
Nu er onderhandeld werd over een landbouwakkoord krijg ik soms de vraag: waar bemoeit de overheid zich mee en waarom worden boeren – als het om overheidsmaatregelen gaat – anders behandeld dan andere bedrijven?
Sinds eeuwen bemoeit de Nederlandse overheid zich met de landbouw. Die bemoeienis is altijd gericht geweest op onderwerpen als veeziekten, volksgezondheid, voedselzekerheid en voedselprijzen.
In de tweede helft van de 18e eeuw ontstond steeds meer belangstelling voor de landbouw en het belang daarvoor voor de voedselvoorziening. Omstreeks 1750 werd “het genootschap van Liefhebberen van den Landbouw” opgericht. In 1752 “de Hollandse Maatschappij van Wetenschappen”. En in 1776 te Amsterdam de “Maatschappij ter bevordering van den Landbouw”.
Deze ontwikkelingen waren mede een gevolg van de uitbraken van de veepest in de jaren 1713-1719, 1744-1756 en 1768-1786, alsmede van de alsmaar stijgende voedselprijzen in de periode 1750-1800.

Het kennisniveau steeg en de zorg voor de bodem kreeg een impuls. Het greppelen kwam op waardoor de waterbeheersing verbeterde. Sloten werden meer en beter onderhouden en de bemesting werd steeds meer gestuurd op basis van kennis. De jaren 1750 – 1815 worden wel beschouwd als de eerste ‘moderne’ agrarische revolutie.
Door de teelt van groenvoer en voerderbieten kon ook de veeteelt een vorm van intensivering ondergaan. Er waren ook technische verbeteringen zoals een betere ploeg waarbij rister en schaar tot één onderdeel werden. Handelsgewassen kwamen op zoals oliezaden en meekrap. En zelfs het gebruik van een zaadmachine kwam op.
De Nederlandse landbouwproductie werd internationale handel. Hollandse boter, kaas en akkerbouwproducten werden geëxporteerd. Engeland was een voorname afnemer. Maar er was ook een forse import van granen uit de Baltische landen. Kortom landbouw/voedselproductie werd van landsbelang. De landbouwpolitiek kwam van de grond!
De eerste landbouw gerelateerde wetgeving was in 1799 een Veefonds ter dekking van de bestrijding van de veepest maar ook al snel om de kosten te dekken van de sinds 1807 van rijkswege, door de raadpensionaris van de Bataafse republiek Rutger Jan Schimmelpenninck ingestelde landbouwcommissies.
Rond 1800 werd de doopgezinde Jan Kops benoemd tot “chef van het bureau van landbouw” Deze Jan Kops begon zijn werk met het inventariseren van de feitelijke toestand van landslandbouw en haar prestaties. Hiermede was de bemoeienis van het landsbestuur een feit.
Waar Jan Kops mee startte – het verzamelen van data – gaf toen en nu veel stof tot discussie want het waren en zijn de verzamelde data waarop de politiek haar beleid bepaalt. Waren het toen thema’s als veeziekten, volksgezondheid, voedselzekerheid en voedselprijzen, daar zijn in de loop der tijd zaken als milieu, gewasbeschermingsmiddelen, mest en de biodiversiteit bijgekomen. Alle reden dus om er met alle belanghebbenden, dus ook de landbouw over te praten en te pogen tot een akkoord te komen.
De Landman van de 18e eeuw is de agrarische ondernemer van nu geworden. De besluitvorming van de Bataafse Republiek lijkt achterhaald door de tijd. Polderen is nu het adagium, maar het wordt wel tijd dat echte besluiten genomen worden. il partigiano blijft hopen wel graag met draagvlak! Laat verstand weer de overhand krijgen. Geweeklaag is immers van alle tijden.
il partigiano