HANDHAVEN – 0002

 


 

Bergen op Zoom, 14 maart 2005

 

Aan het Dagelijks Bestuur van

Waterschap Brabantse Delta

per e-mail: info@brabantsedelta.nl

 

Geacht Dagelijks Bestuur,

Op de agenda van het AB van 6 april a.s. staat de Nota Professioneel Handhaven ter kennisname onder de mededelingen.

De mededelingen worden normaliter in het AB niet uitgebreid behandeld. Gezien het gegeven dat ondergetekende daar toch een aantal bemerkingen op heeft en ik geen deel uitmaak van de commissie bestuur en middelen, neem ik de vrijheid deze schriftelijk onder Uw aandacht te brengen.

In het stuk staat vermeld “de uitgezonden boodschappen dient een eenduidige en consequent te zijn”. Dit onderschrijf ik van harte. Waarom gebeurt dat in dit stuk niet?

Termen als bedrijf, bedrijven, lozers en bedrijven/lozers worden door elkaar gebruikt, terwijl in vermoedelijk alle gevallen de term “lozers” op zijn plaats is of zou moeten zijn, tenzij men bewust “bedrijven” gebruikt om andere overheden buiten de doelgroep te laten vallen, hetgeen ik principieel onjuist zou vinden.

Wat mij ook verbaast en hetgeen ik principieel onjuist vindt, is de aparte positie van de eigen organisatie en andere overheden als het gaat om optreden tegen overtredingen.

Paragraaf 3.3: “Verder heeft het waterschap een regeling voor het optreden tegen overtredingen door de eigen organisatie en andere overheden”.

Overheden, zo wijst recent onderzoek uit, zijn vaak nalatig als het om de eigen vergunningen gaat. Zeker gemeenten zijn bijvoorbeeld ten aanzien van de basisinspanning reeds jaren nalatig inhoud te geven aan de wet- en regelgeving! Wat is de wettelijke basis om overheden anders te behandelen dan andere overtreders, als zij zich schuldig maken aan wetsovertredingen?

Op zich zou er niets tegen zijn om handhavingsactiviteiten en -plannen te communiceren met andere handhavers. Maar wat als die andere handhavers deel uitmaken van een andere overheid die onderdeel is of doel van het te verrichten onderzoek/controle?

De omkaderde omschrijving van het begrip handhaving op pagina 4 is de juiste. Waarom wordt dit in de nota afgezwakt tot het doel “de naleving van de WVO wordt bevorderd”?

Wat merkwaardig overkomt, is het budget voor het toepassen van bestuursdwang. Wanneer in enig jaar het budget half in het jaar verbruikt is, valt dan de feitelijke mogelijkheid van het toepassen van het middel bestuursdwang weg?

Tot slot: de diffuse ongereguleerde bronnen komen er in deze nota maar bekaaid af. Hier zou juist de grotere milieuwinst te behalen moeten zijn. Professioneel lijkt alleen datgene wat direct meetbaar is!

Uw reactie tegemoet ziende,

hoogachtend,

L.H. van der Kallen

 


KAMERS VAN KOOPHANDEL INZ. KRW – A003

 


 

Bergen op Zoom, 2 maart 2005

 

Aan de Besturen van Kamers

van Koophandel van

Zeeland, West- en Midden Brabant,

Rotterdam, Rivierenland

en Centraal Gelderland

 

Geachte Besturen,

Bij vier waterschappen ben ik bestuurlijk actief, waarvan drie ten behoeve van de categorie bedrijfsgebouwd, o.a. in het werkgebied van Uw Kamer.

Op dit moment is waterschappelijk Nederland bezig met (de voorbereiding van) de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW).

De KRW blijkt steeds meer een doos van Pandora. Tot nu toe is de ervaring dat het (regionale) bedrijfsleven zich onvoldoende bewust is van de ernstige (financiële) bedreigingen die de KRW in zich draagt.

Ook is de inbreng van het bedrijfsleven tot op heden minimaal in het (deels landelijke) overlegcircuit inzake de implementatie (het bedrijfsleven is niet vertegenwoordigd),

terwijl op zeer korte termijn een deel van de Nederlandse wetgeving tot stand aan het komen is.

Om enige aanzet te geven omtrent de ernst van de situatie een paar feiten:

– Uit de ambitienota van het Kabinet blijkt dat zij rekening houdt met een verdubbeling (in euro’s van nu) van de zuiveringslasten (waterkwaliteitsheffing) tot 2015.

– Het CPB heeft in een quick scan aangegeven zelfs niet in ruwe termen iets te kunnen zeggen over de kosten van de KRW.

– Uit de in omloop zijnde stukken blijkt tot op heden dat er geen economische effect analyse wordt/is gemaakt.

Een economische effect analyse is buitengewoon belangrijk omdat de economische effecten de enige legale route is om te komen tot fasering van de maatregelen (derogatie).

Wat ronduit verontrustend is, is het gegeven dat het bedrijfsleven ontbreekt in het landelijk bestuurlijk overleg (LBOW), waarin betrokken zijn V&W, UvW, IPO en VNG.

Binnen de waterschappen gaat men er van uit dat de meeste verplichtingen, voortkomend uit de KRW, inspanningsverplichtingen zijn. Ondergetekende vreest dat men zich daarin vergist.

Nederland kent ten aanzien van (mede)overheden een gedoogcultuur. Europa kent een naar- de-letter-van-de-Wet handhavingscultuur. Nederland is recent reeds door de EC gedaagd voor het Europese Hof van Justitie wegens het niet (tijdig) omzetten van de KRW in wetgeving.

Gezien de aard van de KRW en de scherpe eisen zou het kunnen zijn dat de overheden wederom kiezen voor de voor hen makkelijkste weg: eisen stellen aan de puntemissies in plaats van bijvoorbeeld de diffuse bronnen. Kortom, zowel uit kostenoogpunt en bedrijfsvoeringmogelijkheden is vooral het industriële vestigingsklimaat hier bedreigd.

Kamers en benoemende organisaties zouden alles in het werk moeten stellen om bij het overleg over de implementatie van de KRW, zowel op landelijk als regionaal niveau, betrokken te worden. Hier zal, buiten oog voor de financiële zaken, ook een technische inbreng van belang zijn. Nu reeds is het belangrijk dat de Kamers in een stroomgebied (Schelde, Maas, Rijn, Eems) gezamenlijk optrekken. Dit betekent voor de Kamers in mijn waterschappelijk werkgebied:

– Zeeland en West-Brabant in het stroomgebied van de Schelde

– o.a. West en Midden-Brabant en Rotterdam in het stroomgebied van de Maas

– o.a. Rotterdam, Rivierenland en Centraal Gelderland in het stroomgebied van de Rijn

Samenwerking om te komen tot deelname in de stroomgebiedoverleggen is noodzakelijk, zodat vooral de economische effect rapportage in de stroomgebiedsplannen worden betrokken en mede overwogen.

Gaarne tot nadere informatie bereid,

hoogachtend,

L.H. van der Kallen

o.a. lid AV Waterschap Zeeuwse Eilanden

lid AV Waterschap Rivierenland

lid AV Waterschap Brabantse Delta

 


B&W GEMEENTE BERGEN OP ZOOM INZ. WATERKETEN – A002

 


 

Bergen op Zoom, 26 februari 2005

 

College van Burgemeester en

Wethouders der Gemeente Bergen op Zoom

Postbus 35

4600 AA Bergen op Zoom

 

Betreft: waterketen, grondwater en KRW, kenmerk LK/5000

 

Geacht College,

Op het gebied van water zijn er veel ontwikkelingen die grotendeels voortkomen uit het geformuleerde en te formuleren beleid van hogere en andere overheden.

Voor de D66/BSD-fractie leidt dit tot het aangeven van een aantal suggesties c.q. vragen

Waterketen

De landsregering wil komen tot een aanzienlijke besparing in de totale waterketen, waarbij samenwerking en een waterketenbedrijf tot de mogelijkheden zouden kunnen behoren.

In Gelderland loopt in dit kader een breed initiatief, waar alle overheden en het waterbedrijf de waterketen vorm aan het geven zijn met het oogmerk tot aanzienlijke besparingen te komen.

In een bestuurlijke werkgroep, waarin zeven gemeenten, alle Gelderse waterschappen, de Provincie en het waterbedrijf vertegenwoordigd zijn, worden de plannen uitgewerkt.

Startpunt is o.a. het gegeven dat reeds 10 jaar in een twaalftal Gelderse gemeenten één waterketennota verstuurd wordt door het waterbedrijf, waar ook de waterschapsheffing en het rioolrecht (op basis van het drinkwaterverbruik) in verwerkt zijn.
1.Is Uw College bekend met dit Gelders initiatief?
2.Is Uw College bereid in West-Brabant initiatiefnemer te worden om dit ook hier van de grond te krijgen?

Grondwaterrichtlijn

Er komt een Europese Grondwaterrichtlijn, waardoor (als de voortekenen ons niet bedriegen) de gemeenten de formeel wettelijke grondwaterzorgplicht op hun bordje zullen krijgen. Of hier sprake zal zijn van een resultaat- of inspanningsverplichting is nog niet duidelijk. Helder is wel dat de risico’s door claims voor de gemeente aanzienlijk zullen stijgen.

In de Tweede Kamer zijn al partijen (o.a. Van Lith van het CDA) die stellen dat de watertoets een zwaarder gewicht zou moeten krijgen. Zeker de plannen rond de Augustapolder en de Bergse Haven verdienen in dit kader onze aandacht.
1.Is er bij de opzet van deze plannen reeds rekening gehouden met deze Europese grondwaterrichtlijn in wording en hoe worden de toenemende risico’s afgedekt?

Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)

De KRW is voor iedere waterbeheerder een doos van Pandora.

De kosten zullen, over de hele waterketen bezien, aanmerkelijk stijgen. Naar het gevoelen van de D66/BSD-fractie wordt dit door de meeste overheden enorm onderschat.

Veel waterbeheerders denken dat de implementatie vertraagd zal worden c.q. dat het beperkt zal blijven tot een inspanningsverplichting. Deze gedachte is ingegeven door onze min of meer gedoogcultuur. Met Europese regelgeving is dit anders. Die is gebaseerd op handhaving naar de letter!

Nu reeds heeft de Europese Commissie Nederland gedaagd voor het Europese Hof van Justitie wegens het niet (tijdig) omzetten van de KRW in wetgeving.

Uit de ambitienota van het kabinet blijkt dat zij rekening houdt met een verdubbeling (in euro’s van nu) van de zuiveringslasten (waterkwaliteitsheffing) tot 2015. Tevens heeft het CPB aangegeven zelfs niet in ruwe termen iets te kunnen zeggen over de kosten van de KRW (bron: quick scan CPB).

Alleen al de zuiveringslasten betekenen 150 à 200 euro per gezin per jaar meer lasten.

Zoals de wetgeving nu luidt, betekent dit ook voor gemeenten verder sterk stijgende kosten voor bijvoorbeeld riolering vanwege verdergaande eisen (mogelijk kan/mag niet meer) aan aard en aantal overstorten.

De enige temporiseringroute (derogatie) is een economische. Uit de in omloop zijnde stukken blijkt dat tot op heden er geen economische effect analyse is gemaakt. Ook in het landelijk bestuurlijk overleg water (LBOW), waarin de gemeenten via de VNG vertegenwoordigd is, speelt de economische effectanalyse (nodig voor derogatie) geen rol.
1.De D66/BSD-fractie verzoekt Uw College dringend middels de VNG de noodzaak van een economische effect analyse in te brengen in het LBOW.
2.Tevens verzoekt de D66/BSD-fractie Uw College dringend te overwegen alle nog in het beheer van de gemeente zijnde watergangen zo spoedig mogelijk over te dragen aan het waterschap. De kosten van het beheer van watergangen, zowel van uitvoering als beleid, zullen zeker scherp stijgen.

Uw reacties tegemoet ziende,

hoogachtend,

namens de D66/BSD-fractie

Louis van der Kallen

 


BEDENKINGEN KEUR – 0001

 


 

Bergen op Zoom, 12 februari 2005

 

Aan het Dagelijks Bestuur van het

Waterschap Brabantse Delta

Postbus 5520

4801 DZ Breda

 

Betreft: Bedenkingen inzake de conceptkeur en het ontheffingen- en vergunningenbeleid

Geacht Bestuur,

Ten aanzien van de keur:

In artikel 3.6 wordt archeologisch onderzoek niet genoemd! De opsomming lijkt limitatief. In dat geval zou archeologisch onderzoek, bijvoorbeeld proefboringen, dus overal mogen.

Ten aanzien van artikele 6.1 en 6.2 rijzen een aantal definitievragen. “Schip” wordt genoemd, maar niet gedefinieerd. “Vaartuig” is wel gedefinieerd. “Vaarevenement/groepsacitiviteit” is slecht tot niet sluitend gedefinieerd. Wanneer is iets een groepsactiviteit? Wanneer is iets een groep? Dit is met name relevant voor bijvoorbeeld het gebruik van (legger)wateren als vaarweg voor en door kano’s. Nu lijkt het kanovaren overal toegestaan! Is dit ook zo?

Met name in wateren c.q. oevers met hoog ecologische waarden kan kanovaart een ernstige bedreiging zijn voor die waarden.

Ten aanzien van het ontheffing- en vergunningenbeleid:

Op pagina 22 ontbreekt wederom het archeologisch onderzoek/proefboringen.

Uw reactie afwachtend,

hoogachtend,

L.H. van der Kallen

 


INSPRAAKPUNT V&W INZ. VOLKERAK-ZOOMMEER – A001

 


 

Bergen op Zoom, 27 december 2004

 

Inspraakpunt V&W

Startnotitie Planstudie

Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer

 

per e-mail: inspraakpunt@inspraakvenw.nl

L.S.,

Ondergetekende bestrijdt niet dat er in het Krammer/Volkerak/Zoommeer systeemproblemen zijn met de waterkwaliteit en dat blauwalgen een rem zijn op de huidige en toekomstige ontwikkelingen van natuurwaarden en de recreatieve ontwikkelingen in dit gebied. Ook ondergetekende ziet de blauwalgproblematiek als iets wat aanpak vereist. We moeten het zoetwaterecosysteem helpen op orde te komen. Maar anderzijds moet men zich realiseren dat het ontstaan van een stabiel ecosysteem ter plaatse langere tijd zal vergen.

Vijftig jaar gelegen ontwikkelde men, na de grootste natuurramp in onze moderne geschiedenis, het Deltaplan. Veiligheid stond daarin terecht centraal. Wat gebeurd was mocht nooit meer gebeuren. De mens greep radicaal in in de natuurlijke systemen. Met kolossale gevolgen. Voor de natuur speelden wij voor God. We beschikten over de dood van miljarden levensvormen. Gebieden die duizenden jaren zout waren geweest, werden door menselijk ingrijpen veroordeeld tot een zoete toekomst. De verwachting was, naar nu gebleken is onterecht, dat wij met technische ingrepen dit wel even zouden regelen. Nu blijkt dat de transitie van zout naar zoet veel problematischer is dan men toen bevroedde.

De nu voorliggende startnotitie Planstudie Waterkwaliteit Volkerak-Zoommeer (hierna genoemde startnotitie) bevat een zoutalternatief. Dit alternatief zou kunnen betekenen dat “we weer voor God gaan spelen”. Weer zal, als dit zoute alternatief door zou gaan, het ecosysteem radicaal op de schop worden genomen met als gevolg de vernietiging van vrijwel alles wat leeft in de betrokken wateren.

Het is naar mijn gevoelen vergaande arrogantie te denken dat het nu wel even zal lukken. De mensheid blijft, ondanks dat de natuur ons keer op keer op de feiten drukt, geloven in de eigen bedachte technische oplossingen.

Ondergetekende wenst wel te leren van de fouten uit het verleden. Tevens accepteert ondergetekende dat natuurlijke processen langer duren dan voor onze genoegens wenselijk wordt geacht.

Voor mijn gevoel gaan we weer soortgelijke fouten maken als in het verleden, maar nu is de druk van toen (veiligheid creëren voor de bevolking) niet aanwezig.

Water staat mondiaal en nationaal volop in de belangstelling. Na de hoge waterstanden in de jaren negentig is er een commissie aan de slag gegaan om integraal het gewenste waterbeheer voor de 21e eeuw in beeld te brengen, te weten de commissie Tielrooij, in opdracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Unie van Waterschappen.

De verwachting van ondergetekende was dan ook dat bij de ontwikkeling van de startnotitie met de inhoud van de rapportage Waterbeheer 21e eeuw rekening zou worden gehouden. Ik kan niet anders dan constateren dat dit niet het geval is. Op twee belangrijke punten wijkt de startnotitie fundamenteel af van WB21, te weten:
1.afwenteling en
2.de beschikbaarheid van zoet water

Ad 1 op pagina 41 WB21 van het advies is te vinden onder de uitgangspunten voor een taakstellend waterbeleid: “Voor het watersysteem; betrouwbaar, duurzaam en bestuurbaar, water als bondgenoot, geen afwenteling van problemen”.

De estuariene dynamiek en de afgeleide door Rijkswaterstaat gewenste rivierdynamiek (ruimte voor de rivier) leidt voor West Brabant tot geweldige afwateringsproblemen. Zorg delen, aandacht hebben voor of schenken aan c.q. het zoeken naar oplossingen voor deze problematiek is aardig, maar het is simpel afschuiven van immense problemen. Waar het op neer komt is niet het bemalen van een poldertje, maar het afwateren van grote delen West Brabant en delen van België.

Feitelijk kan dit betekenen dat bij hoog water rivieren als De Vliet en het Mark-Dintel-systeem over de dijk geslagen moeten worden met een mogelijke opvoerhoogte van meer dan 2 meter. Dit is in Nederland nog nergens vertoond. Den Haag doet of hun neus bloedt. Geen enkele financiële toezegging, zelfs niet in principe, terwijl het feitelijke principe binnen de huidige waterschapswetgeving en -regelgeving een financiering is door het belanghebbende gebied. West Brabant dus!!! Voor ondergetekende volstrekt onacceptabel.

Let wel: voor Rijkswaterstaat is deze afwateringsoptie zeer aantrekkelijk. Tegen geringe kosten is dit de beste oplossing om steden en gebieden zoals Rotterdam en Dordrecht droog te houden en te vrijwaren van wateroverlast en economische schade bij hoog water van de rivieren.

Statistisch is aantoonbaar dat hoogwaters in het Maas-Waal-Lek-systeem samenvallen met een hoge waterafvoer in de West Brabantse systemen. Dus voor ondergetekende, betrokken bij de waterhuishouding, is dit gebied prioriteit nummer één. De afspraken met betrekking tot het peilbesluit 1996 zijn voor ondergetekende heilig, dus onaantastbaar.

Ad 2: de beschikbaarheid van zoet water.

WB21 gaat niet alleen over een te veel aan water, maar behandelt nadrukkelijk ook de beschikbaarheid in relatie met de behoefte aan zoet water.

Door de ontwikkelingen in klimaat, bodemdaling en zeespiegelstijging, alsmede veranderingen in het beheer en gebruik van de bodem, veranderen de beschikbaarheid en de behoefte aan zoet water. WB21 zegt daar op een aantal plaatsen iets over. Het meest markant en helder op pagina 72 van het basisrapport: “Specifiek voor Laag Nederland speelt het probleem van de verzilting. Door de zeespiegelstijging en de bodemdaling neemt de verzilting toe in de lage polders langs de kust in Zuidwest Nederland, achter de Hollandse duinenrij.

Dit zal consequenties hebben voor het grondgebruik, met name voor landbouw en natuur.

Door toenemende verzilting en drogere zomers zal de vraag naar zoet water voor doorspoeling en beregening in West Nederland toenemen.

De aanvoer van zoet water zal echter juist afnemen. In Zuidwest Nederland zal de beschikbaarheid van zoet water in toenemende mate een knelpunt worden voor de daar aanwezige glastuinbouw, vollegronds-tuinbouw, bollenteelt en ook de akkerbouw.

De commissie wil daarom aandringen op het aanleggen van zoetwatervoorraden binnen de regio’s. Ook de verdeling van rivierwater over diverse watervragers verdient een kritische afweging”, einde citaat WB21.

Er dreigt dus een zoetwater tekort voor grote delen van het beneden rivierengebied in de toekomst. De huidige watertoevoer van het Lek-Waal-Maas-systeem gaat, ingeval van normale en geringe toevoer, vrijwel uitsluitend via de Nieuwe Waterweg naar de Noordzee. Onvoldoende wordt er beseft, dat de rivierafvoeren in de zomer af zullen nemen ten opzichte van wat we gewend zijn. De zomers in West Europa worden de laatste jaren droger en de verwachting van klimatologen is dat dit proces van klimaatverandering doorgaat.

Niet alleen de Maasafvoer vermindert in de zomer, ook het karakter van de Rijn verandert. Door het proces van terugtrekkende gletschers (reeds ca. 100 jaren aan de gang, maar de afgelopen decennia versnellend) wordt de Rijn steeds meer regen- en steeds minder smeltrivier en daardoor minder afvoer in de zomer.

Het proces van minder afvoer wordt in toenemende mate versterkt door een ander gebruik van het rivierwater. Niet alleen in Nederland zal steeds meer grondwatergebruik voor drinkwater en industrie omgezet worden in water gewonnen uit de rivier en andere oppervlaktewateren.

Ook bovenstrooms gaat dit proces door. Ook de landbouw zal door de drogere zomers meer water uit de rivieren betrekken. Kortom, het is zeer de vraag hoeveel water minimaal onze grenzen zal bereiken. Met name de waterverdeling van de Rijn, IJssel, Lek en Waal kan vanwege de eisen van de scheepvaart de hoeveelheid water voor het doorspoelen van onze wateren wel eens (ver) onder het vereiste minimum drukken.

Tot zover de schets van het waterbeslag, die duidelijk maakt dat het zomers knijpen wordt om, zonder hydrologische ingrepen, de huidige watervoorziening voor scheepvaart, industrie, landbouw en drinkwater zeker te stellen. Voldoende zoet water op ieder moment is geen vanzelfsprekende zaak.

Met dit toekomstbeeld gaat desondanks binnenkort het Haringvliet op een kier met als gevolg meer zoet water wat anders dan via de Nieuwe Waterweg naar zee gaat. Als dan ook de sluizen opengaan richting Krammer/Volkerak/Zoommeer met nog meer zoetwaterverlies, denk ik dat het in de toekomst des zomers wel eens goed spaak zou kunnen lopen met grote zoetwater-tekorten en problemen voor de scheepvaart.

Wie, wat wordt dan het slachtoffer? Welke maatregelen zullen dan weggegooid geld blijken?

Beter zou het zijn om het rapport WB21 serieus te nemen.

Startpunt van de startnotitie is: we hebben een probleem in het Krammer/Volkerak/

Zoommeer-systeem en daar moeten we wat aan doen.

Bevat de startnotitie de oplossing of zijn er andere mogelijkheden?

In opdracht van de waterbeheerder Rijkswaterstaat Zeeland is er een werkgroep aan de gang geweest met het project “Verkenning oplossingsrichtingen Volkerak-Zoommeer”. De verkenningsfase is afgerond. Oorzaken zijn reeds duidelijk in een informatiebulletin geformuleerd: “De belangrijkste oorzaak van het blauwalgenprobleem in het Volkerak-Zoommeer is de grote aanvoer van meststoffen vanuit de Brabantse rivieren. De overmaat aan voedingsstoffen in combinatie met de lange verblijftijd van het water in het systeem, vormen samen de ideale omstandigheden waarin een explosieve groei van blauwalgen kan plaatsvinden”.

Nog een citaat uit een informatiebulletin wil ik U niet onthouden: “We moeten voorkomen dat we van de groene soep in de zeesla belanden zoals in het Veerse Meer is gebeurd (Zeesla is een soort wier dat in zout water met veel meststoffen voorkomt. De grote bladeren zijn hinderlijk voor waterrecreatie en kunnen stankoverlast veroorzaken)”. Wat in voedselrijk zout water ook problemen kan veroorzaken zijn groen- en kiezelwieren c.q. algen.

Op pagina 5 van de startnotitie staat: “De bedoeling is de condities in het Volkerak-Zoommeer op de middellange termijn (tot het jaar 2015) zodanig te verbeteren, dat de kans op ongewenste bloei van blauwalgen zo klein mogelijk wordt”.

Wat is “zo klein mogelijk”? Graag een heldere definitie van de doelstelling formuleren. Ook de Overheid dient afrekenbaar te zijn (SMART).

Ten aanzien van paragraaf 1.3:

Het is goed de overlast van blauwalgen zoveel mogelijk te willen beperken. Dit doel, hoe weinig SMART ook dient één absolute beperking te kennen, namelijk het uitgangspunt dat er geen nieuw probleem gecreëerd mag worden, hetzij ecologisch hetzij hydrologisch, hetzij landbouwkundig van aard.

Ten aanzien van paragraaf 2.1:

“De overmaat van meststoffen zorgt, in combinatie met de geringe doorstroming van het meer, voor ideale omstandigheden die een explosieve groei van blauwalgen mogelijk maken” (pag. 7).

Enige relativering is ook bij deze harde en juiste constatering op zijn plaats. De relevante meststoffen zijn stikstof (N) en fosfaat (P). De N-concentratie is in de periode 1997/2002 op alle meetpunten gedaald en op sommige plekken gehalveerd. De P-concentraties zijn vrijwel constant, behalve in het Hollandsch Diep waar de P-concentratie scherp dalende is. Doorspoeling met water uit het Hollandsch Diep, waar ik reeds in maart 2003 in de Staten van Noord Brabant voor pleitte, kan dus een grote verbetering geven.

Ook is tot op heden onvoldoende gekeken naar op welke wijze de concentraties omlaag te brengen zijn:

– Omlegging Mark/Dintel/Vliet-systeem (uitwatering in het Hollandsch Diep) zou goed bekeken moeten worden

– Versterking van het verwerken van de N- en P-concentraties (driehoeksmosselcultures en helofyten)

– Versterking van de biologische afvoer. De rondlopende Schotse Hooglanders eten, net als de ganzen, de N- en P-bindende planten (helofyten) op. Maar er is één groot verschil: de hooglanders poepen ter plaatse en brengen N en P weer terug in het systeem. De ganzen poepen vaak elders na het fourageren en brengen N en P deels buiten het systeem. Verwijderen van de runderen ligt dus voor de hand.

– Uitbreiding van het gebied dat geschikt is voor helofyten (!) met als gevolg meer binding N en P! Meer ganzen die N en P afvoeren. Meer voortplantingsplekken voor de snoeken.

– Doorspoelen met water uit het Hollandsch Diep wanneer het maar beschikbaar is.

Ten aanzien van blauwalgen nader bekeken:

Waar overleven zij? In de diepte! In de systeembeschrijving komt men tot de conclusie dat de bodem van het meer ernstig verontreinigd is en gesaneerd moet worden Combineer dit gegeven met de doelstelling het meer zodanig in te richten dat de winteroverlevingskans van de blauwalgen daalt. Vul de diepten (meer dan 6 meter) buiten de vaargeul op, zodat in de winter de algen niet kunnen overleven in diepten die niet doorspoelen en in de winter te weinig afkoelen. Egaliseer diepten in de vaargeul, zodat overal de doorstroming geoptimaliseerd wordt.

Het huidige Volkerak-Zoommeer gaat qua waterkwaliteit, zij het langzaam, in de goede richting. Er is met eenvoudige middelen veel te bereiken:

– Weg met de Hooglanders, meer ganzen zullen komen (die vinden de knolletjes lekker) met als nevengevolg minder ganzenvraat buiten het gebied

– Meer helofyten met als gevolg meer snoeken die de plantenetende vissen uitdunnen

– Meer doorspoeling met voedselarmer water (Hollandsch Diep)

– Vermindering overlevingskans door meer doorspoelbare diepten

Behoudt dit zoete meer, dat voor de landbouw van onschatbare waarde is!

Verzilting is voor de landbouw een bedreiging, maar ook voor veel bouwwerken. Zoute lucht, zoute kwel en zout water zijn zeer corroderend. Van Tielrooij’s WB 21 geeft het belang van zoet water in dit gebied nadrukkelijk aan. Zij hebben het waterbeleid voor de 21ste eeuw integraal bekeken.

Ik wens U allen veel wijsheid toe in dit verdere proces.

Hoogachtend,

L.H. van der Kallen

 


REDE L. VAN DER KALLEN TEGEN INTEGRALE VISIE DELTAWATEREN

 

| 23-06-2003 | 22.00 uur |


 

 

REDE L. VAN DER KALLEN TEGEN INTEGRALE VISIE DELTAWATEREN

Voorzitter, geachte collega’s,

Geheel in tegenstelling tot mijn gewoonte, heb ik de woorden, die ik ten aanzien van de Integrale Visie Deltawateren tot U wil richten, op papier gezet. Niet omdat ik bij deze laatste inhoudelijke statenvergadering van deze periode van stijl verander, maar omdat ik bij dit statenvoorstel U geen enkel argument of overweging van mij wil onthouden.

Voorzitter, mijn fractie bestrijdt niet dat er in het Krammer/Volkerak/Zoommeer systeemproblemen zijn met de waterkwaliteit en dat blauwalgen een rem zijn op de huidige en toekomstige ontwikkelingen van natuurwaarden en de recreatieve ontwikkelingen in dit gebied. Ook Leefbaar Brabant/BOF ziet de blauwalgproblematiek als iets wat aanpak vereist. We moeten het zoetwaterecosysteem helpen op orde te komen. Maar anderzijds moet men zich realiseren dat het ontstaan van een stabiel ecosysteem ter plaatse langere tijd zal vergen.

Vijftig jaar gelegen ontwikkelde men, na de grootste natuurramp in onze moderne geschiedenis, het Deltaplan. Veiligheid stond daarin terecht centraal. Wat gebeurd was mocht nooit meer gebeuren. De mens greep radicaal in in de natuurlijke systemen. Met kolossale gevolgen. Voor de natuur speelden wij voor God. We beschikten over de dood van miljarden levensvormen. Gebieden die duizenden jaren zout waren geweest, werden door menselijk ingrijpen veroordeeld tot een zoete toekomst. De verwachting was, naar nu gebleken is onterecht, dat wij met technische ingrepen dit wel even zouden regelen. Nu blijkt dat de transitie van zout naar zoet veel problematischer is dan men toen bevroedde.

En nu blijkt uit de nu te bespreken “Integrale Visie Deltawateren” dat we weer voor God gaan spelen. Weer zal, als deze plannen doorgaan, het ecosysteem radicaal op de schop worden genomen met als gevolg de vernietiging van vrijwel alles wat leeft in de betrokken wateren. Het is naar ons gevoelen vergaande arrogantie te denken dat het nu wel even zal lukken. De mensheid blijft, ondanks dat de natuur ons keer op keer op de feiten drukt, geloven in de eigen bedachte technische oplossingen.

Onze fractie wenst wel te leren van de fouten uit het verleden. Tevens accepteert onze fractie dat natuurlijke processen langer duren dan voor onze genoegens wenselijk wordt geacht.

Voor mijn gevoel gaan we weer soortgelijke fouten maken als in het verleden, maar nu is de druk van toen (veiligheid creëren voor de bevolking) niet aanwezig.

Water staat mondiaal en nationaal volop in de belangstelling. Na de hoge waterstanden in de jaren negentig is er een commissie aan de slag gegaan om integraal het gewenste waterbeheer voor de 21e eeuw in beeld te brengen, te weten de commissie Tielrooij, in opdracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Unie van Waterschappen.

De verwachting van onze fractie was dan ook dat bij de ontwikkeling van de “Integrale Visie Deltawateren “met de inhoud van de rapportage Waterbeheer 21e eeuw rekening zou worden gehouden. Ik kan niet anders dan constateren dat dit niet het geval is. Op twee belangrijke punten wijkt de visie fundamenteel af van WB21, te weten:

  • afwenteling en
  • de beschikbaarheid van zoet water

Ad 1 op pagina 41 WB21 van het advies is te vinden onder de uitgangspunten voor een taakstellend waterbeleid: “Voor het watersysteem; betrouwbaar, duurzaam en bestuurbaar, water als bondgenoot, geen afwenteling van problemen”.

De estuariene dynamiek en de afgeleide door Rijkswaterstaat gewenste rivierdynamiek leidt voor West Brabant tot geweldige afwateringsproblemen. Zorg delen, aandacht hebben voor of schenken aan c.q. het zoeken naar oplossingen voor deze problematiek is aardig, maar het is simpel afschuiven van immense problemen. Waar het op neer komt is niet het bemalen van een poldertje, maar het afwateren van grote delen West Brabant en delen van België.

Feitelijk kan dit betekenen dat bij hoog water rivieren als De Vliet en het Mark-Dintel-systeem over de dijk geslagen moeten worden met een mogelijke opvoerhoogte van meer dan 2 meter. Dit is in Nederland nog nergens vertoond. Den Haag doet of hun neus bloedt. Geen enkele financiële toezegging, zelfs niet in principe, terwijl het feitelijke principe binnen de huidige waterschapswetgeving en -regelgeving een financiering is door het belanghebbende gebied. West Brabant dus!!! Voor onze fractie volstrekt onacceptabel.

Let wel: voor Rijkswaterstaat is deze afwateringsoptie zeer aantrekkelijk. Tegen geringe kosten is dit de beste oplossing om steden en gebieden zoals Rotterdam en Dordrecht droog te houden en te vrijwaren van wateroverlast en economische schade bij hoog water van de rivieren. Staten/College pas op de West Brabantse zaak!

Statistisch is aantoonbaar dat hoogwaters in het Maas-Waal-Lek-systeem samenvallen met een hoge waterafvoer in de West Brabantse systemen. Dus voor dit West Brabantse statenlid, betrokken bij de waterhuishouding, is dit gebied prioriteit nummer één. 

Ad 2: de beschikbaarheid van zoet water.

WB21 gaat niet alleen over een te veel aan water, maar behandelt nadrukkelijk ook de beschikbaarheid in relatie met de behoefte aan zoet water.

Door de ontwikkelingen in klimaat, bodemdaling en zeespiegelstijging, alsmede veranderingen in het beheer en gebruik van de bodem, veranderen de beschikbaarheid en de behoefte aan zoet water. WB21 zegt daar op een aantal plaatsen iets over. Het meest markant en helder op pagina 72 van het basisrapport: “Specifiek voor Laag Nederland speelt het probleem van de verzilting. Door de zeespiegelstijging en de bodemdaling neemt de verzilting toe in de lage polders langs de kust in Zuidwest Nederland, achter de Hollandse duinenrij.

Dit zal consequenties hebben voor het grondgebruik, met name voor landbouw en natuur.

Door toenemende verzilting en drogere zomers zal de vraag naar zoet water voor doorspoeling en beregening in West Nederland toenemen. De aanvoer van zoet water zal echter juist afnemen. In Zuidwest Nederland zal de beschikbaarheid van zoet water in toenemende mate een knelpunt worden voor de daar aanwezige glastuinbouw, vollegronds-tuinbouw, bollenteelt en ook de akkerbouw.

De commissie wil daarom aandringen op het aanleggen van zoetwatervoorraden binnen de regio’s. Ook de verdeling van rivierwater over diverse watervragers verdient een kritische afweging”, einde citaat WB21.

Er dreigt dus een zoetwater tekort voor grote delen van het beneden rivierengebied in de toekomst. De huidige watertoevoer van het Lek-Waal-Maas-systeem gaat, ingeval van normale en geringe toevoer, vrijwel uitsluitend via de Nieuwe Waterweg naar de Noordzee. Onvoldoende wordt er beseft, dat de rivierafvoeren in de zomer af zullen nemen ten opzichte van wat we gewend zijn. De zomers in West Europa worden de laatste jaren droger en de verwachting van klimatologen is dat dit proces van klimaatverandering doorgaat.

Niet alleen de Maasafvoer vermindert in de zomer, ook het karakter van de Rijn verandert. Door het proces van terugtrekkende gletschers (reeds ca. 100 jaren aan de gang, maar de afgelopen decennia versnellend) wordt de Rijn steeds meer regen- en steeds minder smeltrivier en daardoor minder afvoer in de zomer.

Het proces van minder afvoer wordt in toenemende mate versterkt door een ander gebruik van het rivierwater. Niet alleen in Nederland zal steeds meer grondwatergebruik voor drinkwater en industrie omgezet worden in water gewonnen uit de rivier en andere oppervlaktewateren.

Ook bovenstrooms gaat dit proces door. Ook de landbouw zal door de drogere zomers meer water uit de rivieren betrekken. Kortom, het is zeer de vraag hoeveel water minimaal onze grenzen zal bereiken. Met name de waterverdeling van de Rijn, Overijssel, Lek en Waal kan vanwege de eisen van de scheepvaart de hoeveelheid water voor het doorspoelen van onze wateren wel eens (ver) onder het vereiste minimum drukken.

Tot zover de schets van het waterbeslag, waarop we als drie provincies geen invloed hebben, maar die wel duidelijk maakt dat het zomers knijpen wordt om, zonder hydrologische ingrepen, de huidige watervoorziening voor scheepvaart, industrie, landbouw en drinkwater zeker te stellen. Voldoende zoet water op ieder moment is geen vanzelfsprekende zaak.

Met dit toekomstbeeld gaat desondanks binnenkort het Haringvliet op een kier met als gevolg meer zoet water wat anders dan via de Nieuwe Waterweg naar zee gaat. Als dan ook de sluizen opengaan richting Krammer/Volkerak/Zoommeer met nog meer zoetwaterverlies, denk ik dat het in de toekomst des zomers wel eens goed spaak zou kunnen lopen met grote zoetwater-tekorten en problemen voor de scheepvaart.

Wie, wat wordt dan het slachtoffer? Welke maatregelen zullen dan weggegooid geld blijken?

Beter zou het zijn om het rapport WB21 serieus te nemen.

Wat mij ook bevreemd, is de timing van dit voorstel.

Voorzitter, startpunt van dit voorstel is: we hebben een probleem in het Krammer/Volkerak/Zoommeer-systeem en daar moeten we wat aan doen.

Is dit rapport Delta in Zicht de oplossing of zijn er andere mogelijkheden?

In opdracht van de waterbeheerder Rijkswaterstaat Zeeland is er een werkgroep aan de gang met het project “Verkenning oplossingsrichtingen Volkerak-Zoommeer”. Afstemming met de omgeving gebeurt o.a. met het Bestuurlijk Overleg Krammer-Volkerak, waarin naar alle waarschijnlijkheid ook onze provincie deelneemt.

Volgens het informatiebulletin van deze ‘verkenning oplossingsrichtingen Volkerak-Zoommeer’, wordt de verkenningsfase naar verwachting medio 2003 afgerond.

Oorzaken zijn reeds duidelijk geformuleerd. Volgens het informatiebulletin: “De belangrijkste oorzaak van het blauwalgenprobleem in het Volkerak-Zoommeer is de grote aanvoer van meststoffen vanuit de Brabantse rivieren. De overmaat aan voedingsstoffen in combinatie met de lange verblijftijd van het water in het systeem, vormen samen de ideale omstandigheden waarin een explosieve groei van blauwalgen kan plaatsvinden”.

Een aantal oplossingsrichtingen is ook al aangegeven. In maart 2003 worden deze, mede middels een workshop, nader uitgewerkt om – en ik citeer – een eerste selectie te laten maken van de meest kansrijke oplossingsrichtingen”, einde citaat.

Nog een citaat wil ik uw College niet onthouden: “We moeten voorkomen dat we van de groene soep in de zeesla belanden zoals in het Veerse Meer is gebeurd (Zeesla is een soort wier dat in zout water met veel meststoffen voorkomt. De grote bladeren zijn hinderlijk voor waterrecreatie en kunnen stankoverlast veroorzaken)”. Wat in voedselrijk zout water ook problemen kan veroorzaken zijn groen- en kiezelwieren c.q. algen.

Leefbaar Brabant/BOF gaat altijd voor een aanpak bij de bron: de oorzaak, de overmaat aan voedingsstoffen in onze rivieren, Mark-Dintel- en Vliet-systemen.

 Ter voorkoming dat men zou denken dat ik het allemaal zelf verzin, nog een citaat:

“Harde en snelle aanpak van de watervervuiling door Brabantse boeren is de enige oplossing voor de blauwalgproblemen in de Zeeuwse randmeren Krammer-Volkerak en Zoommeer. In plaats van het mestbeleid te versoepelen, moet ‘Den Haag’ strengere normen toepassen, aldus Luc Absil van de Stichting Reinwater”.

Leefbaar Brabant/BOF staat voor helderheid en een éénduidige boodschap. Wij snappen het dan ook niet, dat een demissionaire staatssecretaris als Schultz van Haegen van Verkeer en Waterstaat zich bezorgd toont over de massale vogelsterfte in de randmeren als gevolg van blauwalg en een collega, Odink van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij vrijwel gelijktijdig namens de regering de veroorzakers een soepeler, minder streng mestbeleid aankondigt.

Wat ik ook jammer vind is, dat een STOWA-stuk van enige jaren terug, in opdracht van het IPO tot stand gekomen: “toxische blauwalgen in recreatiewater” niet in de beschouwingen is meegenomen.

Dit stuk bevat veel leermomenten, o.a.

  • blauwalg is er ook als U het niet ziet
  • blauwalg overwintert in de wateren
  • blauwalgproblemen zijn te voorkomen met doorspoelen.

    Voorzitter, ook andere oplossingen zijn mogelijk. Persoonlijk denk ik dat bijvoorbeeld isoleren van het watersysteem door het afleiden van de aanvoer van voedings-/meststoffen (bijvoorbeeld via verlegging van de afwatering Mark-Dintel-Vliet) een reële optie is, die het verdient in ruimte en tijd bekeken te worden en uitgewerkt.  Een ander alternatief is het doorspoelen in de winter, wanneer er meer zoet rivierwater is en het negen van de tien keer ook nog eens van betere kwaliteit is dan in de zomer. Dit roept bij de LB/BOF zelfs de vraag op: waarom is dit nondeju niet gebeurd. Nu kiezen voor een oplossingsrichting acht de LB/BOF-fractie, terwijl de waterbeheerder nog in een proces zit van nadenken en uitwerken, volstrekt voorbarig en onverstandig.

Neem nu geen beslissingen gebaseerd op een onvolledig beeld. Naar mijn gevoelen is de kans groot dat we voor veel geld en moeite het ene probleem inruilen voor het andere, omdat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de mogelijk te beperkte beschikbaarheid van voldoende zoetwater en de andere belanghebbenden/gebruikers daarvan.

Kortom, met betrekking tot dit stuk is samenvattend te stellen:

  • de veiligheid van West Brabant is niet zeker gesteld
  • het is bedreigend voor de zoetwatervoorziening van Zuidwest Nederland
  • het is onvoldoende onderbouwd
  • het is onvoldoende integraal en voorbarig.

Voorzitter, niet alles in dit stuk is fout. De Overschelde is wat mij betreft een goed idee. De dreiging vanuit de Westerschelde kan bij langdurige westenwind met stuwing groot zijn en ook onze polders voor Woensdrecht en Ossendrecht bedreigen. De Overschelde kan daar een werkende oplossing voor zijn.

Tenslotte, dit is een Zeeuws stuk.

In de stuurgroep zaten 4 Brabanders van de 22 tegen 14 Zeeuwen
In de projectgroep zaten 4 Brabanders van de 16 tegen 6 Zeeuwen
In de werkgroep Estuariene dynamiek zaten 2 Brabanders van de 13
In de werkgroep Veiligheid zat 1 Brabander van de 14
In de werkgroep Occupatie zat 1 Brabander van de 16

Hoezo, een Brabants statenstuk! Naar mijn beleving is het Brabantse belang onvoldoende in dit stuk verwerkt.

Het zal duidelijk zijn: ik vraag aantekening tegen dit voorstel en ik vraag de collega’s er nog eens goed over na te denken en te handelen als Brabantse statenleden voor een Brabants belang.

Statenlid Louis van der Kallen voor Leefbaar Brabant / BOF