DIJKVERBETERINGEN


| 17-04-2022 |

 

Afgelopen week voor het eerst in jaren weer een echte vergadering van de commissie Veiligheid van het waterschap Brabantse Delta. Met gelijk een aantal grote dijkverbeteringsprojecten. De aanpak van onze zwakste schakel, de Standhazensedijk (ten westen van de Dongemond), het traject Moerdijk – Drimmelen en Willemstad-Noordschans.

Dijkverbeteringen en aanleg hebben al vele jaren mijn grote belangstellingen. Het gaat immers over iets wat voor het laaggelegen deltaland Nederland van immense betekenis is. Onze veiligheid tegen de oerkrachten van het water. In de ontwerp Deltawet stuknummer 4167 die in november 1955 naar de Tweede Kamer werd gestuurd. Kwamen deze trajecten ook voor. Samen met enkele andere verbeteringstrajecten in het werkgebied van wat nu het waterschap Brabantse Delta is. Zoals Noordschans-Willemstad (toen was de naam omgekeerd), Dongemond-Drimmelen (waar de Standhazensedijk deel van uit maakt) en de trajecten; Vegetaspolder (ten oosten van Geertruidenberg), Willemstad – Fort Sabina en Fort Sabina – Dintelsas. Zie bijgevoegde foto’s.

Bijna 70 jaar na dato is het best interessant te bekijken wat er toen gerealiseerd is en wat moet er nu waarom gebeuren. Mijn bijzonder aandacht gaat dan altijd uit naar de vraag; wat is nu het probleem dat aangepakt moet worden en hoe is dat ontstaan?

Kijkende naar het mogelijke faalmechanisme piping, wat een probleem is bij de Standhazensedijk, dan is een mogelijke (deel) oorzaak de gegraven plassen aan de voet van de dijk (zie foto). Maar mogelijk zijn er meer oorzaken zoals de ondergrond. Mijn ervaring is dat bestudering van wat onze voorgangers deden vaak aanwijzingen geeft voor mogelijke oplossingen nu. Veel technici weten veel van wat de computers hen aanbieden en soms slechts beperkt van wat in de papieren archieven te vinden is. Ze vertrouwen veel op modellen als kennisbron voor de opbouw van kennis. Ook de ‘kennisinstituten’ werken veel met modelberekeningen en nog slechts zelden met feitelijk onderzoek. Soms ook omdat veldonderzoek naar bijvoorbeeld de kwaliteit van de grasbekleding van dijken decennia kan duren. Men heeft haast en geloven dat modellen die kennis ook kunnen bieden. Als oud-onderzoeker heb ik vaker dan zij, mijn twijfels en hecht ik aan het doorneuzen van archieven.

Tijdens de commissie heb ik bepleit goed te kijken naar de grasbekleding en de mogelijkheden die grasmengsels bieden om middels een betere beworteling te komen tot een grasbekleding die beter bestand is tegen overspoeling en langdurige golfslagbelasting. Daarbij bloemrijke/kruidenrijke soorten mengsels te betrekken om deze grasbekleding meer insect- en vogelvriendelijk te maken. Hoe vinden we het optimum; veilig en flora en fauna vriendelijk?

Ik heb ook gevraagd om vast na te denken over hoe met kunst en informatie over wat we gaan doen of straks gedaan hebben om te gaan, zoals bij het verstrekken van de informatie over al het moois wat staat te gebeuren. Waarbij ik verwezen heb naar het kunstwerk De Wachter wat herinnerd aan de vorige ronde van dijkverbeteringen (zie foto).

Net als de meeste mensen heb ik soms de neiging de geesten wakker te maken met een woord dat mensen doet afvragen: waar heeft hij het nu weer over? Dit keer was het ‘suatiesluis’! Voor de echte liefhebbers een suatiesluis in werking op Ameland.

 

Louis van der Kallen


DE MYTHE VAN ZOUT


| 22-02-2022 |

 

Het testcentrum voor getijdenenergie bij de Flakkeese Spuisluis is mislukt. Het geplande vervolg hierop is een grote doorlaat in de noordelijke Brouwersdam, zo mogelijk gecombineerd met een getijdencentrale. Dit project genaamd ‘Getij Grevelingen’ kost honderden miljoenen, maar zorgt helaas niet voor de beoogde menging van het water en een centrale is onrendabel. Niet doen dus! Nu wil men zout water door de Flakkeese Spuisluis heen en weer laten stromen om het zuurstofgehalte van de Grevelingen te verhogen. Dit geeft hoogstens ter plekke enig effect. Een zuurstofrijk zout meer is wel te realiseren door een scherm te plaatsen tussen de stroomgeleidingswanden van de Brouwerssluis. Via een opening aan de bodem wordt dan de zware zuurstofloze onderlaag vanaf een diepte van 25 à 30 meter naar zee geheveld. Voorlopig zou dit kunnen, maar is het langer zout houden met de huidige zoetwatertekorten wel verantwoord?

Detail kaart 11 ‘Het wordt zouter’, Nationaal Waterplan 2009-2015

De wateropgaven voor klimaatbestendigheid
Waterveiligheid en zoetwatervoorziening, de hoofddoelen van de Zuiderzeewerken en de Deltawerken, zijn ook de hoofddoelen van het huidige Deltaprogramma. Ir. Johan van Veen voorzag het Deltaplan daarom van zeewerende dammen aan de kust voor de waterveiligheid en van zoete wateren voor de zoetwatervoorziening. Dat het laatste niet volgens plan is uitgevoerd, blijkt een grove misrekening. Het zoutgehalte in de wateren steeg in 40 jaar tijd zo sterk dat Zeeland zouter werd dan ooit. De bodemverzilting noodzaakt de overheid om te zoeken naar maatregelen voor de zoetwatervoorziening, waarbij men ook aanvoer van buiten de provincie overweegt. Het meest effectief is het om de oorzaak van de verzilting aan te pakken en de wateren te verzoeten. De Staten van Zeeland hebben mede daarom eind 2021 met een ruime meerderheid een amendement aangenomen om alle toekomstige opties voor zoetwatervoorziening open te houden.

Mythe versus realiteit
Met veel propaganda overvleugelde het sprookje van een zout natuureldorado de werkelijkheid. Zolang de Zeeuwse wateren zout blijven en de kwaliteit ervan sterk achteruit gaat, zal men keer op keer pogen de milieuproblemen met getijden op te lossen. Het Uitvoeringsprogramma Zuidwestelijke Delta 2010-2015+ heeft namelijk in dit deel van voormalig zoet laag Nederland nog altijd een sterke invloed op onder meer de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050, het Zeeuws Deltaplan Zoet Water en tal van projecten en experimenten.pdf met zout en getijden. Zolang een sturende regie vanuit de overheid ontbreekt, verandert er weinig aan deze situatie.

Locaties van bestaande, geplande en wenselijke doorlaten

Plannen voor een open Haringvliet en een doorlaat in de Brouwersdam naar de Grevelingen halen zee en zout binnen, verlengen de kwetsbare kustlijn, bevorderen de verzilting, verkleinen de noodbergingscapaciteit en stuwen het rivierwater in het binnenland op tot gevaarlijke hoogten. Waarom zou het benedenrivierengebied moeten verzilten en het zeewater ver landinwaarts tegen de Grevelingendam en de Oesterdam moeten klotsen? Hoe absurd is het dat langs de Westerschelde natuurlijke hoge gronden, veel ouder dan de zeegaten, worden afgegraven waarna ze vervolgens dagelijks met zwaar verontreinigd zout water overstromen? Zoute getijdenwateren stijgen mee met de zeespiegel en verhogen zowel het overstromingsgevaar als de zoute kweldruk. Dus niets ‘Veilig Veerkrachtig Vitaal’. In plaats van robuustheid veroorzaken open verbindingen met de zee een toenemende kwetsbaarheid. Vol ongeloof zal men zich later afvragen wat die Nederlanders toch bezielden om dergelijke loze plannen te realiseren. Laten we bij alles vooruit denken, voorwaarts naar klimaatbestendigheid.

Cultuur en natuur
Alle Nederlandse landschappen zijn cultuurgebieden. Cultuur en natuur zijn er onafscheidelijk en water is daarbij het verbindend element. Bodemdaling tot beneden zeeniveau, als gevolg van ontwatering en winning van veen, noodzaakt tot een technisch gereguleerd watersysteem van polderlandschappen. Door verwaarlozing van dijkonderhoud en militaire inundaties konden stormen en watersnoodrampen veel van het lage land veranderen in wadden en zeegaten. Moeten we de extreem zoute situatie van Zeeland nu als een voldongen feit gaan beschouwen? Gaan we vanuit de ontstane achterstandspositie het schaarse zoete water met kunst en vliegwerk benutten of kiezen we in de beperkte tijd die nog rest voor klimaatbestendige oplossingen? Aan ons is de keuze zout of zoet.

Zware verzilting, toenemende onveiligheid en een natuurillusie.
Illustratie: Uitvoeringsprogramma ZWD ‘Veilig Veerkrachtig Vitaal’

Kijk niet weg van de ernst van de situatie
Nu de mens klimaatverandering en zeespiegelstijging veroorzaakt, gaat hij ook daar de gevolgen van ondervinden. Het beeld van verdrinkend Nederland wordt dan wel benadrukt omdat de klimaatdoelen de hoogste prioriteit dienen te krijgen, maar gelijkertijd moeten we het watersysteem tijdig aanpassen aan een versnelde zeespiegelstijging die er zonder twijfel aankomt. Gezien de ernst van de situatie mogen we niet een andere kant uitkijken.Door nader onderzoek kan men, aansluitend bij het verleden, de veranderingen op langere termijn in ogenschouw nemen en voortgaande keuzes maken. We hebben meer invloed dan ooit. Alleen ontbreekt het soms aan inzicht. “Voor willen komt weten” (Jan Terlouw).

Natuur lift mee met klimaatmaatregelen
Nieuwe estuariene natuur ontstaat door aanwas in de Voordelta, een proces dat we met golfbreektechnieken en het manipuleren van stromingen kunnen stimuleren.pdf. Het benutten van natuurlijke processen is duurzamer dan suppleren. Aanleg van migratierivieren op de aanslibbende platen in zee maken vispassage mogelijk zonder dat Nederland verzilt. De natuur past zich al duizenden jaren aan bij de gevolgen van het menselijk handelen en doet dat ook bij klimaatverandering en zeespiegelstijging. Meebewegen met de maatregelen voor klimaatbestendigheid betekent voor de natuurbeweging het deels herzien van vele in het verleden bevochten verworvenheden, zoals de natuurwetgeving, statussen en instandhoudingsdoelen, om ruimte te geven aan een natuur- en milieubeleid dat open staat voor transformatie en herbestemming.

Door nijpende zoetwatertekorten groeit de behoefte aan een zuidwestelijke zoetwatervoorraad. We zien steeds meer het belang van het vasthouden van zoet water. Zoetwatermilieus zijn een kostbaar goed en mondiaal zeer zeldzaam. Ze zijn van levensbelang voor de mens en dragen in hoge mate bij aan de biodiversiteit. Zo kunnen zoete meren een kraamkamer vormen voor al die trekvissen die hun eerste levensfase in zoet water doorbrengen.

Een stap voorwaarts
We kennen de oorzaken en bedreigingen. Laten we tijdig voorkomen dat de zoetwatervoorziening en de natuurbelangen in een achterhoedegevecht geraken. Dit door de wateren te verzoeten voordat de milieukwaliteit van de tot nu toe zout gehouden wateren nog verder achteruit gaat. Verzoeting van de Grevelingen is een relatief eenvoudige eerste maatregel. Door de Deltadienst is begin zeventiger jaren onderzocht hoe het Grevelingenmeer op de meest milieuvriendelijk wijze kan verzoeten.pdf met behulp van een dichtheidsscherm voor de Brouwerssluis.
Eenmaal in enkele maanden tijd verzoet, of desgewenst wat langer, heeft Zeeland een forse stap gezet naar een klimaatbestendige regio.

Wil Borm
Adviesgroep Borm & Huijgens

Dick Butijn
De Haakse Zeedijk

Deelnemers aan het Kennisprogramma Zeespiegelstijging van het Deltaprogramma


ONTPOLDEREN MET OF ZONDER GEVAARLIJKE CHEMICALIEN?


| 15-02-2022 |

 


De projectontwikkeling Hedwigepolder en PFAS problematiek.

Oftewel, hoe is het gesteld met de zorgplicht van onze betrokken overheden?


 

Het is ook vreemd, dat als men niet weet wat ons boven het hoofd hangt en gewaarschuwd is voor de gevaren, men toch door wil gaan met graafwerkzaamheden aan de zeedijk van de Hedwigepolder in het gesloten seizoen voor dijkwerkzaamheden. De Hedwigepolder loopt niet weg. Er is echt geen vluchtgevaar. Laat eerst alle overheden op het PFAS-terrein hun werk doen en dan kijken of er groen licht gegeven kan worden. Overheden zijn heel traag als ze met een echt probleem zitten, maar dat is dan een feit. Het kan toch niet zo zijn, dat zonder dat de gemeente Hulst geïnformeerd was, men stilletjes maar met dat afgraven begonnen is, terwijl het eerst voor dit najaar op de agenda stond. Opvallend is, dat het waterschap een uitzondering heeft gemaakt om toch een vergunning te geven, terwijl de nieuwe inlands gelegen zeedijk nog niet is goedgekeurd. Bovendien wil men alle schorren aan de voet van de zeedijk afgraven, terwijl juist voor het wegzakken van ondiepe estuariene natuur door de verdieping van de zeevaartgeul natuurcompensatie werd geëist. Heel opmerkelijk en nergens voor nodig.

Er is op dit moment volstrekt onvoldoende kennis op welke wijze en in welke mate de PFAS-verontreiniging in de Hedwigepolder plaats zal vinden. Gezien de aard van de verontreiniging met zijn gevaren voor de voedselketen is zorgvuldigheid geboden. Toch wilde gedeputeerde Pijpelink en de projectontwikkelaar snel doorgaan met wat men propageert als zijnde ‘natuurherstel’, ondertussen de daarmee gepaard gaande PFAS-verontreiniging monitoren en dan wel zien wat de gevolgen zijn. Dat is onverantwoord. De zorgplicht van de overheid is in het geding. Gelukkig onderkenden de leden van provinciale staten dat wel: een pas op de plaats. Het biedt zo ook de mogelijkheid tot een nadere bezinning.

Een moment van herbezinning is altijd goed. Zeker als zich geregeld zaken voordoen, die afwijken van wat de Raad van State voorgehouden is. Het doel van dit project heiligt niet alle natuurvernietiging, die daar al plaats vindt. Opvallend is dat de gedeputeerde en diverse statenleden steeds de propagandaleus ‘natuurherstel’ gebruiken. Waar het om ging was natuurcompensatie van ondiepe estuariene natuur, die diepere estuariene natuur was geworden als gevolg van het extreem verstoren van de evenwichtsdiepte c.q. evenwichtsprofielen van de Westerschelde door de 2e verdiepingsronde. Er is namelijk geen estuariene natuur als geheel verloren gegaan. De term natuurcompensatie kwam, vond men, in de propaganda niet krachtig genoeg over en men ging het natuurherstel noemen. Die compensatie kun je alleen maar vinden in de Westerschelde zelf. Daar heeft het waterschap uitstekende overvloedige mogelijkheden voor aangedragen. Zelf heb ik zandsuppleties op platen in de verschillende morfologische eenheden voorgesteld (tegenwoordig zandmotors genoemd). Maar dat was niet in het eigen belang van de natuurinstituties. Reden waarom de haven een duivels akkoord kon sluiten met de instituties door ze weg te laten kijken van wat er met de Westerschelde verder gebeurt in ruil voor eigen zingeving om van hooggelegen poldergronden zee te kunnen maken.

Welk natuurherstel vindt hier dan plaats? Het onnatuurlijk ontworpen inrichtingsplan van de Hedwigepolder is dat niet. De situatie, die ze willen maken heeft nooit bestaan. Bovendien was het gemiddeld zoutgehalte vóór de eerste verdiepingsronde van de zeearm Westerschelde daar nog zeer laag, zoet, nu 4000 mg Cl’/l. Effect bewuste verzilting. Ook het fabeltje dat er zo veel ingepolderd is volstrekt onjuist. Er is juist door de militaire inundaties heel veel polderland in de Westerschelde verloren gegaan. Daarna begon het terug opslibben van het geïnundeerde Land van Saeftinghe door de natuur als herstel van de uit zijn evenwicht geraakte situatie. Vervolgens werd eerst een gedeelte, de Prosperpolder, weer terug bedijkt. Daarna in het begin van de 20e eeuw de Hedwigepolder (in volle glorie ca. NAP + 2m) en de Emmapolder. Dan is het toch van de zotte dat je tegen de natuur in daar een heel sluftergebied gaat ingraven met een diepte van de geul bij de Scheldedijk van NAP – 2m. Alleen maar om meer getijvolume binnen te laten stromen. Dan heb je er als ecologisch ontwerper dus niets van begrepen. Dat slibt weer op en het inrichtingsplan verdwijnt er onder, behalve bij de gaten in de Scheldedijk. Het houdt zichzelf niet in stand.

Wel zal het ontpolderde en afgegraven land zorgen voor het afvangen en bergen van slib voor de haven van Antwerpen. Uiteraard is de haven hier content mee. Het is geen natuurherstel functie.

En wat is het natuurherstel dan voor de Westerschelde? Die gaat gewoon verder achteruit. Door de extreme verstoring van het bodemprofiel door de zeevaartgeul vindt er tegennatuurlijk sedimenttransport over de bodem plaats richting Antwerpen. We verliezen continu grond uit de Westerschelde aan de Zeeschelde als reactie op die verstoring. In dat sedimenttransport (slib en zand) zit ook PFAS. Wat komt daarvan rechtstreeks dan in de afgegraven Hedwigepolder? Voorts hebben we de waterafvoer naar zee ter grootte van de afvoer van de Schelde riviertjes. Dat is dan bezoedeld door o.a. de verontreinigingen van 3M al dan niet gebonden aan het slib in suspensie. Nu stelt die afvoer niets voor t.o.v. het getijvolume bij de Hedwigepolder van ca. 130 miljoen m3, terwijl de gemiddelde Scheldeafvoer ruim 4 miljoen m3 per getijperiode bedraagt. M.a.w. met eb gaat er 65 +2 miljoen m3 stroomafwaarts en met vloed 65-2 miljoen m3 stroomopwaarts. Dat betekent dat een waterpakketje van bovenstrooms eerst een stap stroomafwaarts neemt om vervolgens met vloed ruim 30 stappen terug te doen en met eb ruim 30 stappen +1 stroomafwaarts te doen. Dat pakketje stroomt dus langs die Hedwigepolder zo’n 30 getijden heen en weer alvorens de Hedwigepolder voorbij te kunnen komen. Door het project wordt extra getijvolume gecreëerd. Dat water zal straks ook de Hedwigepolder binnen komen en er tijdelijk verblijven. Door de stroomluwte kan het slib in suspensie met PFAS neerslaan. En juist dat water hoger in de waterkolom draagt verreweg het meest bij aan de komberging/lediging. Het zou onverantwoord zijn de Scheldedijken van de Hedwigepolder door te steken zonder gedegen onderzoek van tevoren. Het feit dat de provinciale overheid toch nog met die gedachte speelt om dat gewoon te laten gebeuren, als dit project onder het misleidende motto van ‘natuurherstel’ maar kost wat kost snel door kan gaan, kan er bij mij niet bij. Dat past toch niet bij een zorgvuldig opererende overheid. Men denkt kennelijk nog dat er land te veel is en zee te weinig. Het is geen ruimte voor de rivier, zoals door biologen wel beweerd wordt!

Het zou goed zijn ook pas op de plaats te maken met verdere vergravingen in de diepte van dit polderland. Het draagt niet bij aan een natuurlijk gebruik.

 

Ir. W.B.P.M. Lases

15 februari 2022

 


WAT IS ER FOUT GEGAAN?


| 08-02-2022 |

 

Soms vraag ik mij af; hoe kan het dat overheden van hun handhaving en het beschermen van hun taken en bezittingen zo’n potje maken?

Recent ben ik uitgenodigd door een boer in Klaaswaal, in de Hoeksche Waard gelegen in het Waterschap Hollandse Delta. Hij heeft een conflict met het waterschap en het waterschap had hem, naar zijn mening volstrekt onterecht, een dwangsom opgelegd. Bij dit soort zaken ga ik ter plaatse kijken en probeer ik te doorgronden wat er ‘fout’ is gegaan. Een gesprek aan de keukentafel, wat stukken bekijken, bestudering van kaarten, een wandeling door het gebied en het bekijken van ergernissen geven een indruk van wat er ’fout’ is gegaan.

In 1976 was alles rond de gronden van de boer en Klaaswaal goed geregeld. De ruilverkaveling was na vele jaren praten tot besluitvorming gekomen. Landbouwkundig en qua waterbeheer was het gebied optimaal ingericht. De eigendommen van wegbeheerders, gemeenten, waterschappen, burgers en bedrijven waren goed en volledig kadastraal vastgelegd en het gebruik in bestemmingsplannen tot op de laatste centimeters geregeld. Kortom er was een schone lei!

Daarna begon de verwaarlozing van die prachtige schone lei. Deels omdat overheden keer op keer met zichzelf bezig waren, de gemeentelijke en waterschapopschaling was in volle gang. Waren er in 1950 nog 1015 gemeenten nu nog 342. Waren er in 1950 nog 2647 waterschappen nu nog slechts 21.

Mijn eigen waterschap Brabantse Delta telde meer dan 230 rechtsvoorgangers (zie haar stamboom). Het gevolg van al dat opschalen was dat ambtenaren van waterschappen en gemeenten steeds meer op kantoren ver weg van waar het gebeurde kwamen te zitten. Ook hun bestuurders kwamen van steeds verder en kenden hun werkgebieden steeds minder. Ook de samenstelling van de besturen veranderden. Van Boerenrepublieken werden de waterschappen ambtelijke organen die regeert werden door veelal stedelijke burgers. De boerendijkgraven werden vervangen door beroepspolitici die hun sporen vergaard hadden in de landelijke, provinciale of gemeentelijke politiek of soms waren die sporen zoals bij de Hollandse Delta journalistiek!

Maar nog erger waren de veranderingen in het buitengebied waarmee waterschappen rekening gingen houden of misschien beter gezegd die ze gingen faciliteren of domweg lieten gebeuren. In de Zeeuwse en Hollandse waterschappen was het beheer van de agrarische polderwegen, dus buiten de bebouwde kom, traditioneel een taak van het waterschap. Maar het gebruik van die wegen en de aanliggende bebouwing veranderde sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw aanzienlijk. De landarbeidershuisjes werden verkocht aan stedelingen die er stevig aan gingen verbouwen, die ze uitbreidde tot bedrijfjes aan huis en verder. Het werden ‘kasteeltjes’ waarvan de ‘kasteelheren’ parkeerplaatsen gingen eisen op/aan de boerenwegen. Die ‘kasteelheren’ vonden gehoor bij hun stedelijke broeders en zusters die gewend waren het stalen ros voor de deur te parkeren en de boeren die heer en meester waren geweest op hun polderwegen moesten maar zien hoe hun landerijen en hoven bereikbaar bleven voor de machines waar zij hun brood mee verdienden. Langzaam ontstond de wrevel over en weer.

Maar het ging ook op anderen terreinen mis. Boeren snapten waarom sloten en vaarten op diepte en breedte moesten worden gehouden. Voor hun waren dat bijna heilige principes en belangen. Ze hechtten ook meer aan hun grond dan de nieuwkomers. Gronden en percelen die soms al generaties familiebezit waren. De nieuwkomers in het buitengebied keken veelal anders naar hun vastgoedbezit. Dat was een verhandelbaar bezit wat door verbouwen en (mooie) tuin- en hof inrichting meer waard kon worden. Het was hun bezit en waren net als in de steden waarvan ze kwamen gewend die geheel te bebouwen of in te richten. Zoiets als een waterschapkeur was hun niet bekend en al was het wel bekend, in de stad hielden ze zich ook niet aan de regels. Die waren voor de dommen!

Boeren zagen hun wereld veranderen en moesten ervaren dat het onderhoud aan watergangen steeds meer alleen vanaf hun perceel plaatsvond. De burgerbuurman zag zijn perceel groeien want door het wegkrauwen van de grond bij de boer verschoof de watergang. Bekijk eens de bijgevoegde foto van een watergang, een woonperceel groeit duidelijk de watergang in. Een andere foto laat zien wat een er met een andere perceel met daarop een ‘burgerwoning’ is gebeurd. Systematisch is er door een burger ruimte gestolen van de watergang en nu zou de boer de grond moeten leveren voor het in standhouden van de breedte en diepte van de watergang.

En het waterschap liet het gebeuren, net als zoveel andere waterschappen. Het waterschap Brabantse Delta ging het uitzoeken omdat het “sloten, oevers en dijken op orde” houden steeds moeilijker werd. Toen ze het gingen inventariseren bleken er circa 45.000 overtredingen van de keur! Kijk eens naar het filmpje van het waterschap Brabantse Delta. Lees het artikel “Oplossen Keurovertredingen” eens. Het kan en moet anders. Ga praten en pak de overtredingen aan.

Het komt mij raar voor om een boer die zijn land wil behouden dwangsommen op te leggen en een burger die de problemen heeft veroorzaakt te faciliteren. Nu is het de principiële boer versus de pragmatische aanpak van het waterschap. In 1976 was alles op orde! Er was een schone lei. Om daarnaar terug te keren zal je met praten tot oplossingen moeten komen. Tegelijkertijd zal de houding van het waterschap moeten veranderen richting de overtreders. Diefstal mag niet lonen. Ook zal het waterschap goed na moeten denken wat prevaleert bij het wegbeheer. Als de bewoning aan een weg zodanig veranderd dat een polderweg of dijk het karakter krijgt van een bebouwde kom is te overwegen het wegbeheer over te dragen aan de gemeente. Een waterschap dat parkeervakken aanlegt is mijns inziens ver weg van zijn eigenlijke taak.

De manier waarop het waterschap Hollandse Delta het ‘probleem’ aanpakt is niet oplossingsgericht maar zal steeds meer problemen veroorzaken. Neem een voorbeeld aan anderen en ga praten waarbij de boer niet het slachtoffer mag worden van de zonden begaan door een ander. Herstel het vertrouwen als wegbereider voor een oplossing en ga handhaven waar dat nodig is.

 

Louis van der Kallen.


VERZOETEN GREVELINGENMEER MET BEHULP VAN GETIJDE


| 08-02-2022 |

 

Het Zeeuws Deltaplan Zoet Water (ZDZW) stelt voor om de mogelijkheid te bestuderen om overtollig regenwater vast te houden en op te slaan. Met name Schouwen-Duiveland heeft door zijn ligging rondom in het zoute water een sterk verzilte bodem. Er zit zoveel zout in de grond dat het opvangen van zoet regenwater beperkt blijft tot het regenwater dat valt op daken en pleinen. Veel boeren op Schouwen-Duiveland passen deze methode al toe, maar dit water kan onmogelijk in droge tijden aan de vraag voldoen.

Als alternatief benoemt het ZDZW externe wateraanvoer via pijpleiding. Witteveen+Bos heeft hier onderzoek naar gedaan en ook Stichting De Puupe heeft deze mogelijkheid bestudeerd. Echter de haalbaarheid van deze methode is niet aangetoond.

Een niet benoemde methode van externe wateraanvoer is zoet water in te laten vanuit een te verzoeten Grevelingenmeer. Met de klimaatverandering zullen neerslag en rivieraanvoeren gedurende het jaar sterker fluctueren, maar de jaarlijkse hoeveelheden veranderen nauwelijks. Vanuit de rivieren is op jaarbasis meer dan voldoende zoet water beschikbaar voor verzoeting en verversing van het Grevelingenmeer en zoetwatervoorziening van Schouwen-Duiveland.

Waarom reikt het zeewater tot de Grevelingendam en grenst het niet aan de Brouwersdam? Zo’n vijftig jaar geleden is er gedegen studie verricht naar de meest effectieve, milieuvriendelijke en duurzame wijze van verzoeting van het Grevelingenmeer. Er werd vervolgens gestart met de voorbereidingen. De locatie en grootte van de Brouwerssluis en de hoogteligging van de sluisvloer op -11 m NAP zijn daarop gebaseerd. De spuisluizen in het Volkerak zijn aangelegd om Krammer-Volkerak, Grevelingen en Oosterschelde te verzoeten.


Locaties van bestaande en geplande sluizen Voor verzoeting van de Grevelingen zijn nog een inlaatsluis in de Grevelingendam en een zogeheten ‘dichtheidsscherm’ voor de Brouwerssluis nodig. Dit laatste is een scherm dat aansluit op de bestaande 120 m lange stroomgeleidingswanden. Op een diepte van 25 à 30 m is dit voorzien van een doorlaatopening van 3 m hoogte vanaf aan de bodem (zie afbeeldingen). Het geplande doorlaatmiddel in de Brouwersdam wordt hierbij overbodig.

Bovenaanzicht Brouwerssluis met geleidingswanden aan de Grevelingenzijde. Tijdens laagwater op zee wordt vanuit het meer het zwaardere zoute water, dat op de bodem ligt, zonder energieverbruik naar zee geheveld. Het meer kan zo eenvoudig en op natuurlijke wijze in een beperkt aantal maanden van boven naar beneden worden verzoet.

Het verschil in dichtheid (soortelijk gewicht) tussen zout water en rivierwater zorgt daarbij voor een sterke gelaagdheid (stabiele stratificatie), waardoor beide nauwelijks mengen.In de diepste delen van het meer blijft altijd nog een kleine restdiepte aan zout achter.

Op de daling van de zoutgrens in het meer volgt een trage en gestage daling van de zoutgrens van het grondwater van de eilanden.

Na verzoeting blijft het scherm niet alleen beschikbaar voor het zoetwater- en peilbeheer, maar ook voor het reguleren van het zuurstofgehalte. De bufferfunctie van het zoete meer kan perioden met lage rivieraanvoer overbruggen.

Bestaande geleidingswandDichtheidsscherm, reikt tot 3 m boven de bodemBestaande geleidingswand. Deze wijze van verzoeten doet de aanwezige zoutwaterorganismen de minste schade. Zij kunnen allereerst dalen met de nu nog bovenste en zuurstofrijke zoute laag en krijgen dagelijks de gelegenheid om naar zee te zwemmen of geheveld te worden.

Verzoeting is een grootschalige maatregel tegen verzilting en ter verbetering van zoetwatervoorziening, rivierwaterberging, zeewaterveiligheid, natuur en visserij. Kortom, een maatregel met aanzienlijke winst op tal van vlakken. Een zoet meer is relatief snel te realiseren, effectief te beheren, veel goedkoper en zinvoller dan het geplande doorlaatmiddel in de Brouwersdam en bovendien klimaatbestendig.

 

Wil Borm
Adviesgroep Borm & Huijgens.


ANDERS KIJKEN 20


| 08-02-2022 |

 

In oktober 2021 is door het KNMI kennis- en datacentrum het Klimaatsignaal 21 uitgegeven hetgeen gebaseerd is op het laatste IPCC-rapport en eigen onderzoek van het KNMI.

Deze rapporten zouden door iedere inwoner, zeker die wonen in laag gelegen gebieden, buitengewoon serieus genomen moeten worden. Als bestuurslid (namens Ons Water) van het waterschap Brabantse Delta zoom ik in dit artikel in op de zeespiegelstijging. Want uiteindelijk moet al ons water afgevoerd worden naar zee en dat kan een toenemend probleem worden als we beseffen dat wateren waarop afgewaterd wordt, bijvoorbeeld het Volkerak/Zoommeer gemiddeld bij de Benedensas Sluis een peil heeft van slechts enkele centimeters boven NAP. Dat laat zien dat de ontwikkeling van de zeespiegelstijging ook van belang is voor een waterschap als de Brabantse Delta.

De toekomstscenario’s voorzien een grotere zeespiegelstijging dan eerder gedacht. Als we de uitstoot van broeikasgassen niet aanzienlijk verminderen kan de zeespiegel voor de Nederlandse kust tegen 2100 1,2 meter stijgen ten opzichte van het jaar 2000. Indien het smelten van de Antarctische IJskap versnelt, wordt de zeespiegelstijging in 2100 zelfs mogelijk circa 2 meter. Dit alles is te lezen in het Klimaatsignaal 21. In 2014 gaf het model van het KNMI nog aan dat in 2100 de maximale stijging 1 meter zou zijn. De modelmatig berekende zeespiegelstijging is nu dus met 20 centimeter omhoog bijgesteld. Het Klimaatsignaal 21 van het KNMI is, in mijn denken, een stevige alarmbel.

Zowel voor ons waterbeheer (hoe ons water af te voeren) als voor het dijkbeheer moet deze nieuwe informatie tot herziening leiden van ons beleid. Maar ook voor het ruimtelijkeordeningsbeleid (RO) van provincie en de gemeenten. Als voorbeeld: er moet ruimte zijn en blijven voor toekomstige dijkverbeteringen. Die moet qua RO gereserveerd gaan worden. Want dijkverbeteringen worden heel duur als er weinig ruimte is. Als voorbeeld een dijk die 1 meter verhoogd moet worden wordt ook minimaal 6 meter breder. Dat geld voor zeedijken of dijken langs de grote rivieren maar ook voor dijken langs onze kleinere rivieren zoals het Mark/Dintel/Vliet systeem.

Er is dus werk aan de winkel. Voor het waterschap maar zeker ook voor de gemeenten!

 

Louis van der Kallen.

 


300 MILJOEN VOOR DE REGIONALE KERINGEN VOOR LIMBURG


Bergen op Zoom, 28 januari  2022

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

 

BETREFT: 300 MILJOEN VOOR DE REGIONALE KERINGEN VOOR LIMBURG, KENMERK W 22001.

 

Geacht Dagelijks bestuur,

 

Ik heb een aantal vragen waarop ik graag een (ambtelijke) toelichting krijg in de commissie waterveiligheid.

Er wordt door de nieuwe coalitie 300 miljoen euro vrijgemaakt voor de aanpak van de zijrivieren van de Maas. Dat staat in het coalitieakkoord van VVD, D66, CDA en de ChristenUnie.

De coalitiepartijen schrijven: “De watersnood in Limburg heeft ons deze zomer opnieuw stevig met de neus op de feiten gedrukt: klimaatverandering is hier en nu en treft ook ons eigen land”, aldus de vier partijen. “We blijven investeren in onze dijken, duinen en dammen. Ook komen er middelen beschikbaar om de beekdalen in onder meer Limburg beter te beschermen.” De partijen willen in 2023, 2024 en 2025 elk jaar 100 miljoen vrijmaken voor de waterveiligheid in de provincie Limburg.

Dit geld is niet bestemd voor dijken langs Rijkswateren (de grote rivieren) maar in feite voor regionale keringen langs beken. De regionale keringen vallen normaliter volledig onder de verantwoordelijkheid, ook de financiële, van de waterschappen.

Het waterschap Brabantse Delta steekt vele tientallen miljoenen in de regionale dijken zonder bijdrage van het Rijk. Dit lijkt op een ongelijke behandeling door het Rijk. Als je vele jaren niets of te weinig doet aan je regionale keringen en je wordt getroffen door wateroverlast worden klaarblijkelijk jouw investeringen in regionale keringen door het Rijk vergoed. Dit kan in mijn ogen niet waar zijn! Slecht presteren, je taken verwaarlozen of, om de tarieven laag te houden, werkzaamheden uitstellen wordt dan beloond. De politieke emoties zijn, gezien de gevolgen van onvoldoende zorg voor de regionale keringen in Limburg, misschien begrijpelijk maar kunnen, naar de inzichten van ondergetekende niet tot effect hebben een rechts- en financiële ongelijkheid in de behandeling van de Nederlandse waterschappen.

Regionale waterkeringen horen sinds jaar en dag tot de verantwoordelijkheden van de waterschappen.

– Hoe kan dat, naar het nu lijkt, niet blijkt te gelden voor het waterschap in Limburg?

– Wat gebeurd hier en hoe wordt dit op Unie niveau uitgelegd en verklaard?

– Als de conclusie van ondergetekende onjuist is, of gebaseerd op onjuiste aannames, graag een reactie en uitleg in de commissie waterveiligheid.

– Indien mijn conclusies c.q. informatie wel juist is wil ondergetekende van uw DB vernemen welke stappen uw DB, wel of niet op Unie niveau, gaat ondernemen om aan deze ongelijke behandeling een einde te maken? Bij voorkeur op een wijze dat het Rijk ook de investeringskosten gaat dragen in onze regionale keringen

In afwachting van uw reactie c.q. een toelichting in de commissie waterveiligheid,

namens de fractie Ons Water/Waterbreed,

hoogachtend,


L.H. van der Kallen.

 


 

ANDERS KIJKEN 18


| 01-12-2021 |

 

Duurzaamheid kent vele vormen. Als je als gemeente werkelijk ‘duurzaam’ wilt gaan werken, moet je bij alles wat je doet of wilt gaan doen denken: hoe kan dit duurzamer? Welk probleem je ook wilt aanpakken, je moet dan kijken naar hoe je met materialen ‘dichter bij huis’ je doelstellingen kan verwezenlijken.

Je kan als gemeente denken “dat zoeken de regelgevers in Den Haag en Brussel maar uit”. Je kan echter ook denken “wat kunnen wij zelf eraan doen?”. Amsterdam doet een proef waarbij de gemeente begint met het planten van een speciale kamperfoelie die de luchtkwaliteit langs de A10 bij de Zuidas kan verbeteren. De plant is extra harig en is speciaal voor het zuiveren van fijnstof gekweekt. Het gaat om een project dat een onderzoeksbudget heeft gekregen van het nieuwe Amsterdam Institute for Advanced Metropolitan Studies.

De Provincie Noord-Brabant is in september gestart met een pilot ‘vergroenen’ van geluidsschermen. De provincie wil testen of het planten van een speciale kamperfoeliesoort tegen geluidsschermen bijdraagt aan een afname van fijnstof langs de weg. Twee voorbeelden van de aanpak van fijnstof.

Daar ben ik blij mee want ook uit oogpunt van biodiversiteit, klimaatadaptatie en goed waterbeheer is met vergroening van geluidschermen milieuwinst te halen. Maar als men in Brabant en Bergen op Zoom met vergroening van betonnen geluidschermen aan de slag gaat, zou ik ook graag zien dat men met het beton zelf aan de slag gaat en niet wacht tot dat anderen dit doen. Lees ter inspiratie het artikel “vergroenen van harde oppervlakken kan”. Te lezen in de BSD-nieuwsbrief van 17 juli 2016.

Ook andere bomen, heesters, mossen en vetplanten hebben de eigenschap dat ze fijnstof uit de lucht vangen en vasthouden. Het fijnstof spoelt daarna bij een regenbui van de planten af en komt zo op de grond terecht. In de bodem wordt het fijnstof dan door micro-organismen afgebroken. Duurzaam is hier: op een andere manier meer integraal naar zaken kijken. Laat ook de afdelingen openbare ruimten/groenvoorzieningen meedenken in oplossingen voor problemen van de gemeente.

 

Louis van der Kallen.


ANDERS KIJKEN 17


| 16-11-2021 |

 

Als ik op vakantie ben kijk ik altijd of ik iets zie, waarbij ik denk: dat is een mooie toepassing! Zo ook op mijn vakantie op de Faeröer eilanden. Daar viel mijn oog op een apparaatje (zie foto) in de haven van Thorshavn dat olie en klein drijvend vuil verzamelde. Op internet vond ik daarvan een filmpje dat de werking perfect in beeld brengt. Ook als je van een leuk muziekje houdt of een blik wil werpen op een plek waar je nooit zal komen (Thorshavn) is het filmpje van een minuut het bekijken waard. Iedere (jacht-)haven van ons land verdient zo’n apparaatje. Het wordt tijd dat de wereld anders leert kijken.

 

Louis van der Kallen.

 

 


ANDERS KIJKEN 16


| 15-11-2021 |

 

In Over Water 145 (augustus 2018) schreef ik onder andere over het boek “drawdown” dat tal van oplossingsrichtingen geeft om het CO2-probleem aan te pakken. Een CO2-‘oplossing’ waarover steeds vaker wordt geschreven is het mineraal olivijn, een magnesium-ijzersilicaat. Olivijn reageert snel met het CO2 in de atmosfeer. De eindproducten van de reactie zijn, afhankelijk van de samenstelling van het olivijn, magnesiumcarbonaat, siliciumoxide (zand) en ijzeroxide. Door olivijn te vermalen en dan eenvoudig uit te strooien, bijvoorbeeld over ons zandpad in de tuin, kunnen wij zelf in de CO2 reductie een bijdrage leveren. Olivijn is in Nederland verkrijgbaar bij GreenSand.

In de Volkskrant van 2 oktober 2021 werd deze CO2-oplossing nader uitgewerkt in het artikel “Laat de oceaan het oplossen”. Daarin doet Gert-Jan Reichart (hoogleraar mariene geologie en betrokken bij NWO-NIOZ Royal Netherlands Institute for Sea Research) de suggestie de landmassa van IJsland te gaan vermalen en het maalsel in zee te storten, waarna het olivijn de CO2 in het zeewater bindt en het zeewater weer CO2 uit de lucht kan opnemen. Die vulkanische rotsen bevatten veel olivijn. Volgens hem is dit de enige manier om de CO2 concentratie in de lucht omlaag te krijgen en te gaan voldoen aan de eis van de maximaal 1,5 graad opwarming.

Als het niet lukt de uitstoot van CO2 te beperken, zullen we echt aan het verwijderen ervan moeten gaan denken.

 

Louis van der Kallen.