BEGROTINGSVERGELIJKING 2006 – 0024

 


 

Bergen op Zoom, 20 maart 2007

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

per e-mail info@brabantsedelta.nl

 

Geacht Bestuur,

Recent hebben de AB leden mogen ontvangen de samenvatting van het rapport begrotingsvergelijking 2006 ‘beleidsambities en lastendruk van waterschappen vergeleken’.

Op mijn verzoek heb ik het complete stuk mogen ontvangen.

Pagina 28

Uit tabel 14 blijkt dat ingelanden in ons waterschap worden betrokken bij de calamiteiten oefeningen.

VERZOEK

Vriendelijk verzoek aan te geven hoe en bij welke oefeningen dat in het verleden heeft plaatsgevonden.

Pagina 32

Uit tabel 15 blijkt dat de Brabantse Delta (BD) geen gegevens heeft verstrekt over het percentage regionale keringen dat in de legger is opgenomen. In de vergelijking over 2005 bleek dat het percentage regionale keringen, dat voldeed aan de met door de provincie vastgestelde veiligheidseisen, op 1 januari 2005 nul was.

Het nu niet verstrekken van gegevens lijkt op het verdoezelen van niet welgevallige cijfers.

VRAGEN

  1. Waarom zijn de huidige cijfers/gegevens niet verstrekt?
  2. Voldoen onze regionale keringen aan de vastgestelde veiligheidseisen?
  3. Zo nee, wanneer wel?.

Pagina 41

Net als vorig jaar heeft binnen ons werkgebied slechts zeer weinig gemeenten een stedelijk baggerplan. Met 19 % van de gemeenten met een stedelijk baggerplan, in het kader van het tienjarenscenario, scoren wij het laagst van alle waterschappen. De mediaan is 80 %. Een gemiste kans om uit die subsidiepot te eten en iets goeds te doen voor het milieu. Hier breekt onze lankmoedigheid richting gemeenten ons op.

VERZOEK

DB doe hier nu eindelijk iets aan!

Pagina 46

Uit tabel 20 blijkt dat wij slecht scoren op het beleidsaspect bouw en exploitatie van zuiveringstechnische werken.

VERZOEK

Graag een toelichting.

Pagina 60

Op het moment van datavergaring bleek er net als vorig jaar nog geen beleidsplan handhaving te zijn. Er blijkt alleen bij nieuw afgegeven vergunningen gecontroleerd te worden. Het is echt tijd voor een beleidsplan handhaving waarin ook aandacht komt voor controles van oudere vergunningen.

Pagina 64

Volgens tabel 24 heeft slechts 5 % van de gemeenten in ons werkgebied de basisinspanning

gerealiseerd. Daarmee is de BD de risee van alle waterschappen. De mediaan is 85 %. De slechtste andere collega haalt 50 %.

Ondergetekende roept reeds jaren: pak die gemeenten aan. Laat de zijden handschoenen eens thuis en neem handhavende maatregelen c.q. nagel de nalatige gemeenten nu eens aan de schandpaal c.q. roep de provincie op tot actie.

DIT IS EEN SCHANDE!!

Pagina 76

Uit tabel 30 blijkt dat onze klachtenafhandeling met 10 weken, samen met 2 andere waterschappen, de langste tijd vergt.

VERZOEK

Graag een toelichting en een plan van aanpak. Als het Friese waterschap het in 2 weken kan moeten wij het toch korter kunnen dan de huidige 10 weken.

Uw reacties tegemoet ziende,

met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen

 


EVIDES PROJECTEN – 0023

 


 

Bergen op Zoom, 24 februari 2007

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

per e-mail info@brabantsedelta.nl

 

Betreft: Evides projecten

 

Geacht Bestuur,

De discussie over zoet/zout van het Volkerak/Zoommeer systeem gaat een nieuwe fase in. Zout wordt nu nader onderzocht. Belangrijk daarbij is de zoetwatervoorziening in West-Brabant en Zeeland voor de landbouw en industrie.

Bij ondergetekende bestaat de indruk dat de ogen van Evides zich nu extra richten op de mogelijkheden om extra water te onttrekken aan de Brabantse Wal en aan de polders aan de voeten van de Wal.

Op zich is dat logisch, maar uit het oogpunt van ecologie en de verdrogingsproblematiek is dit zeer verontrustend.

Ondergetekende is vooral verontrust over de initiatieven van Evides voor waterwinning in de polders. Peilhandhaving dient het uitgangspunt te zijn. Onttrekkingen kunnen ook de kweldruk doen toenemen, waardoor verdroging van de Brabantse Wal kan toenemen.

Ondergetekende verzoekt Uw bestuur de belangen van de natuur en landbouw hier nadrukkelijk te behartigen en geen experimenten toe te staan, waarvoor de onderbouwing inzake de hydrologische effecten vraagtekens kan oproepen.

Ondergetekende verzoekt Uw bestuur nadrukkelijk het AB vroegtijdig te informeren inzake de eventuele waterwinningsprojecten in en uit de polders aan de voet van de Brabantse Wal.

Met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen

 


STAATSSECRETARIS VERKEER EN WATERSTAAT INZ. VOLKERAK-ZOOMMEER – A015

 


 

Bergen op Zoom, 6 februari 2007

 

Aan het Staatssecretaris van

Verkeer en Waterstaat

per e-mail: venw@postbus51.nl

 

Geachte Staatssecretaris,

Uit een krantenbericht in BN/De Stem van 26 januari 2007 begrijp ik dat het bestuurlijk overleg voor het Krammer-Volkerak-Zoommeer aan U gaat vragen of het verzouten nader onderzocht mag worden.

Ik wil U wijzen op de gevolgen van verzouten voor de zoetwatervoorziening.

Water Beheer 21ste eeuw (Commissie Tielrooij) gaat niet alleen over een te veel aan water, maar behandelt nadrukkelijk ook de beschikbaarheid in relatie met de behoefte aan zoet water.

Door de ontwikkelingen in klimaat, bodemdaling en zeespiegelstijging, alsmede veranderingen in het beheer en gebruik van de bodem, veranderen de beschikbaarheid en de behoefte aan zoet water. WB21 zegt daar op een aantal plaatsen iets over. Het meest markant en helder op pagina 72 van het basisrapport: “Specifiek voor Laag Nederland speelt het probleem van de verzilting. Door de zeespiegelstijging en de bodemdaling neemt de verzilting toe in de lage polders langs de kust in Zuidwest Nederland, achter de Hollandse duinenrij.

Dit zal consequenties hebben voor het grondgebruik, met name voor landbouw en natuur.

Door toenemende verzilting en drogere zomers zal de vraag naar zoet water voor doorspoeling en beregening in West Nederland toenemen.

De aanvoer van zoet water zal echter juist afnemen. In Zuidwest Nederland zal de beschikbaarheid van zoet water in toenemende mate een knelpunt worden voor de daar aanwezige glastuinbouw, vollegronds-tuinbouw, bollenteelt en ook de akkerbouw.

De commissie wil daarom aandringen op het aanleggen van zoetwatervoorraden binnen de regio’s. Ook de verdeling van rivierwater over diverse watervragers verdient een kritische afweging”, einde citaat WB21.

Er dreigt dus een zoetwater tekort voor grote delen van het beneden rivierengebied in de toekomst. De huidige watertoevoer van het Lek-Waal-Maas-systeem gaat, ingeval van normale en geringe toevoer, vrijwel uitsluitend via de Nieuwe Waterweg naar de Noordzee. Onvoldoende wordt er beseft, dat de rivierafvoeren in de zomer af zullen nemen ten opzichte van wat we gewend zijn. De zomers in West Europa worden de laatste jaren droger en de verwachting van klimatologen is dat dit proces van klimaatverandering doorgaat.

Niet alleen de Maasafvoer vermindert in de zomer, ook het karakter van de Rijn verandert. Door het proces van terugtrekkende gletschers (reeds ca. 100 jaren aan de gang, maar de afgelopen decennia versnellend) wordt de Rijn steeds meer regen- en steeds minder smeltrivier en daardoor minder afvoer in de zomer.

Het proces van minder afvoer wordt in toenemende mate versterkt door een ander gebruik van het rivierwater. Niet alleen in Nederland zal steeds meer grondwatergebruik voor drinkwater en industrie omgezet worden in water gewonnen uit de rivier en andere oppervlaktewateren.

Ook bovenstrooms gaat dit proces door. Ook de landbouw zal door de drogere zomers meer water uit de rivieren betrekken. Kortom, het is zeer de vraag hoeveel water minimaal onze grenzen zal bereiken. Met name de waterverdeling van de Rijn, IJssel, Lek en Waal kan vanwege de eisen van de scheepvaart de hoeveelheid water voor het doorspoelen van onze wateren wel eens (ver) onder het vereiste minimum drukken.

Tot zover de schets van het waterbeslag, die duidelijk maakt dat het zomers knijpen wordt om, zonder hydrologische ingrepen, de huidige watervoorziening voor scheepvaart, industrie, landbouw en drinkwater zeker te stellen. Voldoende zoet water op ieder moment is geen vanzelfsprekende zaak.

Met dit toekomstbeeld gaat desondanks het Haringvliet op een kier met als gevolg meer zoet water wat anders dan via de Nieuwe Waterweg naar zee gaat. Als dan ook de sluizen opengaan richting Krammer/Volkerak/Zoommeer met nog meer zoetwaterverlies, denk ik dat het in de toekomst des zomers wel eens goed spaak zou kunnen lopen met grote zoetwater-tekorten en problemen voor de scheepvaart.

Wie, wat wordt dan het slachtoffer? Welke maatregelen zullen dan weggegooid geld blijken?

Beter zou het zijn om het rapport WB21 serieus te nemen.

De tot op heden onderzochte varianten geven aan, althans volgens de onderzoekers, dat binnen het ‘zoete water’ er geen afdoende oplossingen te vinden zouden zijn.

Blauwalgen, waar overleven zij? In de diepte! In een eerdere systeembeschrijving komt men tot de conclusie dat de bodem van het meer ernstig verontreinigd is en gesaneerd moet worden Combineer dit gegeven met de doelstelling het meer zodanig in te richten dat de winteroverlevingskans van de blauwalgen daalt. Vul de diepten (meer dan 6 meter) buiten de vaargeul op, zodat in de winter de algen niet kunnen overleven in diepten die niet doorspoelen en in de winter te weinig afkoelen. Egaliseer diepten in de vaargeul, zodat overal de doorstroming geoptimaliseerd wordt. Verdiep ontdiepten tot circa 6 meter, zodat opwarming minder snel plaatsvindt en daardoor de bloei in de zomer wordt geremd.

Waarom wordt de problematiek zo beperkt bekeken, terwijl met het vorenstaande (de diepten) zo veel andere mogelijkheden binnen het bereik liggen. Waarom wordt uitgegaan van de huidige diepte- en breedteprofielen? Waarom combineert men de behoefte aan nieuwe terreinen voor bijvoorbeeld de industrie niet met de aanpak van de diepteprofielen door bijvoorbeeld 1.000 ha. op te spuiten voor industrievestiging nabij industrieterrein Dintelmond.

Dan hoeft het industrieterrein Moerdijk niet uitgebreid en kunnen de werkzaamheden betaald worden door de uitgifte van nieuwe gronden. Waar is de Hollandse mentaliteit van landaanwinning als oplossing van veel van onze problemen?

Met verdere aanvullende maatregelen, zoals:

– Weg met de Hooglanders, meer ganzen zullen komen (die vinden de knolletjes lekker) met als nevengevolg minder ganzenvraat buiten het gebied

– Meer helofyten met als gevolg meer snoeken die de plantenetende vissen uitdunnen

– Meer doorspoeling met voedselarmer water (Hollandsch Diep)

– Vermindering overlevingskans door meer doorspoelbare diepten

is veel te bereiken.

Behoudt dit zoete meer, dat voor de landbouw van onschatbare waarde is!

Verzilting is voor de landbouw een bedreiging, maar ook voor veel bouwwerken. Zoute lucht, zoute kwel en zout water zijn zeer corroderend. Van Tielrooij’s WB 21 geeft het belang van zoet water in dit gebied nadrukkelijk aan. Zij hebben het waterbeleid voor de 21ste eeuw integraal bekeken.

Ik hoop dat U na wilt denken over de door mij geschetste oer Hollandse oplossingen. Landaanwinning en baggeren, profijtelijk en werkzaam!

Met de meeste hoogachting,

 

L.H. van der Kallen

c.c. GS Noord-Brabant info@brabant.nl

GS Zeeland provincie@zeeland.nl

media

statenfracties Noord Brabant

statenfracties Zeeland

 


UITWERKING UITGANGSPUNTEN WATERTOETS – 0021

 

 


 

Bergen op Zoom, 11 december 2006

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

per e-mail info@brabantsedelta.nl

 

Geacht Bestuur,

Het waterschap Aa en Maas heeft in samenwerking met het waterschap De Dommel de “Uitwerking uitgangspunten watertoets Aa en Maas” gepubliceerd.

– Wanneer is het waterschap Brabantse Delta zover?

– Waarom heeft ons waterschap niet geparticipeerd in deze co-productie?

Met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen

 


WATERTOETS – 0022

 


 

Bergen op Zoom, 11 december 2006

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

per e-mail info@brabantsedelta.nl

 

Betreft: watertoets als schaamlap

 

Geacht Bestuur,

Volgens de handreiking “Watertoets” van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is een watertoets geboden voor alle plannen, waarbij een ruimtelijke procedure wordt gevolgd. Voorbeelden zijn: bestemmingsplannen, structuurplannen, streekplan, zelfstandige projectprocedures (ex art. 19 lid 1 WRO), enz.

Volgens de voornoemde handreiking dienen de eventuele maatregelen opgenomen te worden in de toelichting bij de voornoemde ruimtelijke plannen. Een prachtig verplicht procesinstrument dat leidt tot veel werk bij waterschappen, maar dat feitelijk niet leidt tot de gewenste resultaten. Het is niet meer dan een doekje voor het bloeden of in mijn beleving ‘een schaamlap’, waarmee de wetgever ons (het waterschap) heeft opgezadeld.

De waterparagraaf staat bij de mij bekende nieuwe bestemmingsplannen altijd in de zogenaamde toelichting van de bestemmingsplannen. Dit is conform de voornoemde handreiking. Echter de toelichting is niet bindend. Dus niet juridisch afdwingbaar!

Alleen de voorschriften zijn bindend en juridisch afdwingbaar.

Vrijwel al het werk van het waterschap inzake waterparagrafen in bestemmingsplannen is feitelijk ‘water naar de zee dragen’ en is slechts van marginale invloed op de waterproblematiek en de wateropgaven waarvoor Nederland en ons territoir met name zich gesteld ziet.

Ondergetekende constateert dat bijvoorbeeld in het bestemmingsplan Fort/Zeekant in de gemeente waar ik raadslid ben, de waterparagraaf niet wordt uitgevoerd. Projectontwikkelaars hebben er simpelweg het geld niet voor over. Van de mooie waterbergingsplannen per individuele woning of bouwplan komt dus niets terecht.

Ik verzoek U dringend deze problematiek onder de aandacht van de Unie en het Ministerie te brengen.

De watertoets is goed, mits deze leidt tot de opname van afdwingbare voorschriften in alle ruimtelijke plannen.

Met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen

c.c. fracties 2e kamer

fracties Provinciale Staten

college van B&W gemeente Bergen op Zoom

 


MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT INZ. WATERTOETS – A013

 


 

Bergen op Zoom, 11 december 2006

 

Aan de Minister van Verkeer en

Waterstaat

vragen@postbus51.nl

 

Excellentie,

Bijgaand treft U aan mijn brief aan het Dagelijks Bestuur van het waterschap Brabantse Delta.

De inhoud spreekt voor zich.

Ik vind het zeer betreurenswaardig dat overheden zich vele inspanningen getroosten met slechts marginale resultaten, omdat het wettelijk middel, de waterparagraaf in de toelichting in plaats van in de voorschriften van bijvoorbeeld een bestemmingsplan, niet leidt tot feitelijke implementatie van de in de waterparagraaf vermelde maatregelen.

Ik verzoek U dringend om eventueel in eendrachtige samenwerking met Uw ambtsgenoten te komen tot een zodanige aanpassing van wet en regelgeving dat de waterparagraaf in de voorschriften van bestemmingsplannen wordt opgenomen en daardoor een effectief middel wordt ter aanpak van de wateropgaven waarvoor ons land zich gesteld ziet.

Hoogachtend,

Louis van der Kallen

 


VROM INSPECTIE ZUID INZ. WATERTOETS – A014

 


 

Bergen op Zoom, 11 december 2006

 

Aan de VROM-inspectie Regio Zuid

Postbus 850

5600 AW Eindhoven

per fax: 040 – 2653030

 

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft U aan mijn brief aan het Dagelijks Bestuur van het waterschap Brabantse Delta.

De inhoud spreekt voor zich.

Ik vind het zeer betreurenswaardig dat overheden zich vele inspanningen getroosten met slechts marginale resultaten, omdat het wettelijk middel, de waterparagraaf in de toelichting in plaats van in de voorschriften van bijvoorbeeld een bestemmingsplan, niet leidt tot feitelijke implementatie van de in de waterparagraaf vermelde maatregelen.

Ik verzoek U dringend het vorenstaande, eventueel na evaluatie, te betrekken bij Uw adviezen aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Hoogachtend,

Louis van der Kallen

 


TWEEDE KAMER FRACTIES INZ. KIERBESLUIT – A012

 


 

Bergen op Zoom, 17 oktober 2006

 

Aan de leden van de Tweede Kamer

per e-mail

 

Geachte leden van het parlement,

In het recente verleden is op rijksniveau het Kierbesluit genomen, waarin is bepaald dat de verzilting van het Haringvliet niet verder mag komen dan de denkbeeldige lijn Haven Middelharnis – Spui.

Met dit Kierbesluit zijn grote bedragen gemoeid, gericht op allerlei aanpassingen.

Uit de Haringvlietkrant begrijp ik dat in de droge periode van november 2005 er een zogenaamde achterwaartse verzilting (via Nieuwe Waterweg, de Oude Maas, het Spui en de Dordtsche Kil) heeft plaatsgevonden van het Haringvliet en het Hollandsdiep.

Ruim twee maanden kon het drinkwaterbedrijf Evides geen water innemen.

Deze verzilting is relatief uitzonderlijk. Maar met een stijgende zeespiegel en mogelijk langere perioden van lage rivierafvoeren zou dit vaker op kunnen gaan treden.

Nu viel deze achterwaartse verzilting ver buiten het groeiseizoen. Wanneer dit echter gebeurt in de zomer, kan dit ernstige gevolgen hebben voor waterinlaatmogelijkheden van o.a. West Brabant.

Het nieuwe beheer van de Haringvlietsluizen doet ook in droge perioden een extra beroep op de beschikbaarheid van zoet water en beperkt eventuele doorspoelmogelijkheden van het Volkerak/Zoommeer ten behoeve van de bestrijding/voorkoming van blauwalgen.

Is het niet tijd om op basis van de huidige kennis en de per mei 2006 bijgestelde klimaatmodellen het zogenoemde Kierbesluit ter discussie te stellen, onder het motto beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald?

Met de meeste hoogachting,

L.H. van der Kallen

 


HANDHAVING BESTEMMINGSPLAN – 0020

 


 

Bergen op Zoom, 11 september 2006

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Per e-mail

Geacht Dagelijks Bestuur,

Sinds 2002 is de waterparagraaf een vast onderdeel van de nieuwe bestemmingsplannen. In het proces om te komen tot een nieuw bestemmingsplan wordt het Waterschap dan ook betrokken. Maar wat levert dit in feite op? Dus wat is de werkelijkheid ten opzichte van de papieren waarde van een bestemmingsplan?

Een voorbeeld uit Bergen op Zoom:

In het bestemmingsplan Het Fort Zeekant in paragraaf 3.6.2 staat in de toelichting op pagina 25 vermeld: “In het geval van nieuwbouw moet voor zowel de grondgebonden woningen, gestapelde woningen en voor de bedrijfspanden door de eigenaren een regenwateropvang worden gerealiseerd ten behoeve van toiletspoelingen, beregening van tuinen en voor autowassen. De buffercapaciteit van de voorziening dient ten minste 3.0 m3 per wooneenheid te bedragen.”.

De werkelijk is dat het voornoemde voorschrift niet in de praktijk wordt gebracht. Formeel omdat er bij pilotprojecten elders in het land foutieve aansluitingen zijn geweest, die hebben geleid tot ziektegevallen.

Mijn (off the record) informatie is dat aannemers en projectontwikkelaars dit soort voorschriften kostprijs opdrijvend vinden en er daarom niet aan mee willen werken. Het gebeurt nu alleen nog ‘op basis van vrijwilligheid en eigen initiatief’. Niet dus!

In nieuwe (Bergse) bestemmingsplannen komt deze paragraaf dan ook niet meer voor. Gelet op het feit dat de noodzaak van waterberging en hergebruik nog immer actueel is, vind ik het buitengewoon jammer dat een dergelijk voorschrift in nieuwe bestemmingsplannen (klaarblijkelijk met Uw toestemming) ontbreekt.

Wat ik ergerlijk vind, is dat zonder een formele aanpassing van een bestemmingsplan een onderdeel van de waterparagraaf door een gemeente ter zijde wordt geschoven, zonder dat dit leidt tot handhavingsacties c.q. verzoeken tot handhaving bij bijvoorbeeld de provincie.

Welke acties onderneemt Uw bestuur om de afspraken, gemaakt met gemeenten, die neergelegd zijn in bestemmingsplannen, ook feitelijk tot uitvoer te brengen?

Of is de waterparagraaf feitelijk vrijblijvend en eindigt de bemoeienis van het Waterschap bij de vaststelling van een bestemmingsplan?

Met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen

 


KIERBESLUIT – 0019

 


 

Bergen op Zoom, 26 augustus 2006

 

Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

per e-mail info@brabantsedelta.nl

 

Geacht Bestuur,

Uit de Haringvlietkrant begrijp ik dat in de droge periode van november 2005 er een zogenaamde achterwaartse verzilting (via Nieuwe Waterweg, de Oude Maas, het Spui en de Dordtsche Kil) heeft plaatsgevonden van het Haringvliet en het Hollandsdiep.

Ruim twee maanden kon het drinkwaterbedrijf Evides geen water innemen.

Deze verzilting is relatief uitzonderlijk. Maar met een stijgende zeespiegel en mogelijk langere perioden van lage rivierafvoeren zou dit vaker op kunnen gaan treden.

Reeds eerder heb ik uitgesproken dat de zoetwatervoorziening van West-Brabant o.a. door de zoet/zout-discussies over het Volkerak/Zoommeer bedreigd kan worden.

Nu viel deze achterwaartse verzilting ver buiten het groeiseizoen. Wanneer dit echter gebeurt in de zomer, kan dit ernstige gevolgen hebben voor onze waterinlaatmogelijkheden.

Het nieuwe beheer van de Haringvlietsluizen doet ook in droge perioden een extra beroep op de beschikbaarheid van zoet water en beperkt eventuele doorspoelmogelijkheden van het Volkerak/Zoommeer ten behoeve van de bestrijding/voorkoming van blauwalgen.

Is het niet tijd om op basis van de huidige kennis en de per mei 2006 bijgestelde klimaatmodellen het zogenoemde Kierbesluit ter discussie te stellen, onder het motto beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald?

Met vriendelijke groet,

Louis van der Kallen