Heden ten dage zijn we gewend dat regels zoals wetten, verordeningen en keuren schriftelijk vastliggen en dat wetsvorming door gerechtelijke uitspraken daarop, bij voorkeur, aanvullend is. En dat rechtspraak veelal gericht is op hoe een wettelijke regeling uitgelegd zou moeten/kunnen worden.
Onze wettelijke regels vinden hun oorsprong soms honderden jaren geleden in gewoonterecht dat door redelijkheid, billijkheid en noodzaak vaak tot stand was gekomen. Voor het huidige waterrecht vormgegeven in landelijke wetgeving, provinciale verordeningen en waterschapkeuren is dat niet anders. Reeds in de vroege middeleeuwen ontstaat er ‘dijkrecht’ en ‘weteringrecht’; die rechtsvorming was belangrijk om de veiligheid en het voorkomen van wateroverlast te borgen. Maar ook om de verdeling van water en de waterlozing te regelen.
In een acte van de schepenen van Den Bosch opgetekend in oktober 1315 blijkt dat er zes “diffinitores” (heemraden) waren in Empel en Meerwijk.
Uit die acte uit 1315 is de procedure van een schouw te lezen in de vorm van een hoorzitting van een rechtbank waar de heemraden de rechtsvinders zijn. De “dominus terrae” is formeel de landheer die optreedt als openbaar aanklager en uitvoerder van een eventueel vonnis/oordeel. Mogelijk is hier de landheer vertegenwoordigd door zijn vervanger, de schout in de rol van dijkgraaf.
Onderstaand een uit het latijn (met enige vrijheid) vertaald citaat uit de acte:
“Evenzo, wanneer de landsheer met de heemraden op één der schouwdagen op een gebrekkige en slecht onderhouden dijk is gekomen, bevraagt hij de heemraden over hoe er rechtens moet worden gehandeld om de onderhavige dijk in een goede staat te krijgen. Om helder te krijgen wat hier rechtens moet gebeuren verklaren de heemraden dan, dat de landsheer vraagt of er iemand aanwezig is die voor die dijk wil instaan?
Indien niemand heeft gereageerd, vraagt de landsheer de heemraden vervolgens, wat in dit geval rechtens nog meer kan worden gedaan om de dijk gerepareerd te krijgen?
De heemraden spreken dan als vonnis uit, dat de landsheer de dijk goed en voldoende zal laten repareren voor een minder prijs.Al naar gelang de eigendommen die in relatie staan tot het onderhavige dijkvak, zal hij echter de dubbele prijs ontvangen. Dit bedrag haalt hij binnen door middel van de ontvangst van de vruchten van die goederen, althans indien de opbrengst daarvan voldoende zou zijn. Zou de landsheer de opbrengst onvoldoende achten, dan is hij gerechtigd om de betreffende eigendommen aan anderen te verpachten/verhuren, voor een periode van één, twee of drie jaren achtereen, totdat de kosten van het dijkherstel volledig zijn opgebracht. Mocht de landsheer de betreffende eigendommen niet op bedoelde wijze kunnen verhuren/verpachten, mag hij ze verkopen, in eerste instantie aan de eigenaars die in gebreke zijn gebleven. Indien dezen op de vastgestelde en ruimschoots tevoren bekendgemaakte verkoopdag niet zijn verschenen, geschiedt de verkoop tegen een hogere prijs, aan eenieder die wil….”
Reeds in 1315 waren stedelijk bestuurders zich bewust van de noodzaak tot goed dijkonderhoud. Alsmede van het feit dat lang niet iedereen zich houdt aan de voorschriften en verplichtingen die zijn opgelegd. De bestuurders waren toen zich ook bewust van de verantwoordelijkheden en de noodzaak tot kostenverhaal.
Mogen ook de huidige bestuurders van waterschappen en gemeenten die verantwoordelijkheden oppakken zodat dijk- en waterbeheer bijdragen aan de veiligheid en welvaart van de samenleving.
Ook nu komt het ‘recht’ niet alleen door wet- en regelgeving tot stand maar ook door rechtspraak en de ontwikkeling van gewoonterecht. Dat bewustzijn moet ons waarschuwen en doen beseffen dat gedogen kan leiden tot (ongewenste) rechtsvorming!
il partigiano