Afgelopen zaterdag waren er twee berichten in BNDeStem de voor mij eigenlijk over hetzelfde thema gingen: het gebrek aan estuaria-dynamiek in de Zuidwestelijke Delta!
De steur, de zalm en de zeeforel horen in onze delta. Het uitzetten van 75 eenjarige steurtjes is zonder een echt herstel van enige estuaria- en getijdendynamiek een druppel op een gloeiende plaat. Het vergt veel meer dan zo nu en dan een kiertje in de Haringvlietdam. Er moet op enige manier weer een zoet-zoutgradiënt (een natuurlijke overgang tussen zoet en zout water) tot stand worden gebracht in dit gebied. Dat kan een werkelijke oplossing bieden voor de waterkwaliteitsproblemen en dat kan nieuwe ecologische kansen bieden. Daar wachten de steuren, zalmen en zeeforellen op. Migratierivieren in zee bieden kansrijke oplossingen.
Het andere artikel in BNDeStem ging over de doodzieke Grevelingen. Niet geheel toevallig memoreerde ik ook de zieke Grevelingen in “il partigiano 22 (de toekomst van onze delta)”. Er zijn wel tientallen miljarden beschikbaar voor de aanpak van de stikstofproblematiek maar voor de aanpak van een ziek gevolg van aantoonbaar verkeerd staatsingrijpen is een half miljard onvindbaar. Dat kan en moet anders!
De afbeelding bij dit artikel is het wapen van het voormalige Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch, waar ik – in een ver verleden – lid mocht zijn van het Algemeen Bestuur. Hopelijk vinden overheden in de toekomst weer de inspiratie in wat er leeft en bescherming behoeft binnen hun wateren, en vereeuwigen zij dat in hun wapens ter herinnering voor hun bestuurders en ingelanden.
Ik krijg veel vragen over het waarom van il partigiano en hoe il partigiano (ik dus) politiek denkt en doet. Ik ben een sociaaldemocraat met conservatieve en soms ook liberale trekjes. Tegelijkertijd trekt il partigiano ten strijde tegen de uitwassen van de zogenoemde liberale clubjes.
Hume en zijn vriend Adam Smith auteur van (The Wealth of Nations) worden samen met Adam Ferguson) vaak gezien als de grondleggers van de principes van de moderne liberale partijen.
In werken als Essays (Hume), My Own Life (Hume), Theory of Moral Sentiments (Smith) en An Essay on the History of Civil Society (Adam Ferguson) kwam voor het eerst in de geschiedenis weerstand naar voren tegen de kerkelijke boodschap dat de armen en uitgeslotenen maar moesten berusten in hun lot en dat zij mochten hopen op een eeuwige beloning in het hiernamaals. Il partigiano is niet van het berusten, maar van de strijd.
Hume kwam aan het eind van zijn leven tot de conclusie dat hij gedijde op negatieve reacties op zijn werk. Ik ervaar dat ook. Diep ik mijn hart geniet ik van tegenspel, zeker in de politiek. Het haalt het beste in mij boven. Ik ben niet van de standpunten om het publiek (de kiezer) te paaien. Ik ga als volksvertegenwoordiger voor wat ik denk dat goed is. Ook als dat een belastingverhoging is om goede publieke diensten overeind te houden, zoals bijvoorbeeld veiliger dijken of een meer sociale samenleving.
Hume was bij het naderen van de dood van mening dat zijn leven was geslaagd. Hij was trouw gebleven aan zijn ambities en het pad dat hij voor zichzelf had uitgestippeld. Mijn ambities en levenspad heb ik niet echt uitgestippeld maar ik ben trouw gebleven aan de principes die ik heb overgenomen van mijn moeder en haar boekenkast. Die hebben mij gebracht tot waar ik ben en tot het levenspad dat ik heb gevolgd. Een pad dat ik deels heb kunnen volgen omdat mijn echtgenote dat toestond en mij steunde. Voor de resterende tijd probeer ik daaraan vast te houden.
Na 31 mei 2023, de dag dat ik na veertien jaar geen deel meer uitmaak van het DB of een coalitiepartij, of getekend heb voor een bestuursakkoord zet ik de ‘strijd’ voort als il partigiano. En neem ik de strijdbijl op tegen de waterschapcoalitie die niet de moeite heeft genomen zelfs maar met mijn waterschapspartij Ons Water of met mij te praten.
De Antwerpse Noorderpolders en de Ossendrechtse polders vormen aan de oostoever van de (Wester)Schelde in feite één waterstaatkundig landschap. Op diverse momenten onderging dat landschap het zelfde lot. Denk aan de Sint Ignatiusvloed (31 januari/1 februari 1953). Van de middel eeuwen tot het heden hebben die landschappen een soortgelijke ontwikkeling door gemaakt.
De grens is voor water, hoog of laag, – zoet of zilt – geen probleem. Daarom is het goed als zowel qua waterveiligheid als qua watersysteembeheer steeds ook wordt gekeken naar wat de Belgische buren doen en hoe ons beleid ook van invloed is op hun polders.
Dan is een eventuele verzilting van het Volkerak-Zoommeer en als gevolg daarvan van de Rijn -Schelde verbinding alsmede de discussie over de winning van zoetkwelwater uit de polders aan de voet van de Brabantse Wal een onderwerp om te delen met onze buren.
Want als die winning zou kunnen leiden tot een sluipende verzilting van een aantal polders of gebieden (deels mogelijk op de westeroever van de Rijn – Scheldeverbinding is dat kennis die gedeeld moet worden inclusief nadenken over de mogelijke gevolgen. Denk aan de malaria problemen die de Spaanse garnizoenen in de 16e en 17e eeuw ervoeren in dit toen brakke en grotendeels moerasachtige landschap.
Recent de hand kunnen leggen op het boekje “Het Raadslid” uit 1953. Het betreft “de gemeentehuishouding voor raadsleden en anderen beknopt (237 pagina’s) beschreven.
Mooi is het om zeventig jaar later de veranderingen te kunnen constateren. Die zijn er best veel. Zo is het verbod op een nauwe familieband eruit gehaald. Nu mogen vader en zoon tegelijkertijd in de raad zitten. Dat mocht toen niet.
Maar we kunnen ook wel iets leren. Op pagina 111 over de jaarwedde van wethouders is te vinden dat die door Gedeputeerde Staten (GS) wordt vastgesteld ‘gehoord de Raad en na Koninklijke goedkeuring’. Dit mag van mij voor de waterschappen zo worden in gevoerd.
Nu is het mogelijk dat in het waterschap Brabantse Delta het jaarsalaris (de jaarwedde) in vijf jaar tijd met 60 % is verhoogd door een uitbreiding van het aantal werkuren. Dit zonder een wezenlijke onderbouwing dat deze extra uren ook echt nodig zouden zijn en/of daadwerkelijk worden gewerkt!
Op pagina 111 van het boekje wordt het waarom omschreven van de vaststelling door GS: “Tegen willekeur zou hogere goedkeuring immers en waarborg kunnen zijn”. Daar voeg il Partigiano voorkoming van eigenbelang aan toe!
Het klimaat verandert en dat vergt tal van aanpassingen in het waterbeleid en in hoe we om moeten gaan met de ruimte, dus waar bouwen we al die huizen waar de samenleving om gilt. Die noodzakelijke verandering zet planologen aan het denken en fantaseren over de toekomst van Nederland en dan vooral de omgeving waarin zij zelf woonachtig zijn en/of werken.
In dit soort processen loopt de Randstad altijd vooraan! Ze zitten ook waar de macht zit en zijn er als de kippen bij om politiek Den Haag deelgenoot te maken van hun gedachten en dromen. Dan zou de rest van Nederland alert moeten zijn om te voorkomen dat de Randstad of steden als Rotterdam de krenten uit de pap halen en de rest van ons land met de gebakken peren blijft zitten of slechts de kruimels krijgt toebedeeld.
Recent was er de 12e editie van de Eo Wijersprijsvraag. De winnaar was Palmbout Urban Landscapes en H+N+S Landschapsarchitecten die een toekomstvisie hadden ontwikkeld voor de Rijn-Maasmonding, getiteld Tweestromenland. De nummer twee waren De Urbanisten die een plan maakten getiteld Waterstad 2100 “Een hoopvol toekomstperspectief voor de Rijn-Maasmonding.
Afgelopen vrijdag werden beide plannen gepresenteerd tijdens de PAL-Lunchlezing in het provinciehuis van Zuid-Holland. Het was een waardig afscheid van de Provinciale Adviescommissie Leefomgevingskwaliteit! Het nieuwe provinciale bestuur van Zuid-Holland heft de PAL op. De nieuwe coalitie zit klaarblijkelijk niet meer te wachten op deskundigen die misschien wel komen met ideeën en opvattingen waar populistische politici geen behoefte aan hebben. Dit soort plannen kunnen echter van grote betekenis zijn voor de toekomst van ons land en in het bijzonder het waterbeheer.
Beide plannen ging uit van een superpolder met daarin de stad Rotterdam. De “Urbanisten” gingen (bij 2,5 tot 3 meter zeespiegelstijging) uit van het opgeven van de Zuid-Hollandse eilanden. ‘Ze moesten maar gaan wonen op terpen/vlietbergen’. Met superdijken om Rotterdam! Of de bodemgesteldheid dat wel zou aan kunnen werd niet beantwoord. Wat in hun plannen verder opviel was het openen van de Haringvlietdam. De superpolder bleef zoet door twee (zee)sluizen aan de west en oost kant. Klaarblijkelijk gingen de plannenmakers ervanuit dat er voldoende zoetwater de superpolder zou bereiken.
Voor West-Brabant zou dit verzilting van niet alleen het Haringvliet maar ook van het Hollandsdiep en meer oostwaarts gelegen wateren betekenen. En daarmee niet meer de mogelijkheid om zoet water vanuit die wateren in te laten!
Bij de plannen van Palmbout Urban Landscapes die uitgingen van 2 meter zeespiegelstijging waren de Zuid-Hollandsepolders nog wel verdedigbaar. Ze gingen uit van de omleiding van sediment bevattend achterlandwater naar het Haringvliet en sedimentatie daar.
Beide plannen gingen uit van de vrije (sluis loze) doorvaart van de zee naar het achterland. Dus met een enorm zoetwater verliest. Dus verzilting tot voorbij Woudrichem. Zilte teelten waren volgens beide plannen de toekomst. Uit niets bleek dat er rekening werd gehouden met des zomers een mindere beschikbaarheid van zoetwater. Het leek of er alleen met de belangen van Rotterdam en de scheepvaart rekening werd gehouden.
In de paneldiscussie daarna waren de dijkgraven aanwezig van het waterschap Hollandse Delta en van het Hoogheemraadschap van Delfland. Van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard was een Heemraad aanwezig. Van het Dagelijks Bestuur van ons waterschap Brabantse Delta was er zoals gebruikelijk niemand om onze (zoetwater/veiligheid en agrarische) belangen te behartigen.
Ik wees vanuit het publiek wel op het gebrek aan aandacht voor verzilting en de teruglopende beschikbaarheid van zoetwater in de zomers. De tijd van de Generaliteitslanden zou voorbij moeten zijn. Maar dat zou wel moeten betekenen dat we onze belangen moeten verdedigen in Den Haag nu en in de toekomst en dat zou moeten betekenden dat we als gelijkwaardige partners mee moeten doen aan dit soort discussies en tegenwicht moeten leveren aan dit soort ideeën. Het beste is dan ook meedenken aan toekomstscenario’s en AANWEZIG ZIJN OP DE PLAATSEN WAAR OOK OVER ONZE BELANGEN WORDT GESPROKEN.
Tot op heden mis ik onze Dagelijks Bestuursleden op dit soort bijeenkomsten, terwijl besturen ook meedenken over de VERRE toekomst zou moeten zijn!
Soms lees je iets en dan denk je: “waarom hebben ze dat in Den Haag” niet serieus genomen?
Zo was er in het begin van de jaren zeventig een groep van geografische studenten die de schaarste aan vierkante kilometers in de Randstad langs veel kante belichte en bestudeerde en dat uiteindelijk in 1973 leidde tot een stevig boekwerk met de titel; “West Nederland, chaotische planning of geplande chaos”. Met tal van prominenten als medeschrijvers waaronder Hedy den Boer -d’Ancona. Die tal van functies heeft bekleed die wat er in het boekwerk werd betoogd in beleid en actie had kunnen omzetten.
In het boek is ook een discussiepaper opgenomen van de hand van J. Veldman en L.M. van Woersem met de pakkende titel; “De landbouw als concurrent om ruimte, plaatsbepaling en perspectief binnen het ruimtelijk ordeningsbeleid.”
Het boek bevat een aantal stellingen waarvan ik zeker weet dat als die stellingen waren vertaald in beleid dat de hele intensivering van de landbouw die nu tot een aantal ‘problemen’ leidt zoals de stikstof problematiek niet of van een andere orde had plaatsgevonden. Omdat de landbouw door een aantal maatregelen levensvatbaar was gebleven zonder die intensivering.
In het discussiepaper staan een aantal stellingen die ik graag onder de aandacht van de lezer brengt en die ook anno 2023, dus vijftig jaar na publicatie nog steeds het overwegen waard zijn.
“De agrarische activiteit in de Randstad ondergaat de invloed van de onmatige groei van het niet-agrarische bodemgebruik vrijwel geheel via een verhoging der grondprijzen, waardoor vele bedrijven onmogelijk worden gemaakt en andere in hun economische levensvatbaarheid worden aangetast.”
“Om de opwaartse druk op de prijzen van de cultuurgrond te beperken dient elke vorm van onttrekking van cultuurgrond in verstedelijkende gebieden in zodanige mate extra belast te worden, dat subsidie op de grondprijzen die door de landbouwers betaald moeten worden de economisch onverantwoorde top wegneemt.”
“Als in het kader van de Ruimtelijke Ordening de open ruimte blijvend aan de landbouw wordt toegewezen, dienen alle voorwaarden geschapen te worden die voor een economische bedrijfsvoering vereist zijn.”
“Een Ruimtelijke – Ordeningsbeleid zonder voldoende machtsmiddelen om de gewenste bestemmingen van de ruimte te doen realiseren stelt allereerst de voor de landbouw bestemde ruimte aan ernstige bedreigingen bloot.”
“De Ruimtelijke Ordening is een beleidssector met als eigen opdracht het bevorderen van een optimale ruimtelijke ontwikkeling in een bepaald gebied en gericht op de totaliteit van regionale ontwikkeling met aspecten van welvaart én welzijn.”
Als de voorgaande stellingen in beleid waren omgezet hadden de boerenbedrijven levensvatbaar gebleven zonder tal van intensiveringen waarvan we nu de wrange vruchten plukken. Nu is de vraag wat kunnen we van de kennis uit 1973 leren zodat we komen tot oplossingen van de landbouwproblemen van vandaag?
Het vervoer over water had in de voorbije eeuwen, toen de spoorwegen er nog niet water en verharde landwegen zeldzaam waren een groter aandeel dan nu. De Mark en de Vliet zijn in West-Brabant nog steeds als vaarweg van belang. Helaas buigen beide rivieren, bij het bereiken van de kleigronden naar het westen af. Die afbuiging is verkeers-economisch ongunstig om dat West-Brabant vanouds een schakel is in het noord-zuidverkeer.
Het graven van kanalen om die ‘fout’ te corrigeren hebben dan ook een hele lange geschiedenis. Het Markkanaal (dat de Mark verbond met de Donge en het Wilhelminakanaal kwam in 1923 tot stand. Daarna moest West-Brabant decennia wachten op de volgende verbetering.
In “il partigiano 20” schreef ik over het gedeeltelijk realiseren van het in februari 1958 gelanceerde provinciale “Welvaartsplan voor West-Brabant”; kern daarvan was het realiseren van de broodnodige voorzieningen op het gebied van waterwegen en havenfaciliteiten.
De vaarwegen In West Brabant verlangden toen een vergaande modernisering. “Maak ze geschikt voor schepen tot 1350 ton”, was in 1958 de leuze! Het laatste gerealiseerde onderdeel van dat Welvaartsplan was de aanleg van het Mark-Vliet kanaal in 1983. Zestig jaar nadat Het Markkanaal in gebruik werd genomen kwam pas de Mark-Vliet verbinding tot stand.
Eeuwen plannen maken
De militaire gouverneur van Willemstad en Klundert Jonkheer Emmerij de Lijere (Liere) bedacht rond 1605 het plan om een kanaal te graven door Prinsenland van het dorp Dinteloord tot de “rivier van Roosendaal” nu de Vliet. Het gebied van de prins (zijn broodheer). Na de bedijking van Prinsenland was doorgraving niet meer voor de hand liggend.
Dit artikel is te groot voor Instagram. Interesse in de rest? Lees dan verder op facebook. Pagina II partigiano 22/11
In 1809 bracht Koning Lodewijk Napoleon een bezoek aan onze streken en verhief Roosendaal tot stad en beloofde tal van waterstaatkundige verbeteringen waar niets van terecht kwam. Daarna kwam koning Willem I met zijn welvaartspolitiek en een kanalenplan om Brussel met de Merwede te verbinden. Na de opstand in 1830 ging daar een streep door. Toen kwam Generaal-majoor van Gorkum (genieofficier, cartograaf en waterbouwkundige) uit Bergen op Zoom met een plan om vanaf de Oosterschelde bij Bergen op Zoom een kanaal te graven in de richting van de Zuid-Willemsvaat en zo Bergen op Zoom met de Maas bij Venlo te verbinden. De landsregering ging er niet in mee.
Tussen 1842 en 1878 passeerden er tal van plannetjes: Verbreding/verdieping van de Vliet, een zijkanaal van de mark naar het Hollands Diep, de Amer en de Donge en de bevaarbaarheid verbeteren van de Zoom.
Tussen 1853 en 1890 maakten in Oost-Brabant plannen om de scheepvaart verbindingen tussen Eindhoven en Tilburg te verbeteren.
In 1890 werden in de Staten ban Noord-Brabant plannen goedgekeurd om de Zuid-Willemsvaart te verbinden met de Donge en de Mark door kanalen. I
In 1904 deed de ARP-minister van Waterstaat Mr. J.Ch. De Marez Oyens de toezegging inhoudende dat West-Brabant zijn verbinding zou krijgen met het kanalen netwerk van Oost- en Midden-Brabant. En dat daarbij gedacht werd aan een verbinding via het Mark-Vlietsysteem naar de Westerschelde.
De Bergenaar Wilhelmus Johannes Franciscus Juten, die van 1901 tot 1923 lid de Provinciale Staten van Noord-Brabant was, greep daarop een kans en diende in 1904 in de Staten van Noord-Brabant een motie in.
“…. zijn van oordeel, dat het thans ontworpen scheepvaartkanaal (het Wilhelminakanaal) beter zou voorzien in de behoeften van den handel, de nijverheid en den landbouw der provincie, wanneer het in verbinding gebracht kon worden met de rivier “DE SCHELDE”, …..)
De toezegging van de minister en de motie verdwenen daarna al snel in de vermoedelijk stoffige archieven van de provincie en de Tweede Kamer.
Pas in 1923 kwam het Markkanaal tot stand. West-Brabant moest nog lang wachten op het Mark-Vliet kanaal. De plannen werden wel gemaakt. Zo was er het plan Ir. Nelemans (1911).
Pas na de overstromingen in Oost-Brabant in 1917 ging de provincie de afwatering en de gehele provincie nog eens bekijken. Toen roerde België zich ook met de eis te komen tot een kanaal van de Schelde naar de Rijn. In 1925 kwam het plan Bongaerts van de verbinding tussen de mark en de Vliet. Dat in 1932 definitief werd afgeschoten.
Pas in 1961 kwam er een provinciaal rapport waarin opnieuw het Mark-Vlietkanaal aan bod kwam als uitwerking van het in 1958 gepresenteerde “Welvaartsplan voor West-Brabant”. Daar schreef ik eerder over in il partigiano 20. In 1983 werd het kanaal na eeuwen plannen maken in gebruik genomen.
Met enige jaloezie kijkt il partigiano naar vroegere initiatieven om tot verbeteringen te komen voor vervoer over water. Tot de Tweede Wereldoorlog bestond er een Verbond van Zuidelijke Kanaalcomités inclusief een Verbondsraad die keek naar de vervoers- en afwateringsbelangen van het zuiden van Nederland en België en formuleerde voorstellen tot verbetering. Het zou goed zijn – met de vervoerstransities in ons hoofd – als een dergelijk initiatief wederom tot stand komt.
Nu moeten we het doen met de tekst in het coalitieakkoord van het waterschap Brabantse Delta: “de toenemende mobiliteit vraagt ook IETS van de vaarwegen die wij beheren voor de provincie.” Slapper dan slap!
De stormvloeden in de periode 1530 – 1570 verwoeste veel van de vroegere bedijkingen in de regio van Bergen op Zoom. Veel waterschaparchieven zijn toen en in de troebele jaren van de tachtig jarige oorlog verloren gegaan. De kennis die er wel is komt uit de archieven van de Raad- en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom. Informatie die uitgebreid inzichtelijk is gemaakt door wijlen Willem van Ham. Veel van onderstaande informatie is dan ook afkomstig uit zijn werk.
Niet alleen stormvloeden verwoeste het oorspronkelijke polderlandschap ook de inundaties in opdracht van de Staten-Generaal en de Prins van Oranje in de periode 1583 – 1585 hadden een verwoestend effect. Gedeeltelijk herstel vond plaats tijdens het twaalfjarig bestand (1609 -1621). Waarna na de vrede van Munster (1648) de spade echt in de grond ging om geleidelijk het landschap te vormen zoals we dat nu nog kennen.
Het oorspronkelijke schoren/gorzen landschap kende hier en daar ‘hoogten’ die uitstaken boven de laagten die de zee geregeld tot zich nam. Daar waren nederzettingen als Austruweel, Wilmarsdonk, Oorderen en Lillo (bij Antwerpen), Hildernisse (bij Woensdrecht) en Polder (bij Halsteren). Ook namen als Steenbergen, Valkenberg en Welberg wijzen op de vestiging op hoogten in het laagland.
Op, wat we nu de Brabantse Wal noemen (een uitloper van het Kempisch plateau) ontstonden de nederzettingen; Zandvliet, Ossendrecht, Woensdrecht, Zuidgeest, Borgvliet, Bergen op Zoom en Halsteren.
Het ontstaan van het polderlandschap hangt samen met de ontwikkeling van het hoger gelegen achterland. In bedijkingen/inpolderingen begonnen tegen het einde van de twaalfde eeuw.
De oudste polders langs de Scheldezoom waren vermoedelijk Hildernisse en Polder. Ze kwamen voort uit de bezittingen van de abdij van Nijvel en die van Tongerlo. De naam Polder komt voor het eerst voor in stukken die in 1233 relatie staan met de abdij Tongerlo te Ierseke. Goederen die later werden overgedragen aan Bouden van Ierseke/Reimerswaal. En andere naam voor het gebied was Coeveringe, mogelijk afgeleid van Coevere de oorspronkelijke naam van het Lange Water. In de zuidwesthoek van de Polder werd Champan bedijkt. Een later bedijking betrof (Oost) Nieuweland.
In 1461 gaf de heer van Berge op Zoom aan het Noordgors voor bedijking uit (de Noordpolder).
In een oorkonde van 1319 is er voor het eerst sprake van “het Beijmoer” zowel als korenland als voor de “derrie” uitdelven ten behoeve van de zoutnering. In 1445 kreeg Nieuw Beijmoer een eigen dijkgraaf en vijf schepenen met dezelfde rechten en plichten als die van Oud Beijmoer.
Rond 1460 zijn zowel de Glymes polder (439 gemeten groot waarvan 105 gemeten onland (drassig en alleen te gebruiken als weiland)) en de Onze Lieve Vrouweland (249,5 gemeten groot met 110 gemeten onland) bedijkt uit de gorzen van Rubere. Zij vormden tezamen één schepenbank. In 1583 gingen ze verloren en werden onder de naam Oud Glymes in 1688 herdijkt. In 1693 gingen ze deel uitmaken van de Auvergnepolder.
Noordland de polder ten noorden van de haven van Bergen op Zoom wordt voor het eerst in 1286 genoemd in een acte ten behoeve van de heer van Bergen. In 1298 blijkt uit een oorkonde een ruiling van goederen tegen een deel van het moer genaamd “Zuetpoldere of Suijtlandt” bij Bergen op Zoom. Het gebied van deze polder had als “moer” in 1284 al een eigen schepenbank.
Onder Borgvliet behoorde het Neerland of Borgvlieter dijkland dat tezamen met Heveland één waterstaatkundige eenheid vormde, ter grootte van 292 gemeten (circa 119 ha.). In 1571 werd het gebied gedeeltelijk herbedijkt waarbij ook de Oostmoer werd betrokken. In 1573 ging deze inpoldering weer verloren. Na een herdijking in 1787 werd het gebied de Augusta polder.
Het gors, langs de buitendijk van Hildernisse en Woensdrecht is omstreeks 1480 aan Andries Pieterszoon Ruijchrock uitgegeven ter bedijking. Omstreeks 1495 is dat geschied waarna het Nijeuwenland op Roeversberch werd genoemd. De naam Beyershil komt voor het eerst voor in de bescheiden van het “gemeyne land” (waterschap) van Hildernisse. In 1554 werd het gebied Beyershil opnieuw ter bedijking uitgegeven. In de watersnood van 2 november 1570 ging het gebied wederom verloren.
De juiste data van de eerste inpolderingen van Noordland en het Zuidland nabij Woensdrecht zijn niet herleidbaar gebleken. Tussen 1425 en 1436 vinden er herdijkingen plaats. Zo blijkt uit rentmeesterrekeningen van Oud en Nieuw Wissendijk en deel van het gebied behoorde toe aan Lijsbet van Glymes dochter van Jan I heer van Bergen. Zij was gehuwd met Adriaan, heer van Kruiningen en burggraaf van Zeeland. In 1427 werd het gebied voor herdijking uitgegeven.
De gorzen/aanwassen nabij Ossendrecht werden bedijkt onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de heren van Ossendrecht en de markies. In 1429 vond er een uitgifte door Klaas van Kets, heer van Borcht en Zwijndrecht, Machteld van der Maalstede en haar echtgenoot Jan Beyerszoon van Voxdaal als heerschappen in Ossendrecht alsmede Wouter en Willem van Cats en Jan bastaard van Wolfaard van Cats als erfgenamen in de heerlijkheid. De heer en vrouwe van Bergen op Zoom bezegelden mede de uitgiftebrief. In 1570 ging het gebied verloren.
Eerder met de Sint Felixvloed op “quade saterdach” gingen bij de stormvloed van 5 november 1530 rampspoed, ellende en bitterheid alle polders tussen Bergen op Zoom en Antwerpen verloren net als veel polders op de Zeeuwse-Zuid-Hollandse eilanden en het noorden van Vlaanderen.
De Zuidhollandsche Waard vóór de Sint-Elisabethsvloed van 1421 — dorpen en dijken die grotendeels verloren gingen.
Wat mij als mens en waterschapbestuurder het meest inspireerde, was het besef van de macht van het ‘water’ als bijna ontembaar demon. Bekijk eens oude kaarten van Nederland met daarop de Groote of ZuidHollandse Waard, zoals die voor de Sint-Elisabethsvloed van 18/19 november 1421, er uitzag (zie foto’s) en de situatie van nu.
De Groote Waard omvatte de gebieden die nu kennen als (van oost naar west): het Land van Heusden en Altena, de Biesbosch, het Eiland van Dordrecht, het oostelijk deel van de Hoeksche Waard en ten zuiden van dit geheel een strook van het huidige Noord-Brabant, ongeveer van Heusden tot Moerdijk.
Het gebied wordt nu doorsneden door de Bergsche Maas, de Amer, de Nieuwe Merwede en de Dordtsche Kil.
De Sint-Elisabethsvloed van 1421 was een watersnoodramp in de graafschappen Zeeland, Holland en Vlaanderen die plaatsvond op of rond 19 november 1421, de naamdag van Sint-Elisabeth.
Naast de steden Dordrecht en Geertruidenberg telde de Groote Waard een groot aantal dorpen die de Sint-Elisabethsvloed en de ruim zeshonderd jaar erna doorstaan hebben, of beter, weer zijn herrezen: Aalburg, Almkerk, Andel, Drimmelen, Drongelen, Dubbeldam, Eethen, Giessen, ‘s-Grevelduin-Capelle, Hoecke (Puttershoek), Hooge Zwaluwe, Lage Zwaluwe, Maasdam, Meeuwen, Rijswijk, Sleeuwijk, Strijen, Veen, Werkendam, Wieldrecht, Woudrichem en Wijk.
Verdronken dorpen
Veel dorpen in de Groote Waard sieren nu alleen nog de oude landkaarten en soms opgravingsrapporten. Dorpen zoals; Achthoeven, Alloysen (Tolleuzen), Almonde, Almstein, Almsvoet, Broek, Crayestein, Dubbelmonde, Eemkerk, Eemsteyn, Erkentrude/Erkentrudekerke, Gheenemanspolder, Giessenmonde, Gregenmonde, Herradeskerke, Heysterbach, Hoekenesse, Houweningen, Kort-Ambacht, Lang-Ambacht, Leerambacht, Nesse, Oudeland, Slydregt, Standhasen, Tiesselingskerke, Twintighoeven, Vorensater, Weede, Werkenmonde, Wieldrecht en Wolbrands/ Wolbrandskerke.
Ten tijde van de ramp was er een bijzonder zware noordwesterstorm, gevolgd door een zeer hoge stormvloed. Hoewel er geen springvloed was, was er wel een grote aanvoer van bovenwater, waardoor de omringende rivieren zeer hoog stonden.
In de Groote Waard waren er uiteindelijk twee doorbraken,. Eén in het zuidwesten. Het lijkt er op dat deze doorbraak tot een brede bres leidde, die langzaam de Groote Waard onder water zette. Die vloed was vermoedelijk niet eens zo hoog, en kwam min of meer geleidelijk zodat veel mensen zichzelf en hun vee in veiligheid konden brengenstellen. De bres bleek door de werking van eb en vloed echter moeilijk te dichten en nam vermoedelijk tot in december in omvang toe.
Echter, in december van dat jaar was er ook een grote afvoer van Rijn en Maas, die tot een extreem hoge waterstand bij Werkendam leidde. Als gevolg hiervan brak ook daar de dijk door, en ontstond een doorgaande geul door de Grote Waard. Met name omdat het brede gat in het zuidwesten van De Grote Waard niet onmiddellijk gedicht kon worden, is het door de getijdewerking steeds verder vergroot. Sluiten was toen niet meer mogelijk.
Het kan zijn dat door de Hoekse en Kabeljauwse twisten het dijkonderhoud verwaarloosd was.
De Groote Waard na de Sint-Elisabethsvloed — de inbraak van 28 november 1421 en de nieuwe waterstaatkundige realiteit.
Doordat er een constante doorstroming van het gebied was en er aan de westzijde een getijde-effect bleef, ontstond er een nat gebied met opgeslibde zandplaten met daartussen kreken en bredere wateren.
Laat de ‘Hoekse en Kabeljauwse’ twisten van dit tijdsgewricht, de schier eindeloze discussies en besluiteloosheid in ons Parlement, niet tot achterstallig onderhoud of uitstel leiden!
Toen ik begin jaren negentig begon waren er nog 16 waterschappen in Noord-Brabant, nu nog 3 en een stukje waterschap Rivierenland het voormalige Alm en Biesbosch. Waterschappen hebben een enorm fusietraject doorlopen. Rond 1850 waren er in Nederland ongeveer 3500 waterschappen in 1950 nog circa 2500 en nu nog 21. Minder dan 1 % van het aantal in 1950! Ook in het werkgebied van mijn eigen waterschap Brabantse Delta waren in 1950 nog meer dan 200 waterschapjes. Effect van al die fusies: een meer deskundige organisatie. De fusies waren tot op zekere hoogte ook nodig vanwege de toegenomen taken en de complexiteit daarvan.
Maar de fusies kenden ook een hoge prijs: minder betrokkenheid en gebiedskennis van de bestuurders. Het werden bestuurders op afstand. En na 2008 vooral politieke bestuurders met vaak bitter weinig kennis over de voor het waterbeheer, in mijn ogen, benodigde (technische-) en gebiedskennis. Maar wat nog erger is, de passie voor het gebied en de bijzondere taken van waterschappen ontbreekt vaak bij politici. Besturen wordt leunen op de kennis van de ambtenaren in plaats van gebaseerd op de eigen kennis en betrokkenheid bij het gebied. De Brabantse waterschappen werken, op de onderdelen dat het een toegevoegde waarde heeft, in termen van geld of kwaliteit, al jaren samen.
Zelf ben ik niet z’n voorstander van verdere fusies. De afstand tot de burger wordt alsmaar groter en de kennis van het gebied steeds kleiner. Toen ik waterschapbestuurder werd van Zoomvliet was ik nog in staat op perceelniveau te weten wat er speelde of wie en hoe er geboerd werd of wat de natuurwaarden waren. Met de opschaling naar het Scheldekwartier werd dat al heel moeilijk, maar je kende de collega bestuurders in de buurt van een perceel nog. Met de komst van het waterschap Brabantse Delta (meer dan 170.000 hectaren groot, meer dan 800.000 inwoners, meer dan 8100 kilometer aan sloten, beken, rivieren in beheer en binnen 21 gemeenten werkzaam) is dat niet meer mogelijk. Dan is passie nodig en liefde voor de taken.
Ik werd in 1993 lid van het algemeen bestuur (AB) van het waterschap Zoomvliet (globaal het gebied tussen de Steenbergse Vliet en de Zoom). Dit waterschap ging in 1995 op in het Scheldekwartier ook in dat waterschap zat ik in het AB (1996/2003) dat waterschap ging op in het Waterschap Brabantse Delta waar ik ook in het AB terecht kwam en in drie periodes in het Dagelijks Bestuur. Van 1995 tot de vorming van het waterschap Brabantse Delta zat ik ook in het AB van het Hoogheemraadschap West-Brabant. In Noord-Brabant zat ik ook in het AB van het Hoogheemraadschap Alm en Biesbosch (1999/2004). Ik heb in ons werkgebied dus ruim 30 jaar ervaring.