il partigiano 45 (solidariteit)

Gestileerde rode vuist omhoog — symbool van solidariteit en volksopstand.
Solidariteit — symbool van de vuist omhoog.

Door de eeuwen heen zijn er in het politiek/bestuurlijke systeem tegenstellingen gebleken tussen de belangen van de stad en het platteland rond de steden. Soms zijn het belangen die botsen. Soms is het simpel een ‘wij’ tegen ‘zij’ zonder dat er sprake hoeft te zijn voor aantoonbare belangenverschillen.

De uitslag van de recente Staten- en Waterschapverkiezingen lijken een nieuw soort ‘wij’- tegen ‘zij’-tegenstelling, waarbij de BBB de macht grijpt in de buitengebieden en de stedeling deels andere accenten legt. Deels lijkt het een electorale opstand van periferie tegen de Randstad. Van de provincies tegen de landelijke overheid. Of van de verdrukten tegen de bestuurders die de regels opleggen.

Sommige tegenstellingen snapt il partigiano wat makkelijker dan anderen. Als sociaaldemocraat snap ik de tegenstelling arm-rijk. Maar dat speelt in de BBB-machtsovername geen rol. Want de boeren die de BBB-beweging zijn gestart, zijn als bevolkingsgroep relatief vermogend en toch hebben veel ‘arme’ sloebers er op gestemd. Arm steunt de noodkreet van de relatief vermogende boeren.

Waarom? Omdat armen weten wat het hebben van geen perspectief betekent. Ze stemmen niet alleen met de ervaring van nu, van het niet rond kunnen komen. Maar ze hebben soms ook de ervaring van de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw toen er veel ontslagen vielen door de grote fabriekssluitingen en het zicht op perspectief toen voor hen ook ontbrak. Na de WW moesten ze maar zien hoe ze weer aan te werk konden komen met voldoende inkomen om de huur, de hypotheek of de studie van de kinderen te betalen.

Toen waren er niet de miljarden voor bedrijfsomvormingen die er nu wel zijn voor de boeren die in transitie gaan. In de jaren zeventig en tachtig moest dat woord bij wijze van spreken nog worden uitgevonden. De arbeidsaanpassingen aan de wereldmarkt werden toe gewoon sanering van ‘vervuilende’ industrieën genoemd. De mijnbouw, de textielindustrie, de schoenindustrie, de scheepsbouw enzovoort werden hier gestopt en/of verplaatst naar gebieden waar men goedkoper kon werken en met minder regels.

Toen was er nauwelijks geld voor de ’transitie’. Toen was er geen geld voor schoner werken. En bedrijven die niet aan de nieuwe regels konden voldoen, gingen gewoon failliet. Wat is er nu anders?

il partigiano ziet veel parallellen, alleen het electoraat kiest nu voor de verdrukten ook al hebben ze veel meer vermogen. Solidariteit met de perspectiefzoekers. Nu moeten we gaan zien of die solidariteit wederkerig is of zal worden. De discussie over de kostentoedeling (hoeveel betaalt elke belangengroep) in de waterschappen zal een lakmoesproef worden! Gaan de boeren zichzelf minder kosten toerekenen ten koste van de ingezetenen?

il partigiano

il partigiano 44 (hoefslag)

Wapenschild van hertog Jan II van Brabant.
Wapenschild van hertog Jan II van Brabant (1275–1312).

In il partigiano 58 citeerde ik reeds uit “Het oorkondenboek van Noord-Brabant” (van H.P.H. Camps), mede om aan te tonen dat er ruim voor 1300 al een omslagstelsel bestond waarbij gold: hoe omvangrijker het grondbezit of het profijt ervan, hoe hoger de bijdrage! Er was dus toen al sprake van een waterschapachtige organisatie met een regeling inzake de kostentoedeling.

Uit een oorkonde d.d. 18 oktober 1303 blijkt dat de hertog Jan II van Brabant betrokken is bij de aanleg van een ‘weteringe’ (watergang). Vermoedelijk de watergang die nu nog steeds de naam “Hertogswetering” draagt.

Oss droeg veel van de aanlegkosten maar het project bleek duurder dan gedacht (ook dat lijkt van alle tijden). Om zijn onderdanen tegemoet te komen gaf de hertog in die acte toestemming de inkomsten van hun ‘gement’ te gebruiken. In de acte komt ook het woord ‘hoefslag’ voor. Dat is een begrip dat in oud waterschapsrecht duidt op een al bestaande verdeling van de kosten van de aanleg en onderhoud van de wetering. De eigenaren van hoeven of hofsteden betaalden er dus ook aan mee.

Detail van een historische kaart waarop de Hertogswetering en omliggende polders zijn aangegeven.
Detail van een historische kaart met de Hertogswetering.

il partigiano

il partigiano 43 (autonomie)

Wapenschild van het Bisdom Utrecht — een gouden leeuw op zwart veld met rode tong en klauwen.
Wapenschild van het Bisdom Utrecht — Jan van Diest, bisschop van Utrecht, stichtte in 1323 het Hoogheemraadschap van de Lekdijk Bovendams.

Als je een onderzoek doet naar de beginselen van het dijk/waterschapsrecht is voor il partigiano de oudste verifieerbare teken van waterstaatszorg de aanleg van een dam in de Oude Rijn bij Wijk in 1122, hetgeen is te beschouwen als basis voor het latere Utrechts streekwaterschap “Hoogheemraadschap van de Lekdijk Bovendams”, gesticht in 1323 door Jan van Diest, bisschop van Utrecht.

Het ligt in de rede om te veronderstellen dat de aanleg van een dergelijk groot werk een organisatie kende. Bestuurlijk ingesteld door een landheer (graaf of bisschop) die de rechtsmacht uitoefende en daartoe bestuurders aanstelden (heemraden) of liet kiezen door belanghebbenden. Zeker als het belanghebbend gebied groter was en een aantal buurschappen betrof.

Het lijkt erop dat aan de noordkant van het werkgebied, van wat nu het waterschap Brabantse Delta is, vanaf ongeveer 1230 planmatig dijken werden aangelegd. Met rond 1273 de afdamming van de Oude Maas.

De staatsrechtelijke gang van zaken vergelijkt G.P van de Ven, in zijn “Leefbaar langland, Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland”, met de procedures tot verlening van stadsrechten. De stadsbesturen die in die tijden ontstonden waren net als waterschapsbesturen autonoom en konden door middel van eigen rechtsregels of keuren hun rechtsgebied vormgeven. In die tijd inclusief rechtshandhaving en rechtspraak.

Voor de waterschapbestuurders van nu: hoedt u voor de afkalving van uw rechten en autonomie. Laat u niet knechten tot hulpje van de provincies, Rijk of Europa.

il partigiano

il partigiano 42 (het eerste)

Omslag van het Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, deel I, de Meierij van 's-Hertogenbosch, bewerkt door Dr. H.P.H. Camps, uitgegeven in 1979.
Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312 — Dr. H.P.H. Camps, ‘s-Gravenhage 1979.

Ik draai in de wereld van de waterschappen al ruim 30 jaar mee. En ben altijd geïnteresseerd geweest in de geschiedenis van het waterbeheer in wat wij nu kennen als Nederland. De boekjes zeggen: “Het oudste waterschap van Nederland is het Hoogheemraadschap van Rijnland dat is opgericht in 1255”. Het oudste wil niet zeggen het eerste wat veel mensen denken. Want de 21 waterschappen van nu kennen heel veel rechtsvoorgangers. Die allemaal niet meer bestaan omdat ze zijn opgegaan in steeds grotere verbanden. Alleen aan het Hoogheemraadschap van Rijnland is de opschaling en dus de opheffing van rechtsvoorgangers voorbijgegaan.

Rond 1850 waren er in Nederland ongeveer 3500 waterschappen in 1950 nog circa 2500 en nu nog 21. Minder dan 1 % van het aantal in 1950! Recordhouder is het huidige waterschap Rivierenland dat 474 rechtsvoorgangers kent. Ook in het werkgebied van mijn eigen waterschap Brabantse Delta waren in 1950 nog meer dan 200 waterschapjes.

Zo was het ook in vroeger tijden. Het probleem is dat de archieven uit die tijd (voor 1300) vrijwel allemaal verloren zijn gegaan en ze werden niet zo bijgehouden als nu. Maar soms geeft een archiefstuk een inkijkje in wat er wel was.

Op 15 januari 1288 verkoopt Hertog Jan I van Brabant aan de inwoners van Lithoijen gemeenschappelijke weidegronden. Het oorkondenboek van Noord-Brabant (van H.P.H. Camps) is informatie te vinden over de gementsoorkonde van Lithoijen uit 1288. Deze oorkonde bevat een bepaling die te maken heeft met de waterhuishouding (dijken en weteringen). ‘Al naar gelang Lithoijenaren profijt hebben van de gemeenschappelijke weiden zullen zij voor die delen moeten bijdragen aan het onderhoud van de dijken en waterlopen’. Ook bevat de oorkonde elementen die aangeven dat ook dorpen stroomopwaarts en stroomafwaarts langs de Maas de lasten mede gedragen.

Er is dus een omslagstelsel waarbij hoe omvangrijker het grondbezit of het profijt ervan, hoe hoger de bijdrage! Hier is dus ruim voor 1300 sprake van een waterschapachtige organisatie met een regeling inzake de kostentoedeling. Een groot stuk van de Maasoever is dus bedijkt en de afvoer van water geregeld en mogelijk de aanvoer middels suatiesluisjes ook!

Archeologisch is vastgesteld dat rond Den Bosch de waterstaatkundige werken er al ruim voor die tijd waren. Vermoedelijk dus ook iets van een organisatie in de vorm van een water-, polder- of heemraadschap. Want als wij Nederlanders, iets organiseerden dan regelden we ook hoe en door wie er betaald ging worden. Of het Hoogheemraadschap van Rijnland het eerste waterschap was waag il partigiano te betwijfelen. Misschien waren wij Brabanders misschien wel de eerst. En valt het Hertogdom Brabant die eer toe.

il partigiano

il partigiano 41

Historische kaart van de inpolderingsgeschiedenis van het werkgebied van waterschap Brabantse Delta, met per periode ingekleurde polders van 1300 tot 1966 en de buitenwaterkering.
Inpolderingsgeschiedenis van het werkgebied van waterschap Brabantse Delta — periodes 1300–1966.

Het werkgebied van het huidige waterschap Brabantse Delta kent een lange inpolderingsgeschiedenis. Tussen 1420 en 1425 gingen veel van de in de eeuwen daarvoor ingepolderde gebieden door stormvloeden verloren waarvan de bekendste de Sint Elisabeths vloed van 1421 is. Grote gebieden werden langdurig door het zilte water weer beheerst. Het hele gebied tussen ten noorden en westen van de gespaarde gebieden werden weer schorren en gorzen en slibden langzaam weer op. Tussen 1460 en 1550 werden slechts enkele relatief kleine poldertjes op de zee herwonnen. Na 1550 werden grote inpolderingen tot stand gebracht (zie foto).

Het gebeid ten westen van de bewaard gebleven Waarddijk en ten noorden van de Mark bleef circa honderd jaar onder invloed van de zee. Er waren vier startpunten voor de nieuwe bedijkingen. Dit waren deels, min of meer beschutte resten van het gebied. Een gebiedje dat beschermd werd door een ‘moerdijk’, het Oudland van Zevenbergen, de Torenpolder en het Oudland van Standaardbuiten (’t Sand daar Buyten) gelegen in het zuidwesten van het gebied tussen de Mark en de Keene.

Tussen 1550 en 1600 werden deze gebieden ingepolderd. De inpolderingen waren een initiatief van de Markies van Bergen op Zoom en de Baron van Breda. En bij de Grote Polder waar ook Klundert lag deed ook de Heer van Zevenbergen mee. Na 1600 werden ook de gebieden tussen de Vliet, de Eendracht en Slaak bedijkt waarmee het rijke akkerbouwgebied zoals we dat nu kennen als onderdeel van het waterschap Brabantse Delta tot stand kwam en het zeekleigebied samen met de hoge zandgronden het waterschap zou gaan vormen zoals wij dat nu kennen.

Wilt u de vormingsgeschiedenis van het waterschap doorgronden, kijk dan eens naar haar stamboom met meer dan 200 rechtsvoorgangers. Ik zelf heb als bestuurder (hoofdingeland) een bijdrage mogen leveren aan de waterschappen Zoomvliet en het Scheldekwartier alsmede het Hoogheemraadschap van West-Brabant. Bij het werken aan de toekomst van het waterschap is het goed kennis te nemen van haar geschiedenis; dan ontstaat er meer begrip van de onderlinge verschillen en kwaliteiten en daarmee de eisen die het beheer stelt aan de bestuurders.

De stamboom van het waterschap Brabantse Delta https://onswater.com/wp-content/uploads/2020/08/Stamboom%20Brabantse%20Delta.html

il partigiano

il partigiano 40 (peilbeheer, afwentelen en participatie)

Historisch gemaalgebouw aan een watergang in een polderlandschap, symbool voor het eeuwenoude peilbeheer in Nederland.
Een historisch gemaal in de polder — peilbeheer is al eeuwen een kerntaak van het waterschap.

Het beheer van boezemwateren verlangde al in de middeleeuwen regelgeving omtrent het peilbeheer. Als iedereen maar water uitmaalde wanneer het eigenbelang het vroeg en de boezem het water niet kwijt kon, dan leidde dat al in de vroege middeleeuwen tot gedingen bij de landheer. En was de vaststelling van een maalpeil van het boezemwater als maatvoering voor de uitmalende molens nodig.

Uit processtukken van pachters uit de Oost-Ambachten (Delfland) blijkt wat zij inbrachten in 1494 voor de Grote Raad van Mechelen (bij de landheer). Zij verweten molenaars zonder hantering van het maalpeil “sonder anschou te nemen off die sluysen uuyt gaet off nyet”. Waardoor de boezem overliep: “leggende op (bij) ’t buytenwater (boezem) tot duysent plaetsen overloopen”. Dat soort gedrag zouden we nu afwentelen noemen.

Maar ook droogte leidde tot excessen. Zo hadden drie ingelanden van de Binkhorstpolder in 1506 “met gewelt ende dracht” een sluisdeur gesloopt om water in de sloten te laten lopen. Ze moesten 50 pond boete betalen en publiekelijk vergeving vragen aan de dijkgraaf en de hoogheemraden. Droogte leidde ook tot klachten bij de landheer. Zo beklaagde Delft zich in 1540 bij het Hof van Holland over een groot gebrek aan water voor de brouwerijen.

In 1562 kregen enige hoogheemraden opdracht van het college van Delfland om met de molenmeesters een maalpeil vast te stellen voor alle watermolens en daartoe met hen te overleggen. Hoogheemraad Johan de Heuyter van Delfland nodigde op 30 april van dat jaar alle molenmeesters van de Oost- en West-Ambachten des morgens om 9 uur in zijn woonhuis uit voor beraad aanwezig te zijn.

Peilbesluiten zijn dus al oud en het overleg (participatie) met de belanghebbende ook! Bestuurders waren toen duidelijk nog niet benauwd belanghebbenden bij zich thuis uit te nodigen!

il partigiano

il partigiano 39 (bagger)

Historische gravure uit circa 1600 van een baggermolen waarmee arbeiders een waterbodem uitdiepen, met op de achtergrond een stadsgezicht.
Baggermolen, circa 1600 — het uitdiepen van waterbodems was al in de zestiende eeuw streng gereglementeerd.

Waterbodems moeten met regelmaat worden gebaggerd. De (boezem-)wateren moeten op profiel (breedte/diepte) worden gehouden om water toe- en afvoer te kunnen regelen. Voor bevaren wateren moet er ten behoeve van de bevaarbaarheid gebaggerd worden om de diepte te handhaven. De afgelopen jaren is er ook het besef gegroeid dat baggeren om milieuredenen noodzakelijk kan zijn vanwege de waterkwaliteit.

Al in de zestiende eeuw kom je in keuren voorschriften tegen die regelen dat met toestemming van de dijkgraaf en hoogheemraden de bagger op de kaden, aan beide kanten van het water, opgeworpen mocht worden. Dat wantrouwen over wat er met de bagger gebeurde en of de rekeningen van de aannemers wel klopten van alle tijden is, blijkt wel uit het volgende citaat; “binnen der stede van Delft goede duechdelicke certificatie (te) verthoenen”. Dit betrof het vergraven volume.

De stad Delft kon, als gevolg van een privilege van 1389, vrij beschikken over de bagger uit de Delftse Schie. Voor grondverbetering en bemesting was de bagger waardevol. De bagger werd onder andere gebruikt voor het onderhoud en voor verhoging van de polderdijken. De bagger uit de Delftse wateren mocht niet buiten Delfland worden gebracht en die uit de polders niet daarbuiten.

Bagger was waardevol en daarom gereglementeerd. Nu is verwerking van bagger door de verontreiniging vaak een kostenpost en daarom gereglementeerd! Wat is er misgegaan en wat kunnen we daarvan leren?

il partigiano

il partigiano 38A (beheer vaarten en boetes)

Negentiende-eeuws schilderij van een jongeman op een paard die een schip trekt langs een jaagpad naast een vaart, met een molen en een rood schip op de achtergrond.
Jagen langs de vaart — het trekken van schepen met paarden over het jaagpad, zoals verboden door de keuren van Delfland.

Reeds in de vijftiende eeuw kenden de keuren der waterschappen regels om de boezemwateren die tevens als trekvaarten werden gebruikt- inclusief hun oevers – te beschermen. Zo verboden keuren ‘jagen’ langs de oostzijde van de Delftsche Vliet en de Leidsche Vliet. Schepen mochten alleen zeilen en niet met paarden of “mitten hals, roeyen oft steken metten boom” gesleept worden. “Ten eynde die treckers metten hals upte candt van denselven wech niet en sullen mogen gaen” werden er zelfs palen tot bijna drie meter hoog langs de waterkant geplaatst om het trekken onmogelijk te maken.

Op overtreding werden zeer forse boetes gezet. Een overtreder liep de kans dat paard en schuit in beslag werden genomen en op de eerstvolgende marktdag per veiling werden verkocht. Van de opbrengst werd de eventuele schade hersteld. Van het restant van de opbrengst ging 2/3 naar de dijkgraaf en 1/3 naar de bekeurde.

De hoogheemraden (leden dagelijks bestuur) hadden de taak om toe te zien op het jaagverbod. Men was tegen overtreders verre van lankmoedig. Als voorbeeld (sententie van de vierschaar van Delfland 28 november 1562):

Hoogheemraad Jan de Heuyter sprak tijdens de schouw tussen “de Vriesen en de Leidsche dam” de overtreder Dirck Claesz aan: “Siet wat costen dat hier gedaen werden omme die vaert te diepen. Aldus wacht u, nyet meer die schuyt mitten paerde te trecken.” Op dit aanspreken reageerde de brutale Dirck met de vraag: “Omme wyens wille souden wij dat laeten? Omme uwent wille?” Deze uitspraak werd al ervaren als insubordinatie. Tijdens zitting van de vierschaar werd er aan deze brutale woorden toegevoegd dat Dirck zich direct na deze schandelijke woorden had omgedraaid. “Latende den voorzegde heemreat alser in zijn aers sien.”

De opgelegde straf was conform de eis van de heemraden: inhechtenisneming, geselen op het schavot, verbanning voor eeuwig uit Delfland en betaling van een boete van 50 gouden realen!

Dat waren nog eens straffen en dat allemaal om de vaarten en oever te beschermen.

il partigiano

il partigiano 38 (dijkleger)

Omslag van het boek Dijkleger door J.W. Ooms.
Dijkleger — J.W. Ooms.

In de periode dat ik lid was van het Algemeen Bestuur van het Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch (1999-2004) kende dat waterschap een dijkleger dat bij dreigende noodsituaties en bij dijkwachten ingezet/opgeroepen kon worden.

In de 16e eeuw hadden een dijkgraaf en hoogheemraden verregaande bevoegdheden om tijdens stormweer of hoogwater alle weerbare mannen ter versterking van het dijkleger op te roepen. De baljuw-dijkgraaf was daar dan de bevelvoerder van.

De benoemingsakte van de dijkgraaf van Delfland Jan François van Bodeghem (1514 -1581) d.d. Brussel 11 augustus 1556 vermeldde als taak: “Goede waecke ende toesichte nemen op de dijcken ende inbreken die aldaer souden mogen geschien tot reparatie ende onderhoudenisse van dien ernstelijck verstaen ende daerinne voorsien tot vasticheyt ende versekertheyt van den voorszegden dijcken ende tot behoudenisse ende welvaert van den lande.”

Voor de ingelanden was deze verplichting niet een vorm van lijfeigenschap, maar een uitvloeisel van het gewoonterecht en een vorm van burgerplicht, waardoor ze hun eigen en andermans have en goed beschermden. Wie echter geen gevolg gaf een de oproep/bevel van de baljuw of de dijkgraaf om zijn arbeidskracht beschikbaar te stellen kon zijn have en goed, dus zijn land en erf, verbeurd verklaard zien worden.

Dijkgraven zoals Jan François van Bodeghem waren van goeden huize en hij maakte deel uit van de Raad des Konings, was Dijkgraaf van Delfland, baljuw van Delfland, rentmeester van Arkel, Putten en Strijen, rentmeester generaal Zuid Holland en bewaarder van de minderbroeders te Delft..

il partigiano

il partigiano 37 (stapeling van ambten en kwaadsprekerij)

Portret van Keizer Karel V (1500-1558), die in de ordonnantie op de hoogheemraadschappen de cumulatie van functies verbood.
Keizer Karel V (1500–1558).

Nu de ledenaantallen van partijen afnemen en een partij soms plotseling van uit het niets groot kan zijn (BBB, FvD) zie je dat stapeling van ambten steeds vaker voor komt. De zorg dat dit tot belangenverstrengeling kan leiden noch de kwaadsprekerij daarover, is niet nieuw.

Keizer Karel V (1500-1558) verbood in de “ordonnantie op de hoogheemraadschappen” de cumulatie van functies van dijkgraaf en hoogheemraad, zowel onderling als met het lidmaatschap van het Hof van Holland. Bovendien mocht een hoogheemraad niet tegelijkertijd in een ander hoogheemraadschap een bestuursfunctie vervullen. Tevens was in een aanvulling van de “ordonnantie op de hoogheemraadschappen” vastgelegd dat een hoogheemraad minstens 50 morgen onbelast grondeigendom moest hebben.

Dat de functie van hoogheemraad of in huidige termen lid van het dagelijks bestuur van een waterschap vroeger andere (lichamelijke) eisen stelde dan nu zo blijkt uit de ontslagaanvrage (benoemingen waren toen nog voor het leven) van mr. Pieter Hanneman, sedert 1577 hoogheemraad, omdat hij “mits impotentie van lichame ende zijne zwaerlivicheyt langer d ‘office als heemraet nyet en conde oft machtich was te exerceeren, bijzonder als de wercken buyten dijck ende in de duynen waren te visiteren”. Ontslag wegens zwaarlijvigheid!

Ook onafhankelijk toezicht was in de ogen van Keizer Karel V nodig. Hij benoemde in 1518 de regeringscommissaris Karel van Poitiers, heer van Dormans en Vadans, die in bezit van keizerlijke volmachten toezicht ging houden op de uitvoering van het nodige herstel van dijken en duinen in Holland en West-Friesland. Hij kon hoogheemraden ontslaan. De vreemdeling bezat geen gronden en was door zijn aanpak niet geliefd. Van de ontslagenen gingen er een aantal in beroep bij de Secrete Raad. Ze waren immers benoemd. Ook de (nieuwe) eis van landbezit veegden ze van tafel omdat ‘niemand zich eraan hield’. Sterker nog: hoogheemraden zonder land bewaakten de dijken zelfs met meer ijver dan grootgrondbezitters, zo meenden zij. Zij meenden dat ‘eenighe quaetwillighen’ door het zenden van ‘subreptieve’ (bedrieglijke) en obreptieve (slinkse) brieven hun ontslag hadden bewerkstelligd. Ook kwaadsprekerij is van alle tijden.

Dat laat onverlet dat toezicht op het onderhoud van dijken en de waterschappen goed is. Het laag houden van de kosten mag niet leiden tot slecht onderhoud waardoor de risico’s toe zouden kunnen nemen.

il partigiano