
Recent is de honorering van DB en AB leden van het waterschap verhoogd. Ook is het maximum van het aantal formatieplaatsen van het DB verhoogd van 3 naar 4. Dat zal vast her en der in de waterschapwereld tot verzoeken tot nadere verhogingen van toegekende formele werkbelasting en vergoedingen leiden. Ook dat is van allertijden. Politici vinden vaak originele wegen om beslag te leggen op des burgers pecunia. Of om zich belangrijker te vinden dan de andere bestuurders/hoofdingelanden.
In “De Ring van Putten” – een publicatie die met steun van het wetenschappelijk Fonds der Provincie Zuid-Holland tot stand kwam en van de hand van J.L. van der Gouw – is daarvan een curieus voorbeeld te vinden. Het voorbeeld betreft het voormalige Ring van Putten dat vanaf 1862 Hoogheemraadschap van Putten werd genoemd en later opging in het waterschap De Brielse Dijkring.
Het was gebruikelijk dat er op de het vaststellen van de jaarrekening ‘geteerd’ werd op kosten van het hoogheemraadschap. Op de “rekeningdag” van 10 april 1580 was het onduidelijk wie aan dat gelag kon deelnemen. Er aten klaarblijkelijk nogal wat minvermogenden mee. Bij ordonnantie van de ‘ingelanden opte comparitie’ van 18 april 1580 werd dat veranderd (iedereen moest het zelf gaan betalen). Maar aan de dijkgraaf, de hoogheemraden, de secretaris en aan de hoofdingelanden werd een presentiegeld toegekend om de teerkosten te voldoen. De hoogte van het presentiegeld was afhankelijk van de hoeveelheid land die de ontvanger/hoofdingeland bezat!
Het ging nog verder: als hij minder dan tien gemeten (Puttens gemet is 4945 m²) dus minder dan circa 4,5 hectaren bezat, kreeg de hoofingeland geen presentiegeld en moest het eten zelf betalen. “Die gheen thien gemeten lants en heeft en sal gheen presentie genieten, maer mach dies niet jegenstaende tot sijnen costen opte rekeninge comen.” De minvermogende landbezitter/hoofdingeland mocht wel op de rekeningdag komen en mee eten, maar wel op eigen kosten!
Al snel werd er gefraudeerd. Velen deden zich groter of vermogender voor dan ze waren. Pas in 1617 kwam aan dit fraudeleus gedoe een einde toen het kadaster van een kwaliteit werd dat fraudeurs werden betrapt en dus hoofdingeland werden zonder presentiegeld.
Maar er was meer waar wij nu een ernstig (democratisch) vraagteken bij zouden zetten. Zo waren er binnenlandse hoofdingelanden (die van binnen de dijkring) en buitenlandse hoofdingelanden (die van buiten de dijkring maar wel woonden op het eiland Putten). De binnenlandse hoofdingelanden kregen per gemet – een oude oppervlaktemaat – een stuiver. De buitenlanders kregen per gemet een blanck (3/4 stuiver). De overige oortjes (1/4 stuiver) werden gelijkelijk verdeeld over buitenlandse en binnenlandse geërfden/eigenaren die tenminste twintig gemeten bezaten met een maximum van vijftig gemeten.
In gewoon Nederlands: als je veel land bezat, kreeg je als deelnemer aan de wat nu het Algemene Bestuursvergadering zou heten een groter presentiegeld dan als je minder bezat; als je minder dan tien gemeten bezat, kreeg je niks en moest je je eigen gelag/eten betalen.

Zo gek is het dus niet dat je in het waterschap Brabantse Delta grootgrondbezitter moet zijn om in het Dagelijks Bestuur gekozen te worden. Je zou zeggen: dit past in de oude waterschaptradities waarin grondbezit bepalend was. Of is dat anno 2023 op zijn minst een ‘beetje raar’?
il partigiano
















