Waterschap Oudste overheid? Deel vijf.


De komst van de landelijke waterstaat, in de tweede helft van de achttiende eeuw, was het start punt van de geleidelijke ondergang van de Republiek. De vorming van de eenheidsstaat der Nederlanden in 1796, was het einde van de soevereine gewesten en alsdan een belangrijke verandering van de positie van de waterschappen.

De toepassing van de beginselen van gelijkheid en vrijheid op de van standsbeginselen doortrokken organisaties bepekte zich op voorhand tot uiterlijkheden. Meer tot veranderingen in personen dan tot herziening van het stelsel. Deze persoonlijke wisselingen veranderde de bovenlaag in de hiërarchie van de waterschappen. In de dorpen en landelijke gemeenschappen ontbraken de ijverige ‘gildeachtige’ patriottische landeigenaren, die de basis vormde waaruit de waterschapbesturen volgens de patriottische beginselen van die tij gevormd hadden moeten worden. Bij sommige overkoepelende waterschappen werden hervormingen wel beproefd, maar het bleef bij wat papieren exercities! De waterschappen waren bestuurlijk weerbarstig, de Franse bestuurspraktijk paste hier niet op. Ook viel de enkele wel met een patriottische geest bezielde bestuurders als snel terug op de gedragslijnen van het de meer aristocratische voorgangers.

Ik zou zeggen: de zegenrijke invloed van krachtige werkende tradities. Deze persoonsfactoren leidde uiteindelijk tot het behoud van de positie van de waterschappen in de nieuwgevormde éénheidstaat!

Wat zeker ook meespeelde was de rol en persoonlijkheid van Christiaan Brunings, de eerste directeur-generaal van Rijkswaterstaat. Hij was toen reeds lange tijd opziener van het Hoogheemraadschap Rijnland en daarmee blijvend verbonden door zijn ambtswoning op Zwanenburg. Zonder Rijnland en Zwanenburg zou hij niet zijn wie hij was! Voor hem was het logisch dat zijn positie bij Rijkswaterstaat niet zou leidden tot veranderingen in de positie van de waterschappen. Na zijn vertrek volgde zijn leerling F.W. Conrad hem in beide functies op.

Koning Lodewijk begon wel met een hervorming van de waterstaat. Er kwamen echte algemene waterstaatwetten. Er kwam een soort van bovenbouw van ringcommissies over de waterschappen. Deze ondervonden veel verzet van de waterschappen en werden snel na de omwenteling in 1818 opgeheven. De waterschapstructuren bleven ook, middels een organiek decreet, ook in stand na de inlijving bij Frankrijk (1810). Wel werden de bevoegdheden der waterschappen beknot. Maar dat werd door Koning Willem I teruggedraaid. Het werden weer conservatieve iet wat saaie bestuursorganen. In de ogen van Koning Willem I leende deze zich ook slecht voor politieke romantisering, het waterbeheer was dan ook een zakelijke aangelegenheid met een beperkte kring van opgaven, tot waarvan vervulling weinig fantasie en veel technische kennis vereist.

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Reacties zijn gesloten.