WAT IS ER FOUT GEGAAN?


| 08-02-2022 |

 

Soms vraag ik mij af; hoe kan het dat overheden van hun handhaving en het beschermen van hun taken en bezittingen zo’n potje maken?

Recent ben ik uitgenodigd door een boer in Klaaswaal, in de Hoeksche Waard gelegen in het Waterschap Hollandse Delta. Hij heeft een conflict met het waterschap en het waterschap had hem, naar zijn mening volstrekt onterecht, een dwangsom opgelegd. Bij dit soort zaken ga ik ter plaatse kijken en probeer ik te doorgronden wat er ‘fout’ is gegaan. Een gesprek aan de keukentafel, wat stukken bekijken, bestudering van kaarten, een wandeling door het gebied en het bekijken van ergernissen geven een indruk van wat er ’fout’ is gegaan.

In 1976 was alles rond de gronden van de boer en Klaaswaal goed geregeld. De ruilverkaveling was na vele jaren praten tot besluitvorming gekomen. Landbouwkundig en qua waterbeheer was het gebied optimaal ingericht. De eigendommen van wegbeheerders, gemeenten, waterschappen, burgers en bedrijven waren goed en volledig kadastraal vastgelegd en het gebruik in bestemmingsplannen tot op de laatste centimeters geregeld. Kortom er was een schone lei!

Daarna begon de verwaarlozing van die prachtige schone lei. Deels omdat overheden keer op keer met zichzelf bezig waren, de gemeentelijke en waterschapopschaling was in volle gang. Waren er in 1950 nog 1015 gemeenten nu nog 342. Waren er in 1950 nog 2647 waterschappen nu nog slechts 21.

Mijn eigen waterschap Brabantse Delta telde meer dan 230 rechtsvoorgangers (zie haar stamboom). Het gevolg van al dat opschalen was dat ambtenaren van waterschappen en gemeenten steeds meer op kantoren ver weg van waar het gebeurde kwamen te zitten. Ook hun bestuurders kwamen van steeds verder en kenden hun werkgebieden steeds minder. Ook de samenstelling van de besturen veranderden. Van Boerenrepublieken werden de waterschappen ambtelijke organen die regeert werden door veelal stedelijke burgers. De boerendijkgraven werden vervangen door beroepspolitici die hun sporen vergaard hadden in de landelijke, provinciale of gemeentelijke politiek of soms waren die sporen zoals bij de Hollandse Delta journalistiek!

Maar nog erger waren de veranderingen in het buitengebied waarmee waterschappen rekening gingen houden of misschien beter gezegd die ze gingen faciliteren of domweg lieten gebeuren. In de Zeeuwse en Hollandse waterschappen was het beheer van de agrarische polderwegen, dus buiten de bebouwde kom, traditioneel een taak van het waterschap. Maar het gebruik van die wegen en de aanliggende bebouwing veranderde sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw aanzienlijk. De landarbeidershuisjes werden verkocht aan stedelingen die er stevig aan gingen verbouwen, die ze uitbreidde tot bedrijfjes aan huis en verder. Het werden ‘kasteeltjes’ waarvan de ‘kasteelheren’ parkeerplaatsen gingen eisen op/aan de boerenwegen. Die ‘kasteelheren’ vonden gehoor bij hun stedelijke broeders en zusters die gewend waren het stalen ros voor de deur te parkeren en de boeren die heer en meester waren geweest op hun polderwegen moesten maar zien hoe hun landerijen en hoven bereikbaar bleven voor de machines waar zij hun brood mee verdienden. Langzaam ontstond de wrevel over en weer.

Maar het ging ook op anderen terreinen mis. Boeren snapten waarom sloten en vaarten op diepte en breedte moesten worden gehouden. Voor hun waren dat bijna heilige principes en belangen. Ze hechtten ook meer aan hun grond dan de nieuwkomers. Gronden en percelen die soms al generaties familiebezit waren. De nieuwkomers in het buitengebied keken veelal anders naar hun vastgoedbezit. Dat was een verhandelbaar bezit wat door verbouwen en (mooie) tuin- en hof inrichting meer waard kon worden. Het was hun bezit en waren net als in de steden waarvan ze kwamen gewend die geheel te bebouwen of in te richten. Zoiets als een waterschapkeur was hun niet bekend en al was het wel bekend, in de stad hielden ze zich ook niet aan de regels. Die waren voor de dommen!

Boeren zagen hun wereld veranderen en moesten ervaren dat het onderhoud aan watergangen steeds meer alleen vanaf hun perceel plaatsvond. De burgerbuurman zag zijn perceel groeien want door het wegkrauwen van de grond bij de boer verschoof de watergang. Bekijk eens de bijgevoegde foto van een watergang, een woonperceel groeit duidelijk de watergang in. Een andere foto laat zien wat een er met een andere perceel met daarop een ‘burgerwoning’ is gebeurd. Systematisch is er door een burger ruimte gestolen van de watergang en nu zou de boer de grond moeten leveren voor het in standhouden van de breedte en diepte van de watergang.

En het waterschap liet het gebeuren, net als zoveel andere waterschappen. Het waterschap Brabantse Delta ging het uitzoeken omdat het “sloten, oevers en dijken op orde” houden steeds moeilijker werd. Toen ze het gingen inventariseren bleken er circa 45.000 overtredingen van de keur! Kijk eens naar het filmpje van het waterschap Brabantse Delta. Lees het artikel “Oplossen Keurovertredingen” eens. Het kan en moet anders. Ga praten en pak de overtredingen aan.

Het komt mij raar voor om een boer die zijn land wil behouden dwangsommen op te leggen en een burger die de problemen heeft veroorzaakt te faciliteren. Nu is het de principiële boer versus de pragmatische aanpak van het waterschap. In 1976 was alles op orde! Er was een schone lei. Om daarnaar terug te keren zal je met praten tot oplossingen moeten komen. Tegelijkertijd zal de houding van het waterschap moeten veranderen richting de overtreders. Diefstal mag niet lonen. Ook zal het waterschap goed na moeten denken wat prevaleert bij het wegbeheer. Als de bewoning aan een weg zodanig veranderd dat een polderweg of dijk het karakter krijgt van een bebouwde kom is te overwegen het wegbeheer over te dragen aan de gemeente. Een waterschap dat parkeervakken aanlegt is mijns inziens ver weg van zijn eigenlijke taak.

De manier waarop het waterschap Hollandse Delta het ‘probleem’ aanpakt is niet oplossingsgericht maar zal steeds meer problemen veroorzaken. Neem een voorbeeld aan anderen en ga praten waarbij de boer niet het slachtoffer mag worden van de zonden begaan door een ander. Herstel het vertrouwen als wegbereider voor een oplossing en ga handhaven waar dat nodig is.

 

Louis van der Kallen.


VERZOETEN GREVELINGENMEER MET BEHULP VAN GETIJDE


| 08-02-2022 |

 

Het Zeeuws Deltaplan Zoet Water (ZDZW) stelt voor om de mogelijkheid te bestuderen om overtollig regenwater vast te houden en op te slaan. Met name Schouwen-Duiveland heeft door zijn ligging rondom in het zoute water een sterk verzilte bodem. Er zit zoveel zout in de grond dat het opvangen van zoet regenwater beperkt blijft tot het regenwater dat valt op daken en pleinen. Veel boeren op Schouwen-Duiveland passen deze methode al toe, maar dit water kan onmogelijk in droge tijden aan de vraag voldoen.

Als alternatief benoemt het ZDZW externe wateraanvoer via pijpleiding. Witteveen+Bos heeft hier onderzoek naar gedaan en ook Stichting De Puupe heeft deze mogelijkheid bestudeerd. Echter de haalbaarheid van deze methode is niet aangetoond.

Een niet benoemde methode van externe wateraanvoer is zoet water in te laten vanuit een te verzoeten Grevelingenmeer. Met de klimaatverandering zullen neerslag en rivieraanvoeren gedurende het jaar sterker fluctueren, maar de jaarlijkse hoeveelheden veranderen nauwelijks. Vanuit de rivieren is op jaarbasis meer dan voldoende zoet water beschikbaar voor verzoeting en verversing van het Grevelingenmeer en zoetwatervoorziening van Schouwen-Duiveland.

Waarom reikt het zeewater tot de Grevelingendam en grenst het niet aan de Brouwersdam? Zo’n vijftig jaar geleden is er gedegen studie verricht naar de meest effectieve, milieuvriendelijke en duurzame wijze van verzoeting van het Grevelingenmeer. Er werd vervolgens gestart met de voorbereidingen. De locatie en grootte van de Brouwerssluis en de hoogteligging van de sluisvloer op -11 m NAP zijn daarop gebaseerd. De spuisluizen in het Volkerak zijn aangelegd om Krammer-Volkerak, Grevelingen en Oosterschelde te verzoeten.


Locaties van bestaande en geplande sluizen Voor verzoeting van de Grevelingen zijn nog een inlaatsluis in de Grevelingendam en een zogeheten ‘dichtheidsscherm’ voor de Brouwerssluis nodig. Dit laatste is een scherm dat aansluit op de bestaande 120 m lange stroomgeleidingswanden. Op een diepte van 25 à 30 m is dit voorzien van een doorlaatopening van 3 m hoogte vanaf aan de bodem (zie afbeeldingen). Het geplande doorlaatmiddel in de Brouwersdam wordt hierbij overbodig.

Bovenaanzicht Brouwerssluis met geleidingswanden aan de Grevelingenzijde. Tijdens laagwater op zee wordt vanuit het meer het zwaardere zoute water, dat op de bodem ligt, zonder energieverbruik naar zee geheveld. Het meer kan zo eenvoudig en op natuurlijke wijze in een beperkt aantal maanden van boven naar beneden worden verzoet.

Het verschil in dichtheid (soortelijk gewicht) tussen zout water en rivierwater zorgt daarbij voor een sterke gelaagdheid (stabiele stratificatie), waardoor beide nauwelijks mengen.In de diepste delen van het meer blijft altijd nog een kleine restdiepte aan zout achter.

Op de daling van de zoutgrens in het meer volgt een trage en gestage daling van de zoutgrens van het grondwater van de eilanden.

Na verzoeting blijft het scherm niet alleen beschikbaar voor het zoetwater- en peilbeheer, maar ook voor het reguleren van het zuurstofgehalte. De bufferfunctie van het zoete meer kan perioden met lage rivieraanvoer overbruggen.

Bestaande geleidingswandDichtheidsscherm, reikt tot 3 m boven de bodemBestaande geleidingswand. Deze wijze van verzoeten doet de aanwezige zoutwaterorganismen de minste schade. Zij kunnen allereerst dalen met de nu nog bovenste en zuurstofrijke zoute laag en krijgen dagelijks de gelegenheid om naar zee te zwemmen of geheveld te worden.

Verzoeting is een grootschalige maatregel tegen verzilting en ter verbetering van zoetwatervoorziening, rivierwaterberging, zeewaterveiligheid, natuur en visserij. Kortom, een maatregel met aanzienlijke winst op tal van vlakken. Een zoet meer is relatief snel te realiseren, effectief te beheren, veel goedkoper en zinvoller dan het geplande doorlaatmiddel in de Brouwersdam en bovendien klimaatbestendig.

 

Wil Borm
Adviesgroep Borm & Huijgens.


ANDERS KIJKEN 20


| 08-02-2022 |

 

In oktober 2021 is door het KNMI kennis- en datacentrum het Klimaatsignaal 21 uitgegeven hetgeen gebaseerd is op het laatste IPCC-rapport en eigen onderzoek van het KNMI.

Deze rapporten zouden door iedere inwoner, zeker die wonen in laag gelegen gebieden, buitengewoon serieus genomen moeten worden. Als bestuurslid (namens Ons Water) van het waterschap Brabantse Delta zoom ik in dit artikel in op de zeespiegelstijging. Want uiteindelijk moet al ons water afgevoerd worden naar zee en dat kan een toenemend probleem worden als we beseffen dat wateren waarop afgewaterd wordt, bijvoorbeeld het Volkerak/Zoommeer gemiddeld bij de Benedensas Sluis een peil heeft van slechts enkele centimeters boven NAP. Dat laat zien dat de ontwikkeling van de zeespiegelstijging ook van belang is voor een waterschap als de Brabantse Delta.

De toekomstscenario’s voorzien een grotere zeespiegelstijging dan eerder gedacht. Als we de uitstoot van broeikasgassen niet aanzienlijk verminderen kan de zeespiegel voor de Nederlandse kust tegen 2100 1,2 meter stijgen ten opzichte van het jaar 2000. Indien het smelten van de Antarctische IJskap versnelt, wordt de zeespiegelstijging in 2100 zelfs mogelijk circa 2 meter. Dit alles is te lezen in het Klimaatsignaal 21. In 2014 gaf het model van het KNMI nog aan dat in 2100 de maximale stijging 1 meter zou zijn. De modelmatig berekende zeespiegelstijging is nu dus met 20 centimeter omhoog bijgesteld. Het Klimaatsignaal 21 van het KNMI is, in mijn denken, een stevige alarmbel.

Zowel voor ons waterbeheer (hoe ons water af te voeren) als voor het dijkbeheer moet deze nieuwe informatie tot herziening leiden van ons beleid. Maar ook voor het ruimtelijkeordeningsbeleid (RO) van provincie en de gemeenten. Als voorbeeld: er moet ruimte zijn en blijven voor toekomstige dijkverbeteringen. Die moet qua RO gereserveerd gaan worden. Want dijkverbeteringen worden heel duur als er weinig ruimte is. Als voorbeeld een dijk die 1 meter verhoogd moet worden wordt ook minimaal 6 meter breder. Dat geld voor zeedijken of dijken langs de grote rivieren maar ook voor dijken langs onze kleinere rivieren zoals het Mark/Dintel/Vliet systeem.

Er is dus werk aan de winkel. Voor het waterschap maar zeker ook voor de gemeenten!

 

Louis van der Kallen.

 


300 MILJOEN VOOR DE REGIONALE KERINGEN VOOR LIMBURG


Bergen op Zoom, 28 januari  2022

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

BETREFT: 300 MILJOEN VOOR DE REGIONALE KERINGEN VOOR LIMBURG, KENMERK W 22001.

 

Geacht Dagelijks bestuur,

 

Ik heb een aantal vragen waarop ik graag een (ambtelijke) toelichting krijg in de commissie waterveiligheid.

Er wordt door de nieuwe coalitie 300 miljoen euro vrijgemaakt voor de aanpak van de zijrivieren van de Maas. Dat staat in het coalitieakkoord van VVD, D66, CDA en de ChristenUnie.

De coalitiepartijen schrijven: “De watersnood in Limburg heeft ons deze zomer opnieuw stevig met de neus op de feiten gedrukt: klimaatverandering is hier en nu en treft ook ons eigen land”, aldus de vier partijen. “We blijven investeren in onze dijken, duinen en dammen. Ook komen er middelen beschikbaar om de beekdalen in onder meer Limburg beter te beschermen.” De partijen willen in 2023, 2024 en 2025 elk jaar 100 miljoen vrijmaken voor de waterveiligheid in de provincie Limburg.

Dit geld is niet bestemd voor dijken langs Rijkswateren (de grote rivieren) maar in feite voor regionale keringen langs beken. De regionale keringen vallen normaliter volledig onder de verantwoordelijkheid, ook de financiële, van de waterschappen.

Het waterschap Brabantse Delta steekt vele tientallen miljoenen in de regionale dijken zonder bijdrage van het Rijk. Dit lijkt op een ongelijke behandeling door het Rijk. Als je vele jaren niets of te weinig doet aan je regionale keringen en je wordt getroffen door wateroverlast worden klaarblijkelijk jouw investeringen in regionale keringen door het Rijk vergoed. Dit kan in mijn ogen niet waar zijn! Slecht presteren, je taken verwaarlozen of, om de tarieven laag te houden, werkzaamheden uitstellen wordt dan beloond. De politieke emoties zijn, gezien de gevolgen van onvoldoende zorg voor de regionale keringen in Limburg, misschien begrijpelijk maar kunnen, naar de inzichten van ondergetekende niet tot effect hebben een rechts- en financiële ongelijkheid in de behandeling van de Nederlandse waterschappen.

Regionale waterkeringen horen sinds jaar en dag tot de verantwoordelijkheden van de waterschappen.

– Hoe kan dat, naar het nu lijkt, niet blijkt te gelden voor het waterschap in Limburg?

– Wat gebeurd hier en hoe wordt dit op Unie niveau uitgelegd en verklaard?

– Als de conclusie van ondergetekende onjuist is, of gebaseerd op onjuiste aannames, graag een reactie en uitleg in de commissie waterveiligheid.

– Indien mijn conclusies c.q. informatie wel juist is wil ondergetekende van uw DB vernemen welke stappen uw DB, wel of niet op Unie niveau, gaat ondernemen om aan deze ongelijke behandeling een einde te maken? Bij voorkeur op een wijze dat het Rijk ook de investeringskosten gaat dragen in onze regionale keringen

In afwachting van uw reactie c.q. een toelichting in de commissie waterveiligheid,

namens de fractie Ons Water/Waterbreed,

hoogachtend,


L.H. van der Kallen.