
Reeds in de vijftiende eeuw kenden de keuren der waterschappen regels om de boezemwateren die tevens als trekvaarten werden gebruikt- inclusief hun oevers – te beschermen. Zo verboden keuren ‘jagen’ langs de oostzijde van de Delftsche Vliet en de Leidsche Vliet. Schepen mochten alleen zeilen en niet met paarden of “mitten hals, roeyen oft steken metten boom” gesleept worden. “Ten eynde die treckers metten hals upte candt van denselven wech niet en sullen mogen gaen” werden er zelfs palen tot bijna drie meter hoog langs de waterkant geplaatst om het trekken onmogelijk te maken.
Op overtreding werden zeer forse boetes gezet. Een overtreder liep de kans dat paard en schuit in beslag werden genomen en op de eerstvolgende marktdag per veiling werden verkocht. Van de opbrengst werd de eventuele schade hersteld. Van het restant van de opbrengst ging 2/3 naar de dijkgraaf en 1/3 naar de bekeurde.
De hoogheemraden (leden dagelijks bestuur) hadden de taak om toe te zien op het jaagverbod. Men was tegen overtreders verre van lankmoedig. Als voorbeeld (sententie van de vierschaar van Delfland 28 november 1562):
Hoogheemraad Jan de Heuyter sprak tijdens de schouw tussen “de Vriesen en de Leidsche dam” de overtreder Dirck Claesz aan: “Siet wat costen dat hier gedaen werden omme die vaert te diepen. Aldus wacht u, nyet meer die schuyt mitten paerde te trecken.” Op dit aanspreken reageerde de brutale Dirck met de vraag: “Omme wyens wille souden wij dat laeten? Omme uwent wille?” Deze uitspraak werd al ervaren als insubordinatie. Tijdens zitting van de vierschaar werd er aan deze brutale woorden toegevoegd dat Dirck zich direct na deze schandelijke woorden had omgedraaid. “Latende den voorzegde heemreat alser in zijn aers sien.”
De opgelegde straf was conform de eis van de heemraden: inhechtenisneming, geselen op het schavot, verbanning voor eeuwig uit Delfland en betaling van een boete van 50 gouden realen!
Dat waren nog eens straffen en dat allemaal om de vaarten en oever te beschermen.
il partigiano