De VVD wil in de Theodorushaven aan de vrijkomende loswal een aanleg mogelijkheid voor riviercruises. Riviercruises welkom heten in Bergen op Zoom is een goed streven, de locatie is echter ongeschikt. De ‘draaikom’ is te klein en cruiseschepen van de gebruikelijke lengte moeten achteruit de haven weer uit. Ook is het motorvermogen van dat soort schepen verleidelijk groot en kan door een maximaal gebruik zowel de bodem van de haven (slib) verstoord worden waardoor de boel gaat stinken en de oevers mogelijk beschadigd worden door golfslag. Ook schippers van een dergelijk schip hebben wel eens haast als het tijdschema van afvaarten gevaar loopt.
Maar er is een alternatief!!!! De Broeckehaven op de Molenplaat. De oude werkhaven is relatief eenvoudig en relatief goedkoop geschikt te maken. Bij aankomst transport regelen. Afhankelijk van het weer fietsen/e-bikes of busvervoer. Cultuur/winkelliefhebbers naar de stad. Natuurliefhebbers/vogelaars de laarzen aan en wandelen op de Molenplaat.
Er zou veel kunnen als de gemeenten en de terreinbeheerder van de Molenplaat maar zouden willen.
Ik heb er al eens eerder over gesproken met een kapitein van een dergelijk schip. Er woont er zelfs één in Bergen op Zoom en hij zag het zitten.
Ik las recent het artikel “De wind als gratis drijfkracht voor de polderbemaling” van de hand van Jhr. Mr. F. van Ryckevorsel Jr. , destijds (1934) bestuurslid van “De Hollandse Molen”.
Het artikel begint met: “Een oude volksspreuk zegt: Gelukkig is het land, waar ’t kind zijn moer verbrandt, hetgeen zeggen wil: Gelukkig is het land, dat zijn energiebronnen, zoals warmte enz. gratis en met weinig onkosten exploiteert. Een dergelijk land heeft een groten voorsprong op die landen, die hun energiebronnen met veel moeite moeten winnen en grotere kosten daartoe moeten aanwenden”.
Hij verwees naar de 17e eeuw toen de zeilen van de Hollandse schepen en de zeilen van de Hollandse molens Holland welvarend en sterk maakten. Het was de wind die vele Nederlandse polders droogmaalde. In die Gouden Eeuw was het de wind die Nederland als goedkope energie- en krachtbron is staat stelde haar producten billijk te produceren en voor een goede prijs kon verkopen.
Het stoomgemaal “de Crucius” was het sein tot het slopen van veel poldermolens en na 1920 kwam daar de elektrische krachtbron bij. De eens het landschap dominerende poldermolens werden gemalen soms verstopt in kleine betonnen gebouwtjes die voor de afwatering gingen zorgen.
Gedurende enkele eeuwen kenden de windmolens in Nederland eigenlijk maar één wiekvorm, namelijk het ‘Oudhollands tuig’.
In de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw ging men op zoek naar mogelijkheden om het rendement van de windmolen te verhogen. , zodat die de concurrentiestrijd met stoommachines, dieselmotoren e.d. beter aan zou kunnen.
Er werden allerlei wiekverbeteringen ontwikkeld die toepassing vonden in een flink aantal molens. Van het dwarsgetuigde en het Oudhollandse gevlucht tot zelfzwichting systemen. Ook de systemen Von Baumhauer (ingenieur van de Rijks-studiedienst voor de luchtvaart), Dekker (patent nummer 24753, nog aanwezig op de Groenendijkse Molen in Hazerswoude-Rijndijk. Dekker ontwikkelde samen met anderen ook de fokwiek, nu nog aanwezig op de Broekzijder Molen in Abcoude).
Ook heden ten dage zijn wij als waterschapbestuurders schatplichtig aan ingenieurs als Adrianus Dekker, Chris van Bussel, Kurt Bilau, van Riet, Ten Have en P.L Fauël, die vernieuwingen brachten bij poldermolens. Uiteindelijk werd niet windkracht maar elektrische energie de krachtbron van waterschapgemalen. Wel gaat het er steeds meer op lijken dat wind toch terugkeert als basiskrachtbron voor de gemalen. Nu nog de aanvaarding als ‘verrijking’ van ons landschap als blijk van waardering voor de rol die de wind eerder heeft gespeeld bij de vermogensvorming van ons waterrijke landje.
Vandaag in BNdeStem een verhaal over het baggeren van het Mark/Dintel systeem. Buiten dat het al veel eerder had moeten gebeuren zou er nog veel meer moeten gebeuren om het vervoer over water aantrekkelijker te maken.
In “il partigiano 20” schreef ik over het gedeeltelijk realiseren van het in februari 1958 gelanceerde provinciale “Welvaartsplan voor West-Brabant”; kern daarvan was het realiseren van de broodnodige voorzieningen op het gebied van waterwegen en havenfaciliteiten. De vaarwegen In West Brabant verlangden toen een vergaande modernisering. “Maak ze geschikt voor schepen tot 1350 ton”, was in 1958 de leuze! Het laatste gerealiseerde onderdeel van dat Welvaartsplan was de aanleg van het Mark-Vliet kanaal in 1983.
Recent heb ik ontdekt dat er circa 120 jaar geleden al aandacht werd gevraagd voor de beperkte transportmogelijkheden op de West-Brabantse waterwegen. En dat nota bene een familielid (oudoom) van mijn BSD-partijgenoot (Piet Juten) daartoe initiatieven nam.
In 1904 deed de ARP-minister van Waterstaat Mr. J.Ch. De Marez Oyens de toezegging inhoudende dat West-Brabant zijn verbinding zou krijgen met het kanalen netwerk van Oost- en Midden-Brabant. En dat daarbij gedacht werd aan een verbinding via het Mark-Vlietsysteem naar de Westerschelde.
De Bergenaar Wilhelmus Johannes Franciscus Juten, die van 1901 tot 1923 lid de Provinciale Staten van Noord-Brabant was, greep daarop een kans en diende in 1904 in de Staten van Noord-Brabant een motie in.
“…. zijn van oordeel, dat het thans ontworpen scheepvaartkanaal (het Wilhelminakanaal) beter zou voorzien in de behoeften van den handel, de nijverheid en den landbouw der provincie, wanneer het in verbinding gebracht kon worden met de rivier “DE SCHELDE”, …..)
De toezegging van de minister en de motie verdwenen daarna al snel in de vermoedelijk stoffige archieven van de provincie en de Tweede Kamer. Met enige jaloezie kijkt il partigiano naar vroegere initiatieven om tot verbeteringen te komen voor vervoer over water. Tot de Tweede Wereldoorlog bestond er een Verbond van Zuidelijke Kanaalcomités inclusief een Verbondsraad die keek naar de vervoers- en afwateringsbelangen van het zuiden van Nederland en België en formuleerde voorstellen tot verbetering. Het zou goed zijn – met de vervoerstransities in ons hoofd – als een dergelijk initiatief wederom tot stand komt.
Nu moeten we het doen met de tekst in het coalitieakkoord van het waterschap Brabantse Delta: “de toenemende mobiliteit vraagt ook IETS van de vaarwegen die wij beheren voor de provincie.” Slapper dan slap!
Het waterschap Brabantse Delta noemen we wel eens Nederland in het klein. Het bevat alle landschapstypen die ons land kent. Van de lage zeekleigebieden tot de hoge zandgronden.
Kenmerkend is de ‘Naad van Brabant’, het overgangsgebied van de ‘lage’ kleigebieden naar de zandgronden, die als het ware het waterschap in tweeën snijdt. Als gevolg van stuifzanden ontstond een lang smal gebied met ‘duinen’ dat vanaf de Brabantse Wal naar het noorden loopt en bij het Halters Laag afbuigt in noordoostelijke richting. Veel stedelijke ontwikkeling vond plaats op deze Naad van Brabant (Bergen op Zoom, Roosendaal, Breda, Waalwijk, ‘s-Hertogenbosch en verder).
Belangrijke duinresten zijn de Brabantse Wal en de Loonse en Drunense duinen. Maar ook kleinere elementen zijn de moeite waarde om qua waterbeheer te benoemen. Onder andere het Teteringse bos, het Cadettenkamp (ook nabij Teteringen) en de Seterse Bergen (ten oosten van Oosterhout).
Het zijn stuk voor stuk gebieden die een specifiek waterbeheer rechtvaardigen om de gebiedseigen kwaliteiten en natuur te behouden.
Vrouwe Justitia — symbool van recht en evenwicht in bestuur.
Ik draai al lang mee in de besturen van overheden. Sinds 1986 in de gemeente en sinds 1993 in de waterschappen. Bij meer dan twintig gemeenten ben ik betrokken geweest bij rekenkamercommissies en deed ik beleidsonderzoeken, of was ik daarbij betrokken. Wat mij steeds meer op is gaan opvallen is het toenemende gebrek aan normen, waarden en bestuurs-ethiek bij bestuurders en in toenemende mate ook bij ambtenaren.
Ik zie steeds vaker détournement de pouvoir (het misbruik van een bevoegdheid). Geregeld in art. 3:3 Algemene wet bestuursrecht. “Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend”.
Bij gemeenten zie/vermoed ik steeds vaker dat RO-bevoegdheden (RO= ruimtelijke ordening) gebruikt worden om het eigen grondbedrijf te bevoordelen. Als je er iets van zegt, krijg je te horen: “ik dien het belang van de gemeente, dat is mijn taak als raadslid.” En “als het grondbedrijf geld verdient of niet verliest, kunnen we de belastingen laag houden”. Dat is allemaal waar maar daarom heeft de gemeente niet de RO- bevoegdheden die zij heeft. Die zijn er om goed RO-beleid tot stand te brengen!
Waterschappen gaan helaas dezelfde kant op. Mogelijk komt dat omdat steeds mee (oud-)raadsleden door de politisering de waterschapbestuurszetels zijn gaan vullen.
Recent was ik aanwezig bij een presentatie in mijn eigen waterschap Brabantse Delta waar een ambtenaar inging op de casus “Plas Caron”. Bij de werksessie werkte de geluidapparatuur niet en de bijeenkomst kreeg daarmee een besloten karakter. De presentatie is echter wel op de site van WBD te vinden.
Waar het in – mijn ogen – echt fout ging was bij ‘plaatje’ 14 in de presentatie bij de “nadelen bij niet vaststellen” van de nota Bodembeheer. Daar werd een aantal argumenten genoemd die naar mijn inzicht volstrekt in strijd zijn met het verbod op – détournement de pouvoir.
“WBD krijgt grotere financiële uitdaging bij licht verontreinigde baggeropgave”; “licht verontreinigde bagger WBD gaat naar vergelijkbare initiatieven bij andere waterschappen”. En “Risico op schadeclaim”.
De bevoegdheden van een overheid zijn haar gegeven om haar wettelijke taken uit te voeren. Zoals vergunningverlening of handhaving. Niet om het eigen financiële belang te dienen!
Bij de beoordeling of het waterschap, inzake de Plas Caron, een nota Bodembeheer moet vaststellen zijn de beschermende taken van het waterschap het leidende principe. Zoals:
Bescherming waterkwaliteit
Bescherming bodemkwaliteit en
Bescherming van levensvormen in relatie tot de diepwater biotoop (KRW), zoals kranswieren die zorgen voor een goede waterkwaliteit en een rijke biodiversiteit.
Dit zijn de drie leidende principes/doelstellingen waarom het waterschap de bevoegdheid heeft regels te stellen.
Het eigen ‘baggerbelang’ mag geen enkele rol spelen bij de afwegingen die het waterschap in dezen te maken heeft. Ook financiële belangen kunnen en mogen niet aan de orde zijn bij de afwegingen. Wat wel kan en mag is de afweging in hoeverre een besluit juridisch houdbaar is bij de Raad van State. Dat is een graadmeter of het waterschap wel een juiste afweging maakt bij de toepassing van de bevoegdheden. Nu troost ik mij met de gedachte dat eventuele bezwaarmakers tegen een besluit kunnen verwijzen naar de ‘zonden’ van het waterschap bij haar overwegingen zijnde détournement de pouvoir!
Na afloop van die bijeenkomst die ik zwijgend bijwoonde, want ik maak er geen gewoonte van om staande een vergadering in het openbaar een ambtenaar of DB lid te betuttelen, wees ik een DB lid op de, – tijdens de presentatie, – begane zonden. Een tweede DB lid bevond zich binnen gehoorsafstand.
Ik had de hoop dat mijn woorden enig effect zouden kunnen hebben bij de totstandkoming van de officiële besluitvormende stukken. Deels bleek dat het geval. Maar zoals wel vaker halfslachtig.
Dat bleek uit de beantwoording van vraag 7 van Partij voor de Dieren: “Is het hierbinnen mogelijk dat het waterschap financieel niet in de vingers snijdt? Of heeft het feit dat zij zelf handelt in bagger hierin eigenlijk een te groot belangenconflict?”
Het antwoord was: “Dit speelt geen rol bij de technisch, inhoudelijke besluitvorming”. Deze beantwoording wekt de indruk dat het financiële belang alleen bij de technische en inhoudelijke beoordeling geen rol speelt. Bij een andere beoordeling mogelijk wel. Een helder antwoord was geweest: Dit mag geen rol spelen bij de besluitvorming.
Wat mij ook stoorde, was het gemak waarmee met de tijdelijke (circa tien jaar) schadelijk effecten werd omgegaan. Alsof tien jaar verstoring geen verstoring en schade aan het bodemleven en waterleven toebrengt. Ik vraag mij dan af: zouden ze tegen een mondige burger ook zeggen: het is maar tijdelijk, als hij of zij 10 jaar een schadelijke stoffen of geluid uitbrakende installatie naast hun huis zouden moeten dulden.
Besturen van gemeenten en waterschappen moeten bij besluiten hun bevoegdheden niet voor een ander doel gebruiken dan waarvoor die bevoegdheden zijn verleend.
Eerder heb ik de geschiedenis verhaald van de inpolderingen van het Brabantse Delta gebied tussen de Eendracht/Slaak en Waalwijk.
Tussen de hogere zandgronden (de Brabantse Wal/Zoom) en het buitenwater lagen tot 1530 een aantal polders. De Westerschelde was nog een bescheiden riviermond. De Oosterschelde was een smalle waterloop tussen Zuid-Beveland ten oosten van Yerseke en ten westen van de hogere Brabantse zandgronden. De Eendracht was een bescheiden geul.
In 1530 en 1532 veranderde dat waterlandschap enorm. Door de stormvloeden in die jaren verdween het grootste deel van Zuid-Beveland ten oosten van Yerseke in de golven. Inclusief delen van het gebied rond Reimerswaal. Rond 1550 ook het gebied waar nu Rilland ligt.
Door deze gebeurtenissen kwamen de polders langs de Brabantse hogere zandgronden aan steeds grotere open wateren te liggen. Bij een stormvloed in 1570 gingen deze polders verloren. Van dijkherstel was in de daaropvolgende jaren nauwelijks sprake. Vanaf 1583 werden deze gebieden vrijwel permanent geïnundeerd teneinde het rijke Zeeland te beschermen. Langzaam ontstond mede hierdoor het ‘Verdronken Land van het Markiezaat van Bergen op Zoom’.
Tijdens het twaalfjarig bestand (1609 -1621) en na het einde van de tachtigjarige oorlog (1648) werden er nieuw polders aangelegd ten noorden van Bergen op Zoom. Die bij een stormvloed in 1682 weer verloren gingen. Daarna begonnen vele bedijkingen die er heden ten dage ook nu nog liggen: de Oud Glymespolder (1688), de Auvergnepolder (1693) en de Eendrachtspolder (1698).
In de 18e en 19e eeuw volgenden de polders ten westen van Woensdrecht en Ossendrecht. Die inpoldering werd pas goed mogelijk toen de Kreekrakdam werd aangelegd (1867) en Zuid-Beveland en Noord-Brabant verbonden werden.
Wilt u de vormingsgeschiedenis van het waterschap Brabantse Delta doorgronden? Kijk dan eens naar haar stamboom met meer dan 200 rechtsvoorgangers. Bij het werken aan de toekomst van het waterschap is het goed kennis te nemen van haar geschiedenis, dan ontstaat er meer begrip van de onderlinge verschillen en kwaliteiten en daarmee voor de eisen die het beheer stelt aan de bestuurders.
De pen als wapen — il partigiano houdt zijn puntenslijper bij de hand.
Z’n dertig jaar draai ik mee in waterschapsbesturen. Toen ik in 1993 in het bestuur kwam van het waterschap Zoomvliet leek het als of het stadsjongetje verdwaald was in een wereld van boeren. Maar dat was slechts gedeeltelijk waar. Met mijn collega-bestuurders had ik meer gemeen dat het oppervlakkig leek. In tegenstelling tot hen woonde ik in een stad. Maar ik had wel vijf jaar in de landbouw gewerkt op een proefbedrijf in de Frederikapolder. In Zeeland tussen Rilland en Waarde. En net als zij had ik een technische achtergrond.
In 1995 kwam ik in het Hoogheemraadschap Westelijk Noord-Brabant en in 1996 in het Waterschap Scheldekwartier. Deze gingen in 2004 op in het Waterschap Brabantse Delta. 30 jaar onafgebroken diende ik in West Brabantse waterschapsbesturen. In die tijd zat ik ook een aantal bestuursperiodes in waterschappen in Zeeland en Gelderland. En diende ik bij meer dan twintig gemeenten in rekenkamercommissies. Ik kan dus met enige recht zeggen: ik weet wat waterschappen doen en ik heb enige kennis van onderzoek naar cijfers en beleidsuitvoering. Je zou dan zeggen dat als ik of mijn fractiegenoten indringende vragen stellen over cijfers je snel serieus genomen zou worden. In het huidige politieke krachtenveld is dat helaas niet altijd het geval. Nu was er een brief aan de dijkgraaf, als hoeder namens de Kroon, nodig om wel de gepaste aandacht te krijgen voor een evidente fout inzake inwoneraantallen. Notabene een cijfer wat van groot belang is voor een correcte belastingheffing/verdeling van de kosten over de belanghebbenden.
Tot 2008 kenden de waterschappen bij verkiezingen een personenstelsel. De kiezer stemde niet op een partij maar op een persoon. De bestuurders werden dus gekozen op de eigen kwaliteiten. Niet op de kwaliteiten of standpunten van een partij of lijsttrekker. Gevolg: de gekozenen waren relatief deskundig op het terrein van water. Met als gevolg veel technici en landbouwers in de besturen. Als je in Wageningen of in Delft gestudeerd had, dan werd je per definitie gekozen. Zo kwam ik als technisch fysicus in waterschapsbesturen terecht.
Het waterschap was en is formeel nog de enige monistische overheid. Kenmerk van het monisme is dat leden van het dagelijks bestuur ook deel uitmaken van het algemeen bestuur. Een situatie die tot 2002 ook het geval was bij gemeenten. De wet dualisering gemeentebestuur, ingevoerd op 7 maart 2002, maakte daar een einde aan. Sluipenderwijs zijn ook de waterschappen in de praktijk “gedualiseerd”.
Toen de Haagse banenmachines (partijen) besloten ook voor waterschappen een lijstenstelstel in te voeren, gingen steeds meer landelijke partijen meedoen met de waterschapsverkiezingen. Vaak onder eigen partijnaam soms verstopt. Bijvoorbeeld Water Natuurlijk (GroenLinks, D66, Volt).
Met als gevolg dat hun partijgenoten vaak (oud-)gemeenteraadsleden steeds meer in de waterschapbesturen zijn gekomen. Opgegroeid in het duale gemeentestelsel namen ze langzaam de – in mijn ogen slechte – duale gewoonten mee.
Tot de laatste verkiezingen zag ik het bestuurlijk landschap van het waterschap langzaam veranderen. Er werd nog steeds goed onderling en met respect voor elkaars inbreng en standpunten samengewerkt. In 2019 kwam er na de verkiezingen een breed ondersteund bestuursakkoord. Alle partijen steunden het. In de loop van de bestuursperiode (2019-2023) haakte alleen de Partij voor de Dieren af omdat zij zich niet langer voldoende herkende in de uitvoering die het dagelijks bestuur eraan gaf.
Nu, na de verkiezingen van maart 2023 is alles anders. Plotseling is zijn er coalitiepartijen. Is er een verzameling van partijen die niet tot de coalitie behoren die zich oppositie noemen. Samenwerken is uit. Samenspreken niet echt in. Antwoorden op vragen zijn in vaagheid toegenomen zelfs als de vragen superconcreet zijn (inwoner aantallen/oppervlakten).
Er is nu steeds meer ‘politiek’ terwijl een waterschap een uitvoeringsorganisatie is. Een waterschap maakt vrijwel geen beleid. Zij voert beleid van anderen (landelijk, provinciaal en Europees) binnen wettelijke kaders uit!
Ons Water was in de uitslag de derde partij. Met ons is door niemand gepraat. De zogenoemde verkenner liet met mij een afspraak maken terwijl degene die die afspraken vastlegde in mijn agenda had kunnen zien dat ik op dat moment een vergadering had op landelijk (Unie) niveau en direct daarna met een wethouder. Goede gewoontes zijn met de uitslag en de komst van veel nieuwelingen en duaal-gevormden, bij het oud vuil gezet.
Bij de vorming van dagelijks besturen werd vroeger ernaar gestreefd alle geledingen in het DB te vertegenwoordigen (links/rechts, stad/dorp/buitengebied). Nu kan het dat alle DB leden woonachtig zijn in het buitengebied. Uit 1 a 2 % van de bevolking komt nu 100 % van de DB-leden (niet zijnde de dijkgraaf).
Afgelopen week maakte ik mee dat er bij de aanvang van de vergadering een ‘politiek gevoelig’ onderwerp op voorstel van de “coalitiepartijen” van de agenda werd gehaald. Dat van de agenda halen is op zich niets bijzonders. Maar middels een ordevoorstel kan dat zonder debat. Terwijl voorafgaand aan de vergadering die middag ook een fractievoorzittersoverleg is geweest. Daar werd er met geen woord over gerept. Daar had er onderling overgesproken kunnen worden en gekeken kunnen worden naar alternatieven of over de vraag: hoe nu verder? Niets van dat al. Dat heet machtspolitiek! Geen samenwerking, geen respectabel overleg.
De waterschappen waren op basis van kennis werkende organen. Waar bestuur en ambtenaren samenwerkten. Waar politiek eigenlijk alleen aan de orde kwam als het ging over ‘kwijtscheldingsregelingen’ dan zag je de verschillen tussen traditioneel links en rechts. Verder werkte men bestuurlijk feitelijk op basis van consensus.
Een voorstel over de agenda was zonder meer aanvaard, ook door mij, maar niet zonder overleg. En dat had ook nu gekund. In het fractievoorzittersoverleg. Vroeger zou de dijkgraaf tegen de indiener van het ordevoorstel gezegd hebben: dat zijn wij hier zo niet gewend, daar had u vanmiddag bij het overleg met uw collega’s alle mogelijkheden voor gehad.
Maar de tijd van samenwerking is voorbij. Voor de vorm gaat men wel, op kosten van het waterschap, op de ‘hei zitten’. Terwijl samenwerking begint met je inleven in de belangen en gedachten van de collega’s. Dan voegt samenwerking iets toe. Namelijk een beter gebruik van de aanwezige kennis in het totale bestuur. Maar dat monistische gepraat zijn oude gewoontes, het gaat nu immers enkel en alleen om het electorale resultaat.
Il partigiano is wel oud maar kent alle vormen van strijd en zal openstaan voor samenwerking voor hen de zelf openstaan voor samenwerking. Maar il partigiano is een geboren Feyenoorder. Geen woorden maar daden! Dus voorlopig gaat hij niet de hei op. Laat eerst maar zien dat het bestuurlijk anders kan. Zodat het monisme die formeel nog de bestuursvorm is van de waterschappen naar eer en geweten en gedrag wordt ingevuld. En anders wacht de guerrilla. il partigiano kent het terrein en heeft een puntenslijper om zijn beste wapen, de pen, scherp te houden.
Historische kaart van het gebied rond Den Bosch met Empel, Rosmalen, Nuland en de polder van het Eigen.
In il partigiano 47 schreef ik: “door de eeuwen heen zijn er in het politiek/bestuurlijke systeem tegenstellingen gebleken tussen de belangen van de stad” en haar ommelanden. Dat ging in de 14e eeuw zeker op voor Den Bosch haar ommelanden.
Den Bosch had een groot belang bij de waterhuishouding in het gebied. De stad had tijdens de Tachtigjarige Oorlog niet voor niets de bijnaam Moerasdraak. De stad ligt in de regio globaal op het laagste punt.
Om de stadsbelangen recht te doen stelde hertog Jan III in 1346, dat voortaan drie van de zeven heemraden van de ‘polder van het Eigen’ tevens schepen van Den Bosch moesten zijn. De polder bevatte niet alleen Nulands en Rosmalens gebied maar ook Orthen en Hintham die tot de ‘vrijdom’ behoorden van de stad.
De vier niet stedelijke heemraden die de Nulandse en Rosmalense belangen dienden hadden een meerderheid. Tevens stelde de hertog in zijn besluit dat het polderbestuur ging over alle aangelegenheden: “behoorende ter schouwen van allen goeden, gelegen binnen der vriheitonser stad van den Bossche, ende binnen der schouwen van den heemraden van den Eijghene“. Dus deel uitmakend van de competenties van de polder en niet van de stad Den Bosch.
In 1358 werd een reglement voor het onderhoud van de dijken van kracht. Daarbij zijn twee dijkgraven betrokken. De hoogschout voor de vrijdom van Den Bosch en de kwartierenschout van Maasland voor de gebieden van Rosmalen en Nuland. In dat reglement komen ook de termen voor van “dijkgeslaagden” (deze waren verantwoordelijk voor het onderhoud van aan hen toegewezen dijk delen) en van “gemene geërfden” (de minder gegoeden die in tijden van nood hun arbeid ter beschikking moesten stellen).
In de het grootste deel van de 14e eeuw was de kwartierschout de functionerende dijkgraaf van de polder. In het vierde kwart van de 14e eeuw was dat de laagschout van Den Bosch die de plaats overnam van de hoogschout.
Uit een oorkonde uit 1420 blijken poorters van Den Bosch het gezag van de heemraden van Empel en Meerwijk niet meer te accepteren. Zij meenden dat alleen de schout en schepenen van de stad over hen recht mochten spreken.
Hertog Jan IV greep uiteindelijk in; hij was immers “overste dijckgrave van den Grave aff tot der Diesen toe“. Hij stelde dat het dijkrecht geen deel uitmaakte van de stadsrechten van Den Bosch en verbood schout en schepenen zich ooit op dat terrein te begeven.
Toen was de motivatie; “gemeyn scade te schutten ende te verhueden ende des gemeyn landts nutschap ende oirbaer te bewaeren.” En dat zou ook anno 2023 de motivatie moeten zijn om als overheden elkaars bevoegdheden te respecteren.
Heden ten dage zijn we gewend dat regels zoals wetten, verordeningen en keuren schriftelijk vastliggen en dat wetsvorming door gerechtelijke uitspraken daarop, bij voorkeur, aanvullend is. En dat rechtspraak veelal gericht is op hoe een wettelijke regeling uitgelegd zou moeten/kunnen worden.
Onze wettelijke regels vinden hun oorsprong soms honderden jaren geleden in gewoonterecht dat door redelijkheid, billijkheid en noodzaak vaak tot stand was gekomen. Voor het huidige waterrecht vormgegeven in landelijke wetgeving, provinciale verordeningen en waterschapkeuren is dat niet anders. Reeds in de vroege middeleeuwen ontstaat er ‘dijkrecht’ en ‘weteringrecht’; die rechtsvorming was belangrijk om de veiligheid en het voorkomen van wateroverlast te borgen. Maar ook om de verdeling van water en de waterlozing te regelen.
In een acte van de schepenen van Den Bosch opgetekend in oktober 1315 blijkt dat er zes “diffinitores” (heemraden) waren in Empel en Meerwijk.
Uit die acte uit 1315 is de procedure van een schouw te lezen in de vorm van een hoorzitting van een rechtbank waar de heemraden de rechtsvinders zijn. De “dominus terrae” is formeel de landheer die optreedt als openbaar aanklager en uitvoerder van een eventueel vonnis/oordeel. Mogelijk is hier de landheer vertegenwoordigd door zijn vervanger, de schout in de rol van dijkgraaf.
Onderstaand een uit het latijn (met enige vrijheid) vertaald citaat uit de acte:
“Evenzo, wanneer de landsheer met de heemraden op één der schouwdagen op een gebrekkige en slecht onderhouden dijk is gekomen, bevraagt hij de heemraden over hoe er rechtens moet worden gehandeld om de onderhavige dijk in een goede staat te krijgen. Om helder te krijgen wat hier rechtens moet gebeuren verklaren de heemraden dan, dat de landsheer vraagt of er iemand aanwezig is die voor die dijk wil instaan?
Indien niemand heeft gereageerd, vraagt de landsheer de heemraden vervolgens, wat in dit geval rechtens nog meer kan worden gedaan om de dijk gerepareerd te krijgen?
De heemraden spreken dan als vonnis uit, dat de landsheer de dijk goed en voldoende zal laten repareren voor een minder prijs.
Al naar gelang de eigendommen die in relatie staan tot het onderhavige dijkvak, zal hij echter de dubbele prijs ontvangen. Dit bedrag haalt hij binnen door middel van de ontvangst van de vruchten van die goederen, althans indien de opbrengst daarvan voldoende zou zijn. Zou de landsheer de opbrengst onvoldoende achten, dan is hij gerechtigd om de betreffende eigendommen aan anderen te verpachten/verhuren, voor een periode van één, twee of drie jaren achtereen, totdat de kosten van het dijkherstel volledig zijn opgebracht. Mocht de landsheer de betreffende eigendommen niet op bedoelde wijze kunnen verhuren/verpachten, mag hij ze verkopen, in eerste instantie aan de eigenaars die in gebreke zijn gebleven. Indien dezen op de vastgestelde en ruimschoots tevoren bekendgemaakte verkoopdag niet zijn verschenen, geschiedt de verkoop tegen een hogere prijs, aan eenieder die wil….”
Reeds in 1315 waren stedelijk bestuurders zich bewust van de noodzaak tot goed dijkonderhoud. Alsmede van het feit dat lang niet iedereen zich houdt aan de voorschriften en verplichtingen die zijn opgelegd. De bestuurders waren toen zich ook bewust van de verantwoordelijkheden en de noodzaak tot kostenverhaal.
Mogen ook de huidige bestuurders van waterschappen en gemeenten die verantwoordelijkheden oppakken zodat dijk- en waterbeheer bijdragen aan de veiligheid en welvaart van de samenleving.
Ook nu komt het ‘recht’ niet alleen door wet- en regelgeving tot stand maar ook door rechtspraak en de ontwikkeling van gewoonterecht. Dat bewustzijn moet ons waarschuwen en doen beseffen dat gedogen kan leiden tot (ongewenste) rechtsvorming!
Wie gaat erover en wie niet? Dat is een vraag die overheden nog wel eens bezighoudt. Soms is het louter een discussie over macht. Soms over belangen en soms over het ‘wie zal dat betalen?’.
Nu zijn de taken veelal bij wet geregeld, maar vroeger was dat minder duidelijk. Hoewel het ‘belang, betaling, zeggenschap’ bij de waterschappen een adagium is, dat, al heel lang meegaat, hoewel het aan erosie onderhevig is.
In 1496 was er in Alem een waterschapje met een college van schout en zeven heemraden. De benoeming geschiedde door de heer van Alem en de abt van Sint-Truiden. Maar er was een voorloper zo blijkt uit een handvest van Hertog Jan III voor Laag Hemaal van 2 september 1349. Ook hierin werd een college met zeven heemraden ingesteld. De drie dorpen waren dus ingekaderd in één streekwaterschapje. Maar deze heemraden werden niet benoemd maar gekozen. Drie door de inwoners van Kessel, drie door de inwoners van Maren en slechts één door de inwoners van Alem.
Wat il partigiano opvalt – met de ogen van een waterschapbestuurder anno 2023 – is onder andere de bepaling waarin alleen aan de heemraden de zorg wordt toevertrouwd over de dijken, watergangen en sluizen en aan “nyemants anders“. Dat kon de heer van Alem alvast maar tussen zijn oren knopen.
Hertog Jan III had een goed voorgevoel. Want in 1378 beriepen de heer van Alem en de abt van Sint-Truiden zich op het feit, dat zij niet gekend waren geweest bij de opstelling van het handvest van 1349. Terwijl de abt voor 2/3 eigenaar was van de heerlijkheid Alem en de hertog van Brabant slechts voor 1/3! Competentiestrijd was er toen ook!
De hertog was, qua democratische insteek, zijn tijd ver vooruit. Dat bleek ook uit de laatste bepaling van het handvest waarin zelfs sprake is van meerderheidsbeslissingen: “Alzoe wat de vier heemraden van de voirgenoemde seven heemraden in den voirgenoemden dingen ofte in eenich daeraff voir recht vort brengen eendrechtelyck ende wijsen vonnissen, willen wij dat vast ende bequaeme blijve sonder eenich wederseggen. Ende dat dat een euwighe vaste ende voir een vaste ende ongequetste recht ende gerechticheyt behouden.” Democratie in de 14e eeuw! Jan was een hertog naar mijn hart.
Anno 2023 zijn de ‘hertogen’, nu gedeputeerden geheten, soms iets minder democratisch dan hertog Jan en willen ze dat de waterschappen naar de letter het beleid van de provincie uitvoeren/vormgeven.
Maar als het om het waterschap Brabantse Delta gaat zal ik de huidige representanten van de provincie herinneren aan de woorden van Jan III. Het Algemeen Bestuur gaat over de uitvoering en “nyemants anders“.