Waterschap Oudste overheid? Deel twee.


Deel één leverde veel commentaar op. Vooral van mensen die nu actief zijn in de waterschappen en zich veelal niet verdiept hebben in de geschiedenis en aannemen dat wat nu de werkelijkheid is dat ook vroeger zo was.

Net als nu, gaf nieuwe regelgeving vroeger veel stof tot nadenken. Zo ook de totstandkoming van het Gelders Rivierpolderreglement 1837. Dat kende een hectische voorgeschiedenis. De voorloper werd op 7 oktober 1825 vastgesteld (tot de Gouverneur zijn stem uitbracht waren er 29 stemmen voor en 30 tegen in de Gelderse Staten (zijn stem was doorslaggevend). Toen keurde de koning een door hem gewijzigd voorstel goed en stonden te Staten op hun ‘achterste poten’. Dat leidde uiteindelijk tot een brief van het Gelderse Statenlid W.A. baron Schimmelpenninck van de Oye aan Thorbecke. Het gekrakeel leidde tot een nieuwe behandeling (waar ook zijne majesteit zich bij neerlegde) en in 1835 tot de instelling van een commissie van negen statenleden. Waaronder H.W. baron van Aylva van Pallandt van Waardenburg en Neerijnen. Deze commissie kwam in november 1835 met een nieuw ontwerp naar de Staten. 15 jaar felle discussies liepen ten einde.

De commissie leden waren grotendeels volgers van de latere bezwaar makende Gelderse mr. A.G. Brouwer (zie ook deel één). Zij stelden: “de polder-inrigtingen behooren tot eigendommelijke volksinstellingen, ontsproten uit het besef van zelfbehoud, van eigen veiligheid; zij beschouwden en daaruit ontsproten inrigtingen als heilige, onschendbare overeenkomsten, boven de algemeene wetten verheven.” In hun ogen waren ‘waterschappen in wezen contracten tussen grondeigenaren die tot een regeling waren gekomenen tot een verantwoording hunner eigen huishoudelijke behoeften en uitgaven’ (te vinden in het rapport van de commissie van de negen).

Brouwers standpunt was; “dat waterschappen zedelijke lichamen in de zin van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1690) van 1838 waren, en ook vóór 1838 nooit iets anders waren geweest dan privaatrechtelijk corporaties, die weliswaar ‘magt’, overheidsbevoegdheden, hadden, maar wier rechten, private rechten, niet door de provinciale overheid beknot konden worden”, “ze waren ontstaan uit overeenkomsten tussen grondeigenaren.” De Staten konden, naar zijn inzicht; ”administratieve voorschriften geven en politiebepalingen uitvaardigen, maar zij konden het poldercontract zelf niet aantasten.”

Uiteindelijk kwam aan de discussie een einde met de Grondwetsherziening van 1887 (artikel 190).

Nu zijn waterschappen een onderdeel van ‘overheid’ Maar dat is zeker niet altijd en overal, in wat nu Nederland, is zo geweest!

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Reacties zijn gesloten.