2050

 

| 31-12-2014 | 19:20 uur |


 

2050

 

Dhaka Banglades

Dhaka Bangladesh

Soms zet het bijwonen van een symposium me aan het denken, omdat wat gepresenteerd wordt me verbijstert. Dat overkwam mij op 10 december in Dordrecht. Ik bezocht het symposium “Smart Thinking #3 – Water; van innovatie naar implementatie” in het Energiehuis en georganiseerd door PLATFORM31 

Wat mij in die bijeenkomst vooral trof was de presentatie van Arno Bouwman. Hij is verbonden aan PBL, het planbureau voor de leefomgeving. De spreker had mij gelijk wakker gemaakt met de start: “wij zijn een onafhankelijke onderzoeksinstelling en wij vallen onder het ministerie I&M”. Onafhankelijk en onder een ministerie vallen gaat er bij mij niet echt in. Dat maakt mij kritisch. Dat laat onverlet dat de spreker dat toch zo kan voelen. Kern van zijn betoog was: de steden staan voor een aanmerkelijke groeispurt en in 2050 woont circa 70 % van de wereldbevolking in steden. Uit het gepresenteerde kaartmateriaal bleek dat die stedelijke groei vooral in de delta’s van de wereld gaat plaatsvinden. De nu vruchtbare delta’s van de Niger, de Nijl, de Zambezi, van de Ganges/Bramaputra, de Mekong, de Sông Hông (de rode rivier), de Jangtsekiang (blauwe rivier), de Huang He (gele rivier), enzovoort huisvesten straks 60 % van de wereldbevolking. Dit stelt de mensheid voor kolossale problemen op het gebied van het waterbeheer, zoals voldoende schoon water, riolering en afvalwaterzuivering. In het licht van de klimaatverandering en stijgende zeespiegel is waterveiligheid ook een probleem. Veel van de delta’s zijn slecht tot nauwelijks beschermd tegen de combinatie zeespiegelstijging en grotere variaties in rivierafvoeren. Een land als Bangladesh staat voor een haast onmogelijke opgave haar meer dan 100 miljoen mensen, die leven in haar delta, te beschermen. Maar één probleem blijft in het rapport, waarop dit alles gebaseerd is, onvermeld. De voedselvoorziening!

Het ruimtebeslag van de groeiende steden gaat vooral ten koste van de vruchtbaarste gronden. De vestiging van de eerste menselijke nederzettingen, waaruit de meeste huidige steden zijn ontwikkeld, vond plaats in de vruchtbaarste delta’s. Kenmerken waren korte aanvoerlijnen van voedsel en de beschikbaarheid van zoet water. Korte afvoerlijnen van afval, dat vaak weer gebruikt kon worden als meststof voor de voedselproductie. Langs de snelwegen van de oudheid en de middeleeuwen, de rivieren, ontstonden de steden als markt- en stapelplaatsen. De wegen waren immers van slechte kwaliteit en vaak maar gedurende delen van het jaar bruikbaar. Ondanks de komst van goede wegen, spoorwegen en luchtverbindingen liggen de meeste (toekomstige) megasteden, die begonnen als dorpen, nog steeds in de van oorsprong vruchtbare delta’s en op de voor voedselproductie meest geschikte gronden. Ook de steden die niet in delta’s liggen hebben bij uitbreidingen vaak de nabije land- en tuinbouwgronden bebouwd. Ook dat waren vaak de beste en productiefste gronden.

Neem ons eigen Bergen op Zoom. De rijke tuinbouwgronden, die vroeger zorgden voor rijke aardbei- en asperge-opbrengsten, zijn bebouwd en de productie van het witte goud is in onze regio sterk verminderd. In de jaren vijftig leerde ik op de lagere school in Rotterdam nog dat de beste en meeste asperges uit Bergen op Zoom kwamen. Dat is helaas lang geleden. Voor mij is het helder de opgave wordt straks niet alleen de waterveiligheid en waterhuishouding van de steden goed te regelen, maar ook hoe voeden we de mensheid als de beste en meest productieve gronden zijn bebouwd. Stadslandbouw is straks geen hobby of ontspanningsbezigheid, maar bittere noodzaak. Of moeten we heel anders gaan denken en dat bebouwen van de delta’s niet als een gegeven beschouwen en gaan kijken of de planologie voor toekomstige uitbreidingen niet volgend moet zijn maar op landelijke/mondiale schaal leidend! Of blijven we er op vertrouwen dat technologie altijd en overal de oplossingen zullen aandragen? 

Louis van der Kallen 

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 11: DE DELTAWERKEN EN ZOET WATER

 

| 28-12-2014 | 12:00 uur |


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 11

 De Deltawerken en zoet water

 

deltawerkenBij de Deltawerken denken we bijna altijd alleen aan waterveiligheid, maar dat is onterecht! Van het begin af aan was zoet water een thema bij de ontwikkeling van de plannen. Ook toen dachten de plannenmakers integraal. Ook de nieuwe economische mogelijkheden van de plannen kwamen uitgebreid aan bod. Zo ook wat de ontwikkelingen voor een betere zoetwatervoorziening voor industrie en landbouw zou kunnen betekenen. 

Als voorbeeld enkele citaten uit de rede die de Minister van Verkeer en Waterstaat, Mr. J. Algera op 21 februari 1953 uitsprak tijdens de installatie van de Deltacommissie: “De plannen voor de zojuist besproken afdammingen in het complex der benedenrivieren vloeiden echter niet alleen voort uit de wens tot beveiliging van de aangrenzende gebieden tegen mogelijke stormvloeden, maar zij maken tevens deel uit van een complex maatregelen, dat beoogde de verzilting te bestrijden door het vormen van zoetwaterboezems en door het verminderen van de hoeveelheid uit zee binnenstromend zout water als gevolg van het beperken van de komberging.”

“Tevens zou de mogelijkheid kunnen worden geopend om een deel van het zoete water van Rijn en Maas, dat thans naar zee wegstroomt, langs Rotterdam te voeren en aldus de voortschrijdende verzilting van de Nieuwe Waterweg tegen te gaan , alsmede om deze gebieden, die daarvan thans nog verstoken zijn, aan zoet water te helpen.”

“Daarnaast zal de uitvoering van deze werken op bijzondere wijze ten goede kunnen komen aan de zoetwatervoorziening van een groot deel van ons land en de bestrijding van de gevolgen van de voortschrijdende verzilting op verschillend gebied,….”  

Ook de uitkomsten van onderzoeken die gebruikt zijn bij de totstandkoming van het rapport eindverslag en interim adviezen deel 1 van de Deltacommissie, zoals de studie van de Commissie ter Bestudering van de Ruimtelijke Ordening in de Landbouw (paragraaf 5.3) met onder andere de stelling: “Ter wille van de zoetwaterhuishouding behoort in het voltooide Deltaplan het Volkerak te zijn afgedamd.“  werden te harte genomen. Vele pagina’s van de rapportage werden gewijd aan “De verbetering van de zoetwaterhuishouding” (paragraaf 6.2). 

De wijze lessen van toen worden nu terzijde geschoven. Toen werd de verzoeting van wateren als het Volkerak Zoommeer en het Haringvliet als noodzakelijk gezien voor een goede toekomst van de landbouw en voor de industrialisering van dit deel van Nederland. Ook in “Waterbeleid voor de 21e eeuw”, het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw, ook wel de commissie Tielrooij genoemd (uitgegeven in augustus 2000), kwam dit gegeven aan de orde. Jammer dat zoveel politici ophouden met nadenken als een aantal ‘prominenten’ eenmaal een besluit hebben genomen. Je vraagt je steeds opnieuw af waarom er niet geleerd wordt van het verleden? 

Louis van der Kallen 

 


‘LIEGENDE’ DROMENDE POLITICI

 

| 26-12-2014 | 11:20 uur |


 

‘LIEGENDE’ DROMENDE POLITICI

 

vvd-keihard-liegenZelf constateer ik al jaren dat aperte onwaarheden en het wekken van volstrekt onhaalbare verwachtingen in verkiezingsprogramma’s en verkiezingsleuzen steeds vaker deel uit lijken te maken van de manier waarmee politici de kiezers benaderen. Liegen lijkt steeds vaker een volkomen geaccepteerd gedrag te zijn van politici. Ik vraag mij al jaren af hoe dat komt. In mijn herinnering lijkt het de laatste tien jaar er langzaam in geslopen te zijn, met als hoogtepunt de VVD verkiezingsbelofte bij alle verkiezingen van de laatste vier jaren van belastingverlagingen, terwijl iedereen kan weten dat dit volstrekt onhaalbaar is. Maar sinds kort ben ik er achter hoe dat komt!  

Er komen waterschapsverkiezingen aan en in dat kader wordt er ook voor deze verkiezing een kieskompas gemaakt door een ‘onafhankelijke organisatie’ die zichzelf een wetenschappelijk imago aanmeet met als directeur politicoloog André Krouwel, die als universitair hoofddocent verbonden is aan de afdeling politicologie van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Op 16 december hadden we op het kantoor van het waterschap Brabantse Delta een stellingenconferentie om stellingen te bespreken die door de deelnemende partijen bij het ‘kieskompas’ waren ingebracht ter bespreking. Velen werden door André Krouwel snel en vaardig afgeserveerd. “Te vaag”, “te moeilijke taal”, “te genuanceerd”, enzovoort. Stellingen die een onjuiste voorstelling van zaken waren werden echter wel goedgekeurd, zelfs als ze in strijd met de wet waren. Ook stellingen, zoals bijvoorbeeld: “boeren moeten verplicht worden mee te werken aan waterveiligheid”, die al lang wet zijn en gewoon al jaren als uitgevoerd beleid worden geaccepteerd. Tegenstrijdigheden in het goedkeurgedrag van partijen, zoals gaan voor belastingverlaging en tegelijkertijd gaan voor allerlei voor de kiezer ‘leuke’ dingen (alsof ze geen geld kosten) waren geen aanleiding dat te benoemen. Nee, partijen mogen gewoon bij hun invulling van hun positie ten aanzien van een stelling dit soort tegenstrijdigheden aan hun laars lappen.

Waar ik mij het meest aan ergerde was dat partijen stellingen in mochten brengen die volstrekt in strijd waren met de taken en bevoegdheden van het waterschap. Toen ik dat ter discussie bracht was het ‘wetenschappelijke’ antwoord van de politicoloog Krouwel “dat partijen en politici mogen dromen”. Is dat wat de kiezer mag verwachten? 

Ik erken dat wetten veranderbaar zijn. Maar ze zijn dat niet door het waterschap. Het waterschap moet binnen de gegeven wettelijke kaders functioneren. Dromen over een betere wereld, waarin alles gratis is, kan in de kroeg maar niet als er een waterschap, gemeente, provincie of land bestuurd moet worden. De indruk wekken dat het waterschap over bepaalde zaken gaat terwijl dat niet zo is, is in mijn ogen simpelweg kiezersbedrog! Als je werkelijk de kiezer wilt helpen zijn keus te maken, zoals bij het kieskompas wordt beweerd , dan is dat  naar mijn visie niet het geval met stellingen die grotendeels een onware of weinig realistische voorstelling van zaken geven. Het kieskompas lokt, door het geven van een onjuiste voorstelling van zaken, manipulatie door partijen uit. Om in het gevlei van de kiezer te komen kunnen partijen bij het invullen van hun antwoorden straffeloos liegen of tegenstrijdige uitspraken doen, en dat onder het voorwendsel van een toeziend ‘onafhankelijk wetenschappelijk’ oog.

Als partij moet je wel meewerken aan het kieskompas. Anders kom je niet onder de aandacht van de zoekende kiezer. Maar of de kiezer zich geholpen kan voelen met het kieskompas is voor mij niet echt een vraag meer. Hij of zij wordt grotendeels misleid met stellingen die niet reëel hoeven te zijn. Er mag immers gedroomd worden! Wat mij betreft horen de stellingen in een kieskompas voor de waterschapsverkiezingen te gaan over zaken waar een waterschap over gaat. En geen ‘dromen’ te bevatten maar haalbare en realiseerbare beleidsopties. Je kan in het echte leven ook geen ‘droomkeuzes’ maken. Als “dromen mag” wordt gepropageerd door ‘onafhankelijke politicologen’ als André Krouwel is er voor politici, die deelnemen aan een stellingenconferentie voor een kieskompas of voor hun partij die bij de stellingen hun positie weergeven op een kieskompas, geen enkele rem meer om niet te dromen en hun dromen worden dan al snel hun waarheid, ook al weten wij allemaal, diep in ons hart, dat de meeste dromen gewoon bedrog zijn. In het geval van een door een politicus dromend ingevuld kieskompas: kiezersbedrog. Maar het beloven van lagere belastingen door de VVD was vast niet liegen. Het was immers een droom en dat mocht van de politicoloog!  

Louis van der Kallen 

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 10: WIE WORDEN ER BETER VAN?

 

| 21-12-2014 | 11:15 uur |


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 10

Wie worden er beter van?

 

mosselteeltDe landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.

Al lijkt een plan nog zo onzinnig er is altijd wel iemand die er beter van wordt. De vraag is dan altijd wel: hoe lopen de hazen en welke lijnen zijn zichtbaar? In de maatschappelijk kosten-batenanalyse (MKBA) is op de pagina’s 73/77, in apart gekaderde teksten en tabellen/grafieken, aangetipt het grote belang van de mosselteelt en de ‘enorme’ potenties van het Volkerak-Zoommeer op deze economische activiteit. Enkele bemerkingen uit de MKBA over de mosselteelt die inzicht geven in de samenhang tussen de belangen van schelpdierkwekers en de mogelijke verzilting van het Volkerak-Zoommeer:

  • Pagina 75: “De productie van de echte Zeeuwse mossel neemt structureel af en er lijken geen mogelijkheden dit tij te keren zonder de inzet van de Grevelingen en/of Volkerak-Zoommeer.”
  • Pagina 77/78: “De pacht is nu 4 à 5 miljoen euro voor het Rijk. Opbrengst circa 850 euro per hectare (9 % van de jaarlijkse opbrengst).”
  • Pagina 80: “Geschikt in het Volkerak-Zoommeer 2128 hectare (bodemcultuur) en 1108 hectare voor mosselzaadinvang en/of hangcultures.”
  • Pagina 81: “Naast de mogelijkheden voor mosselcultures in het Volkerak-Zoommeer is er een breder uitstralingseffect, in de zin dat aquaculturen op de Oosterschelde (mosselen en oesters) positieve effecten kunnen ondervinden wanneer er voedselrijk water op de Oosterschelde gespuid wordt.”
  • Pagina 138: “Zeker voor de mosselvisserij kan er enige haast zijn in verband met de teruglopende productie en schaarste aan mosselzaad.” 

Op pagina op 113 van het Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie (oktober 2014) is te vinden dat het Volkerak-Zoommeer totaal 10.527 hectare groot is waarvan 7.387 hectare water. 3.236 hectare is dus geschikt voor de schelpdierkweek (pagina 80, MKBA). Als we dan ook de vaargeul beschouwen, blijft er bitter weinig aantrekkelijks over voor de andere beoogde functies van het verzilte Volkerak-Zoommeer. Bij het terugbrengen van het getij profiteert de schelpdierteelt direct omdat de voedselschaarste in de Oosterschelde (deels) wordt opgeheven. Het rijk gaat dan voor 9 % van de opbrengst mee profiteren. Wij gunnen de Zeeuwse kwekers en werkers in die bedrijfstak een goede boterham. Maar niet ten koste van alles. Het grotendeels verwoeste bodemleven onder de hangcultures is nu niet bepaald een aantrekkelijk vooruitzicht voor de natuur van het Volkerak-Zoommeer. Het beeld van vele drijvende markeringstonnen en vele hectares water die voor de recreatievaart gesloten zullen worden, verkleinen de toekomstige kansen voor de recreatie fors. Van de recreatieve vergezichten zal weinig over blijven. 

Bij de verzilting en de terugkeer van het getij profiteren de schelpdierkwekers in de Oosterschelde direct van de hogere fosfaat- en nitraatgehalten ongeacht de eventuele (overgangs)ellende die de recreanten en oeverbewoners zullen ondervinden van het grote sterven in de overgangsfase, hoelang die ook zal duren. Ook het Rijk kan gelijk genieten van de hogere pacht inkomsten. Ik ben benieuwd wat er dan van de soms mooie cijfers, vermeld in het MKBA, overblijft. Want bijna al die cijfers zijn gebaseerd op een soort alleenrecht van al die toekomstdromen. De ervaring leert dat, als je geen rekening houdt met de dromen van een ander, ook je eigen dromen vaak veranderen in nachtmerries.  

Louis van der Kallen 

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 9: WAT IS DE WAARHEID?

 

| 13-12-2014 | 22:40 uur |


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 9

Wat is de waarheid?

 

ballon-+-naald1De landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.

In de ontwerp-rijksstructuurvisie is op het kaartbeeld op pagina 28 te zien dat er vakantiewoningen voorzien zijn op de strook land tussen de Plaatvliet en de Binnenschelde, drijvende woningen op/aan/nabij de Prinsesseplaat en vakantiewoningen in de Auvergnepolder. De zelfde kaart is te zien in Verbonden Toekomst, een stuk van zeven gemeenten, waar ook het college van B&W Bergen op Zoom vorig jaar zijn handtekening onder heeft gezet. Bij brief berichtte het college aan mij: “De voorgestelde (vakantie)woningbouw in de visie, werd bij de businesscase beperkt tot eilanden in de Binnenschelde en de Kleine Molenplaat. Het College van Bergen op Zoom heeft evenwel geen fiducie in de voorgestelde (vakantie)woningbouw.”.

De MKBA (de maatschappelijke kosten-baten analyse) wekt een andere indruk. Geen businesscase, maar harde cijfers van mogelijke opbrengsten van gemeentelijke en rijksgronden waarop vakantiewoningen gebouwd zouden kunnen worden. Zo is op pagina 60 te vinden dat de gemeente aan bouwleges voor de waterwoningen € 1.050.000,– kan vangen en voor de recreatiewoningen € 780.000,–.  Op pagina 61 is de grondopbrengst van de waterwoningen berekend: 2,9 miljoen voor de gemeente en 1,4 miljoen voor het Rijk. Voor de grond voor de recreatiewoningen kan de gemeente, volgens de berekeningen, 1,9 miljoen vangen en het Rijk 0,4 miljoen. Waar zouden die gegevens vandaan komen is dan de vraag? Sommige zijn af te leiden uit openbare cijfers zoals de leges. Maar de grondopbrengsten moeten toch echt voor een deel uit de gemeentelijk burelen komen.

Ik, en met mij velen, voel er niets voor om de Prinsesseplaat of de oevers van de Plaatvliet te bebouwen, maar wij zijn ook niet gekend in de plannen zoals geformuleerd in Verbonden Toekomst. Daar heeft wel het college van B&W van Bergen op Zoom zich aan verbonden, samen met de andere gemeenten met soortgelijke plannen, voor het gebied van het Volkerak-Zoommeer. De vraag is: waarom hebben ze het opgeschreven en middels een handtekening onderschreven als ze nu zeggen er geen fiducie in te zien? Ik kan er wel naar raden. Ook zij beseffen dat het financiële fata morgana’s zijn. 
Ik denk dat men onder het motto: papier is geduldig en als de minister eenmaal tot verzilting heeft besloten zien we wel weer, tot de handtekeningen onder Verbonden Toekomst is gekomen. Nu het kabinet aan de ontwerp-rijksstructuurvisie heeft verbonden dat de eventuele opbrengsten gebruikt moeten worden om de verzilting te betalen heeft men ‘geen fiducie’ meer in de projecten die op papier het kabinet moesten overtuigen van het economische nut van de verzilting. Het doorprikken van de ballonen is wat de BSD en Ons Water betreft begonnen. 

Louis van der Kallen 

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 8: DE QUAGGAMOSSEL

 

| 07-12-2014 | 11:15 uur |


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 8

De quaggamossel

 

quaggaDe landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.

De afgelopen jaren is de overlast van de blauwalg in het Volkerak-Zoommeer aanzienlijk afgenomen door de graas van een in Nederland relatieve nieuwkomer (exoot): de quaggamossel. In bij de ontwerp-rijksstructuurvisie behorende stukken, zoals het milieueffectrapport, komt de ontwikkeling van de quaggamossel met regelmaat aan de orde, zie onder staande citaten:

Pagina 80: “De autonome ontwikkeling van de waterkwaliteit in het Volkerak-Zoommeer is onzeker. Een scenario waarin de quaggamossel die zich in het gebied heeft gevestigd voor een blijvende verbetering zorgt, is voorstelbaar. Experts op dit gebied voorzien volgens de genoemde ‘Quick scan’ echter ook een ander scenario: terugval van het aantal van deze mosselen, gevolgd door opnieuw toenemende overlast van blauwalgen als gevolg van de nog steeds aanwezige grote hoeveelheden fosfaat en de hoge stikstofbelasting in het meer. Snelle groei gevolgd door een terugval van populaties exoten, onder meer door hun gevoeligheid voor ziekten, is een bekend verschijnsel en zou dus ook in het geval van de quaggamossel in het Volkerak-Zoommeer kunnen optreden.”

 Pagina 81: “Bij een autonome ontwikkeling waarin de quaggamossel wel voor een blijvende verbetering zorgt, kan de toestand binnen enkele jaren verbeteren naar ‘goed’ voor doorzicht en het kwaliteitselement fytoplankton.”

Pagina 104: “Sinds 2008 nemen de algenconcentraties af, met name als gevolg van begrazing door de quaggamossel die zich in het water heeft gevestigd. Deze situatie kan in het zichtjaar nog steeds aan de orde zijn, maar het is ook goed mogelijk dat de populatie van deze exoot weer geheel of gedeeltelijk uit het water is verdwenen en de algenconcentraties opnieuw zijn opgelopen.” 

De ‘experts’ geven in de stukken aan dat er een kans is dat deze exoot weer grotendeels verdwijnt. Een echte onderbouwing van deze gedachte wordt in geen van de geleverde stukken gegeven, behalve dat het een soort van risico is verbonden aan elke exoot. De quaggamossel (Dreissena bugensis) is weliswaar relatief kort in ons land (2004) maar een naast familielid, de driehoeksmossel is al langer hier. Deze komt al in Nederland voor sinds het begin van de 20e eeuw. Beiden komen uit het Ponto-Kaspische gebied en kunnen, zo is in het Zwarte Zee gebied gebleken, nogal wat klimaatvariaties aan. Het is een mossel die houdt van zoet water met niet te hoge zoutgehalten en hecht zich graag aan een harde ondergrond. Hun belangrijkste kenmerk is: ze eten grote hoeveelheden fytoplankton, zoöplankton en algen waardoor het water zeer helder wordt. Toch zijn er tal van ‘experts’ die denken dat ze ook zomaar weer kunnen verdwijnen. Nu kan natuurlijk bijna alles. Dus ook ziekten zouden deze exoot kunnen bedreigen, maar als een familielid die hier al circa 90 jaar zich staande houdt (en voor een leek zijn ze bijna niet van elkaar te onderscheiden) dan lijkt dat ‘verdwijn-verhaal’ niet erg waarschijnlijk.  

In de circa 3.000 pagina’s die ik heb gelezen met een relatie tot de ontwerp-rijksstructuurvisie heb ik gespeurd naar aanwijzingen op wat die verdwijntheorie van de quaggamossel gebaseerd zou kunnen zijn. Ik denk hem gevonden te hebben. Kijkend naar inlaattabellen lijkt het of bij stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar mijn informatie de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak, lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Als, zoals nu gebeurt, sluipend de chloridegehaltes in het Volkerak-Zoommeer door achterstallig onderhoud stijgen (zie artikel: Wat is de oorzaak van de sluipende verzilting?) dan is het helder: dan daalt de effectiviteit van de blauwalggraas van de quaggamossel en kan hij bij nog hogere zoutgehalten uit het Volkerak-Zoommeer verdwijnen. Hij verdwijnt dan niet door een ziekte maar omdat zijn leefomgeving door wanbeleid wordt aangetast. Soms verdenk ik die knappe koppen, die al deze stukken schrijven, van enige vooringenomenheid. En dat het al jaren niet voldoende onderhouden van bijvoorbeeld de Krammersluizen het opzettelijk werken is naar een zout Volkerak-Zoommeer. Ik verwacht van een overheid, die goedkoop een overlastprobleem zou willen bestrijden, dat zij het hun werknemers (de quaggamossel) makkelijker zouden maken door zoutgehaltes omlaag te brengen en hier en daar te zorgen voor wat meer harde ondergronden waar deze beestjes zich op kunnen hechten.  

Louis van der Kallen 

 


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 7: WAT IS DE OORZAAK VAN DE SLUIPENDE VERZILTING?

 

| 30-11-2014 | 11.00 uur |


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 7

 

Wat is de oorzaak van de sluipende verzilting?

 

KrammersluizenDe landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.  

Op een hele boel plaatsen is in de beschikbare stukken rond de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer te lezen dat het Volkerak-Zoommeer aan het verzilten is. In de MKBA (maatschappelijke kosten/baten analyse) is op pagina 32 te lezen: “Naast de blauwalgproblematiek heeft het Volkerak-Zoommeer last van een stijgend chloridegehalte, doordat chloride uit de bodem oplost en het water verzilt,” en dat de ontzilting van de bodem traag verloopt (pagina 82 MKBA). Het is logisch dat het vele jaren duurt voordat bodem en oevers ontzilt zijn. Maar anderzijds zijn dit in strikte zin eindige processen die in de loop der tijd tot een dalende afgifte van zouten uit de bodem zouden moeten leiden. Het zelfde geldt voor de zoute kwel in de polders en kreken rond Steenbergen, waarvan het verzilte water via de Mark/Dintel en Vliet systemen afwateren op het Volkerak- Zoommeer. In de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer en de bijbehorende stukken als de MKBA en het Milieueffectrapport zijn andere mogelijke oorzaken niet vermeld. Men kan er wel in vinden dat bij het zout worden van het Volkerak-Zoommeer er inverdieneffecten zijn, zoals uitgespaard onderhoud aan de zoet-zoutscheiding van de Krammersluizen (pagina 66 van de ontwerp-rijksstructuurvisie).  

Pas bij het lezen van opvraagbare stukken als de ‘Joint Fact Finding zoet water’ kom je dichter bij de vermoedelijk werkelijk oorzaken van de sluipende verzilting (Pagina 20: “Het Volkerak-Zoommeer is de laatste jaren aanmerkelijk zouter geworden door de toegenomen zoutlekkage van de Krammersluizen. Het meerjarig zomergemiddelde is 415 mgCl/l. Incidenteel wordt in de zomer de normconcentratie van 450 mgCl/l overschreden. In de zomer van 2011 was de overschrijding langdurig (eind april-half juli, met een maximum van 615 mgcl/l) doordat ten gevolge van de langdurige lage rivierafvoer de doorspoeling moest worden beperkt.).  Je krijgt pas echt het gevoel krijgt te weten bij het lezen van een stuk dat niets met de ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer te maken heeft: “Het Advies Deltaplan Zoetwater” In dat stuk is op pagina 39 te lezen: “Voordat een zout Volkerak-Zoommeer is gerealiseerd, is waarschijnlijk ook nog een zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen nodig. Kiest het kabinet voor een blijvend zoet Volkerak-Zoommeer, dan is herstel van de zoet-zoutscheiding in de Krammersluizen noodzakelijk om aan de huidige beheersafspraken en het waterakkoord te kunnen voldoen.” In dit citaat is het woordje herstel door mij cursief aangegeven. De huidige zoet-zout scheiding functioneert klaarblijkelijk niet optimaal of is kapot want anders zou die niet hersteld hoeven te worden.  

Toen ik op de informatiebijeenkomst in het Markiezenhof inzake de komende verziltingsplannen de opmerking plaatste dat de huidige sluipende verzilting kwam door de onderhoudsachterstand aan de Krammersluizen vroeg een medewerkster van Rijkswaterstaat nog aan mij hoe ik daar bij kwam. Toen had ik nog niet alle stukken gelezen. Op de bijeenkomst van de VVD op 24 november in Steenbergen werd het slecht functioneren van de zoet/zout scheiding van de Krammersluizen door een woordvoerder van Rijkswaterstaat in het openbaar eindelijk bevestigd. “De sluisdeuren rammelen.”  

Maar nu is het zeker: er wordt al jaren bezuinigd op het onderhoud en het tegengaan van de zoutlekkages via sluizen zoals de Krammersluizen en mogelijk ook de Bergse Diepsluis. Mij bekruipt het gevoel dat, kijkend naar de onzinnigheid van het voorstel om het Volkerak-Zoommeer te verzilten tegen 2028, we enkel en alleen praten en praten om Rijkswaterstaat in staat te stellen onderhoud en uitgaven uit te stellen en gemaakte afspraken aan hun laars te lappen.  

Louis van der Kallen

 


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 6 – DE HONGER NAAR ZOET WATER

 

| 23-11-2014 | 13.30 uur |


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 6

De honger naar zoet water

 

Nieuwe Waterweg_StormvloedkeringDe landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten. Door de verzilting van laag Nederland is steeds meer zoet water nodig. Nu wordt de schuld gegeven aan zaken die we niet of nauwelijks kunnen beïnvloeden zoals de klimaatverandering en de stijgende zeespiegel. Maar is dat het werkelijke of hele verhaal?

Ik weet zeker van niet! Reeds in de rapporten: “De toekomstige drinkwater voorziening van Nederland van de centrale commissie voor drinkwatervoorziening 1965” en “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968, wordt nadrukkelijk een andere oorzaak in beeld gebracht. Enerzijds logisch, want de klimaatverandering en de zeespiegelstijging waren nog niet politiek aan de orde laat staan de tunnelvisie op dit punt. Natuurlijk spelen de klimaatverandering en de zeespiegelstijging een rol maar als de grootste oorzaak toen werd een andere schuldige aan gewezen: de veranderingen rond de Nieuwe waterweg!  

Vanaf eind vijftiger jaren van de vorige eeuw tot 1968 zijn er belangrijke ontwikkelingen geweest die de zoetwatervraag om de verzilting via de Nieuwe waterweg tegen te gaan hebben doen toenemen van circa 300 m3/s naar circa 700/800 m3/s. De uitbreiding van het havenareaal (Europoort, Botlekhavens, Eemhaven) en de verdieping van de vaarweg naar deze havens, alsmede de verdieping van de oliegeul van uit zee naar de monding van de Nieuwe Waterweg hebben het vloedvolume toen enorm doen toenemen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de rivier zich aangepast heeft aan het toegenomen getijvolume op het traject van de rivier tussen de mond en de betreffende havens. Hierdoor ontstond een verdieping van de rivier in de periode 1958/1964 van circa 2 meter door een proces van terugschrijdende erosie op het traject Hoek van Holland – Maassluis. De verwachting in 1968 was dat dit proces voort zou gaan. Als aanpassing op dit proces werd de norm van het chloridegehalte ter hoogte van de Parkhaven (300mg/l) losgelaten en de toetsplek werd verlegd naar de mond van de Hollandsche IJssel en het advies gegeven: “de bodem van de Nieuwe Maas en de Nieuwe Waterweg te verhogen en vast te leggen.” (Bron: “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Gebeurde dit? Nee, het was volgens de politiek immers niet nodig en volgens Rotterdam en de havenbaronnen ongewenst. De Deltawerken kwamen er aan en het zoete water kon door de dammen gestopt worden en doorgeleid worden naar zee via de Nieuwe Waterweg. Maar de Rotterdamse groot muil werd nog groter. Sinds 1968 bleven er gewoon havens bij komen. Dit leidde er toe dat van oude afspraken steeds minder terecht kwam. Als voorbeeld de geschiedenis van de afspraken rond het Volkerak-Zoommeer: “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloride norm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”

“In het “droge” jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.” (Bron;  pagina’s 87/88 van de Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie, oktober 2014).  

Wie zijn de slachtoffers van deze zoet water honger van de Nieuwe Waterweg. De boeren en tuinders van Zuid-Holland, Zeeland en West-Brabant en de drinkwaterleidingbedrijven in laag Nederland en daarmee alle consumenten van dat drinkwater. Zij lijden de schades veroorzaakt door de verzilting in de vorm van mindere opbrengsten en hogere kosten. Natuurlijk erken ik dat Rotterdam en zijn havens voor de BV Nederland van onschatbare waarde zijn. Maar het jaar na jaar afwentelen van de verziltingproblemen op boeren, tuinders en drinkwaterbedrijven en het laten verzilten van zoete natuurgebieden zoals laagveen moerassen kan niet blijven voortduren. Het gat dat de Nieuw waterweg heet moet vergaand gedicht worden. Door sluizen die, als er gebrek is aan zoet water, geschut kunnen worden en door maatregelen. die al in 1965 en 1968 werden genoemd als alternatieven. zoals het verhogen/vastleggen van de bodem van de Nieuwe Waterweg eventueel met een drempel en luchtbellenschermen, die nu nog steeds als innovatief door Rijkswaterstaat worden betiteld maar in 1968 al in de grote schutsluizen te IJmuiden werden gebruikt (bron: pagina 33 “De waterhuishouding van Nederland” samengesteld door Rijkswaterstaat 1968).  

Het wordt tijd dat de landelijke politiek zijn werk gaat doen en door krijgt dat vanaf eind jaren vijftig van de vorige eeuw de rest van Nederland gebruikt wordt als zoetwaterleverancier voor de eeuwig hongerige Nieuwe Waterweg. Rotterdam moet ophouden de problemen die haar havenactiviteiten veroorzaken af te wentelen op de rest van Nederland.  

Louis van der Kallen

 


 

(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 5

 

| 17-11-2014 | 14.00 uur |


(NATTE/ZOUTE) DROOM OF NACHTMERRIE – 5

 


bruinrotDe landsregering heeft de “ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer” vastgesteld en daarmee het voornemen kenbaar gemaakt een beperkt getij terug te brengen in het Volkerak-Zoommeer en deze wateren op termijn te verzilten.
 

‘Eerst het zoet dan het zout’  is de stelling die Ons Water en het waterschap steeds hebben gehanteerd bij de discussie over het eventuele zout worden van het Volkerak-Zoommeer. Dat lijkt een simpel en helder uitgangspunt. Voor ons betekent het dat er eerst voldoende zoet water komt van een gelijke of betere kwaliteit en dat er rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen van de land- en tuinbouw. We vinden het ook vanzelfsprekend dat de veroorzaker van de verzilting van het Volkerak-Zoommeer ook tot in lengte van dagen de meerkosten (nu door Rijkswaterstaat begroot op 1,57 miljoen per jaar) van dat aangevoerde zoete water gaat betalen. Het kan immers niet zo zijn dat onze boeren en tuinders blijvend het gelag betalen van de dames en heren plannenmakers in Den Haag.

Nu wordt er in de stukken van Rijkswaterstaat gesteld dat de leveringszekerheid van zoet water zal toenemen. De fractie Ons Water heeft daar twijfels bij want in die zelfde stukken (Joint Fact Finding) is te lezen: “Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoet waterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”

Kortom: nu hebben we altijd de beschikking over voldoende zoet water. Straks gaan, bij een tekort, een heleboel belangen voor. Ons Water is van mening dat gezien het belang van onze boeren en tuinders bij leveringszekerheid van goed zoet water de inlaat aan het Hollandsch Diep in het kader van de verdringingsreeks een categorie 2 inlaat moet worden.

Ook bij de kwaliteit zijn vragen te stellen. Het zoutgehalte zal met de aanvoer uit het Hollandsch Diep en het Wilhelminakanaal en de Amer worden verlaagd en daarmee worden verbeterd ten opzichte van het zout gehalte van het zoete water uit het Volkerak-Zoommeer. Maar er is, wat Ons Water betreft, wel iets wat aandacht verdient en waar in de stukken van Rijkswaterstaat nauwelijks aandacht voor is. BRUINROT!! Water uit het Wilhelminakanaal bevat met regelmaat de bruinrotbacterie. Deze is verwoestend voor de teelt van aardappelen of pootaardappelen. Toen ik als AB lid in de Algemene Vergadering van het Waterschap op 12 november daar op wees, werd dat niet ontkend maar wel gebagatelliseerd door de dijkgraaf. Dat water werd immers verdund met dat uit het Hollandsch Diep, was haar stelling. Water met de bruinrotbacterie is voor elke aardappelteler niet bruikbaar verdund of niet verdund.

Ons Water verlangt dan ook dat de aanvoer van het zoete water, als het nodig is, volledig kan komen uit het Hollandsch Diep. Dat moet de inzet zijn van het waterschap. De kreet: ‘Eerst het zoet dan het zout’ moet in kwantitatieve en in kwalitatieve zin worden waargemaakt en niet op kosten van de ingezetenen, boeren en tuinders van West-Brabant maar op kosten van het Rijk. 

Louis van der Kallen 

 


 

ZIENSWIJZE

 

| 13-11-2014 | 14:00 uur |


ZIENSWIJZE

 

volkerak zoommeer

Onderstaand mijn inbreng van 12 november 2014 bij de bespreking van de concept waterschapszienswijze op de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Met als resultaat dat de concept waterschapszienswijze wordt aangepast en later deze maand opnieuw wordt besproken in het algemeen bestuur van het waterschap.

Mevrouw de dijkgraaf,

De fractie Ons Water/ West-Brabant Waterbreed zal zich in onze bijdrage focussen op de mogelijke gevolgen voor ons waterschap van een eventuele verzilting van het Volkerak-Zoommeer. We gaan derhalve niet in op de redenen van het wel of niet verzilten van die buitenwateren, want wij als bestuur van het waterschap gaan daar niet over. Het waterschap is een territoriale overheid en ons AB en DB, alsmede onze ambtenaren hebben sec de belangen van ons waterschap en haar ingezetenen en de ingelegen (agrarische)bedrijven te behartigen. De fractie van Ons Water/ West-Brabant Waterbreed verwacht van ieder van onze ambtenaren en van het DB, als hij of zij het waterschap vertegenwoordigt een focus op de belangen van ons waterschap in al haar facetten. Die focus ziet onze fractie niet altijd terug in de uitingen van ons DB in de media of in de bijdragen aan de stukken die inzake het Volkerak-Zoommeer in de openbaarheid zijn gekomen. Ook waterschappen kennen een hoge mate van autonomie in de uitvoering van haar beleid.

Ten aanzien van de gevolgen voor het waterschap, die mijn fractie graag terug zou willen zien in de zienswijze van het waterschap, zijn wat ons betreft de volgende thema’s van belang:

  • de beperking van de verzilting van oppervlaktewateren binnen het territoir van ons waterschap
  • de beperking van de verzilting van grondwater en gronden binnen het territoir van ons waterschap
  • de leverzekerheid van (landbouw)water in termen van kwantiteit en kwaliteit
  • en de gevolgen voor de waterschapslasten.

De verzilting
Wat in alle door de fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed gelezen stukken:

  • Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer.
  • Milieueffectrapport bij de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (oktober 2014).
  • MKBA bij Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer.
  • Verbonden Toekomst.
  • Deltaprogramma 2015 Werk aan de Delta.
  • Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer.
  • Zoetwater rapportage 2012.
  • Natuureffectenstudie bij de Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. deel 1 en 2.
  • Joint Fact Finding zoet water.
  • Milieueffectrapportage Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer april 2012,
    opvalt is dat de onderzoekers/opstellers geen enkele moeite hebben gedaan om qua verziltingseffect van een zout Volkerak-Zoommeer een nulsituatie in kaart te brengen. Terwijl dit voor de inschatting van de verziltingseffecten van een mogelijk toekomstige zout Volkerak-Zoommeer van groot belang is om de gebruikte modellen te valideren en een hoger realiteitsgehalte te geven. In de literatuuropgaven in de stukken hebben wij niets gevonden van vóór de aanleg van de compartimenteringsdammen. Terwijl dergelijke informatie wel te vinden is.

Als voorbeeld het “Rapport van de centrale commissie voor de drinkwatervoorziening 1965” met de mooie titel: “De toekomstige drinkwatervoorziening van Nederland.”, gedrukt door de Staatsdrukkerij in 1967. Ik zou zeggen een betrouwbare bron van informatie. En dat de opstellers wisten waarover ze schreven werd mij door de volgende zin al duidelijk (pagina 73): “Om bij de Parksluizen aan de Rotterdamse Waterweg bij vloed nog water in te kunnen laten met een relatief laag chloridegehalte zou ten minste een hoeveelheid van 700 m3/sec rivierwater langs de Waterweg moeten worden afgevoerd.”. Dat stond in een rapport van bijna 50 jaar geleden! Nu met de kennis van de stijgende zeespiegel en de betere meetmethoden en computermodellen komen de geleerde dames en heren tot de conclusie dat 800 m3/sec. nodig is. De commissie van toen onder voorzitterschap van Mr. E.H.J. Baron van Voorst tot Voorst waren geen domme jongens. Uit deze rapportage blijkt dat in 1965 (figuur 24, pagina 72) het boezemwater tot ongeveer de westelijke stadsgrens van Steenbergen meer dan 5000 mg Cl/per liter bevatte. Tot een lijn die in een boog liep van Ossendrecht over Heerle, Kruisland, Stampersgat, Fijnaart en Willemstad bevatte het boezemwater 2000/5000 mg Cl/per liter. Tot een lijn die globaal liep van westelijk Roosendaal over Oud Gastel naar Klundert bevatte het boezemwater 500/1000 mg Cl/per liter. Deze gegevens zijn ook te vinden in “De waterhuishouding van Nederland” een rapportage uit 1968 (figuur 6, pagina 19). Natuurlijk weet onze fractie dat er toen geen bellenschermen functioneerden, maar dat er wel geschut werd om de zoutlekkage te beperken. Dus mogelijk zijn er ook zoute kwel effecten op een aanzienlijk grotere afstand dan enkele honderden meters!

Wij vinden de opmerking op pagina 154 van de MKBA dan ook volstrekt onvoldoende onderbouw, te weten: “Door een zout Volkerak-Zoommeer neemt het chloridegehalte van het kwelwater toe in een zone van enkele honderden meters tot maximaal 1,5 km, grenzend aan het Volkerak-Zoommeer. Door de aanwezigheid van kwelsloten kan oppervlaktewater met verhoogde chloridegehalten worden afgevangen en afgevoerd, waardoor geen nadelige gevolgen optreden voor de landbouw.”.

In het besef dat voor de land- en tuinbouw water nodig is met chloridegehaltes beneden de 300 mg per liter moge het duidelijk zijn dat verzilting van het Volkerak-Zoommeer de land- en tuinbouw potenties in het werkgebied van de Brabantse Delta aanzienlijk zou kunnen verslechteren en dat dit een veel grotere zoet water aanvoer nodig kan maken dan tot op heden door Rijkswaterstaat en door ons waterschap wordt voorgesteld. Onze fractie wil benadrukken dat op pagina 144 van de MKBA te lezen is: “Er zijn maar weinig voorbeelden van projecten waarin een ecosysteem wordt aangepast van een zoetwatersysteem naar zoutwatersysteem.”. In dat besef dienen modellen, waarop beslissingen genomen worden, die van groot belang zijn voor onze grond- en watergebruikers, goed en aantoonbaar onderbouwd worden.

De leverzekerheid
In de samenvattingen in de stukken wordt met regelmaat vermeld dat de leverzekerheid van de (landbouw)waterinlaten verbetert als alle voorgenomen maatregelen zijn gerealiseerd. De vraag is altijd in dit soort zaken: wat is de referentie waarmee vergeleken wordt?  In dit geval memoreert onze fractie graag aan de geschiedenis. Het nu volgende is een tekst overgenomen uit het Milieueffectrapport waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer uit april 2012 (pagina 87/88): “Direct na de afsluiting in 1987 werd het Volkerak-Zoommeer doorgespoeld met water uit het Hollandsch Diep (zoet), teneinde op korte termijn te kunnen beschikken over zoet water voor de regionale watervoorziening in de omliggende gebieden. Hierdoor daalde het gemiddelde chloridegehalte van het Volkerak-Zoommeer binnen één jaar tot de gestelde norm van 0,4 g Cl/l. Het handhaven van deze chloridenorm wordt geregeld door middel van een doorspoelbeheer vanuit het Hollandsch Diep. Zoutaanvoer vindt nog plaats als gevolg van schutverliezen, zoute kwel en uitspoeling uit buitendijkse gronden. In 1993 werd de chloridenorm bijgesteld tot 0,45 g/l. Door deze verhoging kon de inlaat vanuit het Hollandsch Diep via de Volkeraksluizen worden beperkt…”.

“In het waterakkoord is in 2001 vastgelegd gedurende het groeiseizoen te sturen op 450 mg cl/l bij de meetlocatie Bathse Brug, met uitzondering van perioden van droogte…..”.

“In het “droge” jaar 2003 werd door het stopzetten van de inlaat voor doorspoeling de norm voor het chloridegehalte bij de meetpunten Bathse Brug en mond van het spuikanaal herhaaldelijk overschreden.”.

Feit is dat het gehanteerde maximale chloridegehalte keer op keer is verhoogd c.q. beperkt in tijd. Maar dat niet alleen. In de “Joint Fact Finding zoet water” is op pagina 20 te lezen: “Het Volkerak-Zoommeer is de laatste jaren aanmerkelijk zouter geworden door de toegenomen zoutlekkage van de Krammersluizen. Het meerjarig zomergemiddelde is 415 mgCl/l. Incidenteel wordt in de zomer de normconcentratie van 450 mgCl/l overschreden. In de zomer van 2011 was de overschrijding langdurig (eind april-half juli, met een maximum van 615 mgcl/l) doordat ten gevolge van de langdurige lage rivierafvoer de doorspoeling moest worden beperkt.”.

Wat vermeld is voor de Krammersluizen, gaat naar onze inzichten ook op voor de Bergse Diepsluis. Rijkswaterstaat koos er dus voor om de zoetwater inlaat te beperken ten voordele van de bestrijding van de verzilting vanuit de Nieuwe Waterweg. Dit ten nadele van onze inlaten en onze boeren. Van de afspraken kwam dus niets terecht. Weg leverzekerheid, niet door een act of God maar door een beslissing van de waterbeheerder. Kijkend naar inlaat tabellen lijkt het of stijgende chloridegehalten de effectiviteit van de graas op de blauwalg door de quaggamossel bij hogere chloridegehalten daalt, omdat naar mijn informatie de quaggamossel bij hogere chloridegehalten zijn schelpen sluit. Zonder dat er voldoende cijfers zijn voor een harde uitspraak lijkt het erop dat in een aantal gevallen de inlaat eerst sloot vanwege te hoge chloridegehaltes en daarna vanwege blauwalgbloei. Voor onze fractie geldt dat, als het gaat om de leverzekerheid ten aanzien van zoutgehalten, men uit dient te gaan van de zoutgehalten in het Volkerak-Zoommeer als men zich zou houden aan de gemaakte afspraken en het achterstallig onderhoud aan de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zou zijn uitgevoerd.

Ten aanzien van de kwantitatieve leverzekerheid is helder dat een waterinlaat via de Roode Vaart verre van zeker is. In tegendeel. Op pagina 30 in de Joint Fact Finding is onder het subkopje ‘Watertekort’ de volgende tekst te vinden:

“Bij een weer zout Volkerak-Zoommeer heeft de zoetwaterinlaat naar het VZM van 25 m3/s een hoge prioriteit omdat deze nodig is voor het beperken van de zoutlekkage door Volkeraksluizen. Zo kan een grote stijging van de chlorideconcentratie bij de inlaat aan het Haringvliet voor drinkwaterproductie worden voorkomen. De zoet waterinlaat vanuit het Hollandsch Diep naar het zoute VZM wordt daarom ingedeeld in categorie 2 van de verdringingsreeks. De andere inlaten vanuit het Hollandsch Diep, dus ook de vergrote inlaat via de Roode Vaart, zijn categorie 4. De hiervan afhankelijke gebieden (MDV-systeem, PAN-polders en Tholen /St. Philipsland) zijn en blijven daarmee afhankelijk van een categorie 4 waterinlaat vanuit het hoofdwatersysteem. Ten opzichte van de huidige situatie met een zoet Volkerak-Zoommeer verandert er voor deze gebieden formeel niets. Wel is de vraag aan de orde of de leveringszekerheid voor deze gebieden in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt beïnvloed (eerder wordt “verdrongen”) door de zoetwatervraag voor zoutlekbestrijding.”

Van een inlaat via een categorie 2 route wordt ons agrarisch bedrijfsleven straks afhankelijk van een categorie 4 inlaat route. Hoezo een verbetering van de leveringszekerheid? Zolang het Volkerak-Zoommeer zoet is en men zich zou houden aan de afspraken en de Krammer Sluizen en de Bergse Diepsluis fatsoenlijk zou onderhouden, was er nu geen sprake van leveronzekerheden door verzilting! Dus DB in de zienswijze dient te komen dat Rijkswaterstaat zich moet houden aan de afspraken qua chloridegehalten en werk moet maken met het onderhoud van de Krammersluizen en de Bergse Diepsluis zeker nu het Volkerak-Zoommeer vermoedelijk tot 2028 zoet blijft.

Dan de feitelijke huidige kwaliteit als het over de blauwalg gaat. Op pagina 38/39 van de MKBA is te lezen: “Sinds 2008 is door de aanwezigheid van de quaggamossel de blauwalgproblematiek afgenomen. In 2012 en 2013 zijn er geen innamestops meer geweest.” Dit lijkt een heldere uitspraak. Het verbaast onze fractie dan ook dat in de “Joint Fact Finding zoet water” op pagina 22 is te lezen: “In 2012 zijn vanaf eind augustus, dus laat in het seizoen, de Brabantse inlaten aan de Eendracht dichtgezet wegens blauwalgen (mondelinge mededeling (………. van een ambtenaar wiens naam ik maar niet noem in het openbaar) van – Waterschap Brabantse Delta.)” . Ik heb nog nooit eerder in openbare stukken van de Rijksoverheid gelezen “mondelinge mededeling van….” Maar als die mededeling in strijd is met een schriftelijke mededeling in een MKBA heb ik daar als volksvertegenwoordiger in dit huis grote moeite mee en word ik argwanend. Wat is de waarheid en hoe kan het dat in een belangrijk stuk als de “Joint Fact Finding zoet water” iets anders staat dan in een MKBA? Wat zijn de feiten? Het antwoord is belangrijk om werkelijk te kunnen beoordelen of de kwantitatieve leverzekerheid straks beter is.

Ook de kwalitatieve zekerheid roept vragen op. Het woord ‘bruinrot’ komt in de stukken maar zelden voor en al helemaal niet in de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer. Ook in de MKBA heb ik er tevergeefs naar gezocht. Ook op pagina 157 van de MKBA waar geschreven wordt over de “aanpassing inlaat Oosterhout” lijkt bruinrot niet te bestaan. Curieus is de inhoud van de Zoetwater rapportage 2012. Op pagina 41 is de navolgende tekst te vinden over water dat via Oosterhout in het Mark-Vliet stelsel komt: “Het risico bestaat dat dit water verontreinigd is met de bruinrotbacterie die in Oost-Brabant voorkomt en een bedreiging kan vormen voor de aardappelteelt in West- Brabant.”.

Op pagina 12 van de Zoetwater rapportage 2012 wordt in een omkaderd gedeelte verwezen naar de “nieuwe inzichten weergegeven van waterschap Brabantse Delta met betrekking tot de inzet van Oosterhout.”. Als je dan bijlage 5 van dat stuk leest (pagina 127/132) valt op dat bruinrot in dat stuk niet lijkt te bestaan. Wat ook opvalt is dat de opstellers vermeld zijn, maar, hoewel het stuk deels het karakter heeft van een zienswijze, het stuk niet getekend is door de dijkgraaf noch, dat het naar mijn beste weten, is behandeld in het DB.

De “Joint Fact Finding zoet water” is helder. Bijvoorbeeld uit figuur 2 op pagina 19 blijkt dat de inlaat bij Oosterhout een wezenlijk deel (10 m3/s.) uitmaakt van de beoogde zoetwatervoorziening. Niet helemaal helder is waar die 10 m3/s. vandaan komt. Uit de Amer, het Wilhelminakanaal of allebei? Wat tevens opvalt is dat in de factsheets in de “Joint Fact Finding zoet water” op enkele plaatsen (pagina 47 (PAN-polders) en pagina 51 (Mark-Vliet systeem)) bruinrot als probleem wel wordt aangegeven. Als voorbeeld de tekst op pagina 51: “ De leveringszekerheid in situaties van droogte waarbij de verdringingsreeks in werking treedt wordt mogelijk beïnvloed door de watervraag voor zoutlekbestrijding bij een zout Volkerak-Zoommeer, die een hogere prioriteit krijgt. Wegens extra inlaat vanuit het Hollandsch Diep voor de doorvoer naar Zeeland en PAN-polders en zoutbestrijding wordt het bruinrotprobleem kleiner.”. Men erkent het probleem dus wel!!!!

De fractie van Ons Water/West-Brabant Waterbreed is ronduit verbijsterd dat het bruinrot probleem slechts zijdelings wordt aangestipt en van een aanpak geen sprake lijkt en dat terwijl de levering vanuit Oosterhout voor geheel het kleigebied van West-Brabant van eminent belang is. Wat wij vreemd vinden, en ook een reactie op verwachten, is de inhoud van de genoemde bijlage 5 en de gevolgde procedure (geen DB behandeling/vaststelling). Wat was de status van dat stuk en waarom is daarin niet nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de bruinrot problematiek? Het zal helder zijn dat onze fractie het noodzakelijk vindt dat de bruinrot problematiek prominent wordt opgenomen in de in te dienen zienswijze.

 De waterschaplasten
Naar aanleiding van de inhoud stukken (MKBA en de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer) heeft mijn fractie vragen gesteld over de mogelijk toekomstige jaarlijkse kosten (1,57 miljoen euro) mogelijk voor het waterschap verbonden aan de verzilting van het Volkerak-Zoommeer VZM, kenmerk 0058 en kenmerk 0059. Mogelijk kunnen die vragen nu beantwoord worden. Onze fractie is buitengewoon onaangenaam getroffen door het feit dat er nog geen afspraken zijn over wie opdraait voor deze kosten. Wat wij vreemd vinden is dat, hoewel al uit de Projectnota Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (een stuk uit 2012) blijkt dat het waterschap na realisering de zorg krijgt voor beheer, exploitatie en onderhoud van de werken, dit gegeven niet is gedeeld met het AB en naar mijn weten ook niet is gedeeld met het DB. Laat staan dat het AB zich hierover en over wie de kosten moet gaan dragen heeft uit gesproken.

De fractie van Ons Water/Waterbreed is van mening dat volgens het vervuiler-betaalt-principe de veroorzaker van de kosten van de verzilting tot in lengte van jaren de daaruit voortkomende lasten zal dienen te dragen. Wij vinden tevens dat dit het standpunt moet zijn in de zienswijze en ingebracht moet worden in de gesprekken die het DB voert met de landsregering of met vertegenwoordigers daarvan.

Louis van der Kallen