
In de waterschapkringen waarin ik mij een groot deel van mijn leven heeft bevonden heerst het denken dat 1953 de norm heeft gesteld als het gaat over de hoogste waterstanden die in de Nederlanden waternoden hebben veroorzaakt.
Ik zelf denk dat zonder 1953 en haar gevolgen te willen bagatelliseren 1570 erger/hoger was.
Ook de getuigenis van een Antwerpse ooggetuige is zelfs heden ten dage beangstigend:
“Wy mogen te recht met Jeremiam spreken De doot is tot onseren vensteren ingespronghen Hutten, huysen, sloten sach men d’water breken Nau sluys oft zyl die ’t wel heeft bedwongen.
Den noerdtwesten wint heeft ’s nachts doergedrongen, Dat hy duysenten op ’t bedde verrascht heeft metter doot.
Is ’t wel uyt te spreken met eenighe tonghen, Hoe deerlycken de levende naeckt en bloot, ‘ Riepen: ‘Redde, redde, help, help in waters noot Och dit gescreye dueree desen duysteren nacht.
Daer saten de huysen op het hooge sandt, Den huysraet dreef om haer, ’t volck was gebleven.
Hoybergen, stroyscelven men vondt gedreven Aen moerten, geestlanden en hooge heyden: Hier saten de naeckte liedekens beneven, Die de handen wrongen en haer verlies bescreyden.
Dat woert, dat ons den propheet te voeren spelde Wy levende met ons ooghen sagen, Namelyck dat de doode lichaemen op den velde Als verstroyt mes op den velde verdroncken lagen.
Hoe ellendich hingen sy aen heggen en haghen, Met cuskens, lakens en bedden doer nadt, Hier lagen raderen, daer ploech en waghen, Hier een tonne bier, daer ene botervadt.
Wat lagen daer kisten, daer uyt was den scat Met scoone cleederen, die d’water sceynde.
Runderen, peerden, coeyen uyt weyden en stallen, Ossen en vette swynen met hoopen Sach men ligghen aen de hoochten der wallen.
Het was oock aen te sien seer deerlyck Als sommige vroukens lagen aen den strande, Die om haer kints levens waeren so begeerlyck Dat sy haer lyf lieten daervoer te pande; Met het aensicht lagen sy gedruckt in den sande In haer bestorven handen het doode kint lach.
Andere sach men oock sitten op den dyck Met de doode kinderkens op den scoot, sy wieschen deselfde van modder en slyck: Het clagen en weenen was daer groot.”
Ter nagedachtenis aan deze ramp werd te Scheveningen een bord geschilderd met de tekst:
In Tiaar Van Tseventich Ende Vyftien Hondert, Ghebevrdet Hier Tschevelinge Op Alder Heyligen Dach, Tzee Water Liep In Dese Kerck Elcx Ver Wondert, Drie Voet ende 2 Duym Hooch Alsmen Doen Sach, Oock Mede Anden Hoogen Outaar, Hoort Dit Gewach, Ende Inde Sacristy en Kercken Comptoor, Mit List, Omme Werpende Met Des Waters Geslach, Eenen Grooten Swaeren Ysseren Kist; Men Heefter Wel Hondert en 28 Huysen Gemist, Ende Weynich Synder Ongeschent Gebleven; Die Schepen Waren Doort Dorp Gedreeven, Doende Groote Scade; Elck Maect Daerop Mentie, Drie menschen verdroncken, Gelaten Het Leven, Dus Hier Grooten Druck Beneven; Waer Om Het geschiede Laet Ick Godt Die sententie.