
De discussie of een polder of waterschap een openbaar/overheidslichaam was bleef actueel en werd keer op keer uit een ‘vergeten’ of ‘gesloten’ lade opgedoken.
Als voorbeeld een lid van het Comité Revolutionair in 1796 zo is te lezen in een resolutie van 22 juli 1796 (inventaris nummer 11. Te vinden in het Gemeente Archief Kampen dossier Archief van de Gecommitteerden van steden en vroeden van Mastenbroek): ‘Mastenbroek is een polder onder privaat bestuur, waar de provincie wel is waar inspraak kon verkrijgen mits de ingelanden met een stem naar rato van hun grondbezit daar toestemming voor zouden geven’.
Hoe openbaar het polderbestuur van Mastenbroek was blijk wel uit de financiële belangen van de bestuurders. Heyman Vriese vertegenwoordigde daarin Kampen (1660-1671), hij leende de polder 4000 gulden. Claes Cotges bestuurder namens Hasselt (1660-1687) waar hij burgemeester was, leende de polder 1000 gulden. De schout van de polder Bernard Holt leende de polder 3500 gulden en de stadssecretaris van Kampen met de familienaam Holt leende de polder 3000 gulden. Een met de familie Holt verzwagerde familie Crans ene Roelof leende met de functie van Stadskameraar (met 10,5 morgen land in de polder) leende de polder 4000 gulden (bron Archief van polder Mastenbroek, 1364-1807. Dit slechts een opsomming van de lenende bestuurders. Ook andere families (Golts, Waterham en Keiser) die via het Stadsbestuur van Kampen bij de polder betrokken waren leende aan de polder veel geld.
De polder Mastenbroek was feitelijk een investeringsvehikel! Een private onderneming!
Zelfs een aannemingsbedrijf was bij het bestuur betrokken zoals dat van Jan en Rijk ten Apel (1647-1687) en deden gewoon de advisering en de technische uitvoering van het waterbeheer!
De behoeft aan geld en de beschikbaarheid bepaalde in hoge mate samen met het grondbezit in de polder Mastenbroek wie betrokken was bij het bestuur. Zij beheerden feitelijk hun eigen geld.
Toen de Ridderschap inzage probeerde te krijgen in des polders-financiën (1767) moest er een deductie van de stadhouder aan te pas komen om enige openheid te bekomen. In die tijd werd langzaam maar zeker het private bestuursprincipe door burgers met minder bezittingen en door bestuurders met verlichtingsideeën bekritiseerd. Na de zware overstromingsramp van 1776 waar het dijkleger werd opgeroepen tot de bijstandsplicht en de vele protesten werd langzaam maar zeker de participatie van het ‘gewone’ volk (de kleine grondeigenaren) en door de revolutie afgedwongen.
Langzaam kregen de private waterschappen meer het karakter van een overheid.