
In il partigiano 47 schreef ik: “door de eeuwen heen zijn er in het politiek/bestuurlijke systeem tegenstellingen gebleken tussen de belangen van de stad” en haar ommelanden. Dat ging in de 14e eeuw zeker op voor Den Bosch haar ommelanden.
Den Bosch had een groot belang bij de waterhuishouding in het gebied. De stad had tijdens de Tachtigjarige Oorlog niet voor niets de bijnaam Moerasdraak. De stad ligt in de regio globaal op het laagste punt.
Om de stadsbelangen recht te doen stelde hertog Jan III in 1346, dat voortaan drie van de zeven heemraden van de ‘polder van het Eigen’ tevens schepen van Den Bosch moesten zijn. De polder bevatte niet alleen Nulands en Rosmalens gebied maar ook Orthen en Hintham die tot de ‘vrijdom’ behoorden van de stad.
De vier niet stedelijke heemraden die de Nulandse en Rosmalense belangen dienden hadden een meerderheid. Tevens stelde de hertog in zijn besluit dat het polderbestuur ging over alle aangelegenheden: “behoorende ter schouwen van allen goeden, gelegen binnen der vriheit onser stad van den Bossche, ende binnen der schouwen van den heemraden van den Eijghene“. Dus deel uitmakend van de competenties van de polder en niet van de stad Den Bosch.
In 1358 werd een reglement voor het onderhoud van de dijken van kracht. Daarbij zijn twee dijkgraven betrokken. De hoogschout voor de vrijdom van Den Bosch en de kwartierenschout van Maasland voor de gebieden van Rosmalen en Nuland. In dat reglement komen ook de termen voor van “dijkgeslaagden” (deze waren verantwoordelijk voor het onderhoud van aan hen toegewezen dijk delen) en van “gemene geërfden” (de minder gegoeden die in tijden van nood hun arbeid ter beschikking moesten stellen).
In de het grootste deel van de 14e eeuw was de kwartierschout de functionerende dijkgraaf van de polder. In het vierde kwart van de 14e eeuw was dat de laagschout van Den Bosch die de plaats overnam van de hoogschout.
Uit een oorkonde uit 1420 blijken poorters van Den Bosch het gezag van de heemraden van Empel en Meerwijk niet meer te accepteren. Zij meenden dat alleen de schout en schepenen van de stad over hen recht mochten spreken.
Hertog Jan IV greep uiteindelijk in; hij was immers “overste dijckgrave van den Grave aff tot der Diesen toe“. Hij stelde dat het dijkrecht geen deel uitmaakte van de stadsrechten van Den Bosch en verbood schout en schepenen zich ooit op dat terrein te begeven.
Toen was de motivatie; “gemeyn scade te schutten ende te verhueden ende des gemeyn landts nutschap ende oirbaer te bewaeren.” En dat zou ook anno 2023 de motivatie moeten zijn om als overheden elkaars bevoegdheden te respecteren.
il partigiano