Monument voor Charles Morgan, schoonzoon van Marnix van St. Aldegonde — Sinte Geertruikerk, Bergen op Zoom.
Soms kom je een pareltje tegen die je, bij lezing, doet glimlachen. Z’n pareltje is “Waar eens zilt water stroomde”. Over hengelwater in Nederland, in dit geval de uitgave die gaat over West-Brabant en Zeeland. Uitgave omstreeks, 1967. Echte datum ontbreekt!
Over vissen in Bergen op Zoom: “Zonder papieren, van de ingang van de oude haven, de ‘Kop van ’t Hoofd’ en met vergunning voor het betreden van de havendammen in de Theodorushaven. Deze vergunningen kosten 1 gulden per jaar. U kunt ze krijgen bij de gemeentesecretarie afd. III, tel. 01640-3902. Met deze vergunning is het tevens toegestaan zeepieren te spitten op de grond tussen de dammen in. Consent om hier met meer dan één hengel te vissen kunt u ad. 50 cent krijgen bij het Bureau van de Burgerlijke stand, tel 01640- 6202.” Wat op viel zijn de prijzen 1 gulden en 50 cent voor een vergunning. Wat tevens opvalt is dat je voor die vergunningen op twee verschillende afdelingen moest zijn. De bureaucratie had zich toen al ten stadhuize gevestigd.
Een 2e stukje tekst wat mij opviel ging over de “Sinte Geertruikerk”. “Belangwekkend is er het monument voor Charles Morgan, schoonzoon van Marnix van St. Aldegonde, zeldzaam mooi zijn er de vrouwen die op de dode neerzien.” Ik werd geïnspireerd even ter kerke te gaan. Om zelf even vasttestellen hoe ‘zeldzaam mooi’ te treurende vrouwen waren die neerzagen op de dode. Maar smaken verschillen. Mijn conclusie: ze zagen vooral vroom en verdrietig neer op de dode (zie foto).
Detail van de treurende vrouwen op het monument voor Charles Morgan.
Een ander stukje tekst wat mij opviel was; “Vrij binnenwater vindt u (behalve de vervuilde Dintel en Mark) ook al niet in de gemeente Dinteloord en Prinsenland.” Mijn conclusie: sinds 1967 is de waterkwaliteit van het Mark/Dintel systeem gelukkig wel aanzienlijk verbeterd. Maar het moet nog beter.
Prins Willem van Oranje (1533–1584), stadhouder van Holland.
In de middeleeuwen had de baljuw vergaande ‘politie’ bevoegdheden. De baljuw die zijn ambt pachtte deelde ook mee in de opgelegde boetes. Uit een “Boetelijst van de baljuw en welgeboren mannen (1600) blijken de boetes. Voor het verwonden met een mes ‘dattet bloet’ 20 pond. Wie een mes droeg dat langer was dan 6 ‘delflandsche houtduymen’ betaalde 10 pond (Hollandspond was 40 groten = 20 stuivers = 1 gulden).
Dat was ongelofelijk veel geld. In de middeleeuwen moest een ongeschoold werkman 4 dagen werken om één pond te verdienen en in de winter zelfs 7 of 8 dagen, omdat het winterdagloon vanwege de kortere dagen een stuk lager was.
Ondanks de geldelijke motivatie faalde de baljuw vaak in het handhaven van de keur wegens een gebrek aan manschappen (een te kleine politiemacht) en het ontbreken van gevangeniscapaciteit. Waar hebben we dat meer gehoord. Het is nu niet anders.
Vooral de landlopers waren in de tijd een plaag die de boer en zijne hofstede afpersten (nu de drugsproducenten, een diefstallen van boereneigendommen). De baljuw Frans Duyst van Voorhout liet in 1551 zelfs twee vagebonden door de beul Heynrick Croes ‘mit den swaerde’ doden. De keur, verplichte iedereen binnen 4 dagen de baljuw ‘behoorlijk bescheyt van de plaetse daer sij van gecomenen sijn’ te geven. Maar de keur was onbekend bij het rondtrekkende gespuis (net als nu, wie kent de keur of de gemeentelijke regels?).
Maar net als heden ten dage kwam de zegen van de landheer. De baljuw Adriaen van der Does kreeg nieuwe wetgeving ter bestrijding van het kwaad. In 1562 gelastte de Prins Willem van Oranje, als stadhouder van Holland, zijnde in dienst van de Habsburgerse landheer: het land te ‘zuyveren’ door ‘straetschenders, bedelaars, rabauwen, vagebonden, ledicgangers en de quaetdoenders’ op te pakken en ‘zoedanighe onnutte menschen’ naar de galeien te zenden. Deze oekaze werd wel enkele weken later herroepen.
Hoewel we de ‘problemen’ en de daders anders bejegenen zijn die problemen klaarblijkelijk van alle tijden. De vraag is nog steeds hoe zorgen we dat wetten bekend zijn en nageleefd worden en vooral effectief blijken.
Het voorgaande laat wel zien dat waterschapen en hun wetgeving ertoe deden en dat de samenwerking met andere overheden relevant was. De baljuw diende vaak meer dan alleen het waterschap.
De distel — ooit verplicht te bestrijden per verordening.
De keur die in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van het voormalige waterschap “de gecombineerde Hoevensche Beemden” op 23 mei 1933 werd vastgesteld, kende een artikel wat heden ten dage in keuren van waterschappen ontbreekt.
Artikel 19 van de keur luidde:
“De eigenaar of gebruiker van eenig erf, tuin, grasland en bouwgrond, grond, water of boomgaard is verplicht jaarlijks vóór één Maart alle rupsennesten in daarop, daarin of daarlangs staande heggen, struiken of boomen, weg te nemen, te verzamelen en onmiddellijk te verbranden.”
Herintroductie zou zeker geen instemming krijgen van de Partij voor de Dieren. Ik zou best willen weten waarom in de loop der tijd dit artikel uit de keuren van waterschappen is verdwenen?
Ook de bestrijding van distels is uit verordeningen verdwenen. Alleen Friesland kent – voor zover ik na heb kunnen gaan – nog een distelverordening. Nu de BBB bijna overal in de waterschappen en de provincies aan de macht is gekomen, ben ik benieuwd of de bestrijding van rupsen en distels weer een prioriteit wordt van de politiek.
Waterhart van Nederland — afstudeerscriptie Annemarie de Visser, TU Delft, augustus 1993.
Sinds minimaal de jaren zeventig zou het voor bestuurders/politici helder moeten zijn dat Nederland op termijn een tekort aan zoetwater en drinkwater zou kunnen krijgen. In il partigiano 31 (droogte en de drinkwatervoorziening) schreef ik er over.
In de jaren negentig werden er tal van studies gedaan naar mogelijke oplossingen. Eén van die onderzoeken betrof de afstudeeropdracht bij de TU Delft van Annemarie de Visser, met de titel “Waterhart van Nederland” d.d. augustus 1993. De afstudeerscriptie heeft als subtitel “de bestuurlijke aspecten van een Tweede Oostvaardersdijk”.
Kort en goed gaat de rapportage in op de onbenutte mogelijkheden van wat was beoogd als de Markerwaard en nu als Markermeer de kaarten siert. “Eén van de mogelijkheden die het Markermeer biedt en waarvan tot op heden geen gebruik is gemaakt, is het gebruik als bekken voor het onttrekken van water ten behoeve van de drinkwatervoorziening.”
Voor il partigiano is dit een constatering die nu 30 jaar later nog steeds grotendeels opgeld doet. Voorwaarde is een verdere kwaliteitsverbetering van het water in het Markermeer. En dat kan via het elimineren van de vervuilende bronnen van het Markermeer.
Het Markermeer en omliggende plaatsen — uit de afstudeerscriptie van Annemarie de Visser.
In de samenvatting van de rapportage van mevrouw De Visser is te lezen hoe: “Dit kan door aanleg van een Tweede Oostvaardersdijk zoals aangegeven in de figuur (zie foto). Vervuiling uit de randmeren en het uitslagwater van Flevoland worden zo via het Oostvaardersdiep en het Noorzeekanaal afgevoerd naar de Noordzee. De doorgaande beroepsvaart vindt alleen nog plaats door het Oostvaardersdiep. Door de aanwezigheid van deze dam wordt de aanvoer en afvoer naar en van het Markermeer – afgezien van neerslag en verdamping – geheel beheersbaar.”
Drie mogelijke locaties voor drinkwaterbassins of winplekken in het Markermeer.
Op de andere bijgevoegde foto staan drie mogelijke locaties voor eventuele drinkwaterbassins of winplekken. Aan de slag zou ik zeggen. De drink- en zoetwaterbehoefte vraagt om uitvoering van een uitstekend idee van de afgestudeerde Annemarie de Visser. Dit kan een aanvulling zijn op de plannen van de Stuurgroep Markermeer-IJmeer.
Mr. W. A. M. van der Kallen in Rechtsstaat of Machtsstaat.
In een publicatie van een Nederlandse overheidsinstelling zal je in 2023 niet snel een citaat of verwijzing naar Mussolini of Hitler aantreffen. In het boekje “Wetenswaardigheden voor de ingelanden van het waterschap”. Een publicatie van het waterschap “de gecombineerde Hoevensche Beemden”, uit 1934 trof ik beide namen wel aan.
Het voorwoord geschreven door de dijkgraaf P.J. Jansen vermeld dat “De Italianen eerstgenoemde appreciëren als zij zeggen: “Il Duce antepone l’interesse collettivo all’ínteresse singolo” (De duce stelt het groepsbelang boven het eigenbelang), en Hitler gelijk heeft, als hij zegt; “Gemeinnutz vor Eigennutz”. Voor ons waterschap’s menschen, kan dit het best vertaald worden door: Het belang, dat meerderen gemeen hebben gaat vóór het belang of nut van den enkeling”.
Met de ogen en kennis van de geschiedenis van nu is het buitengewoon moeilijk om opvattingen over of van Mussolini of Hitler, opgeschreven in 1934 over algemeen belang of eigenbelang op waarde te schatten. Kern is wel dat alles wat een overheid doet, in de ogen van il partigiano, het algemeen belang dient te dienen en niet het eigenbelang van bestuurders of (deel) belang van particulieren. Deze citaten waren uit 1934 toen Mussolini en Hitler ook de Nederlandse mediaberichten vulden. De geschiedenis heeft ons geleerd dat sommige bepleiters van het algemeen belang hun eigen agenda hadden. Een agenda die verre van dienstbaar bleek aan het algemeen belang. Dat kan helaas ook nu het geval zijn.
Het voorwoord opende met een citaat van een ver familielid. “Het inzicht, dat het welzijn van het geheel de opoffering van particuliere belangen kan vorderen, is nog geen gemeengoed”. Getekend, Mr. W.A.M. van der Kallen. Deze constatering van mijn verre familielid deel ik!
In de landelijke politiek (ons parlement) of in de Staten van de provincies en onze gemeenteraden was en is het helder dat het algemeen belang het uitgangspunt dient te zijn. Ook daar zien we de opkomst van partijen die een enkel of deelbelang zeggen te dienen.
Bij het waterschap is het algemeen belang niet voor iedereen, per definitie, het uitgangspunt. Waterschappen zijn opgericht en hebben zich honderden jaren ontwikkeld als belangenorganisaties. Het waren in den beginne veelal particulieren (vaak kapitaalbezitters uit de steden of kerkelijk organisaties) die met toestemming van de landheer ten eigenbate land aanwonnen. En was het adagium; belang, betaling, zeggenschap het uitgangspunt als het over de bestuurlijke samenstelling ging.
Ook in het bestuur van het ‘moderne’ waterschap zijn relicten van de ‘belangenorganisatie’ aanwezig. Vanwege het existentieel belang van de categorie ongebouwd en de categorie natuurterreinen bij de taken van het waterschap hebben deze twee belangen in ieder waterschap ieder nog twee zetels.
In het licht van de afgelopen waterschapsverkiezingen zijn bij die vier geborgde (zekere) zetels vraagtekens te zetten. Tot de laatste verkiezingen bestond ook de categorie bedrijven. In een verwijzing dat bedrijfsbelangen ook door een partij als de VVD behartigd zouden worden is die categorie de nek omgedraaid. Nu is met dezelfde argumentatie te stellen dat het belang van de boeren (de categorie ongebouwd) in afdoende mate is zeker gesteld door de aanwezigheid van de BBB in de besturen en het belang van natuurterreinen geborgd is middels de partij Water Natuurlijk. De tijd zal leren of partijen als PVV, PvdA, D66, Groen Links en Volt de pijlen zullen richten op de voor de landbouw geborde zetels. In de wetenschap dat dan ook de kans groot is dat de geborgde zetels van natuurterreinen het veld zullen moeten ruimen.
In de praktijk van nu zijn geborgde zetels te beschouwen als bonuszetels voor de BBB en Water Natuurlijk. Een analyse van de samenstelling van de Dagelijks Besturen en de totstandkoming daarvan bevestigd die ‘bonusstelling’. En zo wordt het voortbestaan van het waterschap als deels belangenorganisatie steeds onzekerder. Het stoere watervaste huis dat gebouwd en vroeger onderhouden werd door de ingelanden met een gedeeld belang, wordt steeds meer een politiek kaartenhuis.
Het politieke kaartenhuis — illustratie bij de geborgde zetels in het waterschapsbestuur.
Dan komt de vraag op wanneer dat ‘politieke kaartenhuis’ op initiatief van de VVD (die dat al eerder opheffing bepleitte) als uitvoeringsorganisatie wordt ondergebracht bij de provincie. Waar dan het waterbelang in kwaliteit en veiligheid een onderdeel wordt van een politieke afweging ten opzichte van vele andere onderwerpen. Is dat in het algemeen belang van een landje dat grotendeels onder de zeespiegel ligt?
Op 13 juni 2016 is er een onderzoeksrapport verschenen met de titel; “Zover het eigen instrumentarium reikt“. Het is een onderzoek naar de positie van de provincie Noord-Brabant en de Noord-Brabantse waterschappen bij de realisatie van de kaderrichtlijn waterdoelstellingen met bijzondere aandacht voor de omgevingswet. Het rapport is wat mij betreft nuttig voor iedere waterschap- of provinciebestuurder. Ik beveel dan ook aan dit rapport alsnog te lezen te lezen.
Hierbij is het belangrijk te focussen op de eigen taak, maar ook op wat de mogelijkheden tot beïnvloeding zijn. Wat mij betreft hoort daar ook de vraag bij in hoeverre de kaderrichtlijnwater (KRW) technisch/financieel/economisch haalbaar is? En als het antwoord nee zou zijn, de vraag hoe en wanneer gaan we dit bestuurlijk in discussie brengen?
In de samenvattende pagina’s wordt op pagina 90 verwezen naar hoofdstuk V, waar is ingezoomd op de vraag of ten aanzien van het stikstofdossier een op slot risico kan bestaan of ontstaan bij vergunningverlening of het vaststellen van maatwerkvoorschriften. Wat betreft de vergunningverlening is geconstateerd dat voor de landbouw de mestverwerkinginstallaties onder de vergunningsplicht vallen. De stikstofproblematiek, voor zover afkomstig uit de landbouw, wordt voornamelijk veroorzaakt door niet-vergunning plichtige activiteiten die algemeen gereguleerd worden. Lees die pagina eens met de ogen van NU en het feitelijke handelen van de provincie!
Wat mij het meest op valt is de volgende passage (pagina 90) : “Met name een vergunning voor een bestaande activiteit (vanwege het verlopen van de huidige vergunning) waarbij een belasting wordt toegelaten die boven de in het waterplan voor het waterlichaam verankerde stikstofwaarde is gelegen, kan een probleem vormen wanneer de kwaliteit van het oppervlaktewater onvoldoende is en niet kan worden aangetoond dat de betreffende waarde en daarmee de vereiste fysisch chemische kwaliteit wel gehaald zal gaan worden.. In een dergelijk geval is verdedigbaar dat de vergunningverlening het realiseren van de KRW-doelstelling in de weg kan staan, waarmee vervolgens verdedigbaar is dat de vergunning moet worden geweigerd.”
MEN WIST HET IN 2016 EN DEED VRIJWEL NIETS!
Niets is meer frustrerend dan veel geld uitgeven en de doelstellingen niet te kunnen halen. Vooral het one out, all out is in mijn visie een groot obstakel.
Het wordt tijd dat de waterschappen gaan uitstralen; we doen en deden ons best maar de KRW is volstrekt ONHAALBAAR!
Structuurformule van ureum (CH₂N₂O) — een van de stikstofverbindingen centraal in de KRW-opgave.
In oktober 2016 kwam uit “Landbouw en de KRW-opgave nutriënten in regionale wateren”. Een uitgave van Wageningen Environmental Research (Rapport 2749 ISSN 1566-7197). Een lijvig rapport dat je als waterschapsbestuurder gelezen moet hebben. En juist nu zou het weer actueel moeten zijn.
Het geeft de lezer meer inzicht in de enorme opgave waarvoor we ten aanzien van de stikstof en fosfaatnormen gesteld staan. Deze lijken schier onhaalbaar. Als ingezoomd wordt op mijn eigen waterschap Brabantse Delta, dan laten de cijfers zien wat de opgave is maar ook wat de oorzaken zijn van de huidige stikstof en fosfaatconcentraties.
Voor fosfaat is slechts 5 tot 10 procent afkomstig van de actuele bemesting. De nalevering vanuit de bodem is 25 tot 50 % (afkomstig van wat de zee ooit op deze gronden heeft afgezet) en de aanvoer uit het buitenland en/of inlaat uit Rijkswateren is 25 tot 50 %. Historische bemesting is 5 tot 10 %.
Fosfaatlozingen via de industrie, RWZi’s, kwel, natuurgronden en overige agrarische bronnen zijn allen beperkt van omvang. Bij stikstof is de actuele bemesting 25 tot 50 %, de aanvoer uit het buitenland en/of inlaat uit rijkswateren is ook 25 tot 50 %. Van de overige bronnen is alleen de atmosferische depositie nog relevant. De andere bronnen zijn allen beperkt van omvang. De benodigde reductie (in %) van af- en uitspoeling van stikstof uit landbouwpercelen om de opgave te realiseren bedraagt, afhankelijk van de gekozen variant, tussen de 30 en 43 procent. De benodigde reductie (in %) van af- en uitspoeling van fosfor uit landbouwpercelen om de opgave te realiseren bedraagt, afhankelijk van de gekozen variant, tussen de 8 en 33 procent.
Als de niet aan bemesting gerelateerde levering aan de bodem niet aan de landbouwreductie wordt toegerekend bedraagt de landbouwopgave voor fosfor in het werkgebied van de Brabantse Delta minder dan 10 %. Als deze wel aan de landbouw wordt toegerekend is deze tussen de 20 en 40 %.
Ook waterschappen (RWZI’s) zijn, gekeken naar het landelijk gemiddelde verantwoordelijk voor 9 % van de stikstoflozingen en 15 % voor de fosforlozingen. Een uitschieter is hierbij waterschap de Dommel, zowel voor stikstof als voor fosfor zijn de RWZI’s daar voor 25 á 50 % verantwoordelijk voor de lozingen. In het waterschap Brabantse Delta zijn de RWZI’s voor stikstof minder dan 5 % de veroorzaker en bij fosfor voor 5 á 10 %.
De conclusie van il partigiano voor mijn eigen waterschap: de KRW-normen zijn niet haalbaar voor 2027 en misschien wel, omdat de bronnen vaak buiten onze mogelijkheden liggen (nalevering bodem en buitenland en/of inlaat uit rijkswateren), nooit! Ook landelijk zou de vraag van haalbaarheid, naar mijn mening, op de politieke agenda moeten komen en blijven.
Wapenschild van hertog Albrecht van Beieren (1336–1404).
Deze zomer ‘viert’ het Verenigd Koninkrijk de 30ste verjaardag van de 1989 Water Act welke het ‘water’ privatiseerde in Engeland and Wales. De ijzeren dame Margaret Thatcher verkocht de waterbedrijven en verlaagde met de opbrengst de belastingen. Daar betalen de Britten nu de prijs voor. Slecht onderhoud en te weinig investeringen in de waterinfrastructuur leiden tot te korten en tot verontreinigde rivieren door de overstorten. De roep om een onderzoek en nationalisatie klinkt steeds luider.
Ook Nederland kende een soort van privatisering van een soort van watertaak. Het baljuwschap van Schieland. Dat baljuwschap vervulde wel iets meer dan de taken van een hedendaags waterschap. De baljuw van Schieland was ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de dijken.
Vanwege geldgebrek ging graaf Willem IV (1337-1345) ertoe over het ambt van baljuw, dat voordien bezoldigd was en niet erfelijk, te verpachten. Kosten werden daarmee opbrengsten. Maar net als bij een privatisering als bij de 1989 Water Act verloor de graaf zijn beleid bepalende bevoegdheden.
De baljuw kon daardoor zijn beleid naar eigen inzicht voeren en niet meer ontslagen worden. Om de pachtsom terug te verdienen eisten de baljuws soms onverantwoord hoge boetes/bijdragen en maakten het leven van zijn ingelanden zuur.
Dit was uiteindelijk voor hertog Albrecht van Beieren in 1368 aanleiding een onderzoek in te stellen naar het gedrag van deze ambtenaren. Onder andere naar de baljuw van Delftland en Schieland, Dirk van Zwieten, die er toen van verdacht werd ook smeergeld aan te nemen.
De rekeningen van de grafelijkheid van Holland boden die kennis en werden onderzocht door de Grafelijkheidsrekenkamer. De pachten waren soms substantieel. Zo verpachte Philips de Schone in 1505 de ambten van baljuw-dijkgraaf en landgifter van Delfland aan Delft voor 600 pond per jaar. Het bedrag moest door de schout van Delft en de baljuw van Delfland worden voldaan als rente op de schuld aan de landheer.
Het VK wacht nu ook de erkenning dat privatisering van overheidstaken verkeerd kan uitpakken. Gelukkig zijn onze waterschappen nog overheden en doen zij veelal de taken zelf. Laten we dat koesteren. En de tarieven en de opbouw daarvan zo transparant mogelijk houden. Ook de kostentoedeling vergt een openstructuur en opbouw die uitlegbaar moet zijn aan de ingelanden.
De aangekondigde tariefsverhoging met gemiddeld 35 % bij het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV), waar onder andere Amsterdam en Hilversum deel van uitmaken, vraagt uitleg en een verklaring. Wat opvalt is dat dit waterschap in het bedrijf waternet zit met de gemeente Amsterdam. Dit bedrijf heeft een hybride structuur met naar het schijnt nogal wat achterstallig onderhoud.
Knollen en citroenen — Frank van Brakel, april 1981.
Het komt er weer aan de tijd van de ‘knollen en citroenen’ van politici met hun mooie praatjes. En van de ‘echte media’ die hun praatjes met veel framing aan de man brengen.
Ik ga terug naar 1981 (ook een tijd met hoge inflatie en rentes). Even de leuzen van toen boven halen:
VVD: “Samen aan ’t werk” (hebt u het gezien, de sublieme samenwerking in de regering?).
CDA: “Om een zinvol bestaan” (hebt u het gezien, de morele verwoording van christelijke waarden?).
D66: “Niet meer, maar beter” (hebt u het gezien, Kaag op weg naar beter?).
GPV: Nu Christen Unie, “Opdat het u wèl ga” (hebt u gezien hoe het met Nederland is gegaan?)
PvdA: “Weerwerk” (hebt u het gezien in de Kamer?).
SP: “Om U te dienen” (dat proberen ze nog steeds, Renske Leijten was daar een prominent voorbeeld van).
SGP: “Gerechtigheid verhoogt een volk” (hebt u het gezien, het toeslag schandaal?).
Boerenpartij een voorganger van de BBB: Geen leuze. Wel kernwaarden ‘geen geldverspilling, minder overheidsuitgaven, lagere belastingen’.
DS ’70: “Morgen is nu” (tot op de dag van vandaag is een variant van die leuze te lezen op mijn dakgoot) in mijn hart volg ik nog steeds die gedachte!
“Morgen wordt heden geschreven” — H. RH, te lezen op de dakgoot.
Met dank aan Frank van Brakel en zijn “controleboek” “Knollen en citroenen” uit april 1981.
Mr. Goekoop in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Mei 1887.
Opgedoken in een boekje (uit 1934) met de mooie titel; “Wetenswaardigheden voor de ingelanden van het waterschap”. Een publicatie van het voormalige waterschap “de gecombineerde Hoevensche Beemden”.
“Het waterschapsgezag is in mijn oog het allereerste en allermeest noodzakelijk, dat in Nederland bestaat en bestaan moet, omdat het zorgt voor het behoud van den bodem, waarop wij leven zonder welken wij niet bestaan kunnen.” Mr. Goekoop, lid in 1887 lid van de Tweede Kamer.
Jan Heemskerk Abrahamszoon, premier ten tijde van het Goekoop-citaat.
In 1887 zaten er nog wel wijze mensen met verstand van ‘water’ in de Tweede Kamer! En hadden we nog een regering die regeerde. Wie kent hem nog? De premier van toen. Jan Heemskerk Abrahamszoon. Hij viel, volgens Wikipedia, op door zijn grote politieke soepelheid, vindingrijkheid, welsprekendheid en tact. Kunnen we dat van Rutte ook zeggen? Even bezinken! Vooral dat ’tact’? Maar hij had vast een beter geheugen!