Waterparadox


In bestuurlijke zin zijn waterschappen enorm veranderd. Toen in 1970 de waterschappen de zuivering/waterkwaliteitstaak erbij kregen waren waterschappen feitelijk ‘boerenrepublieken’ die op weinig aandacht van anderen dan boeren konden rekenen. Met de komst van de organieke Waterschapswet in 1992 (meer dan 140 jaar na gemeente en provincie wetten van Thorbecke) ontstond langzaam maar zeker het besef, bij de andere overheden, van de rol van waterschappen bij het (regionale) waterbeheer. Ook ontstond het groeiende besef van het begrip dat ‘water en bodem’ sturend zouden moeten zijn bij de ruimtelijke ordening, daardoor kwam steeds sterker de gedachte op dat waterbeheer niet bij functionele democratie hoort maar zou moeten vallen onder de algemene democratie.

Stap voor stap is na 1992 de weg ingezet naar opheffing van de waterschappen. Eerst zijn de vele bestuurlijke verschillen in waterschappen verdwenen. Vanaf de tijd van Thorbecke werden de organieke verschillen grotendeels weg gefuseerd. In 1992 waren er nog een paar verschillende over (kwantiteit waterschappen, all-in waterschappen, zuiveringschappen en als rariteit Blija Buitendijks in Friesland. Nu is er nog maar één soort waterschap, all-in waterschappen.

Tot 2008 waren de verkiezingen van de waterschappen een gebaseerd op een personenstelsel. Geen partijen stonden op een stembiljetten maar individuele personen. In 2008 werden de eerste waterschapverkiezingen gehouden op basis van het lijstenstelsel en deden politieke partijen hun intrede. Niet meer de kwaliteiten van de individuele kandidaten waren bepalend voor de keuze van de kiezer maar het programma van de partijen! De waterschappens verkiezingen gingen al snel parallel lopen met de Statenverkiezingen. Nog een stap richting de algemene democratie. De algemene belangen werden bij de keuze van de kiezer belangrijker dan de waterbelangen. Voor zover de kiezer zich die al realiseerde!

De uitholling is stapsgewijs verdergegaan in het terugdringen van ‘het belang, betaling, zeggenschap’ o.a. met het verdwijnen van de categorie “bedrijfsgebouwd”. Langzaam komt de eindfase inzicht. De opheffing van de waterschappen als aparte overheid.

Vanaf 1993 zit ik, toen als verdwaalde stedeling, in waterschapsbesturen. Ik heb het zien veranderen en niet ten goede. De boerenrepublieken van toen waren meer gericht op het algemene waterbelang dan de waterschappen van nu. De goed opgeleide boeren bestuurders van toen beseffen bijna allemaal dat ze de bestuursfunctie niet alleen beklede voor het ‘boerenbelang’. De boeren van nu in de categorie ongebouwd of in de fractie van de BBB en de boeren in andere fracties gaan nu bijna uitsluitend voor de boerenbelangen. Ze zijn echte belangenbehartigers! Het is nu formeel aan de categorie ingezetenen (de partijen) om het echte algemene belang te vertegenwoordigers.

Maar wat mij echt pijn doet is de enorme achteruitgang in de kwaliteit van de bestuurders (de gekozenen). Het zijn politici, vaak zonder specifieke kennis van zaken. Soms zijn jaren nodig om heb enige basiskennis van de taken van waterschappen bij te brengen. De deskundigheid en de passie zijn grotendeels verdwenen.

Vele jaren was ik ervan overtuigd dat het voortbestaan van waterschappen noodzakelijk was voor goede waterstaatszorg. Nu denk ik anders. Nu gaan de discussies in de vergaderingen vooral over geld en tarieven in plaats over wat nodig is.

In mijn hoofd klinkt dan ook keer op keer de woorden van Dr. Ir. C. Lely: “Het geldt hier niet het opmaken van een winst- en verliesrekening, het is hier een kwestie van noodzakelijkheid, van overwegend landsbelang…”

Nu pleit ik er voor de waterschappen als aparte werkeenheden onder te brengen bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Hoe verder weg van de politiek hoe beter. De waterschappolitiek lijkt steeds meer over geld te gaan in plaats van de echte waterbelangen; veilige dijken en de zoetwatervoorzieningen voor boeren, burgers en bedrijven.

De bestuurlijke waterparadox is dat sinds de invoering van de Waterschapswet in 1992, ook toen werd de kreet “water en bodem sturend” al gebruikt, de waterschappen van een functionele democratie steeds meer richting een algemeen democratie zijn afgedreven en de formele tijdbesteding van de Dagelijks Bestuurders/Heemraden is toegenomen van gemiddeld 20 % naar 80 %. Hun salaris is exclusief de inflatiestijgingen verviervoudigd! En de eens op basis van hun persoonlijke kwaliteiten verkozenen zijn nu, zonder specifieke kennis van het waterbeheer, op partij basis gekozenen geworden.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Reacties zijn gesloten.