
In het artikel “Waterparadox” was een aanbeveling van mij de waterschappen als aparte werkeenheden onder te brengen bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Met als hoofdargument dat huidige debatten in de waterschapbesturen steeds meer over geld lijken te gaan dan over de waterbelangen; veilige dijken en de zoetwatervoorzieningen voor boeren, burgers en bedrijven.
Sinds Thorbecke is er een sluipend proces aan de gang waar bij de zelfstandigheid van de waterschappen als functioneel bestuur systematisch is ondermijnd en het beleid is omgebogen naar dienstbaarheid aan de hogere overheden.
Ik probeer keer op keer te doorgronden waarom zaken gaan zoals ze gaan. Ik voelde mij in hart en nieren een waterschapbestuurder die zijn hele bestuurlijke leven in dienst heeft gesteld van des burgers waterbelangen. Om te begrijpen hoe zaken lopen is kennis van de geschiedenis, naar mijn gevoelen, onontbeerlijk. In dat kader heb ik mij recent geworsteld door het boek “Zelfbestuur of afhankelijke Decentralisatie”, in 1935 geschreven/samengevat door Dr. L. J. M. Beel (na 1945 minister van binnenlandse zaken en twee keer minsterpresident).
Het boek is een onderzoek naar het rechtskarakter der medewerking van provinciale-, gemeente- en waterschapbesturen tot uitvoering van regelingen van het hoger gezag en heeft het karakter van een proefschrift.
Geschreven in een tijd dat de drie-kringen-theorie of leer opgeld deed in de discussie over de verdeling van taken tussen de overheden. Volgens deze leer behartigt elke bestuurslaag zijn eigen typische taken en behoren overheden de autonomie van elkaars kring te respecteren.
Feitelijk behandelt het onderzoek wat er sinds de staatsregeling 1801, via de Grondwet 1814, Grondwet 1848 en de herziening van 1887 in dit kader is veranderd.
Feitelijk begon in 1801 met de staatsregeling de aantasting van het zelfbestuur van de waterschappen, gemeenten en de provincies. De staatsregeling was een begin van de Haagse bemoeizucht. Stap voorstap werden lagere overheden dienstbaar gemaakt aan de Landelijke overheid.
De waterschappen waren bij hun oprichting aanvankelijk puur zelfbestuur. Zeker met de herziening van 1887 maakte de zelfbestuur gedachte plaats voor een ook bij de Grondwet afhankelijke decentralisatie. Feitelijk werd een gedeeltelijke annexatie een volledige annexatie waarbij de samenwerking van een hogere en lagere overheid werd omgezet een gezagsverhouding waarbij de hogere overheid een gebiedende overheid werd. Wat feitelijk langzaam groeide verkreeg in 1887 een wettelijke basis.
Na het einde van Blija Buitendijks is in feite het laatste restant van de zelfsturende overheid in 2018 opgeruimd. Tijd om de relicten op te ruimen en de waterschappen als aparte werkeenheden onder te brengen bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.