierdoor ontstond een verdieping van de rivier in de periode 1958/1964 van circa 2 meter door een proces van terugschrijdende erosie op het traject Hoek van Holland – Maassluis. De verwachting in 1968 was dat dit proces voort zou gaan. Als aanpassing op dit proces werd de norm van het chloridegehalte ter hoogte van de Parkhaven (300mg/l) losgelaten en de toetsplek werd verlegd naar de mond van de Hollandsche IJssel en werd het advies gegeven: “de bodem van de Nieuwe Maas en de Nieuwe Waterweg te verhogen en vast te leggen.” (Bron: “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).

Gebeurde dit? Nee, het was volgens de politiek immers niet nodig en volgens Rotterdam en de havenbaronnen ongewenst. De Deltawerken kwamen er aan en het zoete water kon door de dammen gestopt worden en doorgeleid worden naar zee via de Nieuwe Waterweg. Maar de Rotterdamse groot muil werd nog groter. Sinds 1968 bleven er gewoon havens bij komen. Dit leidde er toe dat van oude afspraken steeds minder terecht kwam. Als voorbeeld de geschiedenis van de afspraken rond het Volkerak-Zoommeer: “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloride norm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt”. “In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte..”

“In het ‘droge’ jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.” (Bron: pagina’s 87/88 van de Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie, oktober 2014).

In november 2014 schreef ik “Wie zijn de slachtoffers van deze zoet water honger van de Nieuwe Waterweg? De boeren en tuinders van Zuid-Holland, Zeeland en West-Brabant en de drinkwaterleidingbedrijven in laag Nederland en daarmee alle consumenten van dat drinkwater. Zij lijden de schades veroorzaakt door de verzilting in de vorm van mindere opbrengsten en hogere kosten. Natuurlijk erken ik dat Rotterdam en zijn havens voor de BV Nederland van onschatbare waarde zijn. Maar het jaar na jaar afwentelen van de verziltingproblemen op boeren, tuinders en drinkwaterbedrijven en het laten verzilten van zoete natuurgebieden zoals laagveen moerassen kan niet blijven voortduren. Het gat dat de Nieuw Waterweg heet moet vergaand gedicht worden. Door sluizen die, als er gebrek is aan zoet water, geschut kunnen worden en door maatregelen die al in 1965 en 1968 werden genoemd als alternatieven, zoals het verhogen/vastleggen van de bodem van de Nieuwe Waterweg eventueel met een drempel en luchtbellenschermen, die nu nog steeds als innovatief door Rijkswaterstaat worden betiteld maar in 1968 al in de grote schutsluizen te IJmuiden werden gebruikt (bron: pagina 33 “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).”

Het wordt tijd dat de landelijke politiek nu echt zijn werk gaat doen en doorkrijgt dat vanaf eind jaren vijftig van de vorige eeuw de rest van Nederland gebruikt wordt als zoetwaterleverancier voor de eeuwig hongerige Nieuwe Waterweg. Rotterdam moet ophouden de problemen die haar havenactiviteiten veroorzaken af te wentelen op de rest van Nederland. De laksheid om de wijze raad uit de jaren zestig niet te vertalen in sluizen in de Nieuwe Waterweg kost onze economie nu miljarden euro’s en kan boeren aan de bedelstaf brengen. Ga nu aan de slag dan kunnen we mogelijk over 15 tot 20 jaar de stop op het gat van de Nieuwe Waterweg drukken en daarmee dit zoetwaterlek feitelijk dichten. Nu stroomt er per seconde circa 800 kubieke meter kostbaar zoet water weg. De voorraad in het IJsselmeer is immers niet oneindig. Als we dan toch over de toekomst en zoet water gaan nadenken stoft dan ook het “Waterbeleid voor de 21e eeuw”, het advies van de Commissie waterbeheer 21e eeuw onder voorzitterschap van oud-gedeputeerde Tielrooij eens af en herlees eens pagina 74 onder het kopje verzilting: “Door toenemende verzilting en drogere zomers zal de vraag naar zoet water voor doorspoeling en beregening in West-Nederland toenemen. De aanvoer van zoet water in de zomer zal echter juist afnemen in Zuidwest-Nederland, de Wieringermeer en in de droogmakerijen zal de beschikbaarheid van zoet water in toenemende mate een knelpunt worden voor de daar aanwezige glastuinbouw, vollegrondstuinbouw, bollenteelt en ook de akkerbouw. De Commissie wil daarom aandringen op het aanleggen van zoetwatervoorraden binnen de regio’s.” Geschreven in het jaar 2000.

Na de adviezen van Rijkswaterstaat uit 1968, vijftig jaar geleden, en van de commissie Tielrooij (2000) is er kostbare tijd verspild. Daar betalen de boeren, transporteurs over water en industrieën nu een grote prijs voor. Ga denken en handelen, zodat het waterbeheer in Nederland echt toekomstbestendig wordt.

Louis van der Kallen van Ons Water. In 2027 bij de waterschapsverkiezingen voor Waterschap Brabantse Delta, lijst 3.