il partigiano 54

Ik las recent het artikel “De wind als gratis drijfkracht voor de polderbemaling” van de hand van Jhr. Mr. F. van Ryckevorsel Jr. , destijds (1934) bestuurslid van “De Hollandse Molen”.

Het artikel begint met: “Een oude volksspreuk zegt: Gelukkig is het land, waar ’t kind zijn moer verbrandt, hetgeen zeggen wil: Gelukkig is het land, dat zijn energiebronnen, zoals warmte enz. gratis en met weinig onkosten exploiteert. Een dergelijk land heeft een groten voorsprong op die landen, die hun energiebronnen met veel moeite moeten winnen en grotere kosten daartoe moeten aanwenden”.

Hij verwees naar de 17e eeuw toen de zeilen van de Hollandse schepen en de zeilen van de Hollandse molens Holland welvarend en sterk maakten. Het was de wind die vele Nederlandse polders droogmaalde. In die Gouden Eeuw was het de wind die Nederland als goedkope energie- en krachtbron is staat stelde haar producten billijk te produceren en voor een goede prijs kon verkopen.

Het stoomgemaal “de Crucius” was het sein tot het slopen van veel poldermolens en na 1920 kwam daar de elektrische krachtbron bij. De eens het landschap dominerende poldermolens werden gemalen soms verstopt in kleine betonnen gebouwtjes die voor de afwatering gingen zorgen.

Gedurende enkele eeuwen kenden de windmolens in Nederland eigenlijk maar één wiekvorm, namelijk het ‘Oudhollands tuig’.

In de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw ging men op zoek naar mogelijkheden om het rendement van de windmolen te verhogen. , zodat die de concurrentiestrijd met stoommachines, dieselmotoren e.d. beter aan zou kunnen.

Er werden allerlei wiekverbeteringen ontwikkeld die toepassing vonden in een flink aantal molens. Van het dwarsgetuigde en het Oudhollandse gevlucht tot zelfzwichting systemen. Ook de systemen Von Baumhauer (ingenieur van de Rijks-studiedienst voor de luchtvaart), Dekker (patent nummer 24753, nog aanwezig op de Groenendijkse Molen in Hazerswoude-Rijndijk. Dekker ontwikkelde samen met anderen ook de fokwiek, nu nog aanwezig op de Broekzijder Molen in Abcoude).

Ook heden ten dage zijn wij als waterschapbestuurders schatplichtig aan ingenieurs als Adrianus Dekker, Chris van Bussel, Kurt Bilau, van Riet, Ten Have en P.L Fauël, die vernieuwingen brachten bij poldermolens. Uiteindelijk werd niet windkracht maar elektrische energie de krachtbron van waterschapgemalen. Wel gaat het er steeds meer op lijken dat wind toch terugkeert als basiskrachtbron voor de gemalen. Nu nog de aanvaarding als ‘verrijking’ van ons landschap als blijk van waardering voor de rol die de wind eerder heeft gespeeld bij de vermogensvorming van ons waterrijke landje.

il partigiano

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *