Recent kreeg ik de “verordening regelende de voorwaarden waarop water zal worden verstrekt uit de Hoogdrukwaterleiding van de gemeente Bergen op Zoom” in handen, vastgesteld op 3 juli 1900.
Vandaag de dag lezen we in de media veel over het gebrek aan betaalbare woningen en over verhuurders (huisjesmelkers) die het niet zo nauw nemen met de kwaliteit van het verhuurde, het onderhoud van hun verhuurde objecten, of met de zorg voor hun huurders.
Nu ben ik geen deskundige als het gaat om de kwaliteit van woningen rond 1900. Maar het was de tijd dat de eerste Woningwet (1901) die op augustus 1902 in werking trad. Het doel van de Woningwet 1901 was om bouw en bewoning van slechte en ongezonde woningen onmogelijk te maken en de bouw van goede woningen te bevorderen. De noodzaak tot verbetering van de leef- en gezondheidssituatie van huurders was evident! Alle aanpassingen daarna in 1962, 1991 en 2015 waren afzwakkingen van de oorspronkelijke wet.
Waar de oorspronkelijke Woningwet de centrale rol van de overheid bij de woningbouw bevorderde, werd deze functie bij de drie herzieningen stapsgewijs afgebouwd. Zo is het belang van woningcorporaties teruggeschroefd en vertrouwt de overheid een groter aandeel van de woningbouw dan voorheen toe aan private marktpartijen.
Ook nu zie il partigiano de kwaliteit van de onderkant van het ‘woongebouw’ afbrokkelen.
In de gemeentelijke verordening uit 1900 viel mij op de tarieven voor een jaar abonnement voor huiselijk gebruik in guldens;
Voor 2e klasse arbeidswoningen 4,50
Voor 1e klasse arbeidswoningen 5,20
Voor verbeterde arbeidswoningen 7,50
Voor woningen van 1 vertrek 7,–
Voor woningen van 2 vertrekken 11,–
Voor woningen van 3 vertrekken 15,–
Voor woningen van 4 vertrekken 18,–
Voor woningen van 5 vertrekken 21,–
Voor woningen van 6 vertrekken 24,–
En verder voor elk vertrek meer 1,50 (een keuken werd geteld als een vertrek!).
Wat ook opviel was dat voor een woning bewoond door een korporaal het tarief 7,80 was. Voor een woning bewoond door een fourier of een sergeant 10,40. Voor een woning bewoond door een adjudant 15,60. Verder waren er toeslagen, onder andere voor een watercloset (WC) 5,– en voor een bad 10,–.
Het laat zich raden hoe een 2e of 1e klasse arbeiderswoning eruitgezien zal hebben als een woning met één vertrek qua tarief al hoger werd ingeschaald. Een in onze ogen nu als absoluut noodzakelijk gezien watercloset werd toen beschouwd als een luxe die leidde tot extra watergebruik en met maar liefs 5,– gulden extra werd aangeslagen. Het jaarabonnement voor een 2e klasse arbeiderswoning verdubbelde!
Er was ook een artikel waarvoor ik mijn voorgangers in de gemeenteraad wil complimenteren. Dat ook vandaag de dag van nut kan zijn in de relatie huurder/verhuurder.
Dat was artikel 4 lid 2: “Abonnementen beneden de 12,– gulden per jaar, met den huurder gecontracteerd, moeten door den verhuurder worden gegarandeerd.” Dat verbindt de verhuurder een basis levensbehoefte (water) in stand te houden ook als de verhuurder qua betaling in gebreke blijft.
Er is tussen 1900 en nu, vooral na de invoering van de woning wet 1901 veel ten goede veranderd. Nu is het zaak te borgen dat we niet door malafide verhuurders en privatiserende politici afglijden naar woonsituaties die niet passen in een beschaafd Nederland.
il partigiano