
In il partigiano 21 schreef ik naar aanleiding van het feit dat je klaarblijkelijk minimaal een paar hectaren (gras-)land moest bezitten om lid van het Dagelijks Bestuur (DB) te kunnen worden: “Geen enkele stedeling in het DB van het waterschap. In mijn 30-jarige ervaring in waterschapsbesturen heb ik dat nog nooit meegemaakt. Boer en/of bewoner van het buitengebied en/of groot (gras)landbezitter schijnen de nieuwe voorwaarden te zijn om toe te kunnen treden tot het DB van het waterschap. Ik zal de wet er nog eens op naslaan.”
Dat heb ik gedaan, gebruiken (wettelijke regels) uit oude tijden lijken ingevoerd te zijn.
In “Het Generaal Reglement van 20 januari 1791” (“Generaal Reglement op het bestier der Dykagien binnen de Provintie Zeeland”) las ik in Hoofstuk 1 (de polder bestuurlijke zaken) in artikel 1 dat het bezit van 8,9 hectare eigendom vereist was om dijkgraaf te kunnen zijn en 4,5 hectaren eigendom vereist was om gezworene (DB Lid/ Heemraad) te kunnen zijn.
En ik maar denken dat bezit geen voorwaarde was voor democratische rechten! Met de komst van de BBB herleven dus oude tijden en is het dus logisch (verklaarbaar) dat vier van de vijf DB leden agrarische belangen hebben en de vijfde ook in het buitengebied woont en in het rijke bezit van een paardewei is.
il partigiano