OVER WATER – 146: HET MOET NIET GEKKER WORDEN

 

| 21-07-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 146: HET MOET NIET GEKKER WORDEN

 

De Sint Antoniuskapel in Aijen Foto: Michiel Verbeek

In de media (ANP) werd ik getroffen door de kop: “Waterschap gaat dijk verlagen na verzet dorpsbewoners”. De dijken rond het Noord-Limburgse dorpje Aijen worden toch niet hoger dan oorspronkelijk afgesproken. Die toezegging deed bestuurder Rein Dupont van het Waterschap Limburg tijdens een met spoed ingelast bewonersoverleg, nadat ruim twintig boze burgers met schoppen gewapend naar de dijk aan de Maas togen om die eigenhandig te verlagen.

De dijk was namelijk tot veertig centimeter hoger dan, in hun ogen, was afgesproken. Hierdoor werd veel inwoners een uitzicht op de Maas ontnomen. Na deze spontane actie besloot het schap water bij de wijn te doen.

Bij dijkverbeteringen worden dijken altijd hoger gemaakt dan volgens de normen noodzakelijk. Na een verhoging/verbreding zakt de dijk altijd door inklinken in. Modelmatig wordt daarom de vermoedelijk noodzakelijke extra benodigde hoogte berekend. Dit om extra handelingen en kosten te voorkomen. Dat gebeurt al vele tientallen jaren en blijkt nodig. Afhankelijk van de ondergrond en het materiaalgebruik blijkt meestal dat na inklinken de dijk aan de normen voldoet en slechts zelden wordt dan de normhoogte substantieel overschreden. De gebruikte modellen blijken veelal juist. Nu de extra laag eraf schrapen en over twee jaar gaan kijken hoeveel de dijk is ingeklonken en dan de dijk op hoogte brengen, en dat eventueel later nog een keer, is je reinste verspilling van overheidsgeld. Als het waterschap de verbeteringen zelf zou betalen heb ik er niets over te zeggen en zou ik slechts over zoveel toegeeflijkheid meewarig mijn hoofd schudden. Maar in dit geval betaalt de rest van Nederland mee. Dijkverbeteringen aan primaire keringen, zoals bij Aijen, worden voor 50 % opgebracht door het Rijk, voor 40 % door de waterschappen gezamenlijk en slechts voor 10 % door het eigen waterschap. Hier wordt het korte-termijn-denken en het ‘niet in mijn achtertuin’ en een voorgenomen wetsovertreding beloond door een bestuur/bestuurder met te slappe knieën. Er is niks mis met naar de burger luisteren, maar dat moet er niet toe leiden dat ondoelmatig met overheidsgeld wordt omgegaan en goede procedures, zoals het aanbrengen van een overhoogte om het onvermijdelijke inklinken op voorhand te compenseren, om zeep te brengen.

Het waterschap stelt hier, naar mijn inzicht, de verkeerde prioriteiten. Dijken worden niet verhoogd om aan normen te voldoen, maar om de veiligheid nu en in de toekomst zo goed mogelijk te borgen tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten. Wat mij betreft betaalt het waterschap Limburg deze meerkosten volledig zelf en wordt bij de volgorde waarin tot 2050 de verbeteringswerken aan primaire waterkeringen in Nederland worden uitgevoerd, de prioriteiten gelegd bij waterschappen die wel werken aan een toekomstige veiligheid tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten.

Ik sluit niet uit dat de komende verkiezingen voor een nieuw waterschapsbestuur in 2019 hier iets mee te maken heeft. Dit voorval laat dan ook zien dat de politisering van het waterschapsbestuur in 2008 geen winst is voor de kwaliteit en (financiële) duurzaamheid van de beslissingen.

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 145: “DRAWDOWN” EN DROOGTE

 

| 14-07-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 145: “DRAWDOWN” EN DROOGTE

 

Het is weer zomer. Voor mij betekent dat afkicken van Buitenhof en weer even wennen aan “het filosofisch kwintet“.  Dat ging een paar weken terug over ‘overbevolking’ en allerlei daaraan verbonden aspecten zoals: solidariteit, voedsel en welvaartverdeling, ecologische voetafdruk enz.

In het gesprek kwam ook het boek Drawdown voorbij. Een boek dat mij na lezing zeer aanspreekt. Ik schreef daar eerder een stukje over in het kader van vroegere waarschuwingen voor door de mens veroorzaakte klimaatveranderingen. Het boek geeft circa 100 oplossingsrichtingen over hoe de opwarming van de aarde te vertragen en zelfs terug te dringen. Van energie-alternatieven: wind-, zon-, geo-, hydro-, golf-, getijde-, bio- en nucleaire energie.  Ze worden stuk voor stuk (en allerlei varianten inclusief opslagsystemen) uitgewerkt.

Ook de hoofdstukken over voedsel (teelt en bereiding) zijn uitgebreid. Hoe te komen tot een plantrijk dieet? Hoe te komen tot een permacultuur? Onder andere gericht op bodemherstel zodat de bodem duurzaam in staat is voedsel te produceren en de bodembiotoop hersteld wordt. Hoe de voedselafvalberg te verminderen? Hoe de voedselbereiding te verbeteren en de CO2 uitstoot daarvan te verminderen? Hoe de ideeën van Ernst Gotsch inzake de combinatie van landbouw en bosbouw vorm gegeven kan worden en hoe door de vermenging van bomen en gewassen het koolstofgehalte van de bodem en de productiviteit van het land verbeterd kan worden. Hoe de rijstbouw geïntensiveerd en verbeterd kan worden. Hoe bosbouw en begrazing (silvopasture) gecombineerd kan worden met een bijzondere kwaliteit vlees als gevolg. Hoe met een beter nutriëntenbeheer de C02 uitstoot beperkt kan worden en de kwaliteit van de bodem verbeterd.    

Voor de leden van het algemeen bestuur van het waterschap Brabantse Delta was er een bijeenkomst over de droogte. In al die jaren van mijn bestuurlijke betrokkenheid bij waterschappen was dit de eerste keer dat het nodig was om er bestuurlijk op deze wijze over te praten. De droogte van nu is uitzonderlijk en ondanks dat we boffen dat de winter nat is geweest en de Maasafvoer door nalevering van water vanuit de bodem in het bovenstroomse gebied van de Maas nog redelijk op peil is gebleven, nemen de zorgen voor de landbouw toe. Deze zomer gaat steeds meer lijken op “De hondsdagen van 1976“. Tevens wordt duidelijk dat het verzilten van het Volkerak-Zoommeer systeem het domste is wat denkbaar is. Nu kan dit zoete water nog gebruikt worden door de landbouw in grote delen van West-Brabant, Zeeland en Zuid-Holland. Wel dient dan de sluipende verzilting snel gestopt te worden door doorspoelen en door het reeds decennia uitgestelde onderhoud aan de sluizen omgaand ter hand te nemen, zodat deze rijke bron van zoete welvaart behouden blijft. De droogte laat ook zien dat het gat, dat Nieuwe Waterweg heet en circa 800 kubieke meter zoet water per seconde verspilt, gedicht moet worden. De honger naar zoet water moet gestild worden door nu eindelijk te gaan werken aan sluizen in de Nieuwe Waterweg die bij een oplopend tekort aan zoet water gedicht kunnen worden.  

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 144: HIJ KOMT, DE TIJGERMUG

 

| 07-07-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 144: HIJ KOMT, DE TIJGERMUG

 

Recent dook de tijgermug (Aedes albopictus), een Aziatische muggensoort, op in acht Nederlandse gemeenten in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland, Gelderland, Overijssel en Limburg. De tijgermug kan nare ziekten overbrengen, zoals dengue (knokkelkoorts) en zika. Volgens Arnold van Vliet wordt Nederland door klimaatverandering geschikter als leefgebied voor de tijgermug. Zijn stelling op het 1e hittestress congres van 25 juni te Den Bosch was: “Het is niet de vraag óf, maar wanneer hij zich in Nederland zal vestigen.”

Het ECDC (European Centre for Disease Prevention and Control) volgt de opmars van de tijgermug in Europa. In 2000 kwam de tijgermug alleen rond de Middellandse Zeevoor. Nu leeft hij al tot aan de Atlantische kust van Frankrijk, in de Vogezen en in Noord-Frankrijk. Ons Nederlandse klimaat lijkt geschikt voor de tijgermug. De hoeveelheid neerslag en de gemiddelde wintertemperatuur worden, gezien de klimaatontwikkelingen, steeds gunstiger voor de tijgermug.

De tijgermug is een gemene steker. Nu hun komst onafwendbaar lijkt, moeten we ons er op gaan voorbereiden. Dat betekent mensen vertellen dat stilstaand water in bakken, potten en vijvers middels de tijgermug, bronnen kunnen gaan worden van ernstige ziekten zoals dengue en zika.  Nieuwbouwhuizen zouden in de toekomst bijvoorbeeld standaard uitgerust moeten worden met voorzieningen voor horren. Maar ook gemeentelijke overheden zullen na moeten gaan denken over of en hoe ons rioolstelsel beter kan worden ingericht of hoe de tijgermug daarin kan worden bestreden. Rioolputten/straatkolken, met hun stilstaande water, kunnen in de toekomst broedplaatsen worden van tijgermuggen. Zeker bij nieuwbouwwijken verdient het overweging te kijken wat er anders kan en misschien zelfs anders moet.  

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 143: 1e CONGRES HITTESTRESS

 

| 29-06-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 143: 1e CONGRES HITTESTRESS

 

Jarenlang leken al mijn betogen en artikelen over hittestress geroep in een volstrekt lege woestijn. In Over Water 141 vermeldde ik al dat in het praktijkseminar “de implementatie van klimaatadaptatie in steden en regio’s” op de WUR campus te Wageningen één van de sprekers ook ‘sterfte’ als één van de gevolgen van hittestress noemde. Op 25 juni was er het 1e congres Hittestress in Den Bosch met als dagvoorzitter Helga van Leur en als sprekers:

 – Cora van Nieuwenhuizen, de minister van infrastructuur en waterstaat, die vertelde over de nationale aanpak van klimaatadaptatievraagstukken

–  Jan Terlouw, die inspirerend sprak over de opwarming van de aarde en de rol van de mensheid daarin en, mits wij mensen samen zouden werken, optimistisch was over de mogelijkheden tot aanpak van de problematiek

– Gerard van der Steenhoven, de hoofddirecteur van het KNMI die, net als de minister, hittestress een sluipmoordenaar noemde.

Het is helder: ik ben geen roepende in de woestijn meer als ik over de oversterfte praat die hittestress veroorzaakt. Hittestress is dodelijk. De minister kwantificeerde het zelfs door te vermelden dat de hittegolf in 2003 zelfs een oversterfte veroorzaakte van 12%, 1400 extra doden.

Dit 1e Hittestress congres is beoogd agenderend te zijn, zo vertelde de dagvoorzitter. Ik denk dat het met deze sprekers ook agenderend kan zijn. Hoewel ik graag zou zien dat niet alleen de hittegolf van 2003 gememoreerd wordt, maar dat ook de hittegolf van 1976, die bijna een zomer duurde, in het vervolg gememoreerd zal worden. Een zomer die in West-Europa zorgde voor een enorme oversterfte, een forse daling van de productiviteit, een verdubbeling van de prijzen van vers voedsel, meer bedrijfsongevallen, ernstige problemen met het transport over water en als gevolg daarvan bedrijfssluitingen. Een studie naar die zomer kan de bestuurlijke geesten rijp maken voor een voortvarende aanpak van hittestress. Geïnteresseerd in die zomer? Kijk dan eens naar het filmpje:  “De hondsdagen van 1976″.

Ik werd getroffen door het besef dat de dromen en doelstellingen van mensen zo enorm kunnen veranderen. Toen ik geboren werd was de verwachting van mensen in mijn omgeving dat hun kinderen het beter zouden krijgen dan zij. Ze dachten oprecht dat zij de wereld beter zouden achter laten dan toen zij geboren werden. Toen kwam Brundtland (1987) en werd het begrip duurzaam de wereld in geslingerd (we zouden de wereld niet slechter achterlaten, dan we die wereld hadden aangetroffen). Helga van Leur formuleerde het tijdens het congres zo: “de jeugd heeft recht op een wereld die zich kan herstellen”. Enerzijds misschien al een hoge ambitie, anderzijds lijken die woorden ook een (tijdelijke) acceptatie in te houden van de huidige verslechtering van de situatie.

Jan Terlouw zei dat de biodiversiteit nog slechts 15 % is van wat die in 1900 was. Ik weet niet of hij gelijk heeft, maar zelfs als de verslechtering maar de helft daar van is kunnen we dat, in ons leven, niet accepteren. Natuurlijk wil ik bij mijn verscheiden een wereld achter laten die zich kan herstellen. Maar nog meer hebben wij (mijn generatie) de plicht daar nu een bijdrage aan te leveren. Jan Terlouw zei aan het einde van zijn verhaal dat hij hoopte dat er geen ramp hoeft te gebeuren om het bewustzijn tot noodzakelijke verandering te doen ontwaken. Hij riep op tot samenwerking.

Het viel mij op dat veel bezoekers aan dit congres een GGD achtergrond hadden. Klaarblijkelijk is in die kringen de effecten van hittestress op de volksgezondheid stevig doorgedrongen. Toch ben ik nog lang niet tevreden over het bewustzijn van de effecten van hittestress en de klimaatveranderingen. Overheden en politici denken nog steeds dat met wat maatregelen de problemen snel en definitief oplosbaar zijn. Dat blijkt uit hun woordgebruik dat gericht is op geruststellen in plaats van bewust maken. Woorden als klimaatbestendig en hittebestendig en veilige dijken laten zien dat ze denken dat, als iets aan de normen voldoet (wat die ook mogen zijn voor klimaat- of hittebestendig), het probleem is opgelost. Wat zijn voor politici veilige dijken? In Zuid-Holland was dat als de kansen op een overstroming eens in de 10.000 jaar zijn. In West-Brabant eens in de 1250 jaar. In Geertruidenberg eens in de 3000 jaar en in sommige delen van de Maasvallei eens in de 250 jaar. Er zijn geen absoluut veilige dijken. Net zo min als er klimaatbestendige of hittebestendige steden zullen zijn. Tegen de echte extremen hebben we, met de kennis van nu, voor nu en voor de nabije toekomst geen oplossingen. Maar we kunnen onze leefomgeving wel met tal van maatregelen klimaat- en hittebestendiger maken. Om met Jan Terlouw te spreken samen kunnen we dat.

In het congres waren tal van werkbijeenkomsten. Ik ben er zelf naar twee geweest. “hoe kan water in de stad bijdragen aan verkoeling” gepresenteerd door het http://climatelier.net/ en naar “ontwerprichtlijnen voor de klimaatadaptieve stad”. De laatste ging vrijwel uitsluitend over vergroening van de bebouwde omgeving en de groene invulling van de openbare ruimte. Ik miste daar de aandacht voor het effect van de materiaalkeuze op de opwarming van de gebouwde omgeving. Ook het effect van kleurkeuzen werd niet genoemd. Geen enkele van de 28 werkbijeenkomsten ging over die twee onderwerpen. Ik vond dat een gemiste kans. Nu hoop ik maar dat materiaal- en kleurkeuzes op het eerstvolgende hittecongres wel aan bod komen. Dan hoop ik ook dat op één van de hogescholen of universiteiten, die bezig zijn met onderzoek naar klimaatadaptatie en hittestress, de zomer van 1976 in al zijn facetten is onderzocht. Dat onderzoek zou dan wel eens de ramp in beeld gebracht kunnen hebben, die politici in heel West-Europa er toe brengt niet meer te talmen maar aan de slag te gaan.    

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 142: DE NIEUWE BELASTINGVOORSTELLEN

 

| 23-06-2018 | 13.15 uur |


 

OVER WATER – 142: DE NIEUWE BELASTINGVOORSTELLEN

 

In het uit 2014 stammende OESO-rapport “Water Governance in the Netherlands: Fit for the Future?” werd geconcludeerd dat de organisatie van het Nederlandse waterbeheer goed is geregeld, maar dat het schort aan waterbewustzijn bij de bevolking. De OESO deed de suggestie om economische prikkels in te voeren door vervuilers/gebruikers meer te laten betalen.

Ik stelde over dat rapport in 2014 uitgebreid vragen aan het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta.

Recent is verschenen een advies van de Commissie Aanpassing Belastingstelsel (CAB) met veel voorstellen tot aanpassingen van de waterheffingen. Vervuilers zullen in de toekomst meer verontreinigingsheffing moeten gaan betalen. Ook groepen die direct profijt trekken van het werk van een waterschap kunnen een hogere rekening verwachten. De CAB voorstellen zijn forse veranderingen. Eén van de veranderingen is de introductie van het gebiedsmodel als basis voor kostentoedeling. Besturen krijgen meer mogelijkheden te bepalen wie hoeveel procent van de heffingen betaald. Dat zal in de besturen stevige discussies opleveren en de besluitvorming politieker maken. Want dat gaat echt over wie betaalt wat. Hierbij gaat inkomenspolitiek steeds meer een rol spelen. Iets wat waterschappen, buiten de kwijtscheldingsregelingen, grotendeels buiten de deur hebben weten te houden.

Een andere opvallende consequentie is dat eigenaren van wegen (gemeenten, provincies, rijk en waterschappen) minder watersysteemheffing zullen gaan betalen en eigenaren van natuurterreinen juist meer. De zuiveringsheffing wordt fors veranderend. De hoeveelheid vuil en het aantal kubieke meters aangeleverd water  wordt daarin meer bepalend. Bij gezinnen zal het tarief meer naar het aantal leden van het huishouden worden gedifferentieerd. Voor tweepersoonshuishoudens betekent dat een forse daling van de heffing, voor huishoudens met vier en meer dan vier personen gaat dat een forse stijging van de zuiveringsheffing betekenen. In het huidige voorstel worden diffuse verontreinigingsbronnen, zoals die vanuit het verkeer of de landbouw, niet belast met een heffing.

Volgens de Unie van Waterschappen zal de totale lastendruk/belastingopbrengst in het toekomstige stelsel niet veranderen, wel zullen er verschuivingen van lasten optreden tussen de verschillende betalende groepen. Als de huidige voorstellen ongewijzigd worden ingevoerd, kan ieder waterschap zelf bepalen hoe hoog de uiteindelijke heffingen gaan worden. Daarbij kunnen waterschappen maximaal 15% afwijken van de richtlijnen van de Unie van Waterschappen. Het nieuwe stelsel kan naar verwachting op 1 januari 2022 in werking treden.

Ik vind de voorgestelde veranderingen van de heffingen fors. Een tweepersoonshuishouding gaat bijvoorbeeld in mijn eigen waterschap Brabantse Delta 26 % minder zuiveringsheffing betalen. Een vierpersoonshuishouding 46 % meer. Wat er voor natuurgronden meer betaald gaat worden is in de voorstellen niet per waterschap uitgewerkt, maar kan oplopen tot 1500 % meer. Dat is wel heel fors. De vraag is kunnen natuurbeheerders dit soort stijgingen wel aan. Ook voor mijn eigen gemeente Bergen op Zoom, met heel veel bossen in bezit, kan het een dure aangelegenheid worden.

Enige tijd geleden schreef ik over de waterschapslasten voor grondbezitters in het jaar 1844. Toen was de kwaliteit van de grond en daarmee het opbrengend vermogen maatgevend. Mijn eindconclusie toen was: “170 jaar geleden was de heffingsverhouding tussen landbouwgronden en natuurgronden bijna dezelfde als nu. Kijkend naar de CAB voorstellen nu, stel ik mij de vraag: hebben we het al die tijd fout gedaan of is het aanhangen van het kostenveroorzakingsprincipe een rimpeling in de tijd, een modeverschijnsel? Ik voel meer voor het profijtbeginsel in combinatie met het draagkrachtbeginsel. Ik wens de wetgever veel wijsheid toe bij de te maken afwegingen. Zelf leer ik graag van de geschiedenis, omdat ik heb geleerd dat daar veel wijsheid in te vinden is.”        

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 141

 

| 16-06-2018 | 11.15 uur |


 

OVER WATER – 141

 

11 juni Bestuurdersdag UvW 2018

De bestuurdersdag van de Unie van Waterschappen is altijd een mooie gelegenheid om collega’s te ontmoeten en iets te leren van wat er elders op het gebied van water speelt. Dit keer was de gastheer  het Wetterskip Fryslân en werden we ontvangen in de Grote of Jacobijnerkerk te Leeuwarden. Deze kerk bevat de grafkelder van de Friesche Nassau’s, de in Leeuwarden en Groningen residerende Stadhouders van Friesland en Groningen. De kerk is, net als Leeuwarden, een bezoek waard. Het ochtendprogramma startte met het Friese volkslied. Mocht de bestuurdersdag van de Unie ooit nog door Brabantse Delta georganiseerd worden dan wil ik graag dat de ontvangst in Bergen op Zoom is, zodat ik de geachte collega’s kennis kan laten maken met het “Merck toch hoe sterck”.

Er waren lezingen van onder andere Hans Achterhuis, milieufilosoof en van de bioloog Theunis Piersma. Het verhaal van Piersma ging over het verloren gaan van het geluid, de geuren en de kleuren in en van het landschap door de teruggang van insecten en vogels, die dat landschap kleuren. Wat mij ook trof waren de effecten van de huidige techniek van het injecteren van mest (insnijden van de grond) op de bodemkwaliteit en het bodemleven. Ook de effecten van de diepe ontwatering op de Friese laagveengronden maakte op mij indruk. Boer Brunia vertelde over hoe het anders kan met buitenpotstal en beweidingstechniek.  Het verhaal van Peter de Ruyter over het Friese Laagveen was indrukwekkend, waarbij de “Places of Hope” projecten lieten zien dat er mogelijkheden zijn om het tij te keren. Iris Kroes sloot het ochtendprogramma af met een (water)lied waarbij ze het gezelschap zich wederom tot koor liet omvormen.

Het middagprogramma bestond voor mij uit een bezoek aan het Natuurmuseum Fryslân, waarbij de nog in aanbouw zijnde onderwaterbeleving werd bezocht. Hierin worden bezoekers straks rondgereden in een Friese onderwaterwereld. De bezoeker wordt daarbij een beleving geboden als ware hij of zij een vis. Ik kom zeker een keer terug als dit geopend is. Het Wetterskip is nauw betrokken bij dit project. Daarna volgde een boottocht door de grachten van Leeuwarden die eindigde in de voormalige gevangenis van Leeuwarden.   

Het eerste deel van de rit naar huis was een beetje een pelgrimstocht. Een rit over de Afsluitdijk is voor mij iets bijzonders. De Afsluitdijk vind ik een uiting van Hollands glorie en voor mij een zichtbaar en bijna levend eerbetoon aan wat waterbeheer en dijkenbouw aan Nederland heeft toegevoegd. Staand voor het standbeeld van Cornelis Lely ben ook ik een beetje trots op wat wij ‘waterschappers’ toevoegen aan Neerlands trots.

12 juni praktijkseminar

Op 12 juni ben ik naar het praktijkseminar “de implementatie van klimaatadaptatie in steden en regio’s” op de WUR campus te Wageningen geweest, georganiseerd door het PPS netwerk. Vaak ben ik op dit soort seminars de enige waterschapbestuurder. Dit keer telde ik er vijf, waarvan drie uit Noord-Brabant. Alle drie de Brabantse waterschappen waren vertegenwoordigd. Dit laat zien dat klimaatadaptatie nu echt ook bij bestuurders tussen de oren begint te komen en men er tijd voor begint vrij te maken. Ook waren er een aantal ambtenaren van waterschappen en gemeenten aanwezig.

Het viel op dat nu ook ‘sterfte’ als één van de gevolgen van bijvoorbeeld hittestress genoemd werd. Ik ben duidelijk niet meer een roepende in de woestijn. In het verhaal van Gilbert Maas van de WUR werden, buiten de standaard gevolgen van de klimaatverandering (overstromingen, wateroverlast, hittestress en droogte), ook natuurbranden en bodemerosie genoemd als gevolgen.  Door twee medewerkers van de gemeente Ede (Koen Classen en Anoek Ruijters) werd de aanpak van de gemeente Ede gepresenteerd, die mede gebaseerd is op de klimaateffectatlas data en op de klimaateffectatlas Vallei en Veluwe. Deze klimaateffectatlas is ontwikkeld in opdracht van gemeenten, provincies, en waterschap in Gelderse Vallei, Veluwe, Eemland en IJsselvallei.

Deze aanpak is wat mij betreft een voorbeeld voor andere gemeenten en waterschappen.

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 140: WIE ZAL DAT BETALEN EN WINDMOLENS OP PRIMAIRE KERINGEN

 

| 09-06-2018 | 09.30 uur |


 

OVER WATER – 140: WIE ZAL DAT BETALEN EN WINDMOLENS OP PRIMAIRE KERINGEN

 

Wie zal dat betalen

Onder de kop: “geld in plaats van woorden tegen hoosbuien” was in Binnenlands Bestuur te lezen dat gemeenten, provincies en waterschappen op korte termijn geld willen zien van het kabinet om beter te kunnen optreden tegen hoosbuien. “Anders dreigen de gevolgen van de klimaatverandering vooral terecht te komen bij burgers en bedrijven.” Volgens deze lagere overheden zijn de hevige buien van de afgelopen week een ernstige voorbode van wat ons te wachten staat. Snelle maatregelen om schade door wateroverlast en langdurige droogte te voorkomen vinden zij nodig. Analyses laten zien dat als er niets wordt gedaan, we tot 2050 ruim 71 miljard euro schade tegemoet kunnen zien.

Ik ben het met de koepels van de gemeenten (VNG), de provincies (IPO en de waterschappen (UVW) eens dat haast en aanpakken nu nodig is. Maar wat let hun? De kosten komen altijd bij de burger uit. Of dat nu via de gemeentelijke belasting is of via de waterschapslasten. Betaald zal er moeten worden. Eerst naar een ander kijken, is een typisch Nederlandse manier om de verantwoordelijkheid van niets of te weinig doen op het bordje van een ander te schuiven.

Het orkest zonder naam verwoordde het al in de jaren vijftig (de herbouw jaren):

Wie zal dat betalen
Wie heeft dat besteld
Wie heeft zoveel ping ping-ping
Wie heeft zoveel geld

Er lijkt niets veranderd!

Het gaat om aanpassingen in de openbare ruimte, waardoor het water meer ruimte krijgt. Het gaat om meer groen en tijdelijke wateropslag. Bij nieuwe bouwplannen en herinrichtingen rekening gaan houden met de klimaatverandering enz. Kortom, taken waar gemeenten en waterschappen voor dienen te staan. Er is een groot maatschappelijk vraagstuk dat nu om een oplossing en aanpak vraagt. Welke overheid het werk doet en welke overheid het betaald is uiteindelijk voor de burger niet relevant. Het is altijd de burger en het bedrijfsleven die de kosten, die de overheid maakt, betaald. Waterveiligheid is bij uitstek een maatschappelijk goed en daarmee in ons land een overheidstaak. Niet lullen maar poetsen zou ik zeggen. De voorzitter van de Unie van Waterschappen vindt dat de “schop nu de grond in gaat”. Dat vind ik ook. In het besef dat uiteindelijk het de burgerij is die voor de kosten opdraait, zou ik zeggen ga aan de slag. De burger beseft heel goed dat het niet uitmaakt of hij door de hond of de kat gebeten wordt, betalen moet hij toch. Dan heeft hij er baat bij dat hij zo snel mogelijk geboden krijgt waar hij behoefte aan heeft: waterveiligheid en bescherming van zijn have en goed.

Dus ophouden met het schijngevecht over ‘wie zal dat betalen’ en aan de slag, want het werk is groot en zal vele jaren in beslag nemen. Ga aan het werk! Geen woorden maar daden! Wachten kan niet meer!

Windmolens op primaire keringen

Op donderdag 7 juni bezocht ik, op uitnodiging van Joost Pellens van Innogy, een symposium met als titel: “Samen vorm geven aan de regionale energietransitie: duurzaam, innovatief en betaalbaar.”, met een onderdeel “windturbines op primaire keringen”. In een zaal vol windmolen-enthousiasten zag ik een bijzonder sheet voorbij komen met de titel “Wat is een faalmechanisme” met zeven faalmechanismen van dijken. Er werd uitleg gegeven over de combinatie van de dijkverbetering van de Oostpolderdijk en de plaatsing van drie windmolens daarop. Als de dijkverbetering is voltooid en de molens geplaatst zijn, kan het een goede zaak zijn ter plaatse eens een werkbezoek af te leggen en alle ins en outs nader te bekijken en hoe daarmee als dijkbeheerder om te gaan.

Een aantal onderdelen van de presentatie vond ik verwarrend omdat door elkaar termen worden gebruikt als ‘op’ en ‘in’ de dijk. Ik ken locaties waar bomen op een dijk staan en toch niet in een dijk. Dat kan omdat de dijk een formeel profiel heeft en de bomen staan in een laag grond die daarop is aangebracht. Wat onderbelicht bleef zijn de beschermingszones van een dijk (voor en achter de dijk) en wat die voor kansen zouden kunnen bieden. Voor waterschappers is een windmolen op/in een dijk iets beangstigend. Geen gedonder of risico’s nemen met een dijk is het uitgangspunt voor velen. Ook voor mij. Toch moet je bereid zijn ook naar die mogelijke multifunctionaliteit te kijken.

Het symposium werd opgeluisterd door de Sandlake City Jazzband. Zes mannen die met liefde, plezier, ritme en gevoel musiceerden. Van hun muziek heb ik genoten. Wat zouden zij een mooie aanvulling zijn voor het jazzweekeinde van Bergen op Zoom of Breda.

 

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 138: RISICO’S VAN WATER OP STRAAT

 

| 26-05-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 138: RISICO’S VAN WATER OP STRAAT

 

Stevige regenval kan leiden tot vervuild water op straat. Als de riolering overstroomt komt er water op straat dat veel bacteriën en micro-organismen bevat. Als mensen ermee in contact komen, kan dat maag- en darmklachten geven zoals diarree en overgeven, luchtwegklachten zoals keelpijn en verkoudheid of huiduitslag. Zo is gebleken uit een onderzoek van Sanitas Water.

Bij wateroverlast bleek 33 procent van de mensen in contact te komen met water op straat. Enkele voorbeelden van de gezondheidseffecten: vervuild straatwater op de huid gaf een 6,7 keer meer kans op huidklachten, ingeademd vervuild straatwater gaf 2,75 keer meer kans op luchtwegklachten (hoesten, keelpijn, verkoudheid), vervuild straatwater in de mond 4,4 keer meer darmklachten (diarree en overgeven). Contact met het straatwater veroorzaakt dus een groter risico op gezondheidsklachten. Volgens het Sanitas onderzoek zijn de gezondheidsrisico’s 3 tot 7 keer zo hoog vergeleken met mensen die binnen blijven. Gemeenten zouden burgers goed moeten voorlichten over de risico’s van water op straat bij zware regenbuien. Zeker waar kinderen spelen moeten de risico’s zo klein mogelijk gehouden worden, regels voor het opruimen van hondenpoep en de handhaving daarvan kunnen daarbij behulpzaam zijn. Hier ligt dus een taak voor de gemeenten.

Water websites

  • Recent is gestart de website Brabant InZicht. Op deze website vindt u feiten, cijfers en kaarten over de toestand van natuur, water en milieu in Noord-Brabant. Hier is buitengewoon veel te vinden over de toestand van het water in Noord-Brabant. Het bekijken waard.
  • Een andere water kennisbron is de website van het Nationaal Kennis- en innovatieprogramma Water en Klimaat (NKWK). Het NKWK is de Nederlandse vleugel van de Delta Alliance. Dit is een internationaal netwerk met als doel het verbeteren van de veerkracht van delta’s. De Delta Alliance heeft activiteiten in vijftien landen, verspreid over vijf continenten.

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 137

 

| 19-05-2018 | 14.00 uur |


 

OVER WATER – 137

 

Gelezen

Recent heb ik gelezen “Tonnagie op de Zeeuwse Stromen” geschreven door Ad van der Weel, Uitgegeven door Rijkswaterstaat Directie Zeeland omstreeks 2002. Het boek gaat over de geschiedenis van de betonning van de Zeeuwse Wateren, betonningsstelsels, betonningsmaterialen (boeien en bakens), betonningsvaarschepen, plaatsingspalen, onderhoud, storingen etc. en bevat tal van foto’s, kaartjes en illustraties. Hoewel het boek enigszins gedateerd is, geeft het een prachtig overzicht van de geschiedenis van betonningen en de organisatie van deze vorm van geleiding en bescherming van de scheepvaart.

“Het Groene Kleed, Toekomst voor de Nederlandse natuur”. Een boek uitgegeven in 1995 en geschreven door Jan van Gelderen met foto’s van Fred Hazelhoff. De eerste zin luidt: “De beloften van een verrommeld land.” Een kritisch boek met hoop voor de toekomst. Het is aardig om nu, 23 jaar na de uitgifte,  te kijken of en hoe de plannen van toen vorm zijn geven.  Mijn conclusie? Er is best veel gebeurd. Toch lijkt het deels dweilen met de kraan open.

“Water, drie culturen zoekend naar evenwicht”. Een boek uitgegeven in 1994 door SDU en geschreven door Bas Vereecken, met foto’s van Reinout van den Bergh en een bewogen voorwoord door Boutros Boutros-Ghali de toenmalige Secretaris-Generaal van de verenigde Naties.  “Water” brengt drie culturen in beeld die alle drie strijd leveren met het water, in een poging met dat water in harmonie te leven. De Tukano indianen in het Amazone gebied rond de grens van Brazilië en Colombia. Een waterrijk gebied dat toen en nu bedreigd wordt doordat goudzoekers het ‘water’ van hun rivieren vervuilen met olie en kwik.  De provincie Noord-Holland waar alles rond het ‘water’ perfect georganiseerd lijkt en goed drinkwater vanzelfsprekend lijkt en toch een strijd om de kwaliteit van drinkwater en oppervlaktewater steeds nodig blijft. En de Jemenieten die leven in een woestijnachtige omgeving waar de watervoorraden toen en nu schaars zijn. En de strijd, mede om dat water, anno 2018 met bommen en granaten wordt gevoerd. Het “Water” laat zien dat culturen afhankelijk zijn van water. Water is een rode draad in de ontwikkeling van deze drie culturen en vermoedelijk van alle culturen.      

Louis van der Kallen

 


OVER WATER – 136: OUDE WIJSHEDEN

 

| 12-05-2018 | 11.00 uur |


 

OVER WATER – 136: OUDE WIJSHEDEN

 

Mijn zoon is recent in het bezit gekomen van een deel van het archief van het landgoed Mattemburgh. Bij het doornemen van die stukken kwam ik enkele aanslagen tegen ten behoeve van de lediging van de kosten van de “Herdigting  van de Rivier de Mark en Dintel” uit 1844.

Als waterschapbestuurder is de interesse bij mij dan gelijk gewekt en probeer ik de kennis en gebruiken van toen te beschouwen bij de inzichten en plannen van nu. De ‘herdigting van de Mark en Dintel’ kende een lange geschiedenis. En er werden vele tientallen jaren plannen gemaakt en werd er nagedacht over de financiering, zoals het ‘financieringsplan’ bij besluit van Zijne Majesteit van 5 juli 1818.  

De ‘herdigting van de Mark en Dintel’ betrof een voor die tijd zeer omvangrijk werk ter verbetering van onder andere de bevaarbaarheid, de uitwatering, de bescherming tegen overstromingen en betrof onder andere uitdieping, stroomverleggingen, dijkwerken en de bouw van sluizen. Bij besluit van Zijne Majesteit van 15 december 1824 werd tot de werken (begroting 633.500 gulden) besloten. De realisatie vond plaats in de jaren 1826-1828. Ter dekking van de kosten werd er een heffing geheven per grondeenheid. Een soort van grondslag, die vergelijkbaar is met de huidige watersysteemheffing per hectare. Anno 2018 kent die heffing in feite twee klassen die voor de categorie  ongebouwd (agrarische gronden) en die voor de categorie natuur.

Het huidige systeem van waterschapsbelastingen is in discussie en er is een advies van de Unie Commissie Aanpassing Belastingstelsel (CAB). Ik schreef hier eerder over. De CAB stelt voor de categorie natuur voortaan onder te brengen bij de categorie ongebouwd. Als dat de enige wijziging zou zijn, betekent dat een tariefstijging voor de huidige categorie natuur van circa 1400 procent. Het concept voorstel van de CAB is gebaseerd op het meer in balans brengen van de kosten, veroorzaakt ten behoeve van een categorie, met het belang van die categorie. Feitelijk is dit de toepassing van het kostenveroorzakingsprincipe. Nog niet zo lang geleden was het ‘profijtbeginsel’ in zwang. En tot Rijksbeleid verklaard.

Bij verdeling van de kosten van de “Herdigting  van de Rivier de Mark en Dintel” concludeer ik op basis van de aanslagen in het jaar 1844 dat het profijtbeginsel of opbrengstmogelijkheden van de grond het uitgangspunt was. Voor ruim 47 gemeten (circa 20 hectaren) van de “besten grond” moest de heer van Mattemburgh ruim 110 gulden per jaar betalen. 5,5 gulden per hectare. Terwijl voor bijna 53 gemeten (22,5 hectaren) klasse 6 grond nog geen 8 gulden per jaar betaald moest worden. Circa 36 cent per hectare. 170 jaar geleden was de heffingsverhouding tussen landbouwgronden en natuurgronden bijna dezelfde als nu. Kijkend naar de CAB voorstellen nu, stel ik mij de vraag: hebben we het al die tijd fout gedaan of is het aanhangen van het kostenveroorzakingsprincipe een rimpeling in de tijd, een modeverschijnsel? Ik voel meer voor het profijtbeginsel in combinatie met het draagkrachtbeginsel. Ik wens de wetgever veel wijsheid toe bij de te maken afwegingen. Zelf leer ik graag van de geschiedenis, omdat ik heb geleerd dat daar veel wijsheid in te vinden is.         

Louis van der Kallen