il partigiano 65 (woningkwaliteit)

Recent kreeg ik de “verordening regelende de voorwaarden waarop water zal worden verstrekt uit de Hoogdrukwaterleiding van de gemeente Bergen op Zoom” in handen, vastgesteld op 3 juli 1900.

Vandaag de dag lezen we in de media veel over het gebrek aan betaalbare woningen en over verhuurders (huisjesmelkers) die het niet zo nauw nemen met de kwaliteit van het verhuurde, het onderhoud van hun verhuurde objecten, of met de zorg voor hun huurders.

Nu ben ik geen deskundige als het gaat om de kwaliteit van woningen rond 1900. Maar het was de tijd dat de eerste Woningwet (1901) die op augustus 1902 in werking trad. Het doel van de Woningwet 1901 was om bouw en bewoning van slechte en ongezonde woningen onmogelijk te maken en de bouw van goede woningen te bevorderen. De noodzaak tot verbetering van de leef- en gezondheidssituatie van huurders was evident! Alle aanpassingen daarna in 1962, 1991 en 2015 waren afzwakkingen van de oorspronkelijke wet.

Waar de oorspronkelijke Woningwet de centrale rol van de overheid bij de woningbouw bevorderde, werd deze functie bij de drie herzieningen stapsgewijs afgebouwd. Zo is het belang van woningcorporaties teruggeschroefd en vertrouwt de overheid een groter aandeel van de woningbouw dan voorheen toe aan private marktpartijen.

Ook nu zie il partigiano de kwaliteit van de onderkant van het ‘woongebouw’ afbrokkelen.

In de gemeentelijke verordening uit 1900 viel mij op de tarieven voor een jaar abonnement voor huiselijk gebruik in guldens;

Voor 2e klasse arbeidswoningen 4,50
Voor 1e klasse arbeidswoningen 5,20
Voor verbeterde arbeidswoningen 7,50
Voor woningen van 1 vertrek 7,–
Voor woningen van 2 vertrekken 11,–
Voor woningen van 3 vertrekken 15,–
Voor woningen van 4 vertrekken 18,–
Voor woningen van 5 vertrekken 21,–
Voor woningen van 6 vertrekken 24,–
En verder voor elk vertrek meer 1,50 (een keuken werd geteld als een vertrek!).

Wat ook opviel was dat voor een woning bewoond door een korporaal het tarief 7,80 was. Voor een woning bewoond door een fourier of een sergeant 10,40. Voor een woning bewoond door een adjudant 15,60. Verder waren er toeslagen, onder andere voor een watercloset (WC) 5,– en voor een bad 10,–.

Het laat zich raden hoe een 2e of 1e klasse arbeiderswoning eruitgezien zal hebben als een woning met één vertrek qua tarief al hoger werd ingeschaald. Een in onze ogen nu als absoluut noodzakelijk gezien watercloset werd toen beschouwd als een luxe die leidde tot extra watergebruik en met maar liefs 5,– gulden extra werd aangeslagen. Het jaarabonnement voor een 2e klasse arbeiderswoning verdubbelde!

Er was ook een artikel waarvoor ik mijn voorgangers in de gemeenteraad wil complimenteren. Dat ook vandaag de dag van nut kan zijn in de relatie huurder/verhuurder.

Dat was artikel 4 lid 2: “Abonnementen beneden de 12,– gulden per jaar, met den huurder gecontracteerd, moeten door den verhuurder worden gegarandeerd.” Dat verbindt de verhuurder een basis levensbehoefte (water) in stand te houden ook als de verhuurder qua betaling in gebreke blijft.

Er is tussen 1900 en nu, vooral na de invoering van de woning wet 1901 veel ten goede veranderd. Nu is het zaak te borgen dat we niet door malafide verhuurders en privatiserende politici afglijden naar woonsituaties die niet passen in een beschaafd Nederland.

il partigiano

il partigiano 64 (forten)

De rivieren in Nederland zijn altijd belangrijke obstakels geweest bij militaire bewegingen. Zij vormden keer op keer, en vaak langdurig een voor aanvallers moeilijk te nemen hindernis. Forten op de oevers maakte het ook moeilijk om vrijelijk de rivier te gebruiken als transportroute.

Soms waren fortificaties ook bedoeld om ’tol’ te heffen of als begin- en eindpunt om de rivier met een kabel of ketting af te sluiten. Fort Sabina (bij Willemstad) en Fort Prins Frederik (bij Ooltgensplaat op Goeree-Overflakkee) zijn daar een voorbeeld van.

De bijgevoegde foto van de situatie van de Bommelerwaard in 1599 (bovenkant is het zuiden en de rechterkant is het westen) laat het enorme aantal forten zien die er waren rond één waard. In de tachtigjarige oorlog is er ruim 30 jaar om deze waard gevochten. Pas in 1600 zorgde prins Maurits voor de beslissing toen hij de Spanjaarden uit fort Sint Andries verdreef. Ook daarna bleven de rivieren belangrijke delen van de waterlinies die ons land kenden.

Ook tijdens de laatste oorlog bleek de Maas voor de geallieerden in het najaar van 1944 een obstakel en moest Holland tot de meidagen van 1945 wachten op zijn bevrijding.

il partigiano

il partigiano 63 (Ruimte voor de rivier)

Dijkverbeteringen en ruimte voor de projecten zijn van alle tijden. In mijn ogen is het grootste ruimte voor de rivier project dat Nederland ooit heeft ondernomen gestart in 1883 toen het Koninkrijk der Nederlanden besloot tot verlegging van de Maasmond.

Eigenlijk besloot men in 1883 de Maas een eigen monding te geven. De Maas werd bij Well afgedamd en een nieuw stuk rivier naar de Amer werd gegraven. Dat nieuwe circa 25 kilometer lange stuk ging de Bergse Maas heten. Het tweerivierenpunt nabij Loevestein was in de eeuwen daarvoor een groot knelpunt. In 1904 werd de afdamming bij Well een feit.

Maar ook eerder werden er pogingen ondernomen om de samenvloeiing van Maas en Waal te reguleren. Bij hoge waterstanden op de Waal kon het Waalwater naar de Maas afstromen met als gevolg wateroverlast en problemen op de Maas en ontlasting van de risico’s bij de Bommelerwaard en de Tielerwaard.

In 1599 werden er op bevel van Kardinaal Andreas van Oostenrijk (Spaans Gouverneur der Nederlanden) werken uitgevoerd zoals het Schans Gat nabij Heerewaarden en het Sint Andries Gat dat in 1856 weer werd gesloten nadat in 1854 het Sint Andrieskanaal werd gegraven. Een maatregel die reeds in 1823 was voorgesteld door Baron van Kraijenhoff. Hij stelde ook voor veel Maasbochten af te snijden om zodoende de rivierafvoeren te verbeteren en de kans op dijkdoorbraken te verkleinen. In 1955 – dus meer dan 130 jaar later – waren zijn voorstellen eindelijk voltooid.

il partigiano

il partigiano 62

Soms denk ik: waarom is iets verdwenen? Dat is bijvoorbeeld het geval met de regelmatig georganiseerde “Tentoonstelling van Landbouw, Tuinbouw en Nijverheid te Bergen op Zoom”. Ik heb recent het programmaboekje uit 1912 van een dergelijke tentoonstelling in handen gekregen. Bergen op Zoom als centrum van de agrarische regio.

Het boekje rept van prachtige namen: Beschermheer Mr. A. E. J. Baron van Voorst tot Voorst (CdK), Ereleden: tal van burgermeesters uit de regio, de secretaris van de Kon. Nederlandse Landbouwvereniging, de voorzitter der Maatschappij tot bevordering van Landbouw en Veeteelt, de voorzitter van de Nederlandse Tuinbouwraad, Directeur-Generaal van den Landbouw, voorzitter der maatschappij van Nijverheid, voorzitter der Vereeniging tot bevordering van de Pluimveeteelt in Nederland en tal van andere prominenten!

Er waren (sub)comités: voor de Landbouw, Tuinbouw en Bijenteelt, Hondententoonstelling, Pluimgedierte, Concours-Hippique, Bloemencorso, Schietwetstrijd en een comité der sportfeesten met aparte afdelingen zoals voor Volksoefeningen der Gymnastiek, Schermen, militair voetbal, slingerbal en korfbal.

Er was ook vermaak: “De Doodenrit op het rijwiel”. De “Electrische Waterval”, “een Groot Vuurwerk” (geleverd door de Nederlandse pyrotechnische fabriek).

Het Concours-Hippique kende onderdelen voor het “beste Landbouwpaard, met zwaar wagenslag, eenspannen toebehoorende aan een landbouwer of fokker”. Een “Internationaal Concours voor het schoonste rijpaard, gereden door heerrijders”. Idem voor springpaarden (inleggeld 10,– gulden). En “Sauts Couplés voor heerrijders”.

Als je dit allemaal leest lijkt Bergen op Zoom in Augustus/september 1912 het centrum van de landbouw- en paardenwereld. Nu probeert Bergen op Zoom met de green chemistry campus opnieuw een centraal plekje te verkrijgen in de (regionale) landbouwwereld. Toch denk ik dat die tentoonstelling in 1912 meer de lokale aandacht trok dan de activiteiten van de green chemistry campus. Terwijl de landbouw als het gaat om de politiek, economie, milieu en water nu centraal staat in menige discussie!

il partigiano

il partigiano 61 (Moervaart/de Zoom)

Historische plattegrond van Bergen op Zoom met het Spaanse beleg in 1622, met de vestingwerken, de Scheldemonding, de Crom Vliet en de omliggende polders.
Abriss der Statt Bergen op Zoom Sampt dem Spanischen Lager im Jahr 1622 — de vesting en haar waterafhankelijkheid goed zichtbaar.

De huidige Zoom doorbreekt in het achterland de natuurlijke afwatering naar het noorden van het achtergelegen moerasachtige terrein vol vennen (wat we nu de Brabantse Wal noemen). De oorspronkelijk afwatering van het gebied ten oosten van de hoogte waarop Berghen op ten Zoom gelegen was ging richting de Roosendaalse en Steenbergse Vliet.

De ontwikkeling van de stad vergde veel en goed water. Daartoe werd in de middeleeuwen een circa zeven meter diepe doorgraving gemaakt die door de eeuwen heen “de Grebbe” werd genoemd en waarop vermoedelijk de Balse Loop afwaterde richting de stad. De Grebbe werd gevoed door een reservoir met de naam “Zure Made”, later vergroot, waar de huidige “Vijverberg” een restant van is. In de veertiende eeuw begonnen de Heeren van Berghe ter afdoening van schulden moerontginning rechten te verlenen op achter de hoogte gelegen gronden met als gevolg dat er behoefte ontstond de ‘moer’ via het water af te voeren. Daartoe moest het water beheerst worden en gereguleerd.

De Moervaart, nu de Zoom geheten, is grotendeels rond 1429 gegraven. Daar droeg de stad Bergen op Zoom ter financiering 900 Franse Kroonen aan bij. Bij de aanleg en het onderhoud waren betrokken gemoerden van Bergen, van Wouw en van Roosendaal en zij betaalden mee. Rond 1448 ontstonden problemen over het onderhoud.

In 1485 werd het Privilege van de Zale verleend hetgeen een begin betekende van de overkluizing van de Grebbe waardoor de vaart op termijn gestaakt moest worden. In de periode 1485 – 1500 werden de stadsgrachten gegraven en verdiept waardoor de moervletten toch bij de haven konden komen. Rond 1508/09 werden er werkzaamheden verricht om de Zeezuiper te verbinden met de Moervaart waardoor de afwatering verbeterde en de Moervaart meer en beter water naar de stad bracht.

Na circa 20 jaar leverde een inspectie een aantal verbeterpunten op. Op 17 september 1529 volgde een publicatie waarin de heer Van Bergen het initiatief nam tot verbeteringen. In januari 1530 nam de Domeinraad de beslissing tot de verbeteringen en uitbreiding waarbij de ‘gemoerden’ de kosten dienden te dragen!

Op de kaart van het beleg door Spinola (1622) is goed te zien dat de vesting Bergen op Zoom voor haar verdediging aan de oostflank sterk afhankelijk was van heidewater aangevoerd door de Balse Loop en de Moervaart. Na de Vrede van Munster (1648) ontstond de behoefte om de afwatering te veranderen en te spuien via de Moervaart. Er is immers vrede en de oorlogsdreiging is van een andere orde. In een stuk uit 1670 duikt voor het eerst de naam “de Zoom” op. Tevens bevatte het stuk de wens/aanbeveling de Oude Moervaart, te beginnen bij de Zeezuiper stroomafwaarts tot aan de stadsgracht op te ruimen, te verbreden en te verdiepen zodat de afwatering van het hele gebied zou verbeteren teneinde de opbrengsten van het land te verhogen. Ook de vestingingenieurs nemen dan de naam “de Zoom” over in een reactie op de voorstellen (1671).

Rond 1700 is de Moervaart schijnbaar de Zoom geworden. In 1729 is de Zoom uitgediept. De veranderingen die de vestingbouwer Coehoorn heeft aangebracht zijn:

de gedeeltelijke afvoer van het Zoomwater noordwaarts om de forten Moermont, Pinssen en Roovere heen richting het Halsters Laag en zuidwaarts door de sluis Coehoorn. Vandaar o.a. naar de buitenhaven, door de stadsgrebbe en naar het Smitsvestje.

Rond 1846 wensten de gemeente Wouw en Roosendaal verdieping van de bovenloop van de Zoom. In 1850 kwamen er vanuit België soortgelijke geluiden om de ontwatering van gronden rond Calmpthout te verbeteren. Een discussie die tot 1878 duurde toen kwam er een ‘definitief’ ontwerp. Roosendaal ging echter in bezwaar bij de provincie. Landbouwers uit Kruisland kozen de Bergse zijde. Kernpunt was het eventueel bevaarbaar maken van de Zoom. Roosendaal vond dat er andere (Roosendaalse) prioriteiten waren die eerder provinciale aandacht en geld verlangde. In 1880 liet Bergen op Zoom die wens vallen en kwam het in Provinciale Staten op 13 juli 1880 tot een besluit en een krediet om de afwatering van het gebied te verbeteren.

MAAR: toen kwamen in Bergen op Zoom de bezwaren los van de net begonnen oestercultuurondernemers. Zij vreesden een teveel aan zoetwater! Met wat aanpassingen kwam er op 10 november 1882 een nieuw besluit. De regulatie van de Zoom kon beginnen. In juli 1886 was alles in werking.

Ook toen hadden Bergen op Zoom en Roosendaal soms andere belangen en leidde die tot schijnbaar eindeloze vertragingen. Toch werd de Moervaart uiteindelijk de Zoom die wij nu kennen.

il partigiano

il partigiano 60

Historisch document: aanslag op het Kohier der Herdigtings Kosten der Rivier de Mark en Dintel voor het jaar 1844, Provincie Noord-Brabant, District Breda, Gemeente Gastel, ondertekend door gemeente-ontvanger U.J. Heerma van Voss.
Aanslag Kohier der Herdigtings Kosten der Rivier de Mark en Dintel, 1844 — Gemeente Gastel.

Het sluizencomplex Dintelsas sluit ten westen van Dinteloord de monding van de rivier de Dintel af. Het complex bestaat tegenwoordig uit de Vierlinghsluis, een suatie- of spuisluis, en de Manderssluis, een schutsluis. De sluisgeschiedenis op deze plek kent vele ups en downs want de huidige sluis is het derde achtereenvolgende sluizencomplex op deze plek.

Sluis 1

In 1801 werd het eerste plan ingediend om de monding van het Mark/Dintel-systeem af te sluiten. Dit plan had tot doel de scheepvaartroute naar Breda te verbeteren en de bemalingsmogelijkheden van de aanliggende polders te verbeteren. In 1804 werd het Heemraadschap van Mark en Dintel opgericht met het doel dit ‘driehonderdduizend guldenplan’ te realiseren. Met de bouw werd in 1805 begonnen. Maar de bouw werd herhaaldelijk stilgelegd door arbeidsonrust waar de politie zelfs uit Bergen op Zoom keer op keer aan te pas moest komen om de gemoederen te kalmeren.

Ondanks de onlusten wilden de autoriteiten een feestje rond de eerstesteenlegging. Het was een feestje van de dijkgraaf en de heemraden en vooral van het departementale bestuur. Jan Rochussen de geestelijk vader van het project droeg daarbij een zelfgemaakt gedicht voor dat geheel in lijn was met de patriottische sfeer van die tijd;

“Aan ’t woeden van Neptuin, aan dópgejaagde golven,
Wierdt hier dit sluisgevaart’ten paal en perk gesteld.
De mark mag ongestremd zijn vasten loop vervolgen
Een schenk aan Ceris’Rijk een vrugtbaar korenveld.
Men dank ‘den Hemelgod, die ’t nakroost der Bataven,
Ten nut van ’t Vaderland, diengeest en iever geeft,
Die ginds aan d’ouden Rijn een nieuwen mond deed graven,
En hier op juiste maat den vloed bedwingen heert!”

In het voorjaar van 1806 was het geld op. De bouw vorderde daarna slechts moeizaam. Eind 1808 kon de inspecteur-generaal van het departement in een boot stappen die door de sluis werd geschut.

Maar het leed was nog niet geleden. Er traden ontgrondingen op en toen de Engelsen in juli 1809 in Zeeland landden was het lot van de sluis getekend. Ondanks de protesten van de heemraden moesten de sluisdeuren worden geopend om de waterlinies te inunderen. De vloeddruk en de uitschurende werking van eb en vloed deden de rest. De sluis takelde snel af. In september stortte de sluis in. Feitelijk was de sluis nooit voltooid.

Sluis 2

Plannen voor herbouw werden onmiddellijk gemaakt, maar het duurde tot 1827 voordat men zuidelijk van de oude sluis aan een nieuw werk kon beginnen. De nieuwe schutsluis kreeg één stel vloeddeuren, ebdeuren en waaierdeuren. De spuisluis kreeg hoge en lage vloeddeuren en ebdeuren. Op zaterdag 27 september 1828 passeerde het eerste schip de nieuwe schutsluis.

Dit werk zou het veel langer volhouden dan het ongelukkige, eerste complex. Bij het eeuwfeest, in 1927, werd een monument onthuld van twee gietijzeren zuilen, elk op een sokkel voorzien van de namen van dijkgraaf, heemraden en secretaris van het heemraadschap.

Sluis 3

In 1957, kwamen waterbouwkundigen van het waterschap en Rijkswaterstaat tot de conclusie dat door de afsluiting van het Haringvliet de afwatering van het gebied opnieuw zou moeten worden bekeken. Met name zou er aan Dintelsas gesleuteld moeten worden. Daar was een nieuwe, grotere schutsluis nodig.

Dit werd de Manderssluis, ontworpen door het ingenieursbureau Dwars, Heederik & Verweij en genoemd naar G.J.A. Manders, van 1951-1966 dijkgraaf van het heemraadschap Mark en Dintel. In 1966 stelde de Commissaris van de Koningin de Mandersssluis officieel in gebruik. In 1980 kwam er een aparte spuisluis bij, de Vierlinghsluis.

Na de afdamming van het Volkerak-Zoommeer is de getijdewerking van eb en vloed verdwenen. De Manderssluis staat daarom nu altijd open. Het waterschap gebruikt de sluis alleen nog in de zomer om blauwalg buiten de Dintel te houden.

il partigiano

il partigiano 59

Het waterschap Brabantse Delta kent een heel divers landschap, grotendeels omdat de ontstaansgeschiedenis van dat landschap heel verschillend is.

De polders ten oosten van Zevenbergen en ten zuiden van de Mark hebben nog veel kenmerken van het veenlandschap waaruit ze zijn ontstaan. De rijkdom die de veenwinning bracht, werd omgezet in een rijk en gevarieerd boeren/tuinders land. Ten westen van Zevenbergen ontstond een nieuw landschap omdat de resten van het oorspronkelijke veenlandschap weggevaagd waren door de langdurige overstromingen. Daar ontstonden de polders van Prinsenland, Standaardbuiten, Ruygenhil, Oud Heiningen en de Grote Polder, waarvan de inrichting meer systematisch plaatsvond en akkerbouw de norm was.

Feitelijk werden de polders door ‘ontwikkelaars’ aangelegd. Door de indeling van de wegen ontstonden op papier de percelen die soms al voor de polderaanleg verkocht werden aan rijke participanten waarna met de opbrengst de bedijking werd betaald. De verkaveling was gericht op de verkoop en op een efficiënt landbouwkundig gebruik.

Ook de grotere dorpen werden min of meer planmatig ontwikkeld. Loodrecht op de dijk werd de voorstraat aangelegd die veelal eindigde met een kerkring. Aan de voorstraat stonden de belangrijkste huizen en panden zoals het Raadshuis. Fijnaart kent nog steeds een Voorstraat inclusief de kerkring. Ook Ruygenhil kende een voorstraat maar werd een vesting en kreeg toen de naam Willemstad. Ook Dinteloord en Klundert kenden voorstraten. De kerkringen ontbraken hier vanwege het feit dat een kreek dat onmogelijk maakte.

Kennis van de vormingsgeschiedenis van het waterschap Brabantse Delta kan nuttig zijn om tot goede bestuurlijke afwegingen te komen. De gebiedsverschillen en kwaliteiten zijn binnen de Brabantse Delta groot en dat stelt keer op keer andere eisen aan de bestuurlijke invulling van het beheer.

il partigiano

il partigiano 58

Tijden veranderen en wat waterschappen doen ook. De omstandigheden en wat maatschappelijk wenselijk is, zijn daarbij vaak de bronnen van de verandering. Nu is natuurontwikkeling en -behoud één van de hoofdonderwerpen waarmee het waterschap ambtelijk en bestuurlijk bezig is.

Negentig jaar geleden was dat ontginning. De publicatie van het waterschap “de gecombineerde Hoevensche Beemden” met de titel “Wetenswaardigheden voor de ingelanden van het waterschap” geeft een inkijkje middels het hoofdstukje “Ontginning”. Een uitgebreid citaat:

Heeft U al voor 100 % geprofiteerd van de verbeteringswerken?
Zijn Uwe gronden (waarvoor laatstelijk 90 % in de lonen als subsidie kon worden bekomen) reeds ontgonnen?
Zijn Uwe weiden al omgezet in bouwgrond? Of hebt gij vergeten Uwe kinderen en verder nageslacht dezen dienst te bewijzen?
Hoevelen Uwer zijn niet met zovelen thuis, dat zij ’s winters zelf de ontginning aan kunnen pakken, zodat ’t hun niets kost? Waarom laten zij het?
Hierbij gaat de opgave van het meest gewenste grasmengel voor de aanleg van weiden op de ontginningen in de Beemden en tevens de bemesting voor ontginningsgronden, per ha.
Graszaad: “15 kg Engelsch raygras, 12 kg Beemdlangbloem, 4 kg Timothee, 5 kg Kamgras, 6 kg Veldbeemdgras, 3 kg Ruwbeemdgras en 7,5 kg Witte klaver”.
Bemesting: “1000 kg Kluitkalk, 500 kg Thomas slakkenmeel, 500 kg Kalizout, 200 kg Super, en 200 kg Zw. Ammoniak”. In plaats van dit laatste kan ook genomen worden: “200 kg Kalkammonsalpeter, of 200 kg Ammonsalpeter, welke laatste, gezien het Nederlandse product en bewezen geschiktheid, speciaal wordt aanbevolen”. “Ken Uw land en heb het lief”.

Je kan naar zowel de samenstellende onderdelen van het graszaadmengsel als naar de meststoffen met gemengde gevoelens kijken. Maar van het graszaadmengsel word ik enthousiast. Ik zou willen dat de weiden van Nederland nog die grassoorten kenden in deze verscheidenheid. Dan zou de biodiversiteit er baat bij hebben.

il partigiano

il partigiano 57 (bestuur in verval 3)

Feiten

41 van de 96 Dagelijks Bestuurszetels in de 21 waterschappen van ons land worden bezet door boeren/boerinnen! Dus circa 1 % van de bevolking bezet 42,7 % van de DB/Heemraad zetels! NIET meegeteld zijn de DB leden/Heemraden met activiteiten die mede afhankelijk zijn van agrarische bedrijven.

Hoofdleveranciers van agrarische DB leden/Heemraden zijn de categorie ongebouwd, BBB, VVD en CDA.

In 17 van de 21 waterschappen is een boer of boerin de portefeuillehouder watersysteembeheer! Terwijl het watersysteembeheer (peilbeheer) niet alleen van belang is voor de boeren, maar ook voor de natuur; in laag Nederland ook voor het behoud van funderingen, en voor het houden van ‘droge voeten’ en voor goed drinkwater. Alsof je de mededaders van de verontreiniging door gewasbeschermingsmiddelen en mest (nitraten en fosfaten) de leiding geeft over het onderzoek op de crimes scenes. De ‘collega’s’ en ‘familieleden’ moeten de oorzaken van de slechte toestand van het water vaststellen en verbeteren! Alle zeventien afkomstig van de BBB en de categorie ongebouwd!

In de watersysteemcommissie van de Unie van Waterschappen is een ruime meerderheid boer of boerin. En dat terwijl de Unie adviezen aan de landsregering van groot belang zijn voor het toekomstige waterbeleid.

De verzamelde zetelverdelingen (tabellen) zijn opvraagbaar via [email protected]

Is het logisch dat vertegenwoordigers van circa 55.000 agrarische ondernemingen feitelijk de dienst uitmaken bij de vorming en uitvoering van het Nederlandse waterbeleid?

Op mijn artikelen over het bestuur in verval (il partigiano 66 en 68) heb ik heel wat reacties ontvangen. Sommige die mijn analyse onderschrijven maar de meeste van collega-bestuurders verre van positief. Die collega’s waren zonder uitzondering pas na 2014 waterschapbestuurder geworden en vaak agrarisch actief. De veranderingen van de afgelopen jaren waren volgens hen de ’tekenen des tijds’.

De afgelopen weken heb ik mijn eigen waarnemingen nader beschouwd en mij afgevraagd ’tekenen des tijds’: zijn die logisch? Zijn die naar wet en regelgeving? Wordt de overheid en/of de burger daar beter van? Is het waterbeheer ermee gediend?

Mijn startpunt is normaliter de wet/regelgeving. Als het gaat om de samenstelling van het waterschapbestuur is voor mij maatgevend de geldende Waterschapswet.

“Artikel 12
Lid 1 Het algemeen bestuur is samengesteld uit vertegenwoordigers van categorieën van belanghebbenden bij de uitoefening van de taken van het waterschap.
Lid 2 het algemeen bestuur zijn de volgende categorieën van belanghebbenden vertegenwoordigd:
a. de ingezetenen;
b. degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen als bedoeld in artikel 116, onder c;
c. degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen als bedoeld in artikel 116, onder c. “

Mede uit artikel 12 blijkt dat waterschappen in tegenstelling tot de praktijk nog steeds een belangenorganisatie is, c.q. behoord te zijn, en dat het bestuur gevormd wordt door mensen die gekozen of aangewezen worden om de belangen van hun categoriebelanghebbenden te dienen en te beschermen!

De eigen categoriebelangen beschermen wordt serieus genomen door de categorieën ongebouwd en Natuurterreinen. De categorie ingezetenen (de politieke partijen) zijn dat bijna over de hele ‘vergeten’! Vooral de BBB maakt het heel bont. Vanuit vrijwel alle DB/College van Heemraden waarin zij zitten, komen voorstellen waarbij in de “kostentoedelingsverordening” een kostenverschuiving wordt voorgesteld waarbij de ingezetenen en de niet agrarische bedrijven een groter deel van de kosten van het waterschap voor het systeembeheer gaan betalen en de boeren minder.

De waterschapsbesturen zijn weggegleden van de eeuwen oude mantra: belang, betaling zeggenschap. Begin jaren negentig kwam ik als stedeling in het Algemeen Bestuur van een kwantiteitswaterschap eerst Zoomvliet en paar jaar later in het Scheldekwartier. In die besturen was 60 % van de zetels geborgd ‘ongebouwd’. 20 % werd gekozen door de eigenaren van panden (gebouwd) en 20 % werd gekozen door de ingezetenen. Bij Zoomvliet door de gemeenteraden namens het ‘gebouwd’! Toen werd het monisme nog gevolgd en bestuurlijk was er het ‘wij’. Wij doen het samen en kijken en respecteren elkaars belangen. Ook bij het Hoogheemraadschap West-Brabant heb ik dat van 1995 tot de fusies in 2003 zo mogen ervaren. Bij het all-in waterschap Brabantse Delta kenden we tot 2008 als fracties alleen de categorieën.

Feitelijk begon het afglijden met de politisering in 2009. De invoering van het lijstenstelsel was het startpunt van de politisering en het vervagen van het categorieprincipe. Heel vergaand is dat in het waterschap Limburg waar de BBB en de categorie ongebouwd recent één fractie vormde. Water Natuurlijk deed dat daar nu ook met de categorie Natuur Terreinen.

Na de verkiezingen van afgelopen maart en de daaropvolgende vorming van de Dagelijkse Besturen en de Colleges van Heemraden is er sprake van een totale vervaging van het formele monisme en van de overgang het ‘WIJ’ naar het WIJ/Zij! Vrijwel landelijk was de overgang een feit. En ontstonden bijna overal ‘boerencoalities’, hier en daar verrijkt met een linkse ‘excuus Truus’. Daar waar Water Natuurlijk feitelijk de BBB uitsloot, gebeurde de overgang van WIJ naar WIJ/ZIJ ook, maar dan over een linksere route.

Met ruim 42 % van de DB/Heemraad zetels bezet door boeren en in sommige waterschappen, met behulp van partijen waar boeren sterk vertegenwoordigd zijn zoals de bij VVD (35 %), CDA (37%) vormden zij een controlerende meerderheid. Bij Vechtstromen en de Brabantse Delta is zelfs 80 % van het DB boer of boerin. Zijn de waterschappen feitelijk weer de ‘Boerenrepublieken’ van weleer! Met dien verstande dat de verhoudingen verhard zijn en er geen rekening meer wordt gehouden met elkaars belangen. Terwijl dat in de bijna duizendjarige geschiedenis de kern was van het waterschapwerk.

In 2019 kende het waterschap Brabantse Delta nog een bestuurbreed vastgesteld bestuursprogramma. In 2023 werd er niet eens met elkaar gesproken. Met il partigiano (Ons Water) is niet gesproken over de vorming van een nieuw bestuur of over de inhoud van programma of de plannen voor de toekomst. Terwijl Ons Water de derde partij was in de uitslag! Extra pijnlijk was dat er een einde kwam aan vijftien jaar in één fractie samenwerken met de partij West-Brabant Waterbreed die sinds 2008 tot nu bestond en bestaat uit boeren! Na iedere verkiezing vormden de 2 partijen weer één fractie. Jarenlang heeft il partigiano goed kunnen samenwerken met de agrarische gemeenschap maar wel op wederzijds respect en oog voor alle belangen.

Het lijkt erop of de Haagse politiek (VVD/CDA) vanaf 2008 met maatregelen als de invoering van het lijstenstelsel (politisering) het schrappen van de categorie ‘gebouwd’ en later de categorie ‘bedrijfsgebouwd’ en de opname op de eigen lijsten van veel boeren op de waterschap lijsten van die partijen kunstmatig het ‘boerenbelang’ en de boeren vertegenwoordiging heeft opgevoerd. En toen kwam de BBB met een marketingformule en met een aansprekende partijleidster. De politisering maakte de perfecte storm en bracht de boeren aan de waterschapsmacht.

Nu kijken hoe Europa in 2027 ons falen bij het niet halen van de kaderrichtlijn water (KRW) zal beoordelen. Ik verwacht grote boetes. Want de mede-veroorzakers van de slechte waterkwaliteit (17 van de 21 bestuurders watersysteembeheer zijn boer/boerin) aan de knoppen laten staan, is niet uitlegbaar. Het Nederlandse imago van een waterbeheer dat rekening houdt met alle belangen is beschadigd. Mogelijk onherstelbaar.

Mijn hele waterschapleven heb ik het waterschap gekoesterd en vond ik de Nederlandse aanpak van het waterbeheer het beste ter wereld. En was ik fel tegen de mogelijke opheffing van de waterschappen. Nu anno 2023 denk ik er heel anders over.

Nu pleit ik voor het bestuurlijk overhevelen naar de provincies waarbij de waterschaporganisaties als zelfstandige deskundige werkeenheden moeten blijven bestaan.

Als alternatief pleit ik voor een terugkeer naar het personenstelsel zodat bestuurders weer worden gekozen vanwege hun persoonlijke kwaliteiten en niet meer vanwege hun partij loyaliteit of boer zijn.

Tot slot hoop ik dat de traditionele media weer zelf kijken naar het functioneren van waterschappen en niet kritiekloos blijven dienen als doorgeefluik van de sinds 2008 uitgedijde communicatieafdelingen van waterschappen. Het openbaar bestuur heeft de media nodig als hoeders van de democratie. Zodat niet circa één procent van de bevolking (notabene een relatief vermogend deel van de bevolking) de macht krijgt en houdt over een in Nederland belangrijke levensvoorwaarde het water systeembeheer!

Tegelijkertijd hoop ik dat de kiezer zal zien dat de BBB een machtsfactor is die aan de macht in de waterschappen de waterschapkosten voor de boeren wil verlagen en middels de kostentoedelingsverordeningen de gewone burger daarvoor wil oplaten draaien. De eerst B (die van de boeren) is klaarblijkelijk belangrijker dan de tweede B (die van de burgers).

il partigiano (Louis van der Kallen)

il partigiano 56 (overlaten)

Historische kaart van het gebied langs de Maas tussen Den Bosch en Grave, met Maasland, Hertogdom Gelder en de Polder van Hoog Heemaal — het gebied van de Beerse Overlaat.
Historische kaart van het Maasgebied tussen Den Bosch en Grave — het gebied van de Beerse Overlaat.

Ook nu wordt er nagedacht – in het kader van toekomstige ‘ruimte voor de rivierprogramma’s’ – over ‘groene rivieren’ volgens het principe van de ‘overlaat’ zoals in een ver verleden de Beerse Overlaat.

Zelfs in een vol landje als Nederland zijn situaties denkbaar waarin het principe van de overlaat toegepast zou kunnen gaan worden. Als de nood maar hoog genoeg is. Ook bij het hoogwaterbeschermingsprogramma is het principe op een aantal plaatsen toegepast (o.a. bij Overdiepse polder en in de Biesbosch). Ook in West-Brabantse notitie “van Defensie tot Retentie” is gekeken naar overloopgebieden voor de Vliet en de Mark. Specifiek naar polders met ‘beperkte bewoning’ die als overloopgebied zouden kunnen worden gebruikt c.q. daartoe zouden kunnen worden ingericht. Oude waterlinies die mogelijk een startpunt kunnen zijn tot toekomstige oplossingen. Het nadenken en vooruitdenken waard.

De Beerse Overlaat

Het lijkt er op de in de tweede helft van de 14e de Maas (voor zover oeverwallen niet afdoende veiligheid boden) richting Boxmeer bedijkt was. Als de oeverwallen bij Beers en tussen (Brabants) Katwijk en Cuijk bij hoogwater overstroomden vond het water vanzelf een weg om Grave heen om in een brede strook richting Den Bosch af te vloeien om in de buurt van de Dieze weer in de Maas te stromen. Dat werd toen als ‘erbij horen’ ervaren door de gebruikers en eigenaren van de landerijen die het betrof.

In de loop der jaren nam de ervaren overlast echter toe. Mogelijk omdat het Maaspeil geleidelijk steeg maar ook de toenemende bedijking kan van invloed zijn geweest omdat de rivier steeds verder werd beperkt tot een nauwere bedding. Toen nam de ergernis toe. Dit leidde in januari 1531 ertoe dat de stad Den Bosch een bode zijnde Ghijsbrecht Dirckxs naar de slotvoogd van Empel stuurde met het volgende verzoek: “omt groet water van boven comende, ten minste scaide vanden ge meyn lande, eenen gevueghelycken wech te wijsen, het weer bij duersteken of anderssins, zoemen dat aldair oirbairlicx zoude moigen doen”. Ook toen meende men water zo te kunnen sturen dat de overlast van de stad beperkt kon worden.

Dezelfde argumenten werden gebruikt bij het project Overdiepse polder waarbij il partigiano zelf twee perioden als portefeuillehouder betrokken was. Tijd om te blijven zoeken naar mogelijkheden en die mogelijkheden, door goed ruimtelijke ordening beleid te behouden voor toekomstige generaties.

il partigiano